Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2011:BQ1114

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
13-04-2011
Datum publicatie
13-04-2011
Zaaknummer
04/800011-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak mensenhandel

Bewezen is dat de slachtoffers diverse mobiele telefoonabonnementen voor verdachte hebben afgesloten, hem geld hebben geleend (dat hij vervolgens niet terugbetaalde) en een auto voor hem hebben gehuurd. Vrijspraak mensenhandel omdat de tenlastegelegde dwang, bedreiging en misbruik van omstandigheden, voor zover deze al heeft plaatsgevonden, niet in causaal verband staat tot het aangaan van voornoemde overeenkomsten door de slachtoffers. De subsidiair tenlastegelegde oplichting is wel bewezen.

Ook het gedurende een langdurige relatie verstrekken van gelden aan verdachte voor de aankoop van softdrugs teneinde de lieve vrede te bewaren maakt niet dat er sprake is van mensenhandel.

Vrijspraak stalking omdat aangeefster in die periode op vrijwillige basis de nodige contacten met verdachte onderhield.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector strafrecht

Parketnummer : 04/800011-10

Datum uitspraak: 13 april 2011

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Roermond, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de zaak tegen:

[naam verdachte]

geboren te [geboortedatum],

tijdens de behandeling ter terechtzitting gedetineerd in [detentie adres]

1.Het onderzoek van de zaak.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 30 maart 2011.

2.De tenlastelegging.

De verdachte staat terecht ter zake dat:

1.

hij op één of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 1 december 2009 tot en met 5 januari 2010 in de gemeente Beesel, althans in het arrondissement Roermond, meermalen, althans eenmaal, (telkens) een ander genaamd [slachtoffer 1], door dwang en/of één of meer feitelijkhe(i)d(en) en/of door bedreiging met geweld en/of bedreiging met één of meer feitelijkhe(i)d(en) en/of door afpersing en/of door misleiding en/of door misbruik van een kwetsbare positie, heeft gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van diensten of onder voornoemde omstandigheden enige handeling heeft ondernomen waarvan verdachte redelijkerwijs moest vermoeden, dat die [slachtoffer 1] zich daardoor tot het verrichten van die diensten beschikbaar zou stellen, immers heeft verdachte

die [slachtoffer 1] (telkens) gedwongen en/of bewogen tot

-het aangaan van een schuld, te weten het ten behoeve van verdachte afsluiten van (een) telefoonabonnement(en) en/of

-de afgifte van een/de mobiele telefoon('s) en/of simkaart(en) en/of

-de afgifte van een hoeveelheid geld

bestaande die dwang en/of één of meer andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld en/of bedreiging met één of meer feitelijkhe(i)d(en) en/of afpersing en/of door misleiding en/of misbruik van een kwetsbare positie eruit dat verdachte

-met die [slachtoffer 1] een (gewelddadige) seksuele relatie is aangegaan en/of

-verbaal agressief heeft gereageerd op die [slachtoffer 1] en/of heeft geschreeuwd en/of is uitgeflipt naar die [slachtoffer 1] en/of

-tegen die [slachtoffer 1] verhalen heeft verteld (inhoudende dat hij, verdachte, deel uitmaakt van een crimineel netwerk en/of in Duitsland lijken opruimt en/of de bodyguard van[slachtoffer 2] is omdat [slachtoffer 2] gevaar zou lopen en/of dat mensen die anderen verlinken uit hun woning gehaald worden en/of mishandeld worden en/of bedreigd worden), althans woorden van gelijk dreigende en/of intimiderende en/of misleidende aard en/of strekking en/of

-tegen die [slachtoffer 1] heeft gezegd en/of aan die [slachtoffer 1] heeft gevraagd één of meerdere telefoonabonnementen af te sluiten en/of (vervolgens) de daarbij behorende telefoon(s) aan hem, verdachte te geven;

(artikel 273f lid 1 sub 4 Wetboek van Strafrecht);

althans indien terzake het vorenstaande onder 1 geen veroordeling zou volgen:

hij op één of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 1 december 2009 tot en met 5 januari 2010 in de gemeente Beesel, althans in het arrondissement Roermond, meermalen, althans eenmaal, (telkens) met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 1] (telkens) heeft bewogen tot

-het aangaan van een schuld, te weten het ten behoeve van verdachte afsluiten van (een) telefoonabonnement(en) en/of

-de afgifte van een/de mobiele telefoon('s) en/of (een) simkaart(en) en/of

-de afgifte van een hoeveelheid geld

hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk -zakelijk weergegeven- valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid die [slachtoffer 1] verteld dat

-hij, verdachte, deel uitmaakt van een crimineel netwerk en/of

-hij, verdachte, geld nodig heeft voor de borg van een vrachtauto en/of

-hij, verdachte telefoonabonnementen moest afsluiten, ten behoeve van zijn

handel hierin,

waardoor die [slachtoffer 1] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte en het aangaan

van bovenomschreven schuld;

(artikel 326 wetboek van Strafrecht);

2.

hij op één of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 1 december 2009 tot en met 5 januari 2010 in de gemeente Beesel, althans in het arrondissement Roermond, meermalen, althans eenmaal, (telkens) een ander genaamd [slachtoffer 3] door dwang en/of één of meer feitelijkhe(i)d(en) en/of door bedreiging met geweld en/of bedreiging met één of meer feitelijkhe(i)d(en) en/of door afpersing en/of door misleiding en/of door misbruik van een kwetsbare positie, heeft gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen

tot het verrichten van diensten of onder voornoemde omstandigheden enige handeling heeft ondernomen waarvan verdachte redelijkerwijs moest vermoeden, dat die [slachtoffer 3] zich daardoor tot het verrichten van die diensten beschikbaar zou stellen, immers heeft verdachte die [slachtoffer 3] (telkens) gedwongen en/of bewogen tot

-het aangaan van een huurovereenkomst van een auto en/of

-acceptatie van het aanbod om te gaan werken als een hoerenmadam en/of

-de afgifte van een hoeveelheid geld

bestaande die dwang en/of één of meer andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld en/of bedreiging met één of meer feitelijkhe(i)d(en) en/of afpersing en/of misleiding en/of misbruik van een kwetsbare positie eruit dat verdachte

-verbaal agressief heeft gereageerd op die [slachtoffer 3] en/of heeft geschreeuwd en/of is uitgeflipt naar die [slachtoffer 3] en/of

-tegen die [slachtoffer 3] verhalen heeft verteld (inhoudende dat hij, verdachte, deel uitmaakt van een crimineel netwerk en/of hoeren voor hem heeft werken op meerdere bungalowparken) althans woorden van gelijke dreigende en/of intimiderende en/of misleidende aard en/of strekking en/of

-tegen die [slachtoffer 3] heeft gezegd dat als zij, [slachtoffer 3], zou weigeren hij, verdachte, die [slachtoffer 3] en/of haar zoon [slachtoffer 4] en/of haar dochter [slachtoffer 2] zou opruimen, althans woorden van gelijke dreigende en/of intimiderende en/of misleidende aard en/of strekking;

(artikel 273f lid 1 sub 4 Wetboek van Strafrecht);

althans indien terzake het vorenstaande onder 2 geen veroordeling zou volgen:

hij op één of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 1 december 2009 tot en met 5 januari 2010 in de gemeente Beesel, althans in het arrondissement Roermond, meermalen, althans eenmaal, (telkens) met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 3] (telkens) heeft bewogen tot

-het aangaan van een huurovereenkomst van een auto en/of

-de afgifte van een hoeveelheid geld

hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk -zakelijk weergegeven- valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid die [slachtoffer 3] verteld dat

-zijn, verdachtes, auto in de garage stond voor reparatie en/of

-zij het geleende geldbedrag zou terugkrijgen, omdat zij in haar werk als hoerenmadam (voor verdachte) 250,- per drie uur per hoer zou verdienen, waardoor die [slachtoffer 3] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte en het aangaan van bovenomschreven schuld;

(artikel 326 wetboek van Strafrecht);

3.

hij op één of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 21 november 2009 tot en met 5 januari 2010 in de gemeente Beesel en/of de gemeente Venlo, althans in het arrondissement Roermond, meermalen, althans eenmaal, (telkens) een ander genaamd [slachtoffer 2], door dwang en/of één of meer feitelijkhe(i)d(en) en/of door bedreiging me geweld en/of bedreiging met één of meer feitelijkhe(i)d(en) en/of door afpersing en/of door misleiding en/of door misbruik van een kwetsbare positie, heeft gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van diensten of

onder voornoemde omstandigheden enige handeling heeft ondernomen waarvan verdachte redelijkerwijs moest vermoeden, dat die [slachtoffer 2] zich daardoor tot het verrichten van die diensten beschikbaar zou stellen, immers heeft verdachte die [slachtoffer 2] (telkens) gedwongen en/of bewogen tot

-het aangaan van een schuld, te weten het ten behoeve van verdachte afsluiten van (een) telefoonabonnement(en) en/of

-de afgifte van een/de mobiele telefoon('s) en/of simkaart(en) en/of

-de afgifte van een hoeveelheid geld

bestaande die dwang en/of één of meer andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging me geweld en/of bedreiging met één of meer feitelijkhe(i)d(en) en/of afpersing en/of misleiding en/of misbruik van een kwetsbare positie eruit dat verdachte

-met die [slachtoffer 2] een (seksuele) relatie is aangegaan en/of

-verbaal agressief heeft gereageerd op die [slachtoffer 2] en/of heeft geschreeuwd en/of is uitgeflipt naar die [slachtoffer 2] en/of

-die [slachtoffer 2] heeft geslagen en/of

-tegen de wil van die [slachtoffer 2] seks met haar heeft gehad en/of

-die [slachtoffer 2] getuige heeft laten zijn van een mishandeling van een onbekend gebleven persoon en/of vervolgens tegen die [slachtoffer 2] heeft gezegd dit is wat er gebeurt met mensen die mij,verdachte, verlinken en/of

-tegen die [slachtoffer 2] verhalen heeft verteld (inhoudende dat hij, verdachte, deel uitmaakt van een crimineel netwerk en/of hoeren voor hem heeft werken op meerdere bungalowparken) althans woorden van gelijk dreigende en/of intimideren en/of misleidende aard en/of strekking en/of

-tegen die [slachtoffer 2] heeft gezegd en/of aan die [slachtoffer 2] heeft gevraagd één of meerdere telefoonabonnementen af te sluiten en/of (vervolgens) de daarbij behorende telefoon(s) aan hem, verdachte te geven;

(artikel 273f lid 1 sub 4 Wetboek van Strafrecht);

althans indien terzake het vorenstaande onder 3 geen veroordeling zou volgen:

hij op één of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 21 november 2009 tot en met 5 januari 2010 in de gemeente Beesel en/of de gemeente Venlo, althans in het arrondissement Roermond, meermalen, althans eenmaal, (telkens) met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 2] (telkens) heeft bewogen tot

-het aangaan van een schuld, te weten het ten behoeve van verdachte afsluiten van (een)telefoonabonnement(en) en/of

-de afgifte van een/de mobiele telefoon('s) en/of (een) simkaart(en) en/of

-de afgifte van een hoeveelheid geld

hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk -zakelijk weergegeven- valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid die [slachtoffer 2] verteld dat

-hij, verdachte, deel uitmaakt van een crimineel netwerk en/of

-hij, verdachte telefoonabonnementen moest afsluiten, ten behoeve van zijn handel hierin en/of

-zij zich geen zorgen zou hoeven te maken, omdat hij, verdachte zou regelen dat zij ([slachtoffer 2]) geen geld zou hoeven betalen,

waardoor die [slachtoffer 2] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte en het aangaan van bovenomschreven schuld;

(artikel 326 wetboek van Strafrecht);

4.

hij op één of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2007 tot en met 15 april 2009 in de gemeente Waalwijk en/of de gemeente Loon op Zand, althans in het arrondissement Breda, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) een ander genaamd [slachtoffer 5], door dwang en/of één of meer feitelijkhe(i)d(en) en/of door bedreiging me geweld en/of bedreiging met één of meer feitelijkhe(i)d(en) en/of door afpersing en/of door misleiding en/of door misbruik van een kwetsbare positie, heeft gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van diensten of onder voornoemde omstandigheden enige handeling heeft ondernomen waarvan verdachte redelijkerwijs moest vermoeden, dat die [slachtoffer 5] zich daardoor tot het verrichten van die diensten beschikbaar zou stellen, immers heeft verdachte die [slachtoffer 5] (telkens) gedwongen en/of bewogen tot

-het aangaan van een schuld, te weten het ten behoeve van verdachte afsluiten van (een) telefoonabonnement(en) en/of

-de afgifte van een/de mobiele telefoon('s) en/of simkaart(en) en/of

-de afgifte van een hoeveelheid geld

bestaande die dwang en/of één of meer andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging me geweld en/of bedreiging met één of meer feitelijkhe(i)d(en) en/of afpersing en/of misleiding en/of misbruik van een kwetsbare positie eruit dat verdachte

-met die [slachtoffer 5] een( seksuele) relatie is aangegaan en/of

-verbaal agressief heeft gereageerd op die [slachtoffer 5] en/of heeft geschreeuwd en/of is uitgeflipt naar die [slachtoffer 5] en/of

-die [slachtoffer 5] heeft geslagen en/of

-diverse goed(eren) in de woning van die [slachtoffer 5] heeft vernield en/of

-die [slachtoffer 5] tegen haar wil in een caravan heeft opgesloten en/of

-die [slachtoffer 5] met een hoeveelheid smsjes en/of telefoontjes heeft lastiggevallen en/of

-de telefoon van die [slachtoffer 5] heeft afgepakt en/of (vervolgens) de inhoud van de telefoon heeft gecontroleerd en/of

-tegen die [slachtoffer 5] heeft gezegd en/of aan die [slachtoffer 5] heeft gevraagd één of meerdere telefoonabonnementen af te sluiten en/of (vervolgens) de daarbij behorende telefoon(s) aan hem, verdachte te geven;

(artikel 273f lid 1 sub 4 Wetboek van Strafrecht);

althans indien terzake het vorenstaande onder 4 geen veroordeling zou volgen:

hij op één of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2007 tot en met 15 april 2009 in de gemeente Waalwijk en/of de gemeente Loon op Zand, althans in het arrondissement Breda, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 5] (telkens) heeft bewogen tot

-het aangaan van een schuld, te weten het ten behoeve van verdachte afsluiten van (een) telefoonabonnement(en) en/of

-de afgifte van een/de mobiele telefoon('s) en/of (een) simkaart(en) en/of

-de afgifte van een hoeveelheid geld

hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk -zakelijk weergegeven- valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid die [slachtoffer 5] verteld dat

-hij, verdachte, geld nodig had en/of

-hij, verdachte, niet kon betalen omdat zijn pinpas door midden gebroken was en/of dat zij later haar geld zou terugkrijgen

-hij, verdachte telefoonabonnementen moest afsluiten,

waardoor die [slachtoffer 5] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte en het aangaan van bovenomschreven schuld;

(artikel 326 wetboek van Strafrecht);

en/of

hij op één of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2007 tot en met 15 april 2009 in de gemeente Waalwijk en/of de gemeente Loon op Zand, althans in het arrondissement Breda, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk [slachtoffer 5] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, met dat opzet die [slachtoffer 5] heeft belet een woning en/of caravan waar die [slachtoffer 5] en/of verdachte verbleef/verbleven te verlaten en/of heeft opgesloten;

(artikel 282 lid 1 Wetboek van Strafrecht);

en/of

hij op één of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2007 tot en met 15 april 2009 in de gemeente Waalwijk en/of de gemeente Loon op Zand, althans in het arrondissement Breda, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 5], in elk geval van een ander, met het oogmerk die [slachtoffer 5], in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees

aan te jagen, immers heeft hij, verdachte, een groot aantal sms-berichten verzonden aan en/of gebeld naar (de GSM van) voornoemde [slachtoffer 5];

(artikel 285b lid 1 Wetboek van Strafrecht);

5.

hij op één of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 11 april 2007 tot en met 29 juni 2007 in de gemeente Roermond, althans in het arrondissement Roermond, meermalen, althans eenmaal, (telkens) een ander genaamd [slachtoffer 6], door dwang en/of één of meer feitelijkhe(i)d(en) en/of door bedreiging me geweld en/of bedreiging met één of meer feitelijkhe(i)d(en) en/of door afpersing en/of door misleiding en/of door

misbruik van een kwetsbare positie, heeft gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van diensten of onder voornoemde omstandigheden enige handeling heeft ondernomen waarvan verdachte redelijkerwijs moest vermoeden, dat die [slachtoffer 6] zich daardoor tot het verrichten van die diensten beschikbaar zou stellen, immers heeft verdachte die [slachtoffer 6] (telkens) gedwongen en/of bewogen tot

-de afgifte van een hoeveelheid geld en/of

-het verrichten van seksuele diensten ten behoeve van een derde (onder andere te weten [slachtoffer 7])

bestaande die dwang en/of één of meer andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging me geweld en/of bedreiging met één of meer feitelijkhe(i)d(en) en/of afpersing en/of misleiding en/of misbruik van een kwetsbare positie eruit dat verdachte

-met die [slachtoffer 6] een (gewelddadige)(seksuele) relatie is aangegaan en/of

-verbaal agressief heeft gereageerd op die [slachtoffer 6] en/of heeft geschreeuwd en/of is uitgeflipt naar die [slachtoffer 6] en/of

-die [slachtoffer 6] heeft geslagen en/of

-tegen de wil van die [slachtoffer 6] seks met haar heeft gehad en/of

-die [slachtoffer 6] tegen haar wil in een kamer heeft opgesloten en/of

-die [slachtoffer 6] met een hoeveelheid smsjes en/of telefoontjes heeft lastiggevallen en/of

-met de gsm van die [slachtoffer 6] sms-berichten heeft verstuurd naar seksadvertenties;

(artikel 273f Wetboek van Strafrecht);

althans indien terzake het vorenstaande onder 5 geen veroordeling zou volgen;

hij op één of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 11 april 2007 tot en met 29 juni 2007 in de gemeente Roermond, althans in het arrondissement Roermond, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk [slachtoffer 6], wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, met dat opzet die [slachtoffer 6] heeft belet een woning waar die [slachtoffer 6] en/of verdachte verbleef/verbleven te verlaten en/of heeft

opgesloten;

(artikel 282 Wetboek van Strafrecht);

en/of

hij op één of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 11 april 2007 tot en met 29 juni 2007 in de gemeente Roermond, althans in het arrondissement Roermond, meermalen, althans eenmaal, (telkens) door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 6] heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 6], hebbende verdachte zijn penis in haar vagina gebracht/ geduwd en bestaande dat geweld of die andere

feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte die [slachtoffer 6] met geweld heeft vastgepakt en/of heeft gehouden en/of het truitje en/of de broek en/of de onderbroek van die [slachtoffer 6] naar beneden heeft getrokken en/of (aldus) voor die [slachtoffer 6] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

(artikel 242 Wetboek van Strafrecht);

en/of

hij op één of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 11 april 2007 tot en met 29 juni 2007 in de gemeente Roermond, althans in het arrondissement Roermond, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk een persoon (te weten [slachtoffer 6]), heeft geslagen en/of gestompt en/of aan de haren heeft getrokken, waardoor die [slachtoffer 6] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

(artikel 300 Wetboek van Strafrecht);

6.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2006 in de gemeente Roermond door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 8] heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 8], hebbende verdachte zijn penis in haar vagina gebracht/ geduwd en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte die [slachtoffer 8]

met geweld heeft vastgepakt en/of heeft gehouden en/of de broek en/of de onderbroek van die [slachtoffer 8] naar beneden heeft getrokken en/of (aldus) voor die [slachtoffer 8] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

artikel 242 Wetboek van Strafrecht.

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3.De geldigheid van de dagvaarding.

De raadsvrouw heeft in haar pleitnota ten aanzien van feit 6 aangegeven dat de dagvaarding niet aan de wettelijke vereisten voldoet omdat de genoemde periode te ruim zou zijn.

De rechtbank verstaat dat de raadsvrouw concludeert dat sprake moet zijn van een nietige dagvaarding ten aanzien van dit feit. De rechtbank overweegt dienaangaande dat het onder 6 ten laste gelegde feit voldoende duidelijk is en daarmee de dagvaarding voldoet aan de bij artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering gestelde eisen. Verdachte heeft blijkens het dossier kunnen begrijpen wat hem verweten wordt. De rechtbank verwerpt dit verweer.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is overigens gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4.De bevoegdheid van de rechtbank.

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5.De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Belaging is ingevolge artikel 285b lid 2 van het Wetboek van Strafrecht een klachtdelict, wat betekent dat niet tot vervolging wordt overgegaan, tenzij een klacht is ingediend. Nu uit de aangifte van [slachtoffer 5] d.d. 3 februari 2010 genoegzaam blijkt dat aangeefster de bedoeling had dat een vervolging zou worden ingesteld, is de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging ten aanzien van feit 4 subsidiair als derde.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn overigens geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

6.Schorsing der vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7.Bewijsoverwegingen.

7.1.Standpunten van de officier van justitie en de verdediging.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 30 maart 2011 gevorderd, om redenen zoals vervat in haar schriftelijk requisitoir, dat het onder 1 primair, 2 primair, 3 primair, 4 primair, 5 primair en 6 ten laste gelegde zal worden bewezen verklaard. Ten aanzien van het onderdeel ‘de afgifte van een hoeveelheid geld’ van feit 5 is de officier van justitie van mening dat hiervoor geen wettig en overtuigend bewijs voorhanden is zodat daarvoor partiële vrijspraak dient te volgen.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld zoals is weergegeven in haar pleitnota dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van alle ten laste gelegde feiten.

7.2.Overwegingen van de rechtbank.

Het onderzoek in deze zaak is aangevangen toen aangeefsters [slachtoffer 1], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] in opperste paniek de politie belden en vertelden dat zij en met name aangeefster [slachtoffer 2] het slachtoffer waren geworden van een loverboy.

De rechtbank gaat er van uit dat de angst die de aangeefsters op dat moment hadden heel oprecht was. De vraag is echter of het ontstaan van deze angst geheel op het conto van verdachte geschreven kan worden.

[slachtoffer 1] verklaart dat verdachte haar vertelde over zijn criminele bezigheden, waaronder het “shredderen van lijken”, maar dat ze desondanks de wens had om verdachte te helpen om uit het criminele netwerk te stappen. [slachtoffer 1] verklaart tevens dat zij vond dat verdachte in haar ogen vreemd seksueel gedrag vertoonde, onder andere het bijten, edoch dit was voor haar geen reden om deze (zeer kortstondige) relatie om die reden te beëindigen.

Op basis van het dossier concludeert de rechtbank dan ook dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] zich met betrekking tot verdachte langzamerhand onprettig begonnen te voelen omdat verdachte de hen toekomende gelden maar niet terugbetaalde. Aannemelijk is dat de verhalen van verdachte over onder meer het exploiteren van prostituees aan het ontstaan van dit onprettige gevoel hebben bijgedragen. Grote angst en paniek is bij [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] echter eerst ontstaan nadat zij elkaar hun belevenissen met verdachte hadden verteld en [slachtoffer 2] hen vertelde dat ze had gezien dat ze verdachte en zijn kornuiten met een lijk had zien slepen en dat ze aanwezig was geweest bij een mishandeling van een vrouw, waarbij verdachte gezegd zou hebben dat dit nu eenmaal gebeurde bij verlinkers.

Dat [slachtoffer 1] zeer beïnvloed is door hetgeen [slachtoffer 2] allemaal verteld heeft blijkt tevens uit het gegeven dat zij stelt dat verdachte haar bedreigde door haar op te bellen om te vragen of hij mocht komen praten. Volgens [slachtoffer 2] bedoelde verdachte met “praten” het tegen haar wil meenemen, waarbij ze zou kunnen eindigen in een martelsekskelder.

Ook het afsluiten van de telefoonabonnementen door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] is niet gebeurd tegen een achtergrond van dreiging en geweld (voor zover van dreiging en geweld sprake zou zijn geweest, heeft dit pas plaatsgevonden na het afsluiten van de abonnementen), maar tegen de achtergrond van de mooie praatjes van verdachte, die er voor zorgden dat de vrouwen hem wilden uithelpen, te meer daar verdachte hen wijs maakte dat hij een methode wist om er voor te zorgen dat zij de kosten voor deze abonnementen niet hoefden te betalen.

Ten aanzien van feit 1

Geheel in vorenstaande lijn verklaart [slachtoffer 1] dat ze zich achteraf door verdachte voelt opgelicht. Verdachte vertelde haar allerlei verhalen en aangeefster verklaart dat ze zich behoorlijk heeft laten inpalmen. Dit past geheel bij de subsidiair ten laste gelegde oplichting. De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet is gebleken dat aangeefster niet in staat was uit vrije wil de keuze te maken om de telefoonabonnementen af te sluiten, de telefoons en simkaarten af te geven en verdachte geld te geven. Daarenboven is evenmin gebleken van een afhankelijkheid van verdachte welke de keuzevrijheid van aangeefster dusdanig had ingeperkt dat zij redelijkerwijs geen andere keuze had dan instemmen met en gevolg geven aan de verzoeken van verdachte. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van mensenhandel zoals is ten laste gelegd in artikel 273f, eerste lid onder 4 van het Wetboek van Strafrecht.

Met betrekking tot feit 1 subsidiair zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het onderdeel ‘hij, verdachte, deel uitmaakt van een crimineel netwerk’. Weliswaar heeft verdachte hele verhalen over naar zijn zeggen zijn criminele verleden verteld, edoch blijkt uit de aangifte dat deze verhalen aangeefster niet bewogen hebben tot de afgifte van geld dan wel het afsluiten van de telefoonabonnementen.

Ten aanzien van feit 2 primair

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2 primair is ten laste gelegd.

Aangeefster [slachtoffer 3] verklaart dat verdachte haar heeft gevraagd om voor hem als “hoerenmadam” te gaan werken. Haar zoon, [slachtoffer 4], zou hierbij aanwezig zijn geweest. Wanneer [slachtoffer 4] op 10 maart 2010 wordt gehoord vertelt hij niets over het verzoek dat verdachte aan zijn moeder gedaan zou hebben. Op 11 januari 2010 wordt [slachtoffer 2], de dochter van aangeefster, gehoord. Zij verklaart dat aangeefster het in eerste instantie een goed idee vond om voor verdachte als “madam” te gaan werken.

Tevens verklaart aangeefster dat toen zij weigerde voor verdachte als “madam” te gaan werken, er iets veranderde in de houding en de manier van spreken van verdachte. Volgens aangeefster spande verdachte de spieren in zijn lichaam en keek hij aangeefster aan met een zeer kwade blijk in zijn ogen. De rechtbank is van oordeel dat hiermee niet vaststaat dat verdachte ‘verbaal agressief heeft gereageerd op die [slachtoffer 3] en/of heeft geschreeuwd en/of is uitgeflipt naar die [slachtoffer 3]’.

Aangeefster verklaart verder dat verdachte dreigde dat hij aangeefster en haar dochter en zoon zou opruimen als zij zou weigeren om voor hem te werken. Dit wordt noch bevestigd door [slachtoffer 2], noch door [slachtoffer 4], terwijl zij wel bij dit gesprek aanwezig waren.

Verder verklaart aangeefster dat haar dochter [slachtoffer 2] vroeg of aangeefster geld kon voorschieten voor een totaalbedrag van € 750 voor het verblijf in een bungalowpark in Arcen. Aangeefster heeft vervolgens € 750 aan [slachtoffer 2] gegeven. [slachtoffer 2] verklaart op 12 januari 2010 dat verdachte tegen haar moeder heeft gezegd dat ze € 750 moesten hebben.

[slachtoffer 2] verklaart dat ze toen gezien en gehoord heeft dat haar moeder het geld aan verdachte gaf.

De verklaringen van aangeefster en [slachtoffer 2] verschillen over de vraag wie aangeefster om het geld heeft gevraagd en aan wie aangeefster het geld heeft gegeven. Gelet hierop kan de verklaring van verdachte, die zegt dat het initiatief voor het verkrijgen van het geld bij [slachtoffer 2] lag, niet worden weerlegd.

Met betrekking tot het aangaan van een huurovereenkomst van een auto overweegt de rechtbank als volgt. Er is geen causaal verband tussen de verhalen die verdachte tegen aangeefster zou hebben verteld over zijn criminele activiteiten en het laten werken van hoeren voor hem en het aangaan van de huurovereenkomst. Zou dit wel het geval zijn geweest, dan is de rechtbank van oordeel dat dit alleen onvoldoende is om tot een bewezenverklaring van mensenhandel te komen zoals is ten laste gelegd in artikel 273f, eerste lid onder 4 van het Wetboek van Strafrecht.

Daarenboven is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat aangeefster niet in staat was uit vrije wil de keuze te maken om de huurovereenkomst af te sluiten. Ook is evenmin gebleken van een afhankelijkheid van verdachte welke de keuzevrijheid van aangeefster dusdanig had ingeperkt dat zij redelijkerwijs geen andere keuze had dan instemmen met en gevolg geven aan het verzoek van verdachte.

Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank verdachte van dit feit vrijspreken.

Ten aanzien van feit 2 subsidiair

De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het onderdeel ‘de afgifte van een hoeveelheid geld’, gelet op hetgeen hiervoor onder feit 2 primair is overwogen met betrekking tot het geldbedrag van € 750.

Ten aanzien van feit 3 primair

Aangeefster [slachtoffer 2] verklaart dat ze in opdracht van verdachte bij verschillende personen geld heeft weggenomen. Aangeefster zou onder andere bij haar moeder, haar broertje, [slachtoffer 9] en bij [slachtoffer 10] geld hebben weggenomen. Deze personen zijn door de politie gehoord en geven aan geen geld te missen.

Voorts verklaart aangeefster dat ze € 815 van haar buurvrouw [naam] gepakt heeft. Ze verklaart dat [verdachte] wist dat [naam] dit geldbedrag in haar blauwe kastje op de slaapkamer had liggen. Ze verklaart dat [verdachte] tegen haar heeft gezegd dat ze dit geld moest pakken. Echter, de huurbaas van aangeefster, [naam], verklaart dat ze een blauw kaptafeltje dat op de kamer van [naam] stond nodig had. In de lade van het kastje zag zij een stapeltje geld liggen. Zij is toen naar [slachtoffer 2] gelopen en heeft gevraagd of zij [naam] nog zou zien omdat er geld in het kastje lag en iedereen daar bij zou kunnen komen. Later kwam [naam] naar haar toe en vertelde dat er geld bij haar was gestolen. Gelet hierop acht de rechtbank de verklaring van aangeefster met betrekking tot dit onderwerp ongeloofwaardig.

Ook stelt de rechtbank vraagtekens bij de verklaring van aangeefster dat zij (vele malen) tegen haar wil seks heeft gehad met verdachte. Zij verklaart zelf dat de ergste verkrachting heeft plaatsgevonden in het huisje op het bungalowpark vlak voor kerst. Daarna is zij echter met verdachte meegegaan naar een hotel waar zij samen een nacht hebben verbleven en wordt zij pas echt boos als verdachte, terwijl zij met de kerst bij een vriendin op bezoek zijn, zich met een smoes uit de voeten maakt en in het geheel niet meer terugkomt en haar aldus laat zitten.

Verder verklaart aangeefster dat ze op 11 en 13 december 2009 voor verdachte telefoonabonnementen heeft af moeten sluiten. Aangeefster verklaart dat ze dit heeft gedaan uit angst voor verdachte. Deze angst zou mede ingegeven zijn door de tocht door de omgeving waarbij aangeefster gezien zou hebben dat er een lijk uit een woning werd gedragen en dat in diezelfde woning een paar dagen later een vrouw mishandeld werd in aanwezigheid van twee kleine kinderen. Aangeefster verklaart dat verdachte tegen haar zei dat dit gebeurde met ‘verlinkers’. De rechtbank merkt op dat, ondanks diverse pogingen van de politie, de woning niet gelokaliseerd kon worden. Verder is het opvallend dat het verhaal dat aangeefster tegen de politie heeft verteld op significante details anders is dan het verhaal dat zij heeft verteld aan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3]. En voorts verklaart aangeefster dat verdachte aangeefster met de Toyota Auris naar de desbetreffende woning heeft gereden. Dit terwijl die auto pas op 17 december 2009 is gehuurd zodat deze gebeurtenissen, als ze al hebben plaatsgevonden, niet van invloed geweest kunnen zijn op het door aangeefster aangaan van telefoonabonnementen ten behoeve van verdachte op 11 en 13 december 2009.

Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank verdachte van dit feit vrijspreken.

Ten aanzien van feit 3 subsidiair

De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het onderdeel ‘de afgifte van een hoeveelheid geld’, gelet op hetgeen hiervoor onder feit 3 primair is overwogen met betrekking tot het wegnemen van geld door aangeefster.

Ook blijkt uit de aangifte dat de door verdachte vertelde verhalen over zijn criminele netwerk geen rol hebben gespeeld bij haar besluit voor verdachte telefoonabonnementen af te sluiten. Aangeefster verklaart dat ze de telefoonabonnementen af heeft gesloten omdat verdachte tegen haar had gezegd dat ze zich geen zorgen hoefde te maken. Verdachte zou regelen dat ze geen geld hoefde te betalen.

Voorts blijkt noch uit de verklaring van aangeefster, noch uit de verklaring van verdachte dat hij tegen aangeefster heeft gezegd dat hij de telefoonabonnementen af moest sluiten, ten behoeve van zijn handel hierin. De rechtbank zal verdachte eveneens vrijspreken van dat onderdeel.

Ten aanzien van feit 4 primair

Uit het dossier komt naar voren dat verdachte en aangeefster van eind 2007 tot het begin 2009 een relatie hebben gehad en in die periode ook hebben samengewoond.

Uitgaande van de verklaring van aangeefster [slachtoffer 5] is er een telefoonabonnement afgesloten in maart 2008 en heeft aangeefster gedurende de relatie vaker geld gegeven aan verdachte onder andere voor een uitje naar Centerparcs en voor softdrugs. Aangeefster verklaart dat zij het opzeggen van de huur van de gemeenschappelijke woning als enige mogelijkheid zag om de relatie te beëindigen. Aangeefster verklaart dat verdachte als gevolg van de opzegging van de huur per 1 maart 2009 de woning heeft verlaten. Volgens aangeefster hebben de mishandelingen, de wederrechtelijke vrijheidsberovingen en de stalking plaatsgevonden toen verdachte daarna in de caravan verbleef. Deze feiten en omstandigheden kunnen dus geen rol meer hebben gespeeld in het dwingen c.q. bewegen van aangeefster door verdachte tot het afsluiten van telefoonabonnementen ten behoeve van verdachte en het afgeven van geld aan verdachte. Verder verklaart aangeefster dat verdachte nooit spullen in haar woning heeft kapotgemaakt, zodat ook voor dit onderdeel van de tenlastelegging geen bewijs is.

Voorts overweegt de rechtbank omtrent het telefoonabonnement dat verdachte verklaart dat het telefoonabonnement inderdaad voor hem was. Verdachte verklaart dat aangeefster zei dat het verstandiger was, gezien zijn belgedrag, een abonnement af te sluiten in plaats van te bellen met een prepaid. De rechtbank acht de verklaring van verdachte niet onaannemelijk gelet op het feit dat aangeefster en verdachte in die periode een relatie hadden, en het voorts slechts één abonnement betrof.

De rechtbank overweegt voorts dat ook verdachte heeft verklaard dat hij in die tijd veel wiet gebruikte en dat hij agressief kon reageren als hij geen drugs voorhanden had. Dit agressief reageren bestond uit het verbaal uitflippen en kon zeer heftig zijn. De rechtbank kan zich voorstellen dat dit gedrag van verdachte er toe geleid heeft dat aangeefster zich gedrongen voelde om geld te fourneren voor de aanschaf van drugs teneinde de lieve vrede te bewaren.

Deze omstandigheden maken echter niet dat er sprake is van mensenhandel zoals is ten laste gelegd in artikel 273f, eerste lid onder 4 van het Wetboek van Strafrecht.

Gelet op vorenstaande zal de rechtbank verdachte van dit feit vrijspreken.

Ten aanzien van feit 4 subsidiair als eerste

De rechtbank merkt op dat noch uit de verklaring van aangeefster [slachtoffer 5], noch uit de verklaring van verdachte blijkt dat verdachte tegen aangeefster heeft gezegd dat hij geld nodig had en dat verdachte telefoonabonnementen af moest sluiten. Verder verklaart aangeefster dat verdachte haar vertelde dat zijn pinpas doormidden was gebroken en zij hem vervolgens geld heeft gegeven. De verklaring van aangeefster wordt niet bevestigd door enig ander bewijsmiddel.

De rechtbank overweegt dat voor oplichting vereist is dat een persoon door middel van oplichtingshandelingen een ander heeft bewogen tot het aangaan van een schuld of de afgifte van enig goed. Nu voor de ten laste gelegde oplichtingshandelingen, naast de verklaring van aangeefster, onvoldoende steunbewijs voorhanden is, zal de rechtbank verdachte van dit feit vrijspreken.

Ten aanzien van feit 4 subsidiair als tweede

De rechtbank overweegt dat de steller van de tenlastelegging zicht had op de wederrechtelijke vrijheidsberoving van aangeefster [slachtoffer 5] en [slachtoffer 12] in de woning van aangeefster en de wederrechtelijke vrijheidsberoving van aangeefster in de caravan van verdachte.

De rechtbank merkt op dat voor de verklaring van aangeefster onvoldoende steunbewijs voorhanden is, zodat verdachte wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs zal worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 4 subsidiair als derde

Uit het dossier komt naar voren dat, hoewel de samenwoning begin 2009 was verbroken, verdachte en aangeefster elkaar in die periode nog met regelmaat troffen in de caravan van verdachte. Voorts heeft aangeefster nog een vriendin van haar geregeld voor een triootje met haar en verdachte.

Nu er in de periode van begin 2009 tot half april 2009 nog vele vrijwillige contacten plaatsvonden is er geen sprake van belaging in de zin van artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van feit 5 primair

De officier van justitie heeft ter terechtzitting vrijspraak geëist voor het onderdeel ‘de afgifte van een hoeveelheid geld’. De rechtbank zal de officier van justitie hierin volgen en spreekt verdachte vrij, nu voor dit onderdeel geen wettig en overtuigend bewijs voorhanden is.

De rechtbank is van oordeel dat voor het onderdeel ‘het verrichten van seksuele diensten ten behoeve van een derde (onder andere te weten [slachtoffer 7])’ onvoldoende steunbewijs voorhanden is.

Aangeefster [slachtoffer 6] verklaart dat ze in bed had gelegen en dat er op enig moment iemand naast haar was komen liggen. Aangeefster dacht dat dit verdachte was. Zij kon dit echter niet zien omdat zij met haar rug naar hem toe lag. Tussen aangeefster en de persoon heeft geslachtsgemeenschap plaatsgevonden. Na afloop draaide aangeefster zich om en zag zij dat [slachtoffer 7] naast haar lag. [slachtoffer 7] zei tegen aangeefster dat verdachte tegen hem had gezegd dat hij, tegen betaling van 50 euro, seks met aangeefster kon hebben. Op 29 maart 2010 wordt [slachtoffer 7] door de politie gehoord en hij verklaart dat hij nooit seks met aangeefster heeft gehad. Verdachte verklaart dat hij 100% zeker weet dat aangeefster en [slachtoffer 7] seks met elkaar hebben gehad, maar ontkent dat hij daarvoor van [slachtoffer 7] geld heeft ontvangen en dat hij aangeefster daartoe heeft gedwongen.

Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank verdachte van dit feit vrijspreken.

Ten aanzien van feit 5 subsidiair als eerste

Aangeefster verklaart dat ze 4 dagen lang door verdachte in een kamer in zijn woning is opgesloten en slechts af en toen water kreeg.

De rechtbank is van oordeel dat voor de wederrechtelijke vrijheidsberoving geen steunbewijs voorhanden is in het dossier. Dit klemt te meer nu uit het dossier naar voren komt dat de woning als hangplek werd gebruikt en er dus dagelijks veel mensen over de vloer kwamen. Verder was de woning kennelijk erg gehorig omdat buren verklaren dat ze meer dan eens geschreeuw hebben gehoord vanuit de woning. Gelet hierop zou het voor aangeefster in redelijkheid mogelijk moeten zijn geweest de aandacht van de bezoekers van de woning c.q. de buren te trekken.

Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank verdachte van dit feit vrijspreken.

Ten aanzien van feit 5 subsidiair als tweede

Aangeefster [slachtoffer 6] verklaart over twee gebeurtenissen. Aangeefster had op enig moment in bed gelegen en dacht dat verdachte naast haar was komen liggen. Tussen aangeefster en de persoon heeft geslachtsgemeenschap plaatsgevonden. Na afloop draaide aangeefster zich om en zag zij dat [slachtoffer 7] in plaats van verdachte naast haar lag. Verder verklaart aangeefster dat zij en verdachte enkele dagen later geslachtsgemeenschap hadden waarbij [slachtoffer 7] de slaapkamer was binnen komen lopen. Verdachte had hierop de polsen van aangeefster vastgehouden en [slachtoffer 7] had haar vervolgens betast en gevingerd.

De rechtbank merkt op dat de verkrachting zoals deze ten laste is gelegd kennelijk ziet op een andere gebeurtenis dan waar aangeefster over verklaart. Overigens ontbreekt ieder steunbewijs in het dossier.

Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank verdachte van dit feit vrijspreken.

Ten aanzien van feit 5 subsidiair als derde

Aangeefster [slachtoffer 6] verklaart dat verdachte haar heeft geslagen, gestompt en aan haar haren heeft getrokken.

De rechtbank merkt op dat het aannemelijk is dat de relatie tussen aangeefster en verdachte haar geen goed heeft gedaan en dat verdachte (destijds) agressief kon reageren als hij geen drugs voorhanden had. Echter, nu de verklaring van aangeefster onvoldoende wordt bevestigd door enig ander bewijsmiddel kan dit feit niet wettig worden bewezenverklaard.

Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank verdachte van dit feit vrijspreken.

Ten aanzien van feit 6

De rechtbank overweegt dat voor de verklaring van aangeefster [slachtoffer 8] onvoldoende steunbewijs voorhanden is waardoor dit feit niet wettig kan worden bewezenverklaard.

De rechtbank zal verdachte van dit feit vrijspreken.

7.3.Bewijsmiddelen en overwegingen van de rechtbank.

De overtuiging van de rechtbank dat de verdachte het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen.

De hieronder vermelde bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit, waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Het genoemde geschrift is slechts gebruikt in verband met de inhoud van de overige bewijsmiddelen.

Ten aanzien van feit 1 subsidiair

[slachtoffer 1] doet op 7 januari 2010 aangifte. Zij verklaart – zakelijk weergegeven – als volgt: “Ik heb [verdachte] ongeveer 6 weken geleden leren kennen. Ik heb een keer 350 euro aan hem gegeven. Hij vroeg aan mij geld omdat hij borg moest hebben voor een vrachtauto. Ik heb hem toen dat geld gegeven. Verder heb ik twee telefoonabonnementen afgesloten voor hem. Hij vertelde mij dat hij in die kaartjes handelt.”

[slachtoffer 1] verklaart verder – zakelijk weergegeven – als volgt: “Een week voor kerstmis 2009 heb ik twee telefoonabonnementen voor [verdachte] afgesloten. We hebben bij een telefoonwinkel in het centrum van Venlo twee abonnementen voor twee afzonderlijke telefoons afgesloten. Verder heb ik [verdachte] 350 euro geleend. [verdachte] vertelde mij dat hij borg nodig had voor de vrachtauto die zijn meubels moest gaan verhuizen. Ik heb dat geld wel aan hem teruggevraagd, maar dan heeft hij telkens een smoesje. Hij zegt bijvoorbeeld dat hij ze dan komt brengen maar dan komt hij niet opdagen.”

Verdachte verklaart – zakelijk weergegeven – als volgt: “Ik heb 350 euro van [slachtoffer 1] geleend.”

Verdachte verklaart – zakelijk weergegeven – als volgt: “Ik heb de twee telefoons van [slachtoffer 1] gekregen en die heb ik verkocht.”

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de telefoons op verzoek van aangeefster heeft verkocht omdat zij geld nodig had. De rechtbank acht deze stelling weinig aannemelijk, mede gelet op de omstandigheid dat aangeefster kennelijk nog genoeg geld had om € 350 te lenen aan verdachte.

Op grond van de vorenstaande bewijsmiddelen en overwegingen in onderlinge samenhang bezien acht de rechtbank bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Ten aanzien van feit 2 subsidiair

[slachtoffer 3] doet op 11 januari 2010 aangifte. Zij verklaart – zakelijk weergegeven – als volgt: “De eerste keer dat ik [verdachte] ontmoette is geweest begin december 2009. Het was een vriend van mijn dochter [slachtoffer 2]. Op 17 december 2009 kwam [verdachte] naar mijn woning en zei dat hij een huurauto nodig had. Ik hoorde toen dat [verdachte] heel veel huurautobedrijven gebeld heeft. Ik denk dat hij er zeker 10 gebeld heeft. Daar waren geen auto’s meer te huur. Uiteindelijk kon hij alleen in Blerick een personenauto huren. Toen heb ik hem nog gevraagd wanneer zijn auto dan klaar was. [verdachte] zei dat een vriend van hem die auto nodig zou hebben. [verdachte] vroeg mij of ik met hem mee wilde gaan naar Blerick en daarna naar de garage in Belfeld, waar zijn eigen auto in reparatie was. De bedoeling was dat ik zijn auto mee terug naar Reuver zou rijden. Ik heb toen bij het autoverhuurbedrijf “[naam bedrijf], aan de balie, mijn rijbewijs afgegeven, het huurcontract ondertekend en betaald. Die auto is toen voor drie dagen gehuurd. [verdachte] zei tegen de verhuurder dat mijn naam op het huurcontract moest staan. De auto die gehuurd werd is een Toyota Auris.”

[naam] verklaart – zakelijk weergegeven – als volgt: “Ik ben werkzaam in de buitendienst bij [naam bedrijf]. Op 17 december 2009 kwamen er een man en een vrouw aan de balie in verband met de huur van een auto. Hierover was eerder telefonisch contact geweest met mijn collega [naam]. Mijn collega had dan ook al een huurovereenkomst opgemaakt. Deze huurovereenkomst nummer 7840 was opgemaakt op naam van huurder [verdachte]. De man stelde zich voor als zijnde [verdachte]. Zoals gebruikelijk bij het verhuren van een auto werd door mij vervolgens aan dhr. [verdachte] gevraagd naar een identiteitsbewijs. Dhr. [verdachte] zei toen tegen mij dat hij geen papieren bij zich had. Dhr. [verdachte] vroeg vervolgens of de mevrouw die bij hem was haar rijbewijs kon overleggen. Ik stemde hiermee in. Ik heb toen een kopie van het rijbewijs van de vrouw gemaakt. Dit rijbewijs stond op naam van mevr. [slachtoffer 3]. Ik zag dat de foto op het rijbewijs overeenkwam met de vrouw die voor mij stond. Mevr. [slachtoffer 3] betaalde vervolgens 400 euro borg. Dit geld pakte ze uit haar eigen portemonnee.”

Getuige [naam] verklaart – zakelijk weergegeven – als volgt: “Ik ben werkzaam bij [naam bedrijf]. Op 17 december 2009 werd er gebeld met de vraag er een auto kon worden gehuurd op naam van [verdachte]. Ik heb toen ook de huurovereenkomst opgemaakt op naam van [verdachte]. Op 17 november 2009 is, voor zover ik van mijn collega [naam] begrepen heb, de auto ook opgehaald. Ik weet dat mijn collega mij vertelde dat er nog even gevraagd is om de naam die op het huurcontract stond, hierop stond namelijk [verdachte], te wijzigen in de naam van de vrouw die haar rijbewijs afgaf, te weten [slachtoffer 3]. Op 19 december 2009 werd ik gebeld door een man die zich aan de telefoon voorstelde als zijnde [verdachte]. Hij vroeg mij de huur van de auto te verlengen tot 21 december 2009. Hierna heeft [verdachte], althans een man die zich voorstelde als zijnde [verdachte], nog 5 of 6 keer telefonisch contact opgenomen. Steeds met het verzoek de huurtermijn te verlengen. Ik vertelde dan wat de kosten waren en de man zei toe het genoemde bedrag te zullen overmaken. Er is echter nooit meer een geldbedrag betaald voor de huur van de auto. Op 11 januari 2010 zag ik dat de auto op de parkeerplaats voor ons bedrijf geparkeerd stond. De autosleutels lagen in de brievenbus.”

In het dossier bevindt zich een kopie van een huurovereenkomst met nummer 7840 t.n.v. [verdachte] met daarbij gevoegd een kopie van een rijbewijs t.n.v. [slachtoffer 3] e/v [slachtoffer 2].

Verdachte verklaart tegenover de politie – zakelijk weergegeven – als volgt: “De auto betreft een Toyota Auris. Ik weet dat de hoogte van de borg voor die auto zo’n 350 euro betrof. Ik heb nog tegen het bedrijf gezegd dat niet mijn naam op het contract moest komen staan maar op naam van de moeder van [slachtoffer 2]. De moeder van [slachtoffer 2] heeft de borg betaald. Ik heb de auto teruggebracht naar het verhuurbedrijf. Het bedrijf was dicht. Ik heb de auto daar neergezet en de sleutel ervan heb ik daar in de brievenbus gedaan.”

De rechtbank leidt uit vorenstaande af dat verdachte aangeefster met een smoes naar het verhuurbedrijf heeft gelokt om ten behoeve van hem een huurovereenkomst voor een auto af te sluiten. Uit diverse verklaringen blijkt dat verdachte niet in het bezit is van een rijbewijs. Verdachte had dus iemand nodig om voor hem een huurovereenkomst af te sluiten en heeft aangeefster als het ware meegelokt naar het verhuurbedrijf door haar wijs te maken dat – naast de gehuurde auto – ook nog zijn eigen auto in de garage opgehaald moest worden.

De verklaring van verdachte ter terechtzitting , dat hij voor aangeefster een auto heeft gehuurd, strookt niet met het feit dat het huurcontract op naam staat van [verdachte] en de verklaring van getuige [naam], dat meermalen telefonisch contact werd opgenomen door [verdachte] met het verzoek de huurtermijn te verlengen. Gelet hierop en op het feit dat verdachte verklaart dat hij de huurauto zelf terug heeft gebracht naar het verhuurbedrijf, acht de rechtbank het niet aannemelijk dat verdachte de auto voor mevr. [slachtoffer 3] gehuurd heeft.

Op grond van de vorenstaande bewijsmiddelen en overwegingen in onderlinge samenhang bezien acht de rechtbank bewezen dat verdachte het onder 2 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Ten aanzien van feit 3 subsidiair

[slachtoffer 2] doet op 7 januari 2010 aangifte. Zij verklaart – zakelijk weergegeven – als volgt: “[verdachte] is in november 2009 vrijgekomen. Toen hij thuis was hebben wij weer contact met elkaar opgenomen. Ik heb in de maand december 2009, 8 telefoonabonnementen voor [verdachte] afgesloten bij verschillende telefoonwinkels. Bij al die 8 telefoonabonnementen heb ik telefoontoestellen gekregen die ik vervolgens nadat ik de winkel heb verlaten aan [verdachte] heb gegeven. [verdachte] was telkens in de buurt van de telefoonwinkel toen ik de telefoonabonnementen heb afgesloten. Ik heb die telefoonabonnementen afgesloten op mijn naam. [verdachte] had tegen mij gezegd dat ik mij geen zorgen hoefde te maken, want hij regelde wel dat ik dat ik geen geld hoefde te betalen.”

[slachtoffer 2] verklaart verder – zakelijk weergegeven – als volgt: “Voor zover ik mij herinner is [verdachte] op 21 november 2009 vrijgekomen. Daarnaast heb ik, zoals ik reeds eerder heb verklaard, ook een 8-tal telefoonabonnementen afgesloten op mijn naam bij diverse telefoonwinkels in Venlo. Ik heb daarbij 8 gsm-telefoons gekregen die ik ook allen aan [verdachte] heb gegeven.”

Verdachte verklaart tegenover de politie – zakelijk weergegeven – als volgt: “Ik heb van [slachtoffer 2] het simkaartje ontvangen van de bestelde telefoon. Tevens had ik van [slachtoffer 2] in die tijd een simkaart gekregen met een abonnement dat zij had afgesloten. Ik heb van [slachtoffer 2] de beschikking gekregen over dit telefoonabonnement. Ik heb de twee telefoons van [slachtoffer 2] verkocht.”

Op grond van de vorenstaande bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien acht de rechtbank bewezen dat verdachte het onder 3 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

7.4.Bewezenverklaring.

Op grond van voormelde bewijsmiddelen en overwegingen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 1 december 2009 tot en met 5 januari 2010, in het arrondissement Roermond, meermalen, telkens met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 1] telkens heeft bewogen tot

-het aangaan van een schuld, te weten het ten behoeve van verdachte afsluiten van telefoonabonnementen en

-de afgifte van de mobiele telefoons en simkaarten en

-de afgifte van een hoeveelheid geld

hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk -zakelijk weergegeven- valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid die [slachtoffer 1] verteld dat

-hij, verdachte, geld nodig heeft voor de borg van een vrachtauto en

-hij, verdachte telefoonabonnementen moest afsluiten, ten behoeve van zijn

handel hierin,

waardoor die [slachtoffer 1] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte en het aangaan

van bovenomschreven schuld;

(artikel 326 wetboek van Strafrecht);

2.

hij op één tijdstip gelegen in de periode van 1 december 2009 tot en met 5 januari 2010, in het arrondissement Roermond, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door listige kunstgrepen, [slachtoffer 3] heeft bewogen tot

-het aangaan van een huurovereenkomst van een auto

hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk -zakelijk weergegeven- valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid die [slachtoffer 3] verteld dat

-zijn, verdachtes, auto in de garage stond voor reparatie,

waardoor die [slachtoffer 3] werd bewogen tot het aangaan van bovenomschreven schuld;

(artikel 326 wetboek van Strafrecht);

3.

hij in de periode van 21 november 2009 tot en met 5 januari 2010 in het arrondissement Roermond, meermalen, telkens met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 2] telkens heeft bewogen tot

-het aangaan van een schuld, te weten het ten behoeve van verdachte afsluiten van telefoonabonnementen en

-de afgifte van de mobiele telefoons en simkaarten en

hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk -zakelijk weergegeven- valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid die [slachtoffer 2] verteld dat

-zij zich geen zorgen zou hoeven te maken, omdat hij, verdachte zou regelen dat zij ([slachtoffer 2]) geen geld zou hoeven betalen,

waardoor die [slachtoffer 2] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte en het aangaan van bovenomschreven schuld;

(artikel 326 wetboek van Strafrecht).

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de kwalificatie.

8.1.Kwalificatie.

Het ten laste van verdachte bewezenverklaarde levert op de navolgende strafbare misdrijven:

ten aanzien van feit 1 subsidiair en 3 subsidiair:

oplichting, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 2 subsidiair:

oplichting.

De misdrijven zijn strafbaar gesteld bij artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht.

9.De strafbaarheid van verdachte.

Door de psychiater dr. K.J. Simis is omtrent de geestvermogens van verdachte op 12 november 2010 rapportage uitgebracht. De vraag of de eventuele ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte ten tijde van het ten laste gelegde beïnvloedde kan door de psychiater niet worden onderbouwd, nu verdachte het ten laste gelegde ontkent en zijn medewerking weigerde te verlenen.

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu niet is gebleken van enige omstandigheid die verdachtes strafbaarheid opheft.

10.De straffen en/of maatregelen.

10.1.De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 30 maart 2011 met betrekking tot de op te leggen straf gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2 primair, 3 primair, 4 primair, 5 primair en 6 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van 6 jaren, met aftrek ex artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

10.2.Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouw heeft ten aanzien van de gevorderde straf aangevoerd dat indien de rechtbank komt tot een bewezenverklaring van de feiten een vrijheidsstraf gelijk aan het voorarrest met eventueel een voorwaardelijke straf passend is.

10.3.De overwegingen van de rechtbank.

Verdachte heeft zich in de periode van 21 november 2009 tot en met 5 januari 2010 schuldig gemaakt aan het meermaals plegen van oplichting. Bij die oplichtingen werden de slachtoffers door verdachte bewogen om abonnementen voor mobiele telefoons af te sluiten en de hieruit verkregen telefoontoestellen aan verdachte af te geven. Ook werd een slachtoffer ertoe bewogen om een huurovereenkomst voor een auto aan te gaan en een geldbedrag af te geven.

Verdachte is op een geraffineerde en berekenende wijze te werk gegaan en heeft zich niet bekommerd om de financiële en emotionele schade die de slachtoffers hebben geleden. Verdachte was slechts uit op financieel gewin om zodoende zijn directe (financiële) behoefte te bevredigen.

Voor de persoon van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het Uittreksel Justitiële Documentatie van 01 maart 2011 waaruit blijkt dat verdachte reeds meerdere malen door de strafrechter is veroordeeld ter zake van andersoortige vermogensdelicten.

De rechtbank komt tot oplegging van een veel lagere straf dan de straf die door de officier van justitie is geëist, nu de rechtbank aanzienlijk minder bewezen acht dan waarvan de officier van justitie in haar eis is uitgegaan.

Gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, als na te melden op zijn plaats.

Bij de strafoplegging heeft de rechtbank ten bezware van verdachte er rekening mee gehouden dat verdachte heeft erkend zich schuldig te hebben gemaakt aan het onder aan de dagvaarding ad informandum gevoegd feit, te weten: diefstal van een ketting, pleegperiode 1 oktober 2007 tot en met 15 april 2009 te Waalwijk.

11.Toepasselijke wetsartikelen.

Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen: 10, 27, 57, 326 van het Wetboek van Strafrecht.

12.Beslissing.

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1 primair, 2 primair, 3 primair, 4, 5 en 6 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 subsidiair ten laste gelegde zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verstaat dat het aldus bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en verklaart verdachte ter zake strafbaar;

veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van 6 maanden;

beveelt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Vonnis gewezen door mrs. E.H.M. Druijf, M.J.A.G. van Baal en J.M.G. Gunsing, rechters, van wie mr. M.J.A.G. van Baal voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. N. Geene als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 13 april 2011.

Mr. J.M.G. Gunsing is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.