Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2011:BP7474

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
08-03-2011
Datum publicatie
11-03-2011
Zaaknummer
04/850301-10, 04/850483-10, 04/850014-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging tot doodslag op ex-vriendin. Wederrechtelijke vrijheidsberoving van die ex-vriendin.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector strafrecht

Parketnummer : 04/850301-10

Parketnummer : 04/850483-10

Parketnummer : 04/850014-11

Datum uitspraak : 8 maart 2011

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Roermond, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de ter terechtzitting gevoegde zaken tegen:

[verdachte],

geboren te [geboortedatum en plaats],

wonende te [adres en woonplaats]

thans gedetineerd

1. Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting

van 22 februari 2011.

2. De tenlastelegging

De verdachte staat na de toegestane vordering nadere omschrijving tenlastelegging in de zaak met parketnummer 04/850301-10, terecht ter zake dat:

1.

hij op of omstreeks 23 juli 2010 in de gemeente [plaatsnaam] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een pistool, in elk geval met een vuurwapen, meermalen, althans eenmaal in de richting van genoemde [slachtoffer 1] heeft geschoten en/of meermalen, althans eenmaal een pistool, in elk geval een vuurwapen, op genoemde [slachtoffer 1] heeft gericht en (vervolgens) de trekker heeft overgehaald

en/of meermalen, althans eenmaal een pistool, in elk geval een vuurwapen tegen het hoofd van deze [slachtoffer 1] heeft gezet, althans op het hoofd van deze [slachtoffer 1] heeft gericht, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(artikel 289 juncto 45 van het Wetboek van Strafrecht)

althans indien terzake het vorenstaande onder 1 geen veroordeling zou volgen:

hij op of omstreeks 23 juli 2010 in de gemeente [plaatsnaam] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet met een pistool, in elk geval met een vuurwapen, meermalen, althans eenmaal in de richting van genoemde [slachtoffer 1] heeft geschoten en/of meermalen, althans eenmaal een pistool, in elk geval een vuurwapen, op genoemde [slachtoffer 1] heeft gericht en (vervolgens) de trekker heeft overgehaald en/of meermalen, althans eenmaal een pistool, in elk geval een vuurwapen tegen het hoofd van deze [slachtoffer 1] heeft gezet, althans op het hoofd van deze [slachtoffer 1] heeft gericht, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(artikel 287 juncto 45 van het Wetboek van Strafrecht)

althans indien terzake al het vorenstaande onder 1 geen veroordeling zou volgen:

hij op of omstreeks 23 juli 2010 in de gemeente [plaatsnaam] [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend meermalen, althans eenmaal een pistool, in elk geval een vuurwapen, tegen het hoofd van deze [slachtoffer 1] heeft gehouden en/of met genoemd pistool, althans vuurwapen in de lucht geschoten en/of genoemde [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal tegen haar hoofd heeft geslagen en/of (daarbij) deze dreigend de woorden toegevoegd: "[naam] met pap, ik sta hier met [slachtoffer 1]. Pap schiet zichzelf kapot. En ook [slachtoffer 1] kapot." en/of dat hij haar kapot zou maken, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

(artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht)

2.

hij op of omstreeks 23 juli 2010 in de gemeente [plaatsnaam] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een pistool, in elk geval met een vuurwapen, in de richting van deze [slachtoffer 2] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(artikel 289 juncto 45 van het Wetboek van Strafrecht)

althans indien terzake het vorenstaande onder 2 geen veroordeling zou volgen:

hij op of omstreeks 23 juli 2010 in de gemeente [plaatsnaam] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet met een pistool, in elk geval met een vuurwapen in de richting van deze [slachtoffer 2] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(artikel 287 juncto 45 van het Wetboek van Strafrecht;

3.

hij op of omstreeks 23 juli 2010 in de gemeente [plaatsnaam] opzettelijk [slachtoffer 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, immers heeft hij, verdachte met dat opzet genoemde [slachtoffer 1] gewelddadig vastgepakt, althans vastgehouden en/of deze [slachtoffer 1] in een beenklem genomen, althans met zijn benen omklemd, terwijl hij een pistool, in elk geval een vuurwapen, op haar hoofd had gericht, dit alles om met voornoemde [slachtoffer 1] te praten;

(artikel 282 van het Wetboek van Strafrecht)

en in de zaak met parketnummer 04/850483-10

1.

hij op of omstreeks 23 juli 2010 in de gemeente [plaatsnaam] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet deze [slachtoffer 1] (meermalen) met een pistool, in elk geval met een vuurwapen tegen haar hoofd, in elk geval tegen haar lichaam, heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(artikel 302 juncto 45 van het Wetboek van Strafrecht)

althans indien terzake het vorenstaande onder 1 geen veroordeling zou volgen:

hij op of omstreeks 23 juli 2010 in de gemeente [plaatsnaam] opzettelijk mishandelend [slachtoffer 1] (meermalen) (met een pistool, in elk geval een vuurwapen) heeft geslagen, waardoor voornoemde [slachtoffer 1] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

(art. 300 van het Wetboek van Strafrecht)

2.

hij op of omstreeks 23 juli 2010 in de gemeente [plaatsnaam] een wapen van categorie III, te weten een (semi automatisch) pistool (merk Manurhin, model Walther PPK, kaliber 7,65 Browning, serienummer 116826), voorhanden heeft gehad;

(artikel 26 Wet wapens en munitie)

en in de zaak met parketnummer 04/850014-11

1.

hij op of omstreeks 01 mei 2010 in de gemeente [gemeente 2] opzettelijk mishandelend

[slachtoffer 3] bij haar keel/nek heeft vastgepakt en/of haar keel heeft dicht geknepen, waardoor voornoemde [slachtoffer 2] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

(artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht)

2. hij op of omstreeks 01 mei 2010 in de gemeente [gemeente 2] opzettelijk mishandelend

[slachtoffer 4] heeft geslagen, waardoor voornoemde [slachtoffer 4] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

(artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht)

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3. De geldigheid van de dagvaardingen

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaardingen aan alle wettelijke eisen voldoen en dus geldig zijn.

4. De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

6. Schorsing der vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7. Bewijsoverwegingen

7.1. Standpunten van de officier van justitie en de verdediging.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 22 februari 2011 gevorderd dat in de zaak met parketnummer 04/850301/10 het onder 1 primair, 2 primair en onder 3, in de zaak met parketnummer 04/850483-10 het onder 1 primair en 2, alsmede in de zaak met parketnummer 04/850014-11 het onder 1 en 2 ten laste gelegde zal worden bewezen verklaard.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van in de zaak met parketnummer 04/850301/10 het onder 1 primair en subsidiair en het onder 2, in de zaak met parketnummer 04/850483-10 het onder 1 primair ten laste gelegde. Met betrekking tot in de zaak met parketnummer 04/850301/10 het onder 1 meer subsidiair en onder 3, in de zaak met parketnummer 04/850483-10 het onder 1 subsidiair en 2, alsmede in de zaak met parketnummer 04/850014-11 het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

7.2. Bewijsmiddelen en overwegingen van de rechtbank

De overtuiging van de rechtbank dat de verdachte in de zaak met parketnummer 04/850301/10 het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en onder 3, in de zaak met parketnummer 04/850483-10 het onder 1 primair en 2, alsmede in de zaak met parketnummer

04/850014-11 het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen.

De hieronder vermelde bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit, waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Samenvatting van de bewijsmiddelen en oordeel van de rechtbank

In de zaak met parketnummer 04/850301-10 en in de zaak met parketnummer 04/850483-10 ten aanzien van feit 1:

Tijdens de terechtzitting van 22 februari 2011 heeft verdachte onder meer het volgende verklaard.

Ik word al een hele tijd bedreigd door derden. Ik heb daarvan aangifte willen doen bij de politie, maar die deed niets. Daarom heb ik een pistool met munitie aangeschaft. Ik had dat pistool altijd bij mij voor mijn eigen veiligheid. Op 23 juli 2010 heb ik eerst op een terras gezeten aan een café gelegen aan de [lokatie]. Van daaruit ben ik op de fiets richting de jachthaven gegaan. Bij [buurtschap] te [plaatsnaam] kwam ik de mij bekende heer [getuige 1] tegen en heb ik even met hem gesproken. Toen ik daar mijn ex-vriendin [slachtoffer 1] en haar vriendin [slachtoffer 2] zag, ben ik naar [slachtoffer 1] toegegaan. Toen ik hen daar samen zag aankomen, ontstak ik in woede. Ik sprak haar aan, zei dat ik met haar wilde praten en van het een kwam het ander. [slachtoffer 1] wilde niet met mij spreken en zij rende weg. Toen pakte ik het pistool en schoot eenmaal in de lucht. [slachtoffer 1] probeert weg te komen en verstopt zich bij een Caddy. Toen heb ik nog een keer recht in de muur geschoten. Vervolgens lopen we met zijn drieën een stukje weg. [slachtoffer 1] kon de huissleutel van de woning waar zij met haar moeder woont niet vinden en ook [slachtoffer 2] gaat de sleutel zoeken in haar schoudertas. Vervolgens kijk ik [slachtoffer 2] in de ogen en ik word heel kwaad. Ik stoot [slachtoffer 2] met mijn elleboog in haar gezicht en schiet op de tas die [slachtoffer 2] bij zich had. Daarna rent [slachtoffer 1] weer weg. Ik ren achter haar aan en schiet vlak voor de trapjes nog een keer in de lucht. Daarna ontlaad ik het pistool en stop de kogels in mijn broekzak. Vervolgens krijg ik [slachtoffer 1] weer te pakken. Ik pak haar vast en houd het pistool tegen haar hoofd. Er ontstaat een worsteling waarbij wij allebei op de grond terechtkomen.

Tijdens die worsteling heb ik het pistool diverse keren op het hoofd van [slachtoffer 1] gehouden dan wel op haar hoofd gericht en gericht gehouden. Ik heb allerlei dreigementen geuit en ik heb ook gedreigd te schieten. Ik wilde [slachtoffer 1] echter niet dood hebben. Daarom had ik ook al de kogels uit het pistool verwijderd. Ik heb gedaan alsof ik mijn wapen wilde herladen. Ik hoopte door dit alles dat de inmiddels aanwezige politieagenten mij zouden dood schieten.

[slachtoffer 1] heeft aangifte gedaan en zij heeft onder meer verklaard dat sinds december 2009 [verdachte] haar ex-vriend is, en dat er gedurende de 2,5 jaar durende relatie problemen in de huiselijke sfeer waren waarbij hij onder andere woedeaanvallen kreeg, doch dat zij van die incidenten geen aangifte heeft gedaan omdat zij bang voor hem was. Sinds december 2009 bleef hij contact met haar zoeken en haar bedreigen per telefoon en met brieven.

Op 23 juli 2010 omstreeks 21.00 uur of 21.30 uur kwamen haar vriendin [slachtoffer 2] en zij bij de woning op [buurtschap], alwaar zij met haar moeder woont.

Terwijl [slachtoffer 2] en zij naar het appartement liepen, zag zij [verdachte] met twee mensen staan te praten. Hij zei dat hij haar moest hebben doch zij gaf aan dat zij niet met hem wilde praten. Hij liep in haar richting en hij zei: ”Ik wil met je praten, we gaan nu naar boven naar de woning van jouw moeder.” Zij zei nee en direct hierna zag zij dat hij een pistool pakte en dat tegen haar hoofd zette. Zij wilde wegrennen en hij schoot één keer in de lucht.

Daarna schoot hij naar voren en omlaag in de richting van [slachtoffer 2] die daar stond.

Aangeefster probeerde weg te rennen, [verdachte] rende achter haar aan, hij pakte haar van achteren bij de keel in een soort nekklem en hield opnieuw het pistool tegen haar hoofd.

Zij hield zich slap waardoor zij omlaag zakte. Hij trok haar hard omhoog aan haar nek. Uiteindelijk kwam zij op de grond terecht en daarna sloeg hij haar diverse malen met de achterkant van het pistool tegen haar hoofd.

Er ontstond opnieuw een worsteling tussen [verdachte] en aangeefster en zij riep: ”Laat me gaan.” Zij hoorde dat hij zei: “Nee, ik laat je niet gaan. Ik maak je kapot.” Aangeefster verklaart dat zij en [verdachte] op de grond lagen met de benen verstrengeld. Zij zag dat er politie om hen heen stond en zij hoorde dat er geroepen werd: “Laat haar gaan.” en dat [verdachte] riep: “Neen, ik laat haar niet gaan.” Op een bepaald moment had zij het pistool vast en zij voelde dat zijn greep op haar verslapte en zij merkte dat zij kon wegrennen.

In een nadere verklaring geeft aangeefster [slachtoffer 1] aan dat [verdachte] heel nerveus was en dat hij één keer op [slachtoffer 2] en één keer op haar heeft gericht.

Hij heeft haar tot de toegangsdeur onder dwang meegenomen door een arm om haar nek te klemmen en met de andere hand een pistool op haar hoofd te richten. Ook sloeg hij haar met de achterkant van het wapen op haar hoofd, om zo te zorgen dat zij doorliep.

[slachtoffer 2] heeft tegenover de politie aangifte gedaan van poging tot doodslag met behulp van het schieten van kogels met een wapen op aangeefster door [verdachte], gepleegd op 23 juli 2010 tussen 21.15 uur en 22.00 uur.

Zij heeft verklaard dat op 23 juli 2010 haar vriendin [slachtoffer 1] en zij bij de flat tegenover [buurtschap] te [plaatsnaam] waren. De haar bekende [verdachte] was daar ook. Toen zij iets voorbij [verdachte] waren, kwam hij achter hen aan en hij riep dat hij met [slachtoffer 1] moest praten. Hij liep in hun richting en ineens trok hij een pistool. [verdachte] riep: “nu meekomen, naar binnen” en zij hoorde dat [slachtoffer 1] riep dat zij niet meeging. Zij zag en hoorde dat [verdachte] een schot in de lucht loste en dat [slachtoffer 1] wegrende. Zij zag dat [verdachte] achter [slachtoffer 1] aanrende en hij haar even later vasthield en dat [verdachte] het pistool tegen het hoofd van [slachtoffer 1] hield en haar meetrok in de richting van de achteringang van [buurtschap]. [verdachte] zei dat zij ook mee moest. Hierna zag zij dat [verdachte] het pistool op haar richtte, zij hoorde een schot en voelde druk en wind langs haar linkerarm. Zij had haar handtas over haar linkerschouder en zij hield deze vóór haar lichaam. Hierna zag zij dat [verdachte] met [slachtoffer 1] naar de ingang van [buurtschap] ging en dat hij [slachtoffer 1] vasthield. Zij zag vervolgens dat [slachtoffer 1] zich kon losmaken en dat zij wegrende, waarna [verdachte] haar achterna rende en weer te pakken kreeg.

De verhorend verbalisant heeft de handtas van aangeefster bekeken en geconstateerd dat er vermoedelijk een inslag en mogelijk ook een plek waar de kogel de tas heeft verlaten op de tas aanwezig is.

Nadien is [slachtoffer 2] bij de politie nader gehoord en heeft zij als volgt verklaard.

Ik zag dat [verdachte] het pistool in de lucht hield en een schot loste. Ik zag ook nog dat [verdachte] zijn pistool op [slachtoffer 1] richtte en dat hij op haar schoot. Ik hoorde echter geen knal van een schot maar een geluid dat ik niet goed kan thuisbrengen. Kort daarna zag ik dat hij het pistool op mij richtte en meteen ging het af.

De handtas die [slachtoffer 2] bij zich had, is door een deskundige van het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag onderzocht. Het resultaat van dat onderzoek is dat in de tas vier beschadigingen zijn aangetroffen. De deskundige heeft als conclusie getrokken dat van de vier aangetroffen één beschadiging waarschijnlijk een uitschotbeschadiging is, één beschadiging mogelijk een schotbeschadiging is, en twee beschadigingen mogelijk inschotbeschadigingen zijn.

De getuige [getuige 1] heeft op 24 juli 2010 tegenover de politie verklaard dat hij gisteravond op het balkon van een woning gelegen aan de achterzijde van de [buurtschap] te [plaatsnaam] was en dat hij de hem bekende [verdachte] zag komen aanfietsen. Desgevraagd zei [verdachte] hem dat hij aan het patrouilleren was. Ineens zag [getuige 1] de hem bekende [slachtoffer 1] en haar vriendin komen aanlopen. Hij hoorde dat [verdachte] zei: ”[slachtoffer 1], ik wil even met je praten.” en hij hoorde van [slachtoffer 1] dat zij dat niet wilde. Er werd geschreeuwd. De getuige zag dat er een handgemeen ontstond en dat [verdachte] [slachtoffer 1] vastpakte. Hierna zag hij dat [slachtoffer 1] zich losrukte en dat ze weg begon te rennen. [verdachte] rende haar achterna en de getuige zag dat hij een revolver pakte. De getuige hoorde en zag dat hij in de lucht schoot en dat [verdachte] [slachtoffer 1] weer vastpakte. De getuige hoorde dat [verdachte] tegen [slachtoffer 1] zei dat ze mee naar boven moest. Hierna zag de getuige dat [slachtoffer 1] weer wegrende en dat ze achter een auto probeerde weg te komen, maar dat dat haar niet lukte. Hij zag en hoorde dat [verdachte] weer schoot maar dat hij nu op [slachtoffer 1] richtte. De getuige zag dat [slachtoffer 1] werd geslagen. Hierna zag de getuige dat verdachte het vuurwapen op [slachtoffer 2] richtte en daarbij zei: ”Jij bent ook schuld.”, waarna hij opnieuw een harde knal hoorde. Ondertussen zag de getuige dat [slachtoffer 1] er weer vandoor rende en dat [verdachte] weer met het vuurwapen op haar richtte en opnieuw schoot, waarna hij een luide knal hoorde. Vervolgens zag de getuige dat [slachtoffer 1] wegrende in de richting van de onderdoorgang van de flat aan de [buurtschap]. [verdachte] heeft de eerste keer in de lucht geschoten, de andere schoten waren gericht.

De verbalisant [naam] was op 23 juli 2010 omstreeks 21.25 uur bij [buurtschap] te [plaatsnaam] en ter hoogte van de onderdoorgang van [buurtschap] zag hij dat er een man stond die een vrouw vasthield door middel van een verwurging. Hij zag dat die man in zijn richting keek en met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in zijn richting wees. Hierna zag hij dat de man en de vrouw op de grond vielen en dat er tussen hen een worsteling ontstond. Hij zag dat de man het vuurwapen op de vrouw had gericht en dat hij met dit wapen tweemaal in het gezicht van de vrouw sloeg, waarna het gezicht hevig bloedde. Hij zag dat op enig moment de benen van de man om het middel van de vrouw zaten. Na enige tijd zag de verbalisant dat de vrouw van de man loskwam en achter een aldaar geparkeerde auto ging staan.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van vorenstaande bewijsmiddelen, met name op grond van de verklaringen van [slachtoffer 2] en de verklaringen van de getuige [getuige 1], kan worden bewezen dat verdachte op 23 juli 2010 in de gemeente [plaatsnaam] éénmaal in de richting van [slachtoffer 1] heeft geschoten, namelijk voordat zij met verdachte op de grond in een worsteling raakte.

De rechtbank bezigt voor wat betreft getuige [getuige 1] zijn verklaringen bij de politie voor het bewijs aangezien hij vlak na de ten laste gelegde feiten tot twee keer toe stellig verklaarde dat er gericht op de slachtoffers is geschoten. Zijn latere verklaring bij de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Roermond zal de rechtbank terzijde schuiven, aangezien haar geen enkel aanknopingspunt is gebleken waarom zijn eerdere verklaringen onjuist zouden zijn.

Het richten van het vuurwapen op [slachtoffer 1] ten tijde van de worsteling met haar op de grond, hetgeen deels is gefilmd en grotendeels ook door een aantal politiemensen is gezien, kan niet bijdragen aan het bewijs voor een poging moord dan wel poging doodslag. De stelling van verdachte dat hij reeds voor dat incident zijn pistool had ontladen en ten tijde van de worsteling slechts deed alsof hij zijn wapen wilde herladen in de hoop dat hij door de politie zou worden doodgeschoten, kan niet weerlegd worden door bewijsmiddelen. Temeer daar in het dossier aanwijzingen zijn die de verklaring van verdachte niet weerleggen. Zo heeft hij 3 à 4 keer geschoten en een vol magazijn bevat meer kogels. Toen verdachte zich overgaf en de politie het wapen in handen kreeg was het niet geladen en ook [slachtoffer 1] verklaart dat verdachte kogels uit zijn broekzak haalde toen zij daar samen op de grond lagen.

Met betrekking tot [slachtoffer 2] is de rechtbank van oordeel dat verdachte éénmaal in de richting van haar heeft geschoten, namelijk toen verdachte op de door haar gedragen tas heeft geschoten.

Verdachte wordt verweten dat het schieten heeft plaatsgevonden met voorbedachten rade. De officier van justitie heeft ter onderbouwing daarvan een aantal omstandigheden, onder andere het gedurende langere tijd herhaaldelijk uiten van doodsbedreigingen richting [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], het in het bezit hebben van een pistool en het aldaar aanwezig zijn om [slachtoffer 1] op te wachten, naar voren gebracht. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte het wapen bij zich had omdat hij zich door derden bedreigd voelde en dat hij aldaar aanwezig was om met [slachtoffer 1] een gesprek aan te gaan.

De rechtbank overweegt met betrekking tot de voorbedachte raad als volgt.

Weliswaar hebben aangeefsters verklaard dat zij al maanden werden lastiggevallen met teksten die zij als bedreigend ervoeren, maar dat gegeven houdt niet in dat verdachte aangeefsters wilde doden, temeer nu verdachte tijdens de terechtzitting heeft verklaard dat hij aangeefsters in financiële zin wilde kapotmaken, hetgeen ook uit enkele sms-berichten blijkt.

Ook het feit dat verdachte met een pistool op zak op zoek is gegaan naar in ieder geval [slachtoffer 1], maakt niet dat uit die omstandigheid de voorbedachte raad kan worden afgeleid, nu uit de aangiften en de verklaringen van getuige [getuige 1] blijkt dat verdachte ook in eerste instantie met [slachtoffer 1] wilde gaan praten, zoals verdachte ter terechtzitting heeft verklaard, en niet meteen het pistool is gaan gebruiken.

De rechtbank acht derhalve de voorbedachte raad niet aanwezig en zij zal daarom verdachte vrijspreken van de onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde poging tot moord.

De raadsman heeft het verweer naar voren gebracht dat in de zaak met parketnummer 04/850301/10 de poging tot doodslag op [slachtoffer 2] (ten laste gelegd als feit 2) niet bewezen kan worden, nu verdachte bewust op de handtas die zij bij zich had, heeft geschoten en dat verdachte haar niet kan hebben geraakt, gelet op de korte afstand tussen hem en haar op het moment dat hij schoot.

De rechtbank overweegt met betrekking tot dit verweer dat zij het niet aannemelijk acht dat verdachte bij het op korte afstand schieten op de tas die [slachtoffer 2], blijkens haar verklaring hangend vanaf de schouder, bij zich droeg, alleen de tas en niet [slachtoffer 2] zou hebben kunnen raken.

Niet is gesteld noch is gebleken dat verdachte een geoefend schutter is die bewust alleen het beoogd doel kan / zal raken. Daarnaast is uit het onderzoek ter terechtzitting gebleken dat verdachte zeer emotioneel was en er ter plaatse een hectische situatie was waarbij [slachtoffer 1] probeerde weg te komen.

Door het op korte afstand schieten met een pistool op de tas die [slachtoffer 2] over een van haar schouders hangend bij zich had, heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat hij niet de tas maar [slachtoffer 2] in haar romp met een kogel zou raken, als gevolg waarvan zij zodanig letsel zou hebben kunnen oplopen dat zij aan dat letsel zou kunnen overlijden.

Het verweer van de raadsman wordt derhalve verworpen.

Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsman als verweer gevoerd dat niet is vast te stellen dat het pistool dat verdachte in een van zijn handen heeft gehad het hoofd van [slachtoffer 1] heeft geraakt. Getuigen die tegenover de politie hebben verklaard dat zij dat hebben gezien, verklaren tegenover de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank [plaatsnaam] dat zij het niet hebben gezien.

Daarnaast is het pistool dat verdachte in een van zijn handen heeft gehad zo klein, dat delen van dat pistool als verdachte het in een van zijn handen heeft, niet buiten de hand van verdachte komen en dat [slachtoffer 1] dus ook niet met dat pistool tegen het hoofd kan zijn geraakt.

De rechtbank overweegt daaromtrent dat [slachtoffer 1] in haar verklaring zegt dat verdachte diverse malen met de achterkant van het pistool tegen haar hoofd slaat op het moment dat zij op de grond liggend in een worsteling met verdachte is verwikkeld.

Verder relateert verbalisant [naam], getraind om waar te nemen, in zijn proces-verbaal van bevindingen dat hij ziet dat verdachte het vuurwapen tweemaal in het gezicht van de vrouw sloeg, waarna het gezicht hevig bloedde.

Gelet op het vorenstaande verwerpt de rechtbank het verweer van de raadsman.

Verder is de rechtbank van oordeel dat verdachte door met een pistool op het hoofd van [slachtoffer 1] te slaan zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat zij als gevolg van dat slaan zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.

(Samenvatting van de) bewijsmiddelen en oordeel van de rechtbank

in de zaak met parketnummer 04/850483-10 ten aanzien van feit 2

- de ter terechtzitting van 22 februari 2011 afgelegde bekennende verklaring van verdachte;

- het proces-verbaal van forensisch technisch onderzoek.

In de zaak met parketnummer 04/850014-11

Met betrekking tot het in de tenlastelegging vermelde feit 1 heeft aangeefster

[slachtoffer 3] verklaard dat zij op 1 mei 2010 samen met onder meer haar zus [slachtoffer 1] en [getuige 2] op het station te [gemeente 2] was en dat aldaar de haar bekende [verdachte], de ex van haar zus [slachtoffer 1], zich op het perron bevond. Op een gegeven moment hoorde en zag zij dat [verdachte] tegen haar zus aan het schreeuwen was. Hierna ging zij naar [verdachte] toe en zei zij tegen hem dat hij haar zus met rust moest laten. Zij zag en voelde dat [verdachte] haar bij haar keel vastgreep en zij voelde dat hij haar keel met kracht dichtkneep. Op het moment dat [verdachte] haar keel dichtkneep, voelde zij een hevige pijn in haar keel.

De getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij op 30 april 2010 omstreeks 23.30 uur samen met onder andere [slachtoffer 3] en haar zus naar het station te [gemeente 2] is gegaan. Op een perron staand, zag hij een jongen in een dreigende houding staan. Het bleek de ex-vriend van de zus van [slachtoffer 3] te zijn en [getuige 2] hoorde dat hij tegen die zus schreeuwde. [getuige 2] zag dat [slachtoffer 3] naar die man toeliep en dat die man met kracht naar de keel van [slachtoffer 3] greep.

Verdachte heeft tegenover de politie verklaard dat hij op 1 mei 2010 op een perron van het station te [gemeente 2] was en dat hij aldaar op een gegeven moment de hem bekende [slachtoffer 1], haar zus [slachtoffer 3] en enkele andere personen zag. Verdachte heeft toen van alles tegen [slachtoffer 1] geroepen. Hierna kwam [slachtoffer 3] op hem af waarna hij haar enkele seconden bij haar nek heeft vastgehouden.

Ten aanzien van feit 2

- De aangifte van [slachtoffer 4];

- de ter terechtzitting van 22 februari 2011 afgelegde bekennende verklaring van verdachte.

7.3. Bewezenverklaring

Op grond van voormelde bewijsmiddelen en overwegingen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte in de zaak met parketnummer 04/850301/10 het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en onder 3, in de zaak met parketnummer 04/850483-10 het onder 1 primair en 2, alsmede in de zaak met parketnummer 04/850014-11 het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

in de zaak met parketnummer 04/850301-10 dat:

1.

hij op 23 juli 2010 in de gemeente [plaatsnaam] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet met een pistool eenmaal in de richting van genoemde [slachtoffer 1] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 23 juli 2010 in de gemeente [plaatsnaam] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet met een pistool in de richting van deze [slachtoffer 2] heeft geschoten, terwijl de

uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op 23 juli 2010 in de gemeente [plaatsnaam] opzettelijk [slachtoffer 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers heeft hij, verdachte met dat opzet genoemde [slachtoffer 1] gewelddadig vastgepakt en deze [slachtoffer 1] in een beenklem genomen, althans met zijn benen omklemd, terwijl hij een pistool op haar hoofd had gericht;

in de zaak met parketnummer 04/850483-10

1.

hij op 23 juli 2010 in de gemeente [plaatsnaam] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet deze [slachtoffer 1] meermalen met een pistool tegen haar hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 23 juli 2010 in de gemeente [plaatsnaam] een wapen van categorie III, te weten een (semi automatisch) pistool (merk Manurhin, model Walther PPK, kaliber 7,65 Browning, serienummer 116826), voorhanden heeft gehad;

en in de zaak met parketnummer 04/850014-11

1.

hij omstreeks 1 mei 2010 in de gemeente [gemeente 2] opzettelijk mishandelend [slachtoffer 3] bij haar keel heeft vastgepakt en haar keel heeft dicht geknepen, waardoor voornoemde [slachtoffer 2] pijn heeft ondervonden;

2.

hij omstreeks 1 mei 2010 in de gemeente [gemeente 2] opzettelijk mishandelend [slachtoffer 4] heeft geslagen, waardoor voornoemde [slachtoffer 4] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen.

Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de kwalificatie

8.1. De strafbaarheid

De bewezen verklaarde feiten zijn strafbare feiten.

8.2. Kwalificatie

Het ten laste van verdachte bewezenverklaarde levert op de navolgende misdrijven:

In de zaak met parketnummer 04/850301-10:

ten aanzien van feit 1:

poging tot doodslag;

ten aanzien van feit 2:

poging tot doodslag;

ten aanzien van feit 3:

opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden;

in de zaak met parketnummer 04/850483-10:

ten aanzien van feit 1:

poging tot zware mishandeling;

ten aanzien van feit 2:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van de categorie III;

in de zaak met parketnummer 04850014-11:

ten aanzien van feit 1:

mishandeling;

ten aanzien van feit 2:

mishandeling.

8.3 Strafbaarstellingen.

In de zaak met parketnummer 04/850301-10:

ten aanzien van feit 1:

artikelen 287 juncto 45 van het Wetboek van Strafrecht;

ten aanzien van feit 2:

artikelen 287 juncto 45 van het Wetboek van Strafrecht;

ten aanzien van feit 3:

artikel 282 van het Wetboek van Strafrecht;

in de zaak met parketnummer 04/850483-10:

ten aanzien van feit 1:

artikelen 302 juncto 45 van het Wetboek van Strafrecht;

ten aanzien van feit 2:

artikel 55 van de Wet wapens en munitie:

in de zaak met parketnummer 04/850014-11:

ten aanzien van feit 1:

artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht;

ten aanzien van feit 2:

artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De strafbaarheid van verdachte

Door de psychiater J. Dinjens is omtrent de geestvermogens van verdachte op

8 november 2010 een rapportage uitgebracht. De deskundige komt tot de conclusie dat er bij verdachte geen sprake is van een omstandigheid die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluit.

De psychiater komt tot in een uitgebreide en goed onderbouwde rapportage tot de conclusie dat er bij verdachte sprake is van een antisociale persoonlijkheid en een aanpassingsstoornis met een stoornis in emotie en gedrag. Deze stoornissen waren aanwezig ten tijde van de ten laste gelegde pogingen tot doodslag op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en beïnvloedden de gedragskeuze en gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde in enige mate. De psychiater adviseert de rechtbank verdachte –indien het ten laste gelegde bewezen wordt – ten hoogste als licht verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

De rechtbank kan zich in de conclusie en het advies van de deskundige vinden en zij zal deze overnemen.

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu overigens niet is gebleken van enige omstandigheid die verdachtes strafbaarheid opheft.

10. De straf en maatregel

10.1. De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 22 februari 2011 met betrekking tot de op te leggen straf gevorderd dat verdachte ter zake van tweemaal een poging tot moord, een wederrechtelijke vrijheidsberoving, een poging tot zware mishandeling, overtreding van de Wet wapens en munitie en twee mishandelingen, zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van 12 jaren met aftrek ex artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

10.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van de gevorderde straf aangevoerd dat aan verdachte een substantieel lagere straf dan gevorderd dient te worden opgelegd, onder meer gelet op de bepleite vrijspraak van de ten laste gelegde pogingen tot moord en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

10.3. De overwegingen van de rechtbank

Uit het dossier komt naar voren dat verdachte en slachtoffer [slachtoffer 1] een onstuimige relatie hebben gehad. Nadat verdachte voor huiselijk geweld jegens [slachtoffer 1] onherroepelijk is veroordeeld, heeft zij op een gegeven moment de relatie definitief beëindigd. Uit het dossier blijkt voorts dat verdachte zich hierbij niet kon neerleggen en zich niet alleen dreigend en hinderlijk heeft gedragen jegens [slachtoffer 1], maar ook jegens haar vriendin [slachtoffer 2]. Het gedrag dat verdachte op 1 mei 2010 heeft tentoongespreid jegens [slachtoffer 1] en haar gezelschap spreekt overigens ook boekdelen. Verdachte is zo gefixeerd op [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en hun familie, dat hij hen verantwoordelijk houdt voor alles wat in zijn leven misgaat. Zo blijkt uit het dossier dat de hennepplantage in de woning waar verdachte verbleef is ontdekt omdat de zus van verdachte de politie had gewaarschuwd omdat zij vreesde dat verdachte zichzelf iets had aangedaan. Verdachte beschuldigt juist [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en hun moeders ervan dat zij hem verlinkt hebben.

Verdachte is [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] tegengekomen vlak bij de woning van de moeder van [slachtoffer 1] en heeft zich daar onmiddellijk eisend en bepalend opgesteld. Toen bleek dat [slachtoffer 1] niet met hem wilde praten en weigerde met hem mee te gaan is verdachte overgegaan tot het toepassen van ernstig geweld. Verdachte heeft gericht geschoten op zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2], hij heeft [slachtoffer 1] achtervolgd, haar een pistool op het hoofd gezet, gezegd dat hij haar zou doodschieten en haar ondertussen flink geslagen. Dit moet een zeer bedreigende en traumatische ervaring geweest zijn. Uit de slachtofferverklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] is naar voren gekomen dat deze feiten een enorme impact op hen gehad hebben. Zij hadden beiden het gevoel dat hun laatste uur geslagen had. Ook thans zijn zij psychisch nog steeds niet de oude en hebben zij nog steeds grote angst dat verdachte zijn dreigementen zal waar maken op het moment dat hij vrij komt.

Daarbij komt dat dit hele gebeuren zich heeft afgespeeld op de openbare weg en dat vele mensen hiervan getuige zijn geweest. Mensen hebben schoten gehoord, de omgeving is afgezet geweest, er was veel politie ter plaatse en het heeft ook nadat [slachtoffer 1] wist te ontsnappen lang geduurd voordat verdachte zich overgaf aan de politie.

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft de rechtbank daarnaast rekening gehouden met het feit dat verdachte vanaf 2000 al enkele malen is veroordeeld ter zake van mishandeling, bedreiging en overtreding van de Wet wapens en munitie.

Als laatste heeft de rechtbank in ogenschouw genomen dat verdachte volgens de psychiater die verdachte heeft onderzocht, ten hoogste als licht verminderd toerekeningsvatbaar is te beschouwen.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat met name gelet op de ernst van de bewezen verklaarde feiten een forse gevangenisstraf op zijn plaats is en dat een gevangenisstraf voor de tijd van zes jaren een passende straf is, welke straf de rechtbank ook zal opleggen.

10.4. Onttrekking aan het verkeer

De rechtbank is van oordeel dat het inbeslaggenomene, te weten te weten 1 pistool, model WALTHER PPK. serienummer 116826 en 29 stuks munitie, dient te worden onttrokken aan het verkeer.

Genoemd pistool is vatbaar voor onttrekking aan het verkeer aangezien met behulp van dat het voorwerp de bewezen verklaarde feiten in de zaak met parketnummers 04/850301-10 en 04/850483-10 zijn begaan, terwijl dat voorwerp van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

De rechtbank is van oordeel dat het inbeslaggenomene, te weten 29 stuks munitie, dient te worden onttrokken aan het verkeer.

Genoemde aan de verdachte toebehorende voorwerpen zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet, terwijl die voorwerpen bij gelegenheid van het onderzoek naar misdrijven waarvan hij werd verdacht zijn aangetroffen

en kunnen dienen tot het begaan van soortgelijke misdrijven.

11. Toepasselijke wetsartikelen

Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 27, 36b, 36c, 45, 57, 91, 282, 287, 300, 302

Wet wapens en munitie art. 26, 55

12. Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte in de zaak met parketnummer 04/850301/10 het onder 1 primair en onder 2 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de zaak met parketnummer 04/850301/10 het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en onder 3, in de zaak met parketnummer 04/850483-10 het onder 1 primair en 2, alsmede in de zaak met parketnummer

04/850014-11 het onder 1 en 2 ten laste gelegde zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verstaat dat het aldus bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en verklaart verdachte ter zake strafbaar;

veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van zes jaren;

beveelt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

onttrekt aan het verkeer het inbeslaggenomene, te weten 1 pistool, model WALTHER PPK. serienummer 116826 en 29 stuks munitie.

Vonnis gewezen door mrs. M.J.A.G. van Baal, E.A.M. van Oorschot en P.E.M. Franssen, rechters, van wie mr. M.J.A.G. van Baal voorzitter, in tegenwoordigheid van J.A.H. Bicker als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 8 maart 2011.

Mr. M.J.A.G. van Baal is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Typ: JB