Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2011:BP6585

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
02-03-2011
Datum publicatie
03-03-2011
Zaaknummer
04/160773-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Pleitnota met onbetamelijke uitlatingen voorgedragen tijdens openbare zitting toch niet voldoende ruchtbaarheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2011/119
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROERMOND

Sector Strafrecht

Parketnummer: 04/160773-10

Datum uitspraak: 2 maart 2011

Tegenspraak

Vonnis van de politierechter te Roermond,

in de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Roermond tegen:

[verdachte],

geboren [geboortedatum],

wonende te [adres].

1.Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting 16 februari 2011.

2.De tenlastelegging

De verdachte staat terecht ter zake dat:

1.

hij op of omstreeks 5 september 2008 te 's-Hertogenbosch opzettelijk de eer en/of goede naam van [sl[slachtoffer] heeft aangerand door telastlegging van een of meer bepaalde feiten, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, immers heeft verdachte met voormeld doel aan (een) geschrift(en), zijnde een pleitnota aan het Hof van Discipline terzake zaaknummer [naam verdachte] versus [slachtoffer], waarin onder andere - zakelijk weergegeven - het volgende geschreven:

• Hoe kan er sprake zijn van solidariteit met cliënt als de advocaten zich (mede) schuldig maken aan het plegen van misdrijven jegens cliënt? (pagina 2 pleitnota)

• Hoe integer ben je als je mensen chanteert, misleidt en oplicht? (pagina 2 pleitnota)

• Gezien de valse voorlichting van [slachtoffer] is er sprake van misleiding en zelfs van bedrog. (pagina 5 pleitnota)

• advocatuur = NSB (pagina 24 pleitnota)

terwijl verdachte wist dat dit/deze telastgelegde feit(en) in strijd met de waarheid was/waren;

2.

hij op of omstreeks 5 september 2008 te 's-Hertogenbosch [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer] dreigend de woorden toegevoegd: "Indien uw Hof geen zware sancties oplegt aan de aangeklaagde personen, dan mag ik hen zelf uit de maatschappij verwijderen. Daarbij mag ik dan levens beëindigen", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de politierechter verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3.De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4.De bevoegdheid van de politierechter

Krachtens de wettelijke bepalingen is de politierechter bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5.De ontvankelijkheid van de officier van justitie

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting van 16 februari 2011 aangevoerd dat de officier van justitie niet ontvankelijk in de vervolging dient te worden verklaard.

De raadsvrouw heeft gesteld dat verdachte tweemaal aangifte heeft gedaan tegen [slachtoffer] wegens onder andere het plegen van laster en schending van de geheimhoudingsplicht. Beide aangiften zijn geseponeerd. Nu [slachtoffer] door het openbaar ministerie niet vervolgd wordt en verdachte voor soortgelijke delicten wel wordt vervolgd, is volgens de raadsvrouw sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel dan wel willekeur.

De politierechter geeft aan dat het opportuniteitsbeginsel als bedoeld in artikel 167 van het Wetboek van Strafvordering inhoudt dat de officier van justitie bevoegd is op gronden aan het algemeen belang ontleend af te zien van vervolging. Beslist de officier van justitie dat hij tot vervolging overgaat, dan staat die beslissing in het algemeen niet ter beoordeling van de rechter, behoudens indien is gehandeld in strijd met beginselen van een behoorlijke procesorde.

De politierechter stelt voorop dat slechts sprake kan zijn van schending van het gelijkheidsbeginsel wanneer gelijke gevallen ongelijk worden behandeld en een redelijke en objectieve rechtvaardiging voor die ongelijke behandeling ontbreekt. Naar het oordeel van de politierechter kan niet worden gesproken van gelijke gevallen, nu de aangiften van verdachte en [slachtoffer] zien op verschillende gedragingen en daaruit voortvloeiende delicten. De feiten die ten grondslag liggen aan de aangiften van verdachte en [slachtoffer] zijn dus niet hetzelfde. Er is derhalve geen sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel.

Willekeur veronderstelt dat het openbaar ministerie bij vergelijkbare zaken, zonder grondslag, in de ene zaak wel en in de andere zaak niet tot vervolging overgaat.

De zaken van [slachtoffer] en verdachte zijn evenwel niet zodanig vergelijkbaar te noemen dat de eventuele beslissing om [slachtoffer] niet te vervolgen aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in deze zaak in de weg zou staan.

Het verweer van de raadsvrouw wordt derhalve verworpen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn verder geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

6.Schorsing der vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7.Standpunten van de officier van justitie en de verdediging.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 16 februari 2011 gevorderd dat verdachte ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde zal worden vrijgesproken en dat het onder 2 ten laste gelegde zal worden bewezen verklaard.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 en 2 ten laste gelegde.

8.Beoordeling door de politierechter

8.1.Vrijspraakoverwegingen van de politierechter

De politierechter acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte sub 1 is ten laste gelegd.

In een notendop heeft zich het navolgende voorgedaan. Jaren geleden is verdachte vervolgd voor strafbare feiten. Redelijk kort voor de zitting heeft verdachte een nieuwe raadsman genomen, [slachtoffer]. Verdachte is toen veroordeeld, welke veroordeling nog niet in rechte vaststaat (verdachte is in hoger beroep gegaan, vervolgens in cassatie, de zaak is terugverwezen naar het hof, verdachte is weer veroordeeld en hij is wederom in cassatie gegaan). Verdachte heeft tegen [slachtoffer] een klacht ingediend, welke klacht in twee instantie ongegrond verklaard is. Bij de tweede instantie, het Hof van Discipline, heeft verdachte gebruik gemaakt van een door hem opgestelde pleitnota. Verdachte studeert rechten aan een universiteit. In die pleitnota heeft verdachte allerlei stellingen betrokken. De in feit 1 van de tenlastelegging opgenomen citaten zijn in de pleitnota terug te vinden. Daarnaast vergelijkt verdachte zijn behandeling door advocatuur en justitie met schendingen tegen de mensheid zoals die ten tijde van het Nazi-regime regel waren. Hij stelt bijvoorbeeld:

“…

- inval Gestapo = inval arrestatieteam

- verhoor SD = verhoor politie

- dokter Mengele = pro justitia rapportages

- vernietigingskamp = huis van bewaring te Grave

- vervolgd en veroordeeld door SS = justitie Den Bosch.”

Ook stelt hij het volgende:

“Gezien de houding van de Raad van Discipline heb ik niet de illusie dat uw Hof wel actie zal ondernemen om de kankertumoren uit uw organisatie te verwijderen.”

en

“Ik sluit mijn pleidooi niet af met een passende groet. Want wat is passend? Dat is afhankelijk van uw uitspraak. Als die van het niveau van de Raad van Discipline is, dan is voor de NSB de Hitlergroet de enige passende groet.”

De politierechter is van oordeel dat verdachte met deze stellingen de grenzen van het betamelijke ver heeft overschreden en dat deze volstrekt ongepast zijn. Deze stellingen zijn een jurist, hoe ook onjuist die zich behandeld voelt, onwaardig.

Toch zal de politierechter verdachte vrijspreken van smaad of laster. Voor een bewezenverklaring van dit strafbare feit is noodzakelijk dat bewezen wordt dat verdachte ruchtbaarheid gegeven heeft aan zijn onjuiste stellingen. Alhoewel de zitting van het Hof van Discipline openbaar is en in principe iedereen kennis heeft kunnen nemen van de inhoud van de pleitnota, is de praktijk dat stellingen bij een openbare zitting slechts een kleine groep bereikt. Nu verdachte niet verklaard heeft dat deze stellingen voor een bredere kring van betrekkelijk willekeurige derden bedoeld waren en er evenmin andere bewijsmiddelen zijn waaruit dat af te leiden valt, kan slechts vrijspraak volgen.

8.2.Samenvatting van de bewijsmiddelen en overwegingen van de politierechter

De overtuiging van de politierechter dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen.

Op 29 september 2008 doet [slachtoffer] aangifte van belediging en bedreiging. Hij heeft onder meer verklaard dat verdachte in maart 2007 een klacht tegen aangever heeft ingediend bij de Raad van Discipline. Op 5 september 2008 vond de behandeling plaats van het hoger beroep bij het Hof van Discipline te ’s-Hertogenbosch. Bij gelegenheid van de behandeling werd door verdachte een pleitnota overhandigd. Onder aan pagina 24 stelt verdachte: ‘indien uw Hof geen zware sancties oplegt aan de aangeklaagde personen dan mag ik hen zelf uit de maatschappij verwijderen. Daarbij mag ik dan leven beëindigen.’ Omdat verdachte met de aangeklaagde personen onder andere aangever bedoelt, ervaart hij deze zinnen als buitengewoon bedreigend.

Op 29 april 2009 heeft verdachte bij de politie onder meer verklaard dat hij de pleitnota heeft geschreven.

Het dossier bevat tevens de pleitnota van verdachte, d.d. 5 september 2008, ingediend bij het Hof van Discipline te ’s-Hertogenbosch.

In de eerder aangehaalde pleitnota heeft verdachte het navolgende gesteld.

“ Het sociaal contract tussen de Staat der Nederlanden en mij is ontbonden en de eigenrichting op het gebied van veiligheid is weer terug in mijn handen. Wat mag ik nu doen? Dat is helder: alles. Zijn er grenzen? Nee. ….

Proportioneel zijn dus de meest gruwelijke daden toegestaan. Mijn leven is kapot gemaakt, dus mag ik ook anderen hun leven kapot maken. …..

Indien uw Hof geen zware sancties oplegt aan de aangeklaagde personen (politierechter: er waren klachten ingediend tegen meerdere advocaten), dan mag ik hen zelf uit de maatschappij verwijderen. Daarbij mag ik dan levens beëindigen.

Let u vooral op de formulering: mag. Een bedreiging uit ik hier niet, ik wijs enkel en alleen op mijn rechten. Als je de daden pleegt, seponeert het OM bovendien alles.”

Gelet op de door verdachte gebezigde bewoordingen en de omstandigheden waaronder deze woorden zijn geuit (een jarenlange twist voortkomende uit een verdenking strafbare feiten als belaging en wederrechtelijke vrijheidsberoving gepleegd te hebben) kon bij de bedreigde redelijke vrees ontstaan dat het misdrijf gericht tegen het leven van bedreigde waarmee gedreigd werd ook gepleegd zou worden. De zinsnede waarin verdachte zegt geen bedreiging te uiten, maar slechts op zijn rechten te wijzen is net van zodanige aard dat bedreigde daaruit de overtuiging heeft moeten bekomen dat verdachte slechts heeft willen wijzen op zijn ‘filosofisch’ recht.

De politierechter acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte sub 2 is ten laste gelegd.

8.3. Bewezenverklaring

Op grond van voormelde bewijsmiddelen en overwegingen acht de politierechter wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 5 september 2008 te 's-Hertogenbosch [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer] dreigend de woorden toegevoegd: "Indien uw Hof geen zware sancties oplegt aan de aangeklaagde personen, dan mag ik hen zelf uit de maatschappij verwijderen. Daarbij mag ik dan levens beëindigen".

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen verklaard, is naar het oordeel van de politierechter niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

9.De kwalificatie

Het ten laste van verdachte bewezenverklaarde levert op het navolgende misdrijf:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht.

10.De strafbaarheid van verdachte

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu niet is gebleken van enige omstandigheid die verdachtes strafbaarheid opheft.

11.De straffen en/of maatregelen

11.1 De eis van de officier van justitie en het standpunt van de verdediging

De officier van justitie heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 16 februari 2010 met betrekking tot de op te leggen straf gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis.

De raadsvrouw heeft ten aanzien van de gevorderde straf aangevoerd zij zich primair op het standpunt stelt dat verdachte dient te worden vrijgesproken. Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat een geheel voorwaardelijke straf passend is.

11.2De overwegingen van de politierechter

Op grond van de aard van het bewezenverklaarde, alsmede op grond van de omstandigheden waaronder dit is gepleegd en de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, is de politierechter van oordeel dat aan verdachte na te melden straf behoort te worden opgelegd.

De politierechter heeft bij de strafoplegging meer in het bijzonder enerzijds rekening gehouden met de ernst van het bewezenverklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, alsmede met het belang van een juiste normhandhaving.

De politierechter is van oordeel dat een taakstraf in de vorm van een werkstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, een gepaste bestraffing vormt en in dit geval een bijdrage kan leveren aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten. Het feit is te ernstig om af te doen met een voorwaardelijke werkstraf.

De politierechter zal het aantal te werken uren onbetaalde arbeid stellen op 40 uren en bevelen dat, voor het geval de taakstraf niet naar behoren wordt verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 20 dagen.

12.Toepasselijke wetsartikelen

Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 9, 22c, 22d, 27, 285.

13.Beslissing

De politierechter:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het sub 1 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het sub 2 ten laste gelegde zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verstaat dat het aldus bewezenverklaarde het hiervoor vermelde strafbare feit oplevert en verklaart verdachte terzake strafbaar;

veroordeelt verdachte tot een taakstraf, te weten een werkstraf voor de duur van 40 uren, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid;

beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 20 dagen zal worden toegepast;

verstaat dat de taakstraf uiterlijk 1 jaar nadat dit vonnis onherroepelijk is geworden, zal zijn voltooid.

Vonnis gewezen door de politierechter mr. L.P. Bosma , in tegenwoordigheid van

mr. D.W.G. Roebroek als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 2 maart 2011.

RECHTBANK ROERMOND

Aanvulling van de bewijsmiddelen inzake het vonnis

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren [geboortedatum],

wonende te [adres].

Aangevuld en ondertekend door de politierechter.

Datum: mr. L.P. Bosma