Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2011:BQ3504

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
11-05-2011
Datum publicatie
12-05-2011
Zaaknummer
101584 HA ZA 10-449
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2012:BW9156, Overig
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Zie LJN: BQ 3503.

Huwelijksgoederengemeenschap. Geen belang bij vordering vernietiging convenant gezien gebondenheid aan beschikking rechtbank waarin verdeling conform inhoud convenant is vastgesteld. Verhouding vernieting ten gevolge van dwaling 3:196 BW en procedure 382 aanhef en onder b Rv valsheid van stukken. Het volgen van twee afzonderlijke procedures in strijd met goede procesorde.

(voor overweging met betrekking tot verhouding convenant en beschikking rechtbank zid hieraan voorafgaand vonnis LJN BQ 3503).

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 196
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 382
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2011/64
RFR 2011/105
JPF 2011/112
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROERMOND

Sector civielrecht

zaaknummer / rolnummer: 101584 / HA ZA 10-449

Vonnis van 11 mei 2011

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. L.E.I.K. Jaminon,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. D.J.P.H. Stoelhorst.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 16 februari 2011.

2. De verdere beoordeling

2.1. De rechtbank blijft bij hetgeen zij bij haar vonnis van 16 februari 2011 heeft overwogen en beslist.

Bij genoemd vonnis heeft de rechtbank partijen in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over het voornemen van de rechtbank om [eiser] wegens gebrek aan belang in zijn vordering niet ontvankelijke te verklaren. Partijen hebben van die gelegenheid gebruik gemaakt.

2.2. [eiser] heeft allereerst aangevoerd, dat de rechtbank bij haar beschikking betreffende echtscheiding van 8 april 2009 geen verdeling heeft vastgesteld. De rechtbank kan [eiser] in die zienswijze niet volgen. Onder 3.2. van de beschikking is de volgende beslissing opgenomen: ‘bepaalt dat de onderlinge vermogensrechtelijke regeling, als opgenomen in het overgelegde convenant d.d. 5 maart 2009, waarvan een door de griffier gewaarmerkt afschrift van drie (3) bladzijden aan deze uitspraak is gehecht, als in deze beschikking opgenomen wordt beschouwd’. Met deze beslissing heeft de rechtbank de verdeling conform de inhoud van het convenant vastgesteld. Het feit dat de rechtbank daarbij voor de wijze waarop zij de verdeling vaststelt ter wille van de efficiency verwijst naar de in het convenant opgenomen regeling doet daaraan niet af.

2.3. Verder heeft [eiser] nog aangevoerd, dat hij belang heeft bij zijn vordering omdat, indien de in het convenant opgenomen verdeling wordt vernietigd op grond van dwaling omtrent de waarde van een of meer van de te verdelen goederen en schulden de valsheid van de overeenkomst, in welke deze onjuiste verdeling is overeengekomen, vaststaat. Voor het aanvechten van de beschikking van 8 april 2009 middels een beroep op herroeping op grond van artikel 382 aanhef en onder b Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Rv) dient volgens [eiser] vóór het indienen van dit beroep de valsheid van het echtscheidings-convenant waar de beschikking op berust komen vast te staan.

2.4. De rechtbank overweegt het volgende. De in artikel 3:196 Burgerlijk Wetboek (BW) genoemde dwaling en de in artikel 382 aanhef en onder b Rv genoemde valsheid van stukken betreffen verschillende juridische vraagstukken. Met andere woorden de beoordeling op grond van genoemde artikelen vindt naar verschillende maatstaven plaats. Dit betekent dat de uitkomst op grond van het ene artikel niet noodzakelijkerwijs tot een zelfde uitkomst op grond van het andere artikel hoeft te leiden. Overigens, indien dat wel zo zou zijn, valt niet in te zien waarom daarover twee verschillende procedures gevolgd zouden moeten worden. Integendeel, indien de uitkomst in beide procedures gelijkluidend zou zijn, nog daargelaten dat geenszins vast staat dat de beschikking van 8 april 2009 aantastbaar zou zijn gezien de in artikel 383 Rv opgenomen termijn van 3 maanden, dan zou het in strijd met een goede procesorde zou zijn om daarover twee verschillende procedures te volgen.

2.5. Concluderend is de rechtbank van oordeel, dat [eiser] geen belang heeft bij zijn vordering tot vernietiging van de in het convenant overeengekomen verdeling, aangezien partijen in geval van vernietiging van het convenant nog steeds gebonden zouden zijn aan de inhoud van de inmiddels onherroepelijke beschikking van 8 april 2009, waarin de verdeling is vastgesteld overeenkomstig de inhoud van het convenant.

De rechtbank zal [eiser] dan ook niet ontvankelijk verklaren.

2.6. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de procedure worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden tot op heden begroot op:

- griffierecht EUR 263,00

- kosten advocaat 678,00 (1,5 punt x EUR 452,00)

- Totaal EUR 941,00

3. De beslissing

de rechtbank

3.1. verklaart [eiser] niet ontvankelijk in zijn vorderingen,

3.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op EUR 941,00, te voldoen aan de griffier door overmaking op rekeningnummer 56.99.90.661 ten name van MvJ Arrondissement Roermond (544) onder vermelding van "proceskostenveroordeling" en het zaak- en rolnummer,

3.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.C.M. Bomans en in het openbaar uitgesproken op 11 mei 2011.?