Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2011:BP7711

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
08-03-2011
Datum publicatie
15-03-2011
Zaaknummer
AWB 10/1536
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Terugvordering teveel uitbetaalde bedrag aan zorgtoeslag. Onderscheid Wmo/PGB enerzijds en zorgtoeslag anderzijds. Schending hoorplicht. Geen bijdrage aan finale geschillenbeslechting door verweerder. Rechtsgevolgen vernietigde besluit blijven in stand.

Hoewel verweerder naar de letter van de wet en met name het materieelrechtelijke kader toepassing had kunnen geven aan artikel 7:3 van de Awb en van het horen van eiser in bezwaar had kunnen afzien, acht de rechtbank het juist in het onderhavige geval niet aangewezen dat verweerder gebruik heeft gemaakt van deze bevoegdheid. Uit het bezwaarschrift blijkt onmiskenbaar dat sprake is van een misverstand wat betreft het onderscheid Wmo/PGB enerzijds en zorgtoeslag anderzijds, waarbij de bestaande onduidelijkheid met enige vorm van communicatie en uitleg van verweerders kant en juist tijdens een hoorzitting eenvoudig weggenomen had kunnen worden. Een verdere procedure had op deze wijze kunnen worden voorkomen, zoals thans in beroep ook is bevestigd. De handelwijze van verweerder is derhalve bepaald niet bevorderlijk geweest voor een finale beslechting van het geschil.

De rechtbank is voorts van oordeel dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd, nu verweerder in het geheel niet is ingegaan op hetgeen door eiser in bezwaar naar voren is gebracht. Reden waarom de rechtbank het beroep gegrond zal verklaren en het bestreden besluit zal vernietigen. De rechtsgevolgen van het vernietigde besluit blijven in stand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector bestuursrecht, enkelvoudige kamer

Procedurenummer: AWB 10 / 1536

Uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake

[eiser] te Herkenbosch, eiser,

tegen

de Belastingdienst Toeslagen, kantoorhoudende te Utrecht, verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 september 2010 heeft verweerder beslist op het bezwaar van eiser tegen een besluit van 5 augustus 2010, waarbij het door eisers echtgenote ontvangen voorschot zorgtoeslag over 2008 gedeeltelijk is teruggevorderd. Tegen dat besluit is bij deze rechtbank beroep ingesteld.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 2 maart 2011, waar eiser in persoon is verschenen en waar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door J. Chattou.

2. Overwegingen

2.1. Bij besluit van 20 december 2007 is aan de echtgenote van eiser een voorschot zorgtoeslag 2008 verleend van € 532,-. Eisers echtgenote is in augustus 2009 overleden.

Bij besluit van 5 augustus 2010 is de zorgtoeslag over 2008 definitief vastgesteld op een bedrag van € 450,-. Het teveel ontvangen bedrag van € 82,- is van eiser teruggevorderd.

2.2. Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit van 5 augustus 2010 ongegrond verklaard.

2.3. De rechtbank dient op basis van de aangevoerde beroepsgronden te beoordelen of het bestreden besluit in strijd is met het geschreven of ongeschreven recht dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel.

2.4. Uit hetgeen eiser in bezwaar en beroep naar voren heeft gebracht en zoals ter zitting is toegelicht, leidt de rechtbank af dat de echtgenote van eiser in 2008 een persoonsgebonden budget (PGB) heeft ontvangen ten behoeve van hulp bij het huishouden. Dit PGB is verstrekt door de gemeente Roerdalen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Voor dit PGB was ook een eigen bijdrage verschuldigd, welke door het Centraal Administratie Kantoor (CAK) is vastgesteld. Doordat de echtgenote van eiser in 2008 geen gebruik heeft kunnen maken van de zorg waarvoor het PGB was verstrekt, is het PGB beëindigd en heeft eiser het in het 1e en 2e kwartaal van 2008 reeds ontvangen bedrag ad € 1.658,74 terugbetaald. Voor eiser is het onduidelijk geweest waarom hij dan nu nog eens een bedrag van € 82,- zou moeten terugbetalen, terwijl zijn echtgenote in het geheel geen zorg heeft ontvangen. Ter zitting heeft eiser verklaard dat hem pas na toezending van alle stukken door de rechtbank duidelijk is geworden dat er in 2008 een voorschot zorgtoeslag is verleend en dat het hier iets anders betreft dan het door hem ontvangen en later terugbetaalde PGB. Nu hem dit duidelijk is geworden, wil eiser het bedrag van € 82,- dan ook alsnog aan verweerder terugbetalen. Eiser is wel van mening dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld waardoor hij zich genoodzaakt heeft gezien beroep in te stellen. Hierdoor heeft hij onnodig kosten van een beroepsprocedure moeten maken. Hij verzoekt de rechtbank dan ook verweerder te veroordelen in de door hem gemaakte kosten in beroep (griffierecht). Tevens verzoekt eiser de rechtbank te bepalen dat verweerder dient af te zien van heffing van rente over het bedrag van € 82,-.

2.5. Verweerder heeft met toepassing van artikel 7:3 van de Awb afgezien van het horen van eiser in bezwaar, omdat naar zijn oordeel sprake was van een kennelijk ongegrond bezwaar. In het bestreden besluit heeft verweerder toegelicht dat de hoogte van het voorschot zorgtoeslag 2008 wordt berekend op basis van het geschatte inkomen over het jaar 2008. Na afloop van het toeslagjaar worden de inkomensgegevens bij de Belastingdienst vastgesteld en op basis daarvan wordt de zorgtoeslag over 2008 definitief berekend. In het verweerschrift is verwezen naar het wettelijk kader. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder verklaard dat het horen van eiser in bezwaar, gelet op de regelgeving, niet tot een ander besluit zou kunnen leiden, zodat terecht toepassing is gegeven aan artikel 7:3 van de Awb.

2.6. De rechtbank overweegt naar aanleiding van het bovenstaande als volgt.

2.7. Hoewel verweerder naar de letter van de wet en met name het materieelrechtelijke kader toepassing had kunnen geven aan artikel 7:3 van de Awb en van het horen van eiser in bezwaar had kunnen afzien, acht de rechtbank het juist in het onderhavige geval niet aangewezen dat verweerder gebruik heeft gemaakt van deze bevoegdheid. Uit het bezwaarschrift blijkt onmiskenbaar dat sprake is van een misverstand bij eiser wat betreft het onderscheid Wmo/PGB enerzijds en zorgtoeslag anderzijds, waarbij de bestaande onduidelijkheid met enige vorm van communicatie en uitleg van verweerders kant en juist tijdens een hoorzitting eenvoudig weggenomen had kunnen worden. Een verdere procedure had op deze wijze kunnen worden voorkomen, zoals thans in beroep ook is bevestigd. De handelwijze van verweerder is derhalve bepaald niet bevorderlijk geweest voor een finale beslechting van het geschil. Nu verweerder in het voorgaande dan ook aanleiding had moeten zien om een hoorzitting te organiseren en dit heeft nagelaten, heeft verweerder in strijd gehandeld met artikel 7:3 van de Awb.

2.8. De rechtbank is voorts van oordeel dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd, nu verweerder in het geheel niet is ingegaan op hetgeen door eiser in bezwaar naar voren is gebracht. Vanwege de schending van de hoor- en motiveringsplicht zal de rechtbank daarom het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen.

De rechtbank dient voorts te bezien of de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand kunnen blijven. Zij overweegt daartoe als volgt.

2.9. Op basis van het toetsingsinkomen over 2008 heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat de echtgenote van eiser over 2008 recht heeft gehad op € 450,- zorgtoeslag. Nu aan de echtgenote van eiser een voorschot van € 532,- is verstrekt, is derhalve € 82,- te veel aan zorgtoeslag uitbetaald. Gelet op de relevante bepalingen van de Wet op de zorgtoeslag en de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen kwam verweerder de bevoegdheid toe om het aan voorschot verleende bedrag te herzien en was verweerder gehouden het teveel betaalde voorschot in zijn geheel terug te vorderen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder in inhoudelijk opzicht een juiste beslissing heeft genomen, zodat zij de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand zal laten.

2.10. Ingevolge artikel 8:74 van de Awb houdt de uitspraak, indien de rechtbank het beroep gegrond verklaart, tevens in dat aan de indiener van het beroepschrift het door hem betaalde griffierecht wordt vergoed door het bestuursorgaan.

2.11. De rechtbank ziet geen grond om, zoals door eiser is gevraagd, verweerder te veroordelen tot het nalaten van het invorderen van wettelijke rente over het bedrag van € 82,-, nu het instellen van bezwaar en beroep de betalingsverplichting niet opschort. Zij merkt daar echter bij op dat het, gelet op de omstandigheden van dit geval, verweerder zou sieren hiervan af te zien, evenals van het invorderen van kosten van een aanmaning of dwangbevel, voor zover hier al sprake van zou zijn.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

bepaalt dat verweerder aan eiser het door of namens deze betaalde griffierecht ten bedrage van € 41,00 volledig vergoedt.

Aldus gedaan door mr.drs. E.J. Govaers in tegenwoordigheid van mr. N.F.M. Beurskens-Roelofs als griffier en in het openbaar uitgesproken op 8 maart 2011.

w.g. mr. N.F.M. Beurskens-Roelofs,

griffier w.g. mr.drs. E.J. Govaers,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

verzonden op: 8 maart 2011

Een belanghebbende en het bestuursorgaan kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Ingevolge artikel 6:5 van de Awb bevat het beroepschrift een of meer gronden tegen de uitspraak en moet een afschrift van de uitspraak bij het beroepschrift worden overgelegd.