Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2011:BQ3814

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
03-05-2011
Datum publicatie
09-05-2011
Zaaknummer
Awb 11 / 490
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Sluiting woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet. De voorzieningenrechter is (voorlopig) van oordeel dat de enkele aanwezigheid van een handelshoeveelheid hennep(planten) voldoende basis vormt voor toepassing van artikel 13b van de Opiumwet nu het aantreffen van een handelshoeveelheid hennepplanten erop duidt dat deze aanwezig was om te worden verkocht, afgeleverd of verstrekt in de zin van dat artikel. Onverkorte toepassing van de beleidsregels in een geval als het onderhavige doet geen recht aan het reparatoire karakter van artikel 13b van de Opiumwet. Gelet op de ingrijpende gevolgen voor de situatie van verzoekers en hun kinderen, volstaat een verwijzing naar het beleid en de daarbij gemaakte algemene belangenafweging niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2012/4883
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 11 / 490

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank in de zaak tussen

[verzoekers], te [woonplaats], verzoekers

(gemachtigde: mr. A.M.A. Kok-Verheijde)

en

de Burgemeester van de gemeente Venlo, verweerder

Procesverloop

Bij besluit van 30 maart 2011 heeft verweerder verzoekers gelast de woning aan de [adres] voor een periode van één jaar, ingaande op maandag 11 april 2011 om 14.00 uur, te sluiten.

Tegen dit besluit is namens verzoekers bij schrijven van 4 april 2011 een bezwaarschrift op grond van de Awb ingediend bij verweerder. Tevens hebben verzoekers zich tot de rechtbank gewend met het verzoek ter zake een voorlopige voorziening te treffen ex artikel 8:81 van de Awb.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:83 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken zijn in afschrift aan de gemachtigde van verzoekers gezonden.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 18 april 2011, waar verzoekers in persoon zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door J.M.G. Vincken.

Overwegingen

1. In artikel 8:81 van de Awb is bepaald dat indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De rechter concludeert dat aan de eerste twee in artikel 8:81 van de Awb geformuleerde formele vereisten is voldaan nu verzoeker een bezwaarschrift heeft ingediend tegen het besluit ter zake waarvan de voorlopige voorziening wordt gevraagd en de rechtbank te Roermond bevoegd moet worden geacht om van de (eventuele) hoofdzaak kennis te nemen. De rechter ziet ook overigens geen beletselen verzoeker in zijn verzoek ex artikel 8:81 van de Awb te ontvangen. Ook acht de rechter de onverwijlde spoed genoegzaam aangetoond nu sluiting van de woning van verzoekers is voorzien indien en zodra de rechter afwijzend op het verzoek zal hebben beslist. De rechter komt dan ook toe aan een verdere belangenweging als hierboven bedoeld en in dat kader aan een voorlopig rechtmatigheidsoordeel ten aanzien van de hoofdzaak.

2. Ingevolge het bepaalde in artikel 13b van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot opleggen van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.

3. Verweerder heeft aan zijn besluit tot het opleggen van een last onder bestuursdwang ten grondslag gelegd dat blijkens politieonderzoek in de woning aan de [adres], die eigendom is van verzoekers en waarin zij samen met hun twee minderjarige kinderen wonen, een hennepkwekerij met een handelshoeveelheid softdrugs, te weten 2 kilogram hennep is aangetroffen. Verder heeft verweerder aan het bestaan van zijn bevoegdheid ten grondslag gelegd de verklaring van verzoekers tegenover de politie dat zij twee eerdere oogsten hebben gehad, waarvan zij de opbrengst hebben verkocht. Op grond van de informatie van de politie kan volgens verweerder als vaststaand worden aangenomen dat in de door verzoekers bewoonde woning verdovende middelen als bedoeld in artikel 3 van de Opiumwet, worden verkocht, afgeleverd, verstrekt dan wel daartoe aanwezig zijn.

4. Verzoekers betogen, samengevat, dat de burgemeester niet bevoegd was tot het opleggen van de last onder bestuursdwang, omdat niet voldaan zou zijn aan de voorwaarden daartoe, zoals die voorwaarden zijn omschreven in artikel 13b van de Opiumwet. Zij beroepen zich daartoe onder meer op de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 3 maart 2011, LJN nr. BP6668.

Verder voeren verzoekers, onder verwijzing naar het beleid in andere gemeenten, aan dat in plaats van sluiting een waarschuwing zou zijn aangewezen en dat er geen sprake is geweest van enige drugsoverlast omdat er niet werd gehandeld vanuit de woning. Tenslotte achten zij de maatregel in strijd met het reparatoire karakter van een sluitingsbevel op grond van artikel 13b van de Opiumwet en beroepen zij zich vanwege de gezinssituatie op de inherente afwijkingsmogelijkheid van artikel 4:84 van de Awb.

5. De rechter dient allereerst de vraag te beantwoorden of verweerder bevoegd was om met toepassing van artikel 13b van de Opiumwet tot sluiting van de woning van verzoeker over te gaan.

5.1. In de nu aan de orde zijnde kwestie is voor de voorzieningenrechter uit de stukken voldoende duidelijk, dat in de woning van verzoekers hennep is aangetroffen van aard en hoeveelheid als beschreven in het bestreden besluit. Verzoekers hebben erkend dat zij zelf in hun woning een hennepkwekerij hebben ingericht met een oppervlakte van 6,3 m2 en dat bij de inval door de politie 1,1 kilogram hennep en 900 gram afval van hennep zijn aangetroffen. De rechter volgt daarbij het standpunt van verweerder, dat deze totale hoeveelheid moet worden aangemerkt als stof vermeld in lijst II, behorende bij de Opiumwet.

Verder hebben verzoekers in het bezwaarschrift erkend, dat eerder in ieder geval één oogst is verkocht. Daarvan stellen zij dat die niet vanuit de woning is verkocht, maar is gebracht naar een plek buiten de woning en daar aan één persoon is verkocht, zoals ook de bedoeling was met de nu aangetroffen voorraad.

Namens verzoekers is onder verwijzing naar de uitspraak van 3 maart 2011 betoogd dat aan het bepaalde in artikel 13b niet is voldaan.

5.2. De voorzieningenrechter heeft in genoemde uitspraak van 3 maart 2011 overwogen dat de kamerstukken niet geheel eenduidig zijn over de toepasbaarheid van artikel 13b van de Opiumwet bij hennepkwekerijen en dat de parlementaire behandeling ruimte biedt voor twijfel wat de wetgever heeft bedoeld. Die twijfel diende naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in het voordeel van de indiener van het verzoek om een voorlopige voorziening uit te vallen. Bevestiging voor het voorlopig oordeel dat artikel 13b van de Opiumwet geen bevoegdheid geeft een woning te sluiten vanwege een hennepkwekerij heeft de voorzieningenrechter gevonden in de verwerping van het amendement “Teeven” (Tweede Kamer 2006-2007, 30 515, nr. 14).

5.3. Anders dan de voorzieningenrechter van deze rechtbank in de hiervoor genoemde uitspraak van 3 maart 2011, is de rechter thans (voorlopig) van oordeel dat de enkele aanwezigheid van een handelshoeveelheid hennep(planten) voldoende basis vormt voor toepassing van artikel 13b van de Opiumwet nu het aantreffen van een handelshoeveelheid hennepplanten erop duidt dat deze aanwezig was om te worden verkocht, afgeleverd of verstrekt in de zin van dat artikel. De mogelijke twijfel, die de kamerstukken kunnen oproepen ten aanzien van de reikwijdte van artikel 13b geeft de rechter geen aanleiding voor een beperktere uitleg dan uit de tekst van dat artikel voortvloeit. Daarbij is in aanmerking genomen dat het verworpen amendement “Teeven” (Tweede Kamer 2006-2007, 30 515,

nr. 14) erop zag om de reikwijdte van artikel 13b van de Opiumwet uit te breiden tot teelt als zodanig, waaronder teelt voor eigen gebruik, en tot voorbereidingshandelingen voor hennepteelt. Aan de verwerping van dat amendement dient niet de gevolgtrekking te worden verbonden dat niet met bestuursdwang kan worden opgetreden tegen de aanwezigheid van een handelshoeveelheid hennepplanten in woningen en lokalen dan wel in of op bij woningen en lokalen behorende erven.

5.4. Uit het voorgaande volgt naar het voorlopig oordeel van de rechter dat verweerder in het onderhavige geval bevoegd was om met toepassing van artikel 13b van de Opiumwet tot sluiting van verzoekers woning over te gaan.

6. Met betrekking tot het gebruik van de bevoegdheid overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

6.1. Ter uitvoering van zijn bevoegdheid op grond van artikel 13b van de Opiumwet heeft verweerder op 28 september 2010 zijn “Beleidsregels ter voorkoming en bestrijding van drugsoverlast, -handel en -productie” (hierna: de beleidsregels) geactualiseerd. Deze beleidsregels zijn op 13 oktober 2010 gepubliceerd en op 14 oktober 2010 in werking getreden.

In de beleidsregels is opgenomen dat in het geval van handel van verdovende middelen vanuit een woning dan wel het daartoe aanwezig zijn in een woning de bestuursdwang slechts in beperkte gevallen eerst zal bestaan uit een waarschuwing. Deze gevallen betreffen de handel in kleine hoeveelheden softdrugs. In alle overige, als dringend te kwalificeren, gevallen volgt direct een sluitingsmaatregel op grond van artikel 13b van de Opiumwet. De duur van deze sluiting bedraagt 1 jaar. Als dringend geval is in elk geval - maar niet uitsluitend - te beschouwen de verkoop, aflevering of verstrekking, dan wel het daartoe aanwezig zijn van harddrugs en/of grote hoeveelheden softdrugs, waaronder ook de op verkoop c.q. handel gerichte, bedrijfsmatige hennepteelt in woningen, lokalen en/of bijbehorende erven wordt begrepen. Voor de bepaling of er al dan niet sprake is van een handelshoeveelheid en/of -voorraad en/of bedrijfsmatige hennepteelt zal de meest actuele versie van de betreffende beleidsregels van het Openbaar Ministerie en de daarin vermelde criteria en indicatoren als leidraad worden gebruikt. Verweerder heeft in zijn beleid aangeven op grond van welke zwaarwegende argumenten ook voor handel in verdovende middelen in en vanuit woningen een, in algemene zin verantwoorde, harde aanpak (“one strike you are out”) noodzakelijk is. Daarvoor heeft verweerder in zijn beleid erop gewezen dat de desbetreffende woningen vaak niet overeenkomstig hun bestemming worden gebruikt, er sprake is van bedrijfsmatigheid en dat er een noodzaak voor harde aanpak is gelegen in het voorkomen van het verplaatsingseffect van de betreffende handel vanuit inrichtingen naar woningen.

Met betrekking tot artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is in de beleidsregels het volgende opgenomen: Een illegaal verkooppunt van verdovende middelen kan een woning, inrichting of een voor publiek toegankelijk lokaal betreffen. Aangezien het huisrecht op grond van artikel 8 EVRM beschermd wordt, is voor woningen een zwaardere motivering vereist dan nodig is voor inrichtingen of lokalen. Er is, naast hetgeen hiervoor is gesteld, een aantal zwaarwegende argumenten om ook voor woningen het “one strike you are out” principe toe te passen:

• de desbetreffende woningen worden vaak niet als zodanig gebruikt;

• er is sprake van bedrijfsmatigheid;

• voorkoming van het verplaatsingseffect. Bij een niet gelijke toepassing van de sluitingssystematiek, zal een nog sterkere verplaatsing naar woningen gaan plaatsvinden, met alle negatieve gevolgen van dien, zoals verloedering van de woonomgeving op steeds meer plaatsen in de stad.

6.2. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (bvb. 26 juli 2006, LJN: AY5066 ) dient de rechter sluitingsbevelen die zijn genomen krachtens artikel 13b van de Opiumwet op terughoudende wijze te toetsen. Ook bij de vaststelling van de sluitingstermijn beschikt de burgemeester over beslissingsruimte. In de uitspraak van 8 september 2010, LJN: BN6187, heeft de Afdeling geoordeeld dat de burgemeester, gelet op het doel van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, te weten preventie en beheersing van de uit het drugsgebruik voortvloeiende risico’s voor de volksgezondheid en het voorkomen van nadelige effecten van de handel in het gebruik van drugs op het openbare leven en andere lokale omstandigheden, bij de vaststelling van de sluitingstermijn mag betrekken de noodzaak om de bekendheid van de inrichting als drugsadres teniet te doen, de rust in de directe omgeving te doen wederkeren of herhaling van ernstige verstoring van de openbare orde te voorkomen alsmede een verdere aantasting van het woon- en leefklimaat te voorkomen. De Afdeling heeft in die uitspraak verder geoordeeld dat het reparatoire karakter van de maatregel tot toepassing van bestuursdwang er slechts toe mag strekken overtredingen van de Opiumwet, zoals door de burgemeester geconstateerd op grond van artikel 13b, eerste lid, van deze wet te beëindigen en te voorkomen. Een verdergaande uitoefening van deze bevoegdheid zou tot gevolg hebben dat de sanctie niet enkel meer het karakter van herstelmaatregel heeft maar een leedtoevoegend karakter krijgt, aldus de Afdeling.

6.3. De rechter kan en zal hier verder in het midden laten of de door verweerder op 28 september 2010 vastgestelde beleidsregels ter voorkoming en bestrijding van drugsoverlast, -handel en -productie, op grond waarvan bij het aantreffen van een handelshoeveelheid hennepplanten in een woning in alle gevallen, zonder uitzonderingsmogelijkheid, zonder voorafgaande waarschuwing, tot een vaste sluitingstermijn van een jaar wordt overgegaan, blijft binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling. Deze vraag zal aan de orde komen in bij de rechtbank aanhangige bodemprocedures. De onderhavige procedure leent zich daar niet voor en beantwoording van deze vraag is in het onderhavige geval ook niet noodzakelijk.

6.4. Voorlopig oordelend komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat onverkorte toepassing van de beleidsregels in een geval als het onderhavige geen recht doet aan het reparatoire karakter van artikel 13b van de Opiumwet of in ieder geval dat dit onvoldoende is onderbouwd. Gelet op de ingrijpende gevolgen voor de situatie van verzoekers en hun kinderen, volstaat een verwijzing naar het beleid en de daarbij gemaakte algemene belangenafweging niet. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd dat en waarom de weging van het algemeen maatschappelijk belang om drugsoverlast en –handel terug te dringen enerzijds tegenover de persoonlijke gevolgen voor verzoekers en hun kinderen en de schending van artikel 8 van het EVRM anderzijds sluiting van de woning voor de duur van een jaar zonder voorafgaande waarschuwing rechtvaardigt. Verweerder heeft in zoverre in strijd met zijn eigen beleidsuitgangspunt dat bij sluiting van woningen een verzwaarde motiveringseis geldt, de maatregel niet voldoende gemotiveerd voor het concrete geval. Ook heeft verweerder in het geheel geen aandacht besteed aan het feit dat de hiervoor weergegeven argumenten voor de toepassing van het “one strike you are out” principe voor de sluiting van woningen voor het onderhavige geval niet opgaan. De woning van verzoekers wordt namelijk uitdrukkelijk wel in overeenstemming met haar maatschappelijke functie gebruikt. Verder is van belang dat het in het onderhavige geval op geen enkele wijze gebleken is dat de woning bekend staat als drugsadres van waaruit individuele handel plaats vond dan wel dat onrust in de directe omgeving tegengegaan diende te worden.

7. Op grond van voorgaande overwegingen kan niet op voorhand worden gezegd dat het bestreden besluit een gerede kans maakt in de hoofdzaak in stand te blijven. In aanmerking genomen de belangen van verzoekers, ziet de rechter dan ook aanleiding te bepalen dat het bestreden besluit wordt geschorst tot zes weken na het door verweerder te nemen besluit op het bezwaarschrift van verzoekers.

8. De rechter acht verder termen aanwezig om verweerder op grond van het bepaalde in de artikelen 8:84, vierde lid en 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die verzoekers redelijkerwijs hebben moeten maken in verband met de behandeling van dit verzoek, een en ander overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden twee punten toegekend. Het gewicht van de zaak wordt bepaald op gemiddeld, hetgeen correspondeert met de wegingsfactor 1.

Beslissing

De rechtbank:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe en schorst verweerders besluit van 30 maart 2011 tot zes weken na de door verweerder te nemen beslissing op het bezwaar van verzoekers;

- veroordeelt verweerder in de kosten van onderhavige procedure, aan de zijde van verzoekers begroot op € 874,00 (wegens kosten van rechtsbijstand) te betalen aan verzoekers;

- bepaalt dat verweerder aan verzoekers het door of namens dezen betaalde griffierecht ten bedrage van € 152,00 volledig vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Voncken, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van

L.M.W. Ottenheim, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 mei 2011.

w.g. L.M.W. Ottenheim,

griffier w.g. mr. P.J. Voncken,

voorzieningenrechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 3 mei 2011

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.