Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2011:BP6175

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
24-02-2011
Datum publicatie
02-03-2011
Zaaknummer
AWB 08/1258
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres heeft een waterzuiveringsinstallatie in eigendom. Deze waterzuiveringsinstallatie zuivert het afvalwater van een naastgelegen aardappelverwerkingsfabriek. Aan eiseres is over 2007 een voorlopige aanslag verontreinigingsheffing oppervlaktewateren opgelegd. Niet in geschil is dat in 2007 sprake was van ongebruikelijk hoge lozingen op de gemeentelijke riolering door eiseres met als gevolgd dat de in geding zijnde voorlopige aanslag ongebruikelijk hoog was. Eiseres heeft gesteld dat de hoge lozingen zijn veroorzaakt een breuk van een transportleiding voor aardappelschillen van de aardappelverwerkingsfabriek en een breuk in de bodem van een beluchtingstank die deel uitmaakt van de zuiveringsinstallatie van eiseres. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat dit een incidentele niet voor haar rekening komende oorzaak betreft (“een calamiteit”), die maakt dat de aan haar opgelegde voorlopige aanslag leidt tot onredelijke en willekeurige belastingheffing. De rechtbank is van oordeel dat niet relevant is hoe en op welke wijze de verontreiniging is ontstaan, van belang is slechts dát een lozing heeft plaatsgevonden. De rechtbank overweegt hiertoe dat de herkomst van de afgevoerde stoffen in het kader van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren geen rol speelt. Van belang is slechts dat stoffen worden afgevoerd en dat deze een meetbare vervuilingswaarde vertegenwoordigen. Dit maakt dat de opgetreden uitzonderlijk hoge lozingen, die door eiseres aan een calamiteit worden toegeschreven, voor de heffing niet buiten beschouwing moeten blijven, omdat deze, zoals eiseres heeft gesteld en los van de vraag in hoeverre dat standpunt wel of niet juist is, haar niet zouden zijn te verwijten. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector bestuursrecht, meervoudige kamer

Procedurenummer: AWB 08 / 1258

Uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake

[eiseres], gevestigd te Lochem, eiseres,

gemachtigden mr. S. Bosma en mr. J.W.C. Nuis,

tegen

het Waterschap Peel en Maasvallei, voor deze: het Hoofd unit Waterschapsheffingen, verweerder.

1. Procedureverloop¬¬

1.1. Bij besluit, verzonden op 21 september 2007 en gedagtekend 30 september 2007, heeft verweerder eiseres een nadere voorlopige aanslag verontreinigingsheffing oppervlaktewateren bedrijfsruimte 2007 ten bedrage van € 755.216,= opgelegd, voor het adres [adres].

1.2. Tegen deze aanslag heeft eiseres bezwaar gemaakt bij schrijven van

28 september 2007, ontvangen door verweerder op 2 oktober 2007. Bij brieven van 14 november 2007 en 7 februari 2008 is het bezwaar aangevuld.

1.3. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 26 juni 2008, verzonden op 30 juni 2008, het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

1.4. Tegen voornoemde uitspraak op bezwaar heeft eiseres bij faxbericht van 5 augustus 2008 beroep ingesteld. Bij faxbericht van 7 oktober 2008 heeft eiseres de gronden van het beroep ingediend.

1.5. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd. Voorts heeft verweerder op 22 april 2009 een verweerschrift ingediend. In dit verweerschrift heeft verweerder geconcludeerd tot een vermindering van de bestreden aanslag tot € 718.902,=.

1.6. Bij schrijven van 17 juli 2009 heeft eiseres een conclusie van repliek ingediend. Verweerder heeft op 30 september 2009 een conclusie van dupliek ingezonden. In zijn conclusie van dupliek heeft verweerder de bestreden aanslag verder verminderd tot € 718.019,=.

1.7. Eiseres heeft vervolgens bij schrijven van 8 maart 2010 op de conclusie van dupliek gereageerd.

1.8. De rechtbank heeft op 9 maart 2010 aan verweerder verzocht om nadere stukken over te leggen. Op 12 maart 2010 en 16 maart 2010 heeft verweerder de gevraagde stukken ingezonden.

1.9. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 maart 2010. Eiseres heeft zich op zitting laten vertegenwoordigen door mrs. F.J.H.L. Makkinga en J.W.C. Nuis, werkzaam bij Ernst & Young Belastingadviseurs LLP, alsmede door [directeur van eiseres], directeur van eiseres, en [projectleider eiseres], projectleider bij eiseres. Namens verweerder zijn verschenen J. Meijers en W. Schoenmakers, medewerkers van de unit Waterschapsheffingen.

1.10. Omdat partijen nader in overleg met elkaar wilden treden, heeft de rechtbank op verzoek van partijen met toepassing van het bepaalde in artikel 8:64 van de Awb het onderzoek ter zitting geschorst.

1.11. Bij brief van 29 maart 2010 heeft eiseres meegedeeld dat verweerder toch niet bereid is met haar in overleg te treden en heeft eiseres aan de rechtbank verzocht het onderzoek ter zitting voort te zetten. Verweerder heeft bij brief van 7 april 2010 erkend dat hij niet bereid is om (nader) in overleg te treden en eveneens aan de rechtbank verzocht het onderzoek ter zitting voort te zetten.

1.12. Bij faxbericht van 11 november 2010 heeft eiseres vervolgens haar beroep nader toegelicht.

1.13. Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 23 november 2010. Eiseres heeft zich op zitting laten vertegenwoordigen door mrs. S. Bosma en J.W.C. Nuis, werkzaam bij Ernst & Young Belastingadviseurs LLP, alsmede door eerdergenoemde [directeur van eiseres] en [projectleider eiseres] Namens verweerder zijn wederom verschenen J. Meijers en W. Schoenmakers.

2. Overwegingen

2.1. Eiseres heeft sinds 1 januari 2006 een waterzuiveringsinstallatie, gelegen op het adres [adres], in eigendom. Deze waterzuiveringsinstallatie zuivert het afvalwater dat afkomstig is uit de naastgelegen aardappelverwerkingsfabriek [aardappelverwerkingsfabriek]. Vanuit de zuiveringsinstallatie wordt het gezuiverde water geloosd op het gemeentelijke riool. Via de rioolwaterzuiveringsinstallatie Venlo wordt het water vervolgens in het oppervlaktewater, de Maas, geloosd.

2.2. Op 31 januari 2007 is aan eiseres over het jaar 2007 een voorlopige aanslag verontreinigingsheffing oppervlaktewateren opgelegd ten bedrage van € 19.616,= (400 vervuilingseenheden x € 49,04 per eenheid).

2.3. In 2006 was door eiseres geconstateerd dat het aantal vervuilingseenheden dat vanuit de zuiveringsinstallatie wordt geloosd, hoger is dan gebruikelijk. Eiseres wijt de hogere lozingen op dat moment, zoals blijkt uit de overgelegde meldingsformulieren, rapportages en aan verweerder gerichte mailberichten, aan defecte onderdelen van de installatie en aan hogere vetlozingen van [aardappelverwerkingsfabriek] in samenhang met een hogere waterbehoefte van [aardappelverwerkingsfabriek] vanwege de slechte kwaliteit van de gebruikte aardappelen. Nadat eiseres de hogere afvoer aan verweerder heeft gemeld, is verweerder gestart met het bemeten van de hoeveelheid en kwaliteit van het geloosde water. Uit verweerders meet- en analyseresultaten tot en met juni 2007 is vervolgens naar voren gekomen dat het aantal vervuilingseenheden over 2007 aanmerkelijk hoger moest zijn dan aanvankelijk was geraamd. Gelet hierop heeft verweerder aan eiseres een nadere voorlopige aanslag verontreinigingsheffing, gedagtekend 30 september 2007, ten bedrage van € 755.216,= (15.400 vervuilingseenheden x € 49,04 per eenheid) opgelegd.

2.4. Vanwege het op enkele dagen hanteren van onjuiste debieten in zijn berekeningen, heeft verweerder bij verweerschrift van 22 april 2009 geconcludeerd tot een vermindering van de bestreden aanslag met € 36.314,= (740,5 vervuilingseenheden x € 49,04 per eenheid) tot € 718.902,= (14.659,5 vervuilingseenheden x € 49,04 per eenheid). Bij conclusie van dupliek van 17 juli 2009 heeft verweerder vanwege een onjuiste debietmeting de bestreden aanslag verder verminderd met € 883,= (18 vervuilingseenheden x € 49,04 per eenheid) tot € 718.019,= (14.641,5 vervuilingseenheden x € 49,04 per eenheid). In dit geschil ligt thans (mede) voor de rechtmatigheid van deze laatste nadere voorlopige aanslag. Bij de beoordeling van dit geschil zal de rechtbank dan ook uitgaan van de vraag of verweerder eiseres een voorlopige aanslag heeft kunnen opleggen ad € 718.019,= op basis van 14.641,5 vervuilingseenheden.

2.5. De rechtbank overweegt als volgt.

2.6. Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Wvo), zoals die wet gold ten tijde van belang, is een kwaliteitsbeheerder niet zijnde het Rijk, bevoegd onder de naam verontreinigingsheffing een heffing in te stellen ter zake van lozen. Blijkens het tweede lid kan ter zake van het lozen van stoffen met behulp van een zuiveringtechnisch werk degene bij wie dat zuiveringtechnisch werk in beheer is, aan de heffing worden onderworpen.

2.7. Ingevolge artikel 3 van de Verordening verontreinigingsheffing Waterschap Peel en Maasvallei 2004 (de Verordening) wordt onder de naam “verontreinigingsheffing”, ter bestrijding van de kosten van maatregelen tot het tegengaan en voorkomen van verontreiniging van oppervlaktewateren, een directe belasting geheven ter zake van het direct of indirect brengen van stoffen op een zuiveringtechnisch werk dat bij het waterschap in beheer is. Ter zake van het afvoeren van stoffen met behulp van een zuiveringtechnisch werk kan degene bij wie dat zuiveringtechnisch werk in beheer is, aan de heffing worden onderworpen.

2.8. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres als beheerder van een waterzuiveringsinstallatie in 2007 belastingplichtig is voor de verontreinigingsheffing. Evenmin is in geschil dat het in 2007 door eiseres geloosde aantal vervuilingseenheden ongebruikelijk hoog was.

2.9. Eiseres heeft – kort en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat, waar zij aanvankelijk dacht dat de ongebruikelijk hoge lozingen werden veroorzaakt door defecte onderdelen van de installatie en hogere vetlozingen van [aardappelverwerkingsfabriek] in samenhang met een hogere waterbehoefte van [aardappelverwerkingsfabriek] vanwege de slechte kwaliteit van de gebruikte aardappelen, achteraf is gebleken dat de hoge lozingen volledig het gevolg zijn geweest van een op 22 september 2007 geconstateerde breuk van een transportleiding voor aardappelschillen van [aardappelverwerkingsfabriek] en een breuk in de bodem van een beluchtingstank (beide breuken hierna gezamenlijk aan te duiden als de leidingbreuk) die deel uitmaakt van de zuiveringsinstallatie van eiseres. Hierdoor zijn vanuit de schillenleiding via de breuk in de bodem aardappelschillen in de beluchtingstank terecht gekomen. Deze aardappelschillen, die in de installatie zijn omgezet in slib, hebben het zuiveringsproces ernstig verstoord met hoge lozingen tot gevolg. Eiseres heeft zich – kort en zakelijk weergegeven – op het standpunt gesteld dat het vorenstaande een incidentele niet voor haar rekening komende oorzaak betreft (“een calamiteit”), die maakt dat de aan haar opgelegde voorlopige aanslag leidt tot onredelijke en willekeurige belastingheffing.

2.10. Verweerder heeft niet bestreden dat de gestelde leidingbreuk zich heeft voorgedaan, noch dat dit heeft geleid tot een hogere lozing op de riolering. Verweerder volgt eiseres evenwel niet in haar standpunt dat uitsluitend de leidingbreuk oorzaak is van de hoge lozing. Volgens verweerder is de hoofdoorzaak van de hoge lozingen gelegen in de hogere afdracht van oliën en vetten door [aardappelverwerkingsfabriek] en achterstallig onderhoud aan de installatie. Voorts kan de leidingbreuk in verweerders optiek niet als een calamiteit worden aangemerkt, nu, aldus verweerder, sprake is van onvoldoende onderhoud aan de schillenleiding en [aardappelverwerkingsfabriek] gemerkt moet hebben dat de hoeveelheid aardappelschillen afnam. Verweerder heeft verder het standpunt ingenomen dat niet relevant is hoe en op welke wijze de verontreiniging is ontstaan, van belang is slechts dát een lozing heeft plaatsgevonden.

2.11. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in laatstgemeld standpunt moet worden gevolgd. De rechtbank overweegt hiertoe dat in de definitie van het belastbare feit voor de Wvo, zoals volgt uit de in artikel 17 van de Wvo opgenomen definities, de herkomst van de afgevoerde stoffen geen rol speelt. Van belang is slechts dat stoffen worden afgevoerd en dat deze een meetbare vervuilingswaarde vertegenwoordigen. De oorzaak van de lozing is derhalve voor de heffing van de Wvo niet van belang. Dit maakt tevens dat de in de onderhavige zaak opgetreden uitzonderlijk hoge lozingen, die door eiseres aan een calamiteit worden toegeschreven, voor de heffing niet buiten beschouwing moeten blijven,omdat deze, zoals eiseres heeft gesteld en los van de vraag in hoeverre dat standpunt wel of niet juist is, haar niet zouden zijn te verwijten. Dat bij de berekening van het aantal vervuilingseenheden de oorzaak van een lozing buiten beschouwing moet blijven, volgt ook uit de jurisprudentie inzake de Wvo. In dit verband verwijst de rechtbank naar de arresten van de Hoge Raad van 6 maart 1985 (LJN: AW8333, gepubliceerd in BNB 1985/129) en

22 juli 1982 (LJN: AW9097, gepubliceerd in BNB 193/20), waaruit naar voren komt dat het toenmalige artikel 18, eerste lid, van de Wvo geen steun bood voor het in beschouwing nemen van de oorzaak van een onregelmatigheid in het lozingspatroon. Voorts verwijst de rechtbank naar de uitzonderlijke situatie die ter beoordeling voorlag in de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Gravenhage van 30 juni 2005 (LJN: AT8970, gepubliceerd in BB 2005, 974). In voormelde uitspraak heeft het Gerechtshof geoordeeld dat het ten gevolge van een brand in het oppervlaktewater terechtgekomen verontreinigd bluswater geheel mocht worden betrokken in de verontreinigingsheffing. Datzelfde geldt, zoals blijkt uit de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem van 22 augustus 1997 (LJN: AA1131, gepubliceerd in BB 1997, 745), ingeval verontreinigd perswater in het kader van zandwinning is opgepompt en dit vanwege een calamiteit, bestaande uit het uitslaan van het opgepompte water na hevige regenval, gedwongen moet worden geloosd. De arresten van de Hoge Raad waarop eiseres zich heeft beroepen, geven de rechtbank geen aanleiding om anders te oordelen. Zo is in het arrest van 21 september 2007 (LJN: BB3924, gepubliceerd in BB 2007, 1182), anders dan de onderhavige zaak, de daar in het geding zijnde forfaitaire heffing afhankelijk van de waterafname en niet van het lozen van afvalwater op het riool en is in deze aan de Hoge Raad voorliggende zaak in een uitzonderlijk geval mogelijk sprake van ruimte om af te wijken van het forfait (de Tabel Afvalwatercoëfficiënten) indien blijkt dat als gevolg van een incidentele, niet voor rekening van de desbetreffende belanghebbende komende oorzaak, grotendeels niet op de riolering of op oppervlaktewater is geloosd, waar in de onderhavige zaak juist vaststaat dat wel is geloosd op de riolering. De arresten van 22 februari 1989 (LJN: ZC3992, gepubliceerd in BNB 1989/122) en 14 juni 1989 (LJN: ZC4059, gepubliceerd in BNB 1989/240) zien op de zogenoemde leer van de redelijke wetstoepassing, waarbij een evident onjuiste uitleg van artikelen uit de Wet op de Inkomstenbelasting 1964 is gecorrigeerd. Naar het oordeel van de rechtbank is in de onderhavige zaak, mede gelet op eerdergenoemd arrest van de Hoge Raad van 6 maart 1985, echter geen sprake van een evident onjuiste uitleg van de Wvo.

2.12. Gelet op het vorenstaande kan, naar het oordeel van de rechtbank, dan ook voorbij worden gegaan aan de oorzaak van de hoge lozingen van afvalwater en de vraag of deze oorzaak al dan niet als calamiteit is te kwalificeren. Van een onredelijke en willekeurige belastingheffing vanwege de in de optiek van eiseres aanwezige calamiteit kan naar het oordeel van de rechtbank, gelet op het vorenoverwogene, derhalve geen sprake zijn.

2.13. Eiseres heeft verder haar in de gronden van beroep van 7 oktober 2008 geponeerde subsidiaire standpunt dat – kort gezegd – de lozing van slib geen belastbaar feit is, in de reactie op de conclusie van dupliek van 8 maart 2010 ingetrokken, zodat de rechtbank die aangevoerde grond als zodanig niet meer hoeft te beoordelen.

2.14. Meer subsidiair heeft eiseres in dit verband wel nog het standpunt ingenomen dat het in de heffing betrekken van slib leidt tot onredelijke en willekeurige belastingheffing, nu de aanslag, gelet op de verwerkingskosten van slib voor verweerder en nu sprake was van een calamiteit, disproportioneel hoog is. Eiseres is van mening dat het geloosde slib buiten de berekening van het aantal vervuilingseenheden moet worden gelaten en hierover een afzonderlijke afrekening aan de hand van de verwerkingskosten moet plaatsvinden.

2.15. De rechtbank overweegt als volgt.

2.16. Ingevolge artikel 6 van de Verordening geldt als grondslag voor de heffing de hoeveelheid en de hoedanigheid van de stoffen die in een kalenderjaar worden afgevoerd. Voor de heffing geldt als heffingsmaatstaf de vervuilingswaarde van de stoffen, uitgedrukt in vervuilingseenheden, die in een kalenderjaar worden afgevoerd. In het derde en vierde lid van artikel 6 van de Verordening zijn de aan de heffing onderworpen stoffen genoemd.

2.17. De rechtbank stelt, onder verwijzing naar rechtsoverweging 2.13, vast dat tussen partijen niet in geschil is dat slib ingevolge voormeld artikel 6 van de Verordening in de heffing kan worden betrokken. Voorts heeft de rechtbank onder rechtsoverweging 2.11 reeds geoordeeld dat de vraag of de oorzaak van de hogere lozing, die volgens eiseres geheel bestaat uit in slib omgezette aardappelschillen, als calamiteit is te kwalificeren, voor de heffing van geen belang is. Resteert de vraag of verweerder had moeten volstaan met het in rekening brengen van de verwerkingskosten van het slib. Nu de Verordening niet voorziet in deze door eiseres voorgestelde berekeningswijze, heeft verweerder dit standpunt mogen aanmerken als een beroep op de zogenoemde hardheidsclausule als bedoeld in artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr), welke bepaling van overeenkomstige toepassing is in het onderhavige geschil.

2.18. Verweerder heeft geen aanleiding hoeven zien om op grond van die hardheidsclausule tegemoet te komen aan het verzoek van eiseres om slechts een bedrag ter grootte van de verwerkingskosten van het slib in de heffing te betrekken. De rechtbank is dienaangaande van oordeel dat er bij de onderhavige heffing, zijnde een bestemmingsheffing, geen relatie hoeft te bestaan tussen de veroorzaakte kosten en de opgelegde heffing. Eiseres heeft nog gesteld dat een heffing op slib niet billijk is zonder dat de heffing in een redelijke verhouding staat tot de kosten. De rechtbank overweegt dat de Wvo, zoals blijkt uit de wetsgeschiedenis en anders dan de door eiseres genoemde baatbelasting, een regulerend neveneffect mag hebben en er om die reden onvoldoende grond is voor het oordeel dat de heffing in een redelijke verhouding dient te staan tot de kosten. In dit verband verwijst de rechtbank naar het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 1989 (LJN: ZC4046, gepubliceerd in BNB 1989/236), waarin – kort gezegd – is geoordeeld dat de wet niet een bepaalde relatie eist tussen in concreto gemaakte of te maken kosten van maatregelen tot het tegengaan en voorkomen van verontreiniging enerzijds en heffingsbedragen anderzijds.

2.18. Eiseres heeft zich in haar conclusie van repliek – bij gebreke van begrotingsgegevens – op het voorlopige standpunt gesteld dat verweerder het tarief van de heffing zodanig heeft vastgesteld dat de baten in betekenende maten boven de lasten uitgaan, hetgeen tot gevolg heeft dat de Verordening jegens haar onverbindend is. In zijn conclusie van dupliek heeft verweerder de bereidheid geuit om de gevraagde begrotingsgegevens over te leggen. De rechtbank heeft vervolgens bij brief van

9 maart 2010 verweerder verzocht de betreffende stukken te verstrekken. Bij brieven van

12 en 16 maart 2010 heeft verweerder de begrotingsgegevens ingezonden. Eiseres heeft, na kennisname van de begrotingsgegevens, geen gronden meer aangevoerd die zien op voormeld voorlopige standpunt. De rechtbank begrijpt hieruit dat eiseres haar voorlopige standpunt dat het tarief van de heffing zodanig is vastgesteld dat de baten in betekenende maten boven de lasten uitgaan, niet langer handhaaft. Overigens kan uit de overgelegde begrotingsgegevens ook niet worden afgeleid dat de baten de lasten te boven gaan.

2.19. De rechtbank overweegt verder als volgt.

2.20. Eiseres heeft meer subsidiair het standpunt ingenomen dat verweerder ten onrechte haar metingen heeft gecorrigeerd en verweerder in zijn berekening van het aantal vervuilingseenheden uit dient te gaan van het gemiddelde van zijn berekening en de berekening van eiseres. Voorts heeft eiseres meer subsidiair gesteld dat verweerder bij zijn berekening rekening had moeten houden met een mogelijke onnauwkeurigheid in de meting.

2.21. Ingevolge artikel 7, tweede lid, van de Verordening geschieden de meting, bemonstering en analyse van het aantal vervuilingseenheden ieder etmaal van het heffingsjaar, behoudens het bepaalde in artikel 8.

2.22. Artikel 8 van de Verordening bepaalt dat de ambtenaar belast met de heffing op aanvraag van de heffingsplichtige, die aannemelijk maakt dat voor de berekening van het aantal vervuilingseenheden kan worden volstaan met gegevens welke met behulp van meting, bemonstering en analyse in een beperkt aantal etmalen zijn verkregen, besluit dat meting en bemonstering geschieden in afwijking van het bepaalde in artikel 7, tweede lid. Het besluit op aanvraag wordt genomen bij een voor bezwaar vatbare beschikking.

2.23. Op 8 december 2006 is aan eiseres een beschikking op aanvraag ingevolge artikel 8 van de Verordening, zoals genoemd onder rechtsoverweging 2.22, verzonden. Op grond van deze beschikking is het eiseres voor de berekening van het aantal vervuilingseenheden over het jaar 2007 toegestaan om te volstaan met gegevens welke met behulp van meting, bemonstering en analyse in een beperkt aantal etmalen zijn verkregen. In de beschikking zijn voorwaarden opgenomen waaraan de bemonstering, meting en analyse moet voldoen. Voorts zijn in de beschikking de controlemogelijkheden voor het Waterschap, de te hanteren berekeningsmethodieken en de administratieverplichtingen waaraan eiseres moet voldoen, opgenomen. Nu tegen voormelde beschikking geen rechtsmiddel is aangewend, staat deze in rechte vast.

2.24. Ingevolge artikel 17 van de Verordening kan de ambtenaar belast met de heffing het aantal vervuilingseenheden in een kalenderjaar geheel of gedeeltelijk door middel van schatting vaststellen, indien door de heffingsplichtige niet of niet geheel is voldaan aan de voorwaarden, verbonden aan de in artikel 8 genoemde toestemming.

2.25. De rechtbank overweegt dat eiseres, zoals blijkt uit de conclusie van repliek, heeft erkend dat niet alle in de beschikking opgenomen voorschriften correct zijn nageleefd. Voorts heeft eiseres niet weerlegd dat niet is voldaan aan de in de bijlage bij de Verordening opgenomen algemene voorschriften voor meting, bemonstering, analyse en berekening. Onder meer is gebleken dat de namens eiseres uitgevoerde debietmetingen over het eerste halfjaar van 2007 niet betrouwbaar waren als gevolg van de toegepaste meetmethode (echohoogtemeting), waar door verweerder de metingen zijn uitgevoerd met een geijkte borrelbuis, zoals ook is voorgeschreven in de Verordening. Voorts heeft eiseres niet voldaan aan haar administratieve (controle)verplichtingen betreffende de monsternameapparatuur, waardoor geen duidelijkheid bestaat over de juistheid van de bemonsteringen van eiseres. Ook is de monsternameapparatuur van eiseres niet periodiek door een erkende instelling geijkt of gecontroleerd. Verweerder heeft daarentegen wel de in de Verordening genoemde controles op zijn monsternameapparatuur uitgevoerd en gebruik gemaakt van geijkte apparatuur. Ook op het gebied van het analyseren van de gegevens is niet conform de Verordening door eiseres gehandeld. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder, naar het oordeel van de rechtbank, het aantal vervuilingseenheden bij eiseres door middel van schatting aan de hand van zijn meetgegevens, die immers onweersproken voldoen aan de voorschriften van de Verordening, mogen vaststellen. Naar dezerzijds oordeel mocht verweerder daarbij voorbijgaan aan de meetgegevens van eiseres, die, zoals blijkt uit het vorenstaande, als niet betrouwbaar mochten worden aangemerkt en heeft verweerder ook geen aanleiding hoeven zien om een onnauwkeurigheidscorrectie toe te passen. De stelling van eiseres dat zij ook niet kon voldoen aan de gestelde meetvoorwaarden vanwege meetproblemen ten gevolge van eerdergenoemde calamiteit, maakt het vorenstaande niet anders. Daarbij is verweerder – ondanks de verstoringen in het zuiveringsproces – kennelijk wel in staat geweest om representatieve metingen te verrichten.

2.26. Eiseres heeft zich verder nog meer subsidiair op het standpunt gesteld dat verweerder op enkele dagen onjuiste debieten heeft gehanteerd. Verweerder heeft dit echter reeds erkend en om die reden geconcludeerd tot een vermindering van de bestreden aanslag met € 36.314,= (740,5 vervuilingseenheden x € 49,04 per eenheid) tot € 718.902,= (14.659,5 vervuilingseenheden x € 49,04 per eenheid). In zijn conclusie van dupliek heeft verweerder om voormelde reden de bestreden aanslag verder verminderd met € 883,= (18 vervuilingseenheden x € 49,04 per eenheid) tot € 718.019,= (14.641,5 vervuilingseenheden x € 49,04 per eenheid).

2.27. Op grond van hetgeen onder rechtsoverweging 2.26 is overwogen, zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank zal het bedrag van de bestreden voorlopige aanslag verminderen tot € 718.019,=.

2.28. De rechtbank acht termen aanwezig om verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die eiseres redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden vier punten, bestaande uit één punt voor het beroepschrift, een half punt voor de conclusie van repliek, één punt voor het verschijnen ter zitting van 19 maart 2010, een half punt voor de reactie van 11 november 2010 en één punt voor het verschijnen ter zitting van 23 november 2010. Nu het beroep dateert van voor

1 oktober 2009, zijnde de datum waarop de proceskostenvergoedingen zijn geïndexeerd, bedraagt de waarde per punt € 322,=. Het gewicht van de zaak wordt bepaald op gemiddeld, hetgeen correspondeert met de wegingsfactor één.

2.29. De rechtbank zal verder bepalen dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht, te weten € 288,=, aan eiseres dient te vergoeden.

2.30. Mitsdien wordt beslist als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de uitspraak op bezwaar;

vermindert de voorlopige aanslag tot € 718.019,= en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 1.288,=;

gelast dat verweerder het betaalde griffierecht van € 288,= vergoedt aan eiseres.

Aldus gedaan door mr. F.H. Machiels (voorzitter), mr. L.M.J.A. barones van Hövell tot Westerflier-Dassen en mr. A.M. Schutte in tegenwoordigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur als griffier en in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2011.

w.g. mr. D.D.R.H. Lechanteur,

griffier w.g. mr. F.H. Machiels,

rechter

Voor eensluidend afschrift,

de (wnd.) griffier,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 24 februari 2011

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ’s Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ

te ’s Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Partijen kunnen ook beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Dit is echter alleen mogelijk indien de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.