Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2011:BQ0007

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
25-03-2011
Datum publicatie
04-04-2011
Zaaknummer
Awb 10/1595
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beroep tegen de afwijzing door de gemeente Venlo van een verzoek om nadeelcompensatie als gevolg van de exploitatie van twee coffeeshops aan de Bevrijdingsweg in Venlo gegrond.

Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 juni 2009 (LJN BI8464) kan de rechtbank niet afleiden dat de beperkte groep van omwonenden, die gelegen zijn binnen de directe invloedssfeer van de coffeeshops, slechts de omwonenden zijn die binnen een straal van 100 meter van de coffeeshops wonen, zoals verweerder betoogt. Verweerder heeft het verzoek van eiser dan ook niet reeds op grond hiervan mogen afwijzen.

De rechtbank overweegt verder dat wanneer verweerder besluit om bij een verzoek tot nadeelcompensatie, zoals dat hier voorligt, geen deskundigenadvies in te winnen, hij wel gehouden is zelf zorgvuldig onderzoek te verrichten naar de situatie ter plaatse. Dat is naar het oordeel van de rechtbank in dit geval niet gebeurd. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank nagelaten concreet in te gaan op de door eiser aangevoerde overlast, althans heeft het bestaan van deze overlast onvoldoende gemotiveerd weerlegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector bestuursrecht, meervoudige kamer

Procedurenummer: AWB 10 / 1595

Uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake

[eiser] te [woonplaats], eiser,

tegen

de Burgemeester van de gemeente Venlo, verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 oktober 2010 heeft verweerder het bezwaar van eiser, tegen de afwijzing van zijn verzoek om nadeelcompensatie, ongegrond verklaard. Tegen dat besluit is bij deze rechtbank beroep ingesteld.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Awb ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan eiser gezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 23 februari 2011, waar eiser is verschenen en waar verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. C.H.J.M. Michels.

2. Overwegingen

2.1. Bij besluiten van 16 juli 2004 heeft de burgemeester vergunningen verleend voor de exploitatie van twee coffeeshops in het pand aan de Bevrijdingsweg 16 te Venlo.

Op 17 juni 2009 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) uitspraak gedaan (LJN BI8464) in een procedure tussen verweerder en de bewoners van de woning aan de Bevrijdingsweg [huisnummer] te Venlo. Hierbij heeft de Afdeling aan de bewoners van nummer [huisnummer] een bedrag aan nadeelcompensatie toegekend van in totaal EUR 10.000,- in verband met de schade die zij hadden opgelopen ten gevolge van de exploitatie van de twee coffeeshops.

Eiser is sinds 1980 eigenaar van de woning aan de Bevrijdingsweg [huisnummer] te Venlo. Bij brief van 19 februari 2010 heeft hij om compensatie van schade ten gevolge van de besluiten van 16 juli 2004 verzocht. Aan dat verzoek is ten grondslag gelegd dat de exploitatie van de nabijgelegen coffeeshops tot een waardedaling van eisers woning heeft geleid van minimaal EUR 47.058,- en maximaal EUR 54.930,-.

2.2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat uit voornoemde uitspraak van de Afdeling van 17 juni 2009 blijkt dat slechts reden bestaat tot het toekennen van nadeelcompensatie indien de woning van betrokkene is gelegen binnen de directe invloedssfeer van de coffeeshops. Verweerder overweegt verder dat uit die uitspraak volgt dat slechts sprake is van een beperkte groep van omwonenden die gelegen zijn binnen de directe invloedssfeer van de coffeeshops en waarvoor reden bestaat tot toekenning van nadeelcompensatie. Uit voormelde uitspraak leidt verweerder af dat het alleszins redelijk is om de omvang van deze invloedssfeer te beperken tot een straal van 100 meter. Buiten deze afstand is het verkeer komende naar en van de coffeeshops verspreid en gaat het op in het reguliere wegverkeer. Verweerder heeft geconstateerd dat eiser, in tegenstelling tot de bewoners van nummer [huisnummer], niet binnen 100 meter van de coffeeshops woont en reeds hierom geen deel uitmaakt van de groep omwonenden waarvoor het nadeel buiten het normaal maatschappelijk risico valt. Verweerder ziet dan ook geen aanleiding om over te gaan tot toewijzing van eisers verzoek om nadeelcompensatie. Verweerder bestrijdt bovendien dat de verkeersdrukte voor eiser is toegenomen door de komst van de coffeeshops, omdat de Bevrijdingsweg geen doorgaande weg is die is bestemd voor gemotoriseerd verkeer.

2.3. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij recht heeft op nadeelcompensatie, nu zijn woning als gevolg van de exploitatie van de coffeeshops in waarde is gedaald, althans minder snel in waarde is gestegen dan wanneer de coffeeshops niet op dezelfde locatie zouden worden geëxploiteerd. Eiser betoogt dat hij, in tegenstelling tot wat verweerder beweert, wel behoort tot de beperkte groep van omwonenden zoals de Afdeling in haar uitspraak heeft bedoeld. Nergens uit voormelde uitspraak blijkt dat er voor het vaststellen van deze groep bewoners, die binnen de invloedssfeer van de coffeeshops vallen, een straal van 100 meter gehanteerd zou moeten worden. Na de vestiging van de coffeeshops is de verkeersdrukte bij eiser in de buurt aanzienlijk toegenomen en bovendien wordt eiser in zijn woongenot aangetast doordat er in zijn directe omgeving, waaronder vlak bij zijn woning, in drugs wordt gehandeld. Het huis van eiser staat als gevolg van deze ontwikkelingen al bijna drie jaren tevergeefs te koop.

2.4. In het onderhavige geval is aan de orde een verzoek om schadevergoeding op grondslag van het algemene rechtsbeginsel van ‘égalité devant les charges publiques’. Dit beginsel houdt de regel in dat de onevenredige, nadelige dat wil zeggen: buiten het normale maatschappelijke risico of normale bedrijfsrisico vallende, en op een beperkte groep burgers of instellingen drukkende gevolgen van een overheidsbesluit niet ten laste van die beperkte groep behoren te komen, maar gelijkelijk over de gemeenschap dienen te worden verdeeld.

2.5. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

2.6. Zoals blijkt uit de stukken en het verhandelde ter zitting acht verweerder voor de beoordeling van eisers aanvraag om nadeelcompensatie de uitspraak van de Afdeling van 17 juni 2009 richtinggevend. Verweerder overweegt dat onder meer uit deze uitspraak volgt dat eiser niet binnen de invloedssfeer van de coffeeshops woonachtig is. De rechtbank kan verweerder daarin niet volgen. Uit voorgaande uitspraak kan de rechtbank niet afleiden dat de beperkte groep van omwonenden, die gelegen zijn binnen de directe invloedssfeer van de coffeeshops, slechts de omwonenden zijn die binnen een straal van 100 meter van de coffeeshops wonen, zoals verweerder betoogt. Verweerder heeft het verzoek van eiser dan ook niet reeds op grond hiervan mogen afwijzen.

De rechtbank overweegt verder dat wanneer verweerder besluit om bij een verzoek tot nadeelcompensatie, zoals dat hier voorligt, geen deskundigenadvies in te winnen, hij wel gehouden is zelf zorgvuldig onderzoek te verrichten naar de situatie ter plaatse. Dat is naar het oordeel van de rechtbank in dit geval niet gebeurd. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank nagelaten concreet in te gaan op de door eiser aangevoerde overlast, althans heeft het bestaan van deze overlast onvoldoende gemotiveerd weerlegd. Eiser heeft immers gemotiveerd aangegeven waaruit de overlast bestaat die hij van de coffeeshops ondervindt. Zo heeft hij last van de toegenomen verkeersdrukte ter plaatse, maar ook van de omstandigheid dat zich rondom en in de nabijheid van zijn woning bezoekers van de coffeeshops ophouden. Verweerder heeft dit slechts weersproken door te stellen dat eiser dit niet aannemelijk heeft gemaakt en verwijst verder naar een verkeerstelling gedaan in 2005. Het had op de weg van verweerder gelegen hiernaar nader (en zorgvuldiger) onderzoek te verrichten. Zulks temeer omdat het de rechtbank niet onaannemelijk voorkomt dat de overlast van de drugshandel buiten de coffeeshops om, zich eerder op enige afstand van de coffeeshops in kwestie zal afspelen dan in de onmiddellijke nabijheid van de coffeeshops, zoals eiser stelt, nu de controle - en dus de pakkans - op grotere afstand kleiner zal zijn. Tot slot overweegt de rechtbank dat ook de Afdeling in haar uitspraak tot de conclusie is gekomen dat de coffeeshops een grote verkeersaantrekkende werking hebben. Als dit voor de bewoners van de Bevrijdingsweg nummer [huisnummer] het geval is, terwijl ook zij niet aan de doorgaande route wonen, zal verweerder zijn standpunt dat dit aspect in het geval van eiser geen rol speelt (beter) onderbouwd moeten motiveren.

2.7. Voor zover verweerder zijn standpunt heeft willen onderbouwen met het argument dat hij gebruik heeft gemaakt van het advies dan wel de adviezen die in de procedure tussen de bewoners van de Bevrijdingsweg nummer [huisnummer] en verweerder zijn uitgebracht, overweegt de rechtbank dat zij dit niet kan toetsen, reeds nu dit advies door verweerder in deze procedure niet is overgelegd.

2.8. De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat verweerder het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid en onvoldoende heeft gemotiveerd. Nu op voorhand niet is te zeggen dat het geconstateerde gebrek op korte termijn te herstellen is en niet uitgesloten is dat hierbij een deskundige zal worden betrokken, zal de rechtbank geen gebruik maken van de mogelijk om verweerder op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb in de gelegenheid te stellen het hiervoor geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen. De rechtbank zal het bestreden besluit dan ook vernietigen en verweerder zal met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit moeten nemen.

2.9. Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Awb, voor zover hier van belang, worden de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende. Ingevolge artikel 7:15, derde lid, van de Awb wordt het verzoek gedaan voordat het bestuursorgaan op het bezwaar heeft beslist; het bestuursorgaan beslist op het verzoek bij de beslissing op het bezwaar. De rechtbank overweegt dat nu eiser het verzoek tot vergoeding van de kosten in bezwaar heeft gedaan nadat verweerder op het bezwaar heeft beslist, namelijk bij brief van 10 februari 2011, terwijl de beslissing op bezwaar genomen is op 13 oktober 2010, deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen.

2.10. De rechtbank acht ook geen termen aanwezig om verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep, nu eiser zich niet heeft laten voorzien van professionele rechtsbijstand en hij ook overigens niet heeft aangevoerd voor vergoeding in aanmerking komende kosten te hebben gemaakt.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

bepaalt dat verweerder aan eiser het door of namens deze betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 volledig vergoedt.

Aldus gedaan door mrs. T.M. Schelfhout (voorzitter), P.J. Voncken en E.J. Govaers, in tegenwoordigheid van mr. J.C. Sluymer als griffier en in het openbaar uitgesproken

op 25 maart 2011.

w.g. mr. J.C. Sluymer,

griffier w.g. mr. T.M. Schelfhout,

voorzitter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

verzonden op: 25 maart 2011.

Een belanghebbende en het bestuursorgaan kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Ingevolge artikel 6:5 van de Awb bevat het beroepschrift een of meer gronden tegen de uitspraak en moet een afschrift van de uitspraak bij het beroepschrift worden overgelegd.