Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2011:BP6214

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
02-03-2011
Datum publicatie
02-03-2011
Zaaknummer
04/860689-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

- Strafvermindering wegens meewerkende houding verdachte tijdens vooronderzoek en onderzoek ter terechtzitting.

- Niet-ontvankelijk-verklaring van benadeelde partijen in ad informandum gevoegde feiten.

- Afwijzing vordering schadevergoeding van slachtoffers in ad informandum gevoegde feiten als bijzondere voorwaarde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector strafrecht

Parketnummer : 04/860689-10

Datum uitspraak : 2 maart 2011

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Roermond, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats en datum],

wonende te [adres en woonplaats],

thans gedetineerd

1. Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

16 februari 2011.

2. De tenlastelegging

De verdachte staat na wijziging van de tenlastelegging terecht ter zake dat:

1.

hij op of omstreeks 6 november 2010 te [plaats 1], in elk geval in de [gemeente], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een personenauto

(merk: Nissan Micra, kenteken: [kenteken]) heeft weggenomen een aantal cd's en/of een navigatiesysteem en/of een (frontje van) radio/cd speler, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik

heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;

(zaak 11)

art. 311 van het Wetboek van Strafrecht;

2.

hij op of omstreeks 8 november 2010 te [plaats 1], in elk geval in de [gemeente ], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een personenauto

(merk: Opel Zafira, kenteken: [kenteken]) heeft weggenomen een tas inhoudende een aantal goederen (onder meer een portemonnee en/of (een) bankpas(sen) en/of een rijbewijs en/of een sleutelbos), in elk geval enig goed, geheel of ten

dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;

(zaak 14)

art. 311 van het Wetboek van Strafrecht;

3.

hij op of omstreeks 6 november 2010 te [plaats 1], [gemeente ], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening in/uit een personenauto (Toyota landcruiser, gekentekend [kenteken]) weg te nemen wat van zijn/hun gading was, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3], in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en zich daarbij de toegang tot voornoemde personenauto te verschaffen en/of die/dat weg te nemen goederen onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen (een) ruit(en) van voornoemde personenauto in te slaan, althans te vernielen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(zaak 8)

art. 311 jo. 45 van het Wetboek van Strafrecht;

4.

hij op of omstreeks 7 november 2010 te [plaats 2], [gemeente ], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk een (ruit van een) bushokje, in elk geval enig goed, geheel of

ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

(zaak16)

art. 350 van het Wetboek van Strafrecht;

5.

hij op of omstreeks 5 november 2010 te [plaats 1], [gemeente ], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een personenauto (Mitsubishi Colt, gekentekend [kenteken]) heeft weggenomen een lifehammer en/of een pakje kauwgum, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 5], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

(zaak 19)

art. 311 van het Wetboek van Strafrecht;

6.

hij op of omstreeks 30 juli 2010 te [plaats 1], in elk geval in de [gemeente ] om (ongeveer) 01:00 uur, in elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, op een besloten erf waarop een woning staat (gelegen aan de [adres]) alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een bromfiets (merk: Tomos, gekentekend: [kenteken]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 6], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

(860675-10)

Art. 311 Wetboek van Strafrecht

7.

hij op of omstreeks 30 juli 2010 te [plaats 1], in elk geval in de [gemeente ], [slachtoffer 6] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 6] dreigend de woorden toegevoegd :"Als jij de politie belt, ik weet waar je woont en dan maak ik je kapot", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

(860675-10)

Art. 285 Wetboek van Strafrecht

8.

hij op of omstreeks 12 juni 2010 te [plaats 1], in elk geval in de [gemeente ], met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de [adres], in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 7], welk geweld bestond uit het meermalen, althans eenmaal slaan en/of schoppen van voornoemde [slachtoffer 7];

(856601-10)

art. 141 Wetboek van Strafrecht

Althans indien terzake het vorenstaande onder 8 geen veroordeling zou volgen:

hij op of omstreeks 12 juni 2010 te [plaats 1], in elk geval in de [gemeente ], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend [slachtoffer 7] meermalen, althans eenmaal heeft geslagen en/of geschopt, waardoor voornoemde [slachtoffer 7] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

(artikel 300 Wetboek van Strafrecht)

9.

hij op of omstreeks 13 maart 2010 te [plaats 2], in elk geval in de [gemeente ], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk wederrechtelijk een motorrijtuig, (personenauto), toebehorende aan

[slachtoffer 8], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), als bestuurder en/of als inzittende heeft gebruikt op de weg, de [straat], in elk geval op een weg;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

art. 11 Wegenverkeerswet 1994

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3. De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4. De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

6. Schorsing der vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7. Bewijsoverwegingen

7.1. Standpunten van de officier van justitie en de verdediging.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 16 februari 2011 gevorderd dat het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8 primair en 9 ten laste gelegde zal worden bewezen verklaard.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder 7 ten laste gelegde bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. De overige feiten zijn door de verdachte erkend.

7.2. Bewijsmiddelen en overwegingen van de rechtbank

De overtuiging van de rechtbank dat de verdachte het 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8 primair en 9 ten laste gelegde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen.

De hieronder vermelde bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit, waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Bewijsmiddelen en oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1:

- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 16 februari 2011;

- de aangifte van [slachtoffer 1].

Ten aanzien van feit 2:

- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 16 februari 2011;

- de aangifte van [slachtoffer 2].

Ten aanzien van feit 3:

- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 16 februari 2011;

- de aangifte van [slachtoffer 3].

Ten aanzien van feit 4:

- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 16 februari 2011;

- de aangifte van [betrokkene] namens [slachtoffer 4];

- relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2].

Ten aanzien van feit 5:

- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 16 februari 2011;

- de aangifte van [slachtoffer 5].

Ten aanzien van feit 6:

- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 16 februari 2011;

- de aangifte van [slachtoffer 6].

Ten aanzien van feit 7:

[slachtoffer 6] heeft aangifte gedaan van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht op 30 juli 2010 te [plaats 1]. Verdachte zou tegen hem hebben gezegd: ‘Als jij de politie belt, ik weet waar je woont en dan maak ik kapot.’

Verdachte heeft verklaard dat aangever tegen hem heeft gezegd: ‘Je hebt geluk dat ik je niet heb zien rijden anders had ik je gestoken.’ Hierop zou verdachte gezegd hebben tegen [slachtoffer 6]: ‘Dag mag je proberen, maar als je me bedreigt dan maak ik je kapot.’

In het licht van de andere ten laste gelegde feiten, die allemaal door verdachte zijn bekend, springt de ontkenning van dit feit door verdachte in het oog. Moeilijk valt in te zien waarom verdachte, gelet op alle bekentenissen en het feit dat hij schoon schip wil maken, dit feit zou ontkennen. Bovendien pleit verdachte zichzelf niet helemaal vrij. Hij erkent wel een bedreiging te hebben geuit, maar in andere bewoordingen en in een andere context dan uit de aangifte blijkt.

Tegenover de verklaring van verdachte, die de rechtbank op zichzelf geloofwaardig en betrouwbaar voorkomt, staat de aangifte van [slachtoffer 6], ondersteund door getuigenverklaringen. De meeste van deze getuigenverklaringen zijn afgelegd door vrienden van [slachtoffer 6], enkele dagen na de vermeende bedreiging. Hiermee is niet uit te sluiten dat deze verklaringen op elkaar en op de aangifte van [slachtoffer 6] zijn afgestemd, of zijn beperkt.

Gelet op het voorgaande hecht de rechtbank meer waarde aan de verklaring van verdachte, dan aan de aangifte en de getuigenverklaringen.

De verklaring van verdachte houdt in dat hij tegen aangever de woorden ‘ik maak je kapot’ heeft gebezigd. Om die reden is de rechtbank wel van oordeel dat sprake is van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, nu uit het dossier naar voren komt dat de aangifte van verklaring van verdachte wel op hetzelfde incident betrekking hebben.

Ten aanzien van feit 8:

- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 16 februari 2011;

- de aangifte van [slachtoffer 7].

Ten aanzien van feit 9:

- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 16 februari 2011;

- de aangifte van [slachtoffer 8].

7.3. Bewezenverklaring

Op grond van voormelde bewijsmiddelen en overwegingen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8 primair en 9 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 6 november 2010 te [plaats 1], tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een personenauto (merk: Nissan Micra, kenteken: [kenteken]) heeft weggenomen een aantal cd's en een navigatiesysteem en een frontje van radio/cd speler, toebehorende aan [slachtoffer 1], waarbij verdachte en zijn mededader de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak;

2.

hij op 8 november 2010 te [plaats 1], tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een personenauto (merk: Opel Zafira, kenteken: [kenteken]) heeft weggenomen een tas inhoudende een aantal goederen (onder meer een portemonnee en bankpassen en een rijbewijs en een sleutelbos), toebehorende aan [slachtoffer 2], waarbij verdachte en zijn mededaders de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak;

3.

hij op 6 november 2010 te [plaats 1], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een personenauto (Toyota Landcruiser, gekentekend [kenteken]) weg te nemen wat van hun gading was, toebehorende aan [slachtoffer 3], en die/dat weg te nemen goed(eren) onder hun bereik te brengen door middel van braak, met een mededader, een ruit van voornoemde personenauto in te slaan, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4.

hij op 7 november 2010 te [plaats 2], tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk en wederrechtelijk een ruit van een bushokje, toebehorende aan [slachtoffer 4], heeft vernield;

5.

hij op 5 november 2010 te [plaats 1], tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een personenauto (Mitsubishi Colt, gekentekend [kenteken]) heeft weggenomen een lifehammer en een pakje kauwgum, toebehorende aan [slachtoffer 5], waarbij verdachte en zijn mededaders de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak;

6.

hij op 30 juli 2010 te [plaats 1], om ongeveer 01:00 uur, op een besloten erf waarop een woning staat gelegen aan de [adres] alwaar verdachte zich buiten weten en tegen de wil van de rechthebbende bevond, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een bromfiets (merk: Tomos, gekentekend: [kenteken]), toebehorende aan [slachtoffer 6];

7.

hij op 30 juli 2010 te [plaats 1], [slachtoffer 6] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 6] dreigend de woorden toegevoegd: "ik maak je kapot", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

8.

hij op 12 juni 2010 te [plaats 1], met een ander, op of aan de openbare weg, de [adres], openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 7], welk geweld bestond uit het slaan en schoppen van voornoemde [slachtoffer 7];

9.

hij op 13 maart 2010 te [plaats 2], tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk wederrechtelijk een motorrijtuig, (personenauto), toebehorende aan [slachtoffer 8], als inzittende heeft gebruikt op de weg, de [straat];

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de kwalificatie

8.1. Kwalificatie

Het ten laste van verdachte bewezenverklaarde levert op de navolgende strafbare misdrijven:

T.a.v. feit 1, 2, 3 en 5 telkens:

Diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak

T.a.v. feit 4:

Medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen

T.a.v. feit 6:

Diefstal gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd op een besloten erf waarop een woning staat, door iemand die zich aldaar buiten weten en tegen de wil van de rechthebbende bevindt

T.a.v. feit 7:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

T.a.v. feit 8 primair:

Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen

T.a.v. feit 9:

Overtreding van artikel 11 van de Wegenverkeerswet 1994.

De misdrijven onder 1, 2, 3, 5 en 6 zijn strafbaar gesteld bij de artikelen 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Het misdrijf onder 4 is strafbaar gesteld bij artikel 350 van het Wetboek van Strafrecht.

Het misdrijf onder 7 is strafbaar gesteld bij artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht.

Het misdrijf onder 8 is strafbaar gesteld bij artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht.

Het misdrijf onder 9 is strafbaar gesteld bij artikel 176 van de Wegenverkeerswet 1994.

9. De strafbaarheid van verdachte

Door de psycholoog drs. [naam] is omtrent de geestvermogens van verdachte op 1 februari 2011 rapportage uitgebracht. De deskundige komt niet tot de conclusie dat er bij verdachte sprake is van een omstandigheid die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluit. De deskundige rapporteert echter wel, zakelijk weergegeven, dat bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de zin van persoonlijkheidsproblematiek, te weten een persoonlijkheidsstoornis in ontwikkeling, met narcistische, borderline en antisociale kenmerken. Deze persoonlijkheidsproblematiek was ten tijde van de ten laste gelegde feiten aanwezig en actueel en heeft verdachtes gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van de ten laste gelegde feiten beïnvloed. Verdachte is licht verminderd toerekeningsvatbaar te achten.

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu niet is gebleken van enige omstandigheid die verdachtes strafbaarheid opheft.

10. De straffen

10.1. De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 16 februari 2011 met betrekking tot de op te leggen straf gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8 primair en 9 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van 24 maanden, met aftrek ex artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht, ook als dat inhoudt hulpverlening door middel van MDFT en daarnaast als bijzondere voorwaarde dat verdachte de schade zal vergoeden van de benadeelde partijen wier vorderingen betrekking hebben op ad informandum gevoegde zaken.

10.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van de gevorderde straf aangevoerd dat een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden een reële straf is. Daarnaast zou een werkstraf opgelegd kunnen worden, eventueel van de maximale duur.

10.3. De overwegingen van de rechtbank

De volgende feiten zijn ad-informandum gevoegd en bij de bepaling van de strafmaat in aanmerking genomen:

parketnummer, pleegdatum, pleegplaats, omschrijving feit

860689-10 03 november 2010, [adres], [plaats 1],

[gemeente 1]

diefstal dmv iv uit auto (zaak 4)

a: p.204 v; p.225

860689-10 05 november 2010, [adres 2], [plaats 1],

[gemeente 1]

Diefstal dmv iv uit auto (zaak 7)

(a: p.268 v: p.276)

860689-10 05 november 2010, [adres 2], [plaats 1],

[gemeente 1]

Diefstal dmv iv uit auto (zaak 12)

(a: p.371 v: p.383)

860689-10 05 november 2010, [adres 3], [plaats 1],

[gemeente 1]

Poging diefstal dmv iv uit auto (zaak 5)

(a: p. 247 v: p. 249)

860689-10 05 november 2010, [adres 3], [plaats 1],

[gemeente 1]

Poging diefstal dmv iv uit auto (zaak 6)

(a: p. 257 v; p. 260)

860689-10 05 november 2010, [adres 4], [plaats 1],

[gemeente 1]

Diefstal dmv iv uit auto (zaak 13)

(a: p. 399 v: p. 404)

860689-10 06 november 2010, [adres 5], [plaats 1],

[gemeente 1]

Diefstal dmv in uit auto (zaak 1)

(a: p. 95 v: p. 129)

860689-10 06 november 2010, [adres 4], [plaats 1],

[gemeente 1]

Diefstal dmv iv uit auto (zaak 9)

(a: p. 319 v: p. 322)

860689-10 08 november 2010, [adres], [plaats 1],

[gemeente 1]

Poging diefstal dmv iv uit auto(zaak 15)

(a. p. 447 v: p. 452)

860689-10 06 november 2010, [adres 4], [plaats 1],

[gemeente 1]

Poging diefstal iv dmv uit auto (zaak10)

(a: p. 337 v: p. 342)

860689-10 06 november 2010, [adres 5], [plaats 1],

[gemeente 1]

Poging diefstal iv dmv uit auto (zaak 18

(a: p. 538 v: p. 543)

860689-10 06 november 2010, [adres 4], [plaats 1],

[gemeente 1]

Poging diefstal iv dmv uit auto(zaak 20)

(a: p. 570 v: p. 574)

De rechtbank overweegt dat zij de ad informandum feiten 10 en 11 niet bij de strafmaat in aanmerking heeft genomen. In het dossier is een bekennende verklaring van verdachte die ziet op één feit. Zowel ad informandum feit 10 als 11 is gevoegd als betrekking hebbend op dat feit. Nu dit op zichzelf niet juist kan zijn en de bekennende verklaring van verdachte geen kenmerkende onderdelen bevat waaruit de rechtbank kan afleiden op welk van de twee feiten deze betrekking heeft, zal zij beide feiten niet in aanmerking nemen bij de strafmaat.

Verdachte heeft zich in een kort tijdsbestek schuldig gemaakt aan een groot aantal strafbare feiten. De ad informandum gevoegde feiten meerekenend, gaat het in meerderheid om autokraken of pogingen daartoe, veelal gepleegd samen met anderen. Hoewel deze feiten op zichzelf wellicht niet heel ernstig mogen lijken, zorgen zij voor veel overlast en ergernis bij de slachtoffers, die vaak nog lange tijd bezig zijn met de (administratieve) afwikkeling van de schade van deze feiten.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan geweldsdelicten in de vorm van een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en een openlijke geweldpleging. Bij de bedreiging neemt de rechtbank in aanmerking dat deze bedreiging plaatsvond in een situatie waarin over en weer bedreigingen zijn geuit, ook door aangever.

Ten aanzien van de openlijke geweldpleging rekent de rechtbank het verdachte zwaar aan dat hij zich kennelijk zonder enige aanleiding heeft gemengd in een vechtpartij op straat waarbij hij een voor hem onbekende man die op de grond lag heeft geslagen en geschopt. Dit soort feiten zorgt voor gevoelens van angst en onveiligheid bij aangever en zijn vrouw in het bijzonder, maar ook bij de mensen die getuige zijn geweest van dit feit, dat op klaarlichte dag plaatsvond in een drukke straat in het centrum van [plaats 1].

Voor deze veelheid aan feiten, gepleegd in korte tijd, komt geen andere straf in aanmerking dan een gevangenisstraf. Anders dan door de raadsman is betoogd, is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden in het geheel geen recht doet aan het feitencomplex. Bij het bepalen van de strafmaat houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte nauwelijks justitiële documentatie heeft en met het feit dat hij licht verminderd toerekeningsvatbaar te achten is.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank op zichzelf een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, waarvan 7 maanden voorwaardelijk, een juiste straf. Verdachte heeft echter vrijwel onmiddellijk na zijn aanhouding openheid van zaken gegeven en laten zien inzicht te hebben in het laakbare van zijn handelen. De rechtbank zal daarom 3 maanden gevangenisstraf minder aan verdachte opleggen. Het voorwaardelijke deel van de straf dient om verdachte er in de toekomst van te weerhouden wederom strafbare feiten te plegen en daarnaast om aan verdachte de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht op te leggen.

Ten aanzien van de eis van de officier van justitie om als bijzondere voorwaarde aan verdachte op te leggen dat hij aan de benadeelde partijen van de ad informandum gevoegde feiten de schade zal vergoeden overweegt de rechtbank als volgt.

De wetgever heeft gekozen voor een systeem waarbij ter zake van ten laste gelegde feiten waardoor schade is geleden, door de benadeelden in het strafproces onder bepaalde omstandigheden schade verhaald kan worden. Deze mogelijkheid is er sinds 1 januari 2011 ook voor benadeelden wier zaken ad informandum zijn gevoegd, mits het strafbare feit ook na die datum is gepleegd. In dit geval gaat het om ad informandum gevoegde feiten die zijn gepleegd vóór 1 januari 2011. Het in de vorm van bijzondere voorwaarde alsnog verhalen van de schade acht de rechtbank oneigenlijk en een doorkruising van het systeem zoals dat door de wetgever in het leven is geroepen. Om die reden zal zij dit voorstel van de officier van justitie niet volgen.

10.4. De vordering van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

Benadeelde partij [slachtoffer 1]

[slachtoffer 1] wonende te [adres en woonplaats], heeft een vordering benadeelde partij ingediend met betrekking tot de als gevolg van het hiervoor onder 1 ten laste gelegde feit geleden materiële schade.

[slachtoffer 1] voornoemd heeft de materiële schade op een bedrag van € 555,42 gesteld en wil die schade vergoed krijgen.

Ten laste van verdachte is het hiervoor onder 1 ten laste gelegde feit bewezen. Het is een strafbaar feit en verdachte zal ter zake van dat feit worden veroordeeld.

Met betrekking tot de toewijsbaarheid van de hoogte van het schadebedrag overweegt de rechtbank dat de vordering is opgebouwd uit de navolgende posten: ‘rechter zijraam passagier’ ad € 342,92 en de post ‘navigatiesysteem + kabel autolader’ ad € 212,50.

Naar het oordeel van de rechtbank is de post ‘rechter zijraam passagier’ ad € 342,92 toewijsbaar. De post ‘navigatiesysteem + kabel autolader’ zal de rechtbank, rekening houdend met de afschrijving van het navigatiesysteem, toewijzen tot een bedrag van

€ 100,00, zodat de rechtbank het schadebedrag zal vaststellen op een totaalbedrag van € 442,92.

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij voor het overige deel afwijzen.

De rechtbank zal de verdachte veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag gemaakt, begroot op nihil.

De rechtbank zal tevens aan verdachte de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van € 442,92, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 8 dagen, te betalen ten behoeve van [slachtoffer 1] voornoemd, zoals hierna in het dictum genoemd.

Benadeelde partij [slachtoffer 3]

[slachtoffer 3] wonende te [adres en woonplaats], heeft een vordering benadeelde partij ingediend met betrekking tot de als gevolg van het hiervoor onder 3 ten laste gelegde feit geleden materiële schade.

[slachtoffer 3] voornoemd heeft de materiële schade op een bedrag van € 476,85 gesteld en wil die schade vergoed krijgen.

Ten laste van verdachte is het hiervoor onder 3 ten laste gelegde feit bewezen. Het is een strafbaar feit en verdachte zal ter zake van dat feit worden veroordeeld.

Met betrekking tot de toewijsbaarheid van de hoogte van het schadebedrag overweegt de rechtbank dat de vordering is opgebouwd uit de navolgende posten: ‘Carglass’ ad € 99,20 en de post ‘Noordervaart (vervangen ruit)’ ad € 377,65.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de bijgevoegde facturen dat de kosten rechtstreeks door de verzekeraar worden vergoed, zodat enkel het eigen risico voor vergoeding in aanmerking komt. Van dit bedrag dient de BTW in mindering te worden gebracht, nu deze voor de benadeelde partij aftrekbaar is. Derhalve zal de rechtbank, de vordering toewijzen tot een bedrag van € 65,00.

Verdachte is naar burgerlijk recht, samen met zijn mededader, aansprakelijk voor deze schade.

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij voor het overige afwijzen.

De rechtbank zal de verdachte veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag gemaakt, begroot op nihil.

De rechtbank zal tevens aan verdachte de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van € 65,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 1 dag, te betalen ten behoeve van [slachtoffer 3] voornoemd, zoals hierna in het dictum genoemd.

Benadeelde partij [slachtoffer 5]

[slachtoffer 5] wonende [adres en woonplaats], heeft een vordering benadeelde partij ingediend met betrekking tot de als gevolg van de hiervoor onder 5 ten laste gelegde feit geleden materiële schade.

[slachtoffer 5] voornoemd heeft de materiële schade op een bedrag van € 525,09 gesteld en wil die schade vergoed krijgen.

Ten laste van verdachte is het hiervoor onder 5 ten laste gelegde feit bewezen. Het is een strafbaar feit en verdachte zal ter zake van dat feit worden veroordeeld.

Met betrekking tot de toewijsbaarheid van de hoogte van het schadebedrag overweegt de rechtbank dat de vordering betrekking heeft op een factuur van de autogarage.

Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering voor toewijzing vatbaar, zodat de rechtbank het schadebedrag zal vaststellen op een totaalbedrag van € 525,09.

De rechtbank zal de verdachte veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag gemaakt, begroot op nihil.

De rechtbank zal tevens aan verdachte de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van € 525,09, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 10 dagen, te betalen ten behoeve van [slachtoffer 5] voornoemd, zoals hierna in het dictum genoemd.

Benadeelde partij [slachtoffer 6]

[gemachtigde] heeft als gemachtigde namens [slachtoffer 6], wonende te [adres en woonplaats], een vordering benadeelde partij ingediend met betrekking tot de als gevolg van de hiervoor onder 6 en 7 ten laste gelegde feiten geleden materiële en immateriële schade.

[slachtoffer 6] voornoemd heeft de materiële schade, inclusief de post kosten rechtsbijstand ad € 100,00 op een bedrag van € 425,67 en de immateriële schade op een bedrag van € 150,00 gesteld, en wil die schade vergoed krijgen.

Ten laste van verdachte zijn de hiervoor onder 6 en 7 ten laste gelegde feiten bewezen. Het zijn strafbare feiten en verdachte zal ter zake van die feiten worden veroordeeld.

Met betrekking tot de toewijsbaarheid van de hoogte van het schadebedrag overweegt de rechtbank dat de vordering is opgebouwd uit de navolgende posten.

- verzekering stop zetten: € 16,22;

- tank benzine weg: € 8,00;

- Winkelmolen reparatie (d.d. 19 oktober 2010): € 27,00;

- Winkelmolen reparatie (d.d. 26 november 2010): € 138,25;

- buskaarten augustus, september: € 136,20;

- kosten rechtsbijstand: € 100,00;

- smartengeld: € 150,00.

Immateriële schade

Met betrekking tot de gevorderde immateriële schade overweegt de rechtbank als

volgt. Dit deel van de vordering is gebaseerd op de onder 7 ten laste gelegde bedreiging. Uit het dossier is naar voren gekomen dat deze bedreiging is geuit in een situatie waarin tussen de benadeelde partij en verdachte over en weer bedreigingen zijn geuit. Ook heeft de benadeelde partij verklaard tegenover de politie dat hij niet bang was na het uiten van de bedreiging door verdachte. Om deze reden acht de rechtbank niet aannemelijk geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden. Zij zal dit deel van de vordering dan ook afwijzen.

Materiële schade

Naar het oordeel van de rechtbank zijn de posten met uitzondering van de post ‘tank benzine weg’ en ‘kosten rechtsbijstand’ niet voor toewijzing vatbaar. Deze posten zijn gerelateerd aan de onder 6 ten laste gelegde diefstal op 30 juli 2010. Verdachte heeft diezelfde dag zijn brommer weer onder zich gekregen. De andere posten zijn allemaal in tijd ver verwijderd van de datum van 30 juli 2010 en daarmee is er naar het oordeel van de rechtbank geen of een te ver verwijderd verband tussen de diefstal en de gevorderde schade. Derhalve zal zij het materiële deel van de vordering toewijzen tot een bedrag van € 108,00 en de vordering voor het overige deel afwijzen.

De rechtbank zal de verdachte veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag gemaakt, begroot op nihil.

De rechtbank zal tevens aan verdachte de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van € 108,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 2 dagen, te betalen ten behoeve van [slachtoffer 6] voornoemd, zoals hierna in het dictum genoemd.

11. Toepasselijke wetsartikelen

Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 27, 36f, 45, 47, 57, 91, 141, 285, 310, 311, 350

Wegenverkeerswet 1994 art. 11, 176

12. Beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8 primair en 9 ten laste gelegde zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verstaat dat het aldus bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en verklaart verdachte ter zake strafbaar;

veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van 17 maanden;

beveelt dat van deze gevangenisstraf 7 maanden niet zullen worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt bepaald op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel gedurende die proeftijd de hierna te melden bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende maximaal de periode van de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen en voorschriften die hem zullen worden gegeven door of namens de GGZ reclassering Vincent van Gogh, zolang deze instelling dit noodzakelijk acht, met opdracht aan die instelling aan de verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze bijzondere voorwaarde;

beveelt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

wijst gedeeltelijke toe de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1], wonende te [adres en woonplaats] tot een bedrag van € 442,92;

veroordeelt verdachte om tegen bewijs van betaling aan benadeelde partij [slachtoffer 1], wonende te [adres en woonplaats] te betalen een bedrag van € 442,92;

legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat te betalen een som geld ten bedrage van

€ 442,92 subsidiair 8 dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer van feit 1 genaamd [slachtoffer 1], wonende te [adres en woonplaats], met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 442,92 ten behoeve van voornoemd slachtoffer daarmede de verplichting van verdachte om dit bedrag aan voornoemde benadeelde partij te betalen komt te vervallen en dat indien dit bedrag door verdachte aan voornoemde benadeelde partij is betaald, daarmee de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat ten behoeve van voornoemd slachtoffer komt te vervallen;

veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil;

wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor het overige deel af;

wijst gedeeltelijke toe de vordering van de benadeelde partij van [slachtoffer 3], [adres en woonplaats], tot een bedrag van € 65,00;

veroordeelt verdachte om tegen bewijs van betaling aan benadeelde partij [slachtoffer 3], [adres en woonplaats], te betalen een bedrag van € 65,00;

bepaalt dat de verdachte zal zijn bevrijd voor zover voornoemde benadeelde partij - al dan niet via de betaling aan de Staat - door verdachtes mededader is voldaan;

legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat te betalen een som geld ten bedrage van

€ 65,00 subsidiair 1 dag hechtenis ten behoeve van het slachtoffer van feit 3 genaamd [slachtoffer 3], wonende te [adres en woonplaats], met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat indien verdachte en/of zijn mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 65,00 ten behoeve van voornoemd slachtoffer daarmede de verplichting van verdachte om dit bedrag aan voornoemde benadeelde partij te betalen komt te vervallen en dat indien dit bedrag door verdachte en/of zijn mededader aan voornoemde benadeelde partij is betaald, daarmee de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat ten behoeve van voornoemd slachtoffer komt te vervallen;

veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil;

wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] voor het overige af;

wijst toe de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5], [adres en woonplaats] van € 525,09;

veroordeelt verdachte om tegen bewijs van betaling aan benadeelde partij [slachtoffer 5], [adres en woonplaats], te betalen een bedrag van € 525,09;

legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat te betalen een som geld ten bedrage van

€ 525,09 subsidiair 10 dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer van feit 5 genaamd [slachtoffer 5], wonende te [adres en woonplaats], met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 525,09, ten behoeve van voornoemd slachtoffer daarmede de verplichting van verdachte om dit bedrag aan voornoemde benadeelde partij te betalen komt te vervallen en dat indien dit bedrag door verdachte aan voornoemde benadeelde partij is betaald, daarmee de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat ten behoeve van voornoemd slachtoffer komt te vervallen;

veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil;

wijst gedeeltelijke toe de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6],

[adres en woonplaats] tot een bedrag van € 108,00;

veroordeelt verdachte om tegen bewijs van betaling aan benadeelde partij [slachtoffer 6], [adres en woonplaats], te betalen een bedrag van € 108,00;

legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat te betalen een som geld ten bedrage van

€ 108,00 subsidiair 2 dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer van feit 6 genaamd

[slachtoffer 6], wonende te [adres en woonplaats], met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 108,00, ten behoeve van voornoemd slachtoffer daarmede de verplichting van verdachte om dit bedrag aan voornoemde benadeelde partij te betalen komt te vervallen en dat indien dit bedrag door verdachte aan voornoemde benadeelde partij is betaald, daarmee de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat ten behoeve van voornoemd slachtoffer komt te vervallen;

veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil;

wijst af het deel van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6] dat betrekking heeft op de immateriële schade;

verklaart de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6] niet-ontvankelijk voor zover deze betrekking heeft op overige materiële schade, met bepaling dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Vonnis gewezen door mrs. E.H.M. Druijf, V.P. van Deventer en

N.H.W. Montulet-van der Meer, rechters, van wie mr. V.P. van Deventer voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. G.L.M. Verstegen als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 2 maart 2011.

Mrs. N.H.W. Montulet-van der Meer en G.L.M. Verstegen zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.