Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2011:BP5340

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
23-02-2011
Datum publicatie
24-02-2011
Zaaknummer
102950 / HA ZA 10-601
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheid Vof naar analogie van 2:203 BW mbt (op te richten) BV. Opdracht. Voldoende aanknopingspunten om het loon op de gebruikelijke wijze vast te stellen, zodat aan het bepalen van een redelijk loon niet wordt toegekomen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2
Burgerlijk Wetboek Boek 2 203
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2011/221
RO 2011/37
JRV 2011/331
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROERMOND

Sector civielrecht

zaaknummer / rolnummer: 102950 / HA ZA 10-601

Vonnis van 23 februari 2011

in de zaak van

MAATSCHAP KOENEN EN CO,

gevestigd te Sittard,

eiseres,

advocaat mr. C.R.N. de Boer,

tegen

1. De vennootschap onder firma

MMC-YACHTCHARTER,

wonende te Stevensweert,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats],

3. [gedaagde sub 3],

wonende te [woonplaats],

gedaagden,

advocaat mr. J. in ’t Ven.

Partijen zullen hierna Koenen en Co en de Vof, [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] en gezamenlijk [gedaagden sub 2 en 3] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 6 oktober 2010

- het proces-verbaal van comparitie van 11 januari 2011

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Koenen en Co heeft in opdracht een ondernemingplan opgesteld.

2.2. De facturen met betrekking tot de ten behoeve van de opdracht uitgevoerde werkzaamheden zijn niet volledig voldaan.

3. Het geschil

3.1. Koenen en Co vordert bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis samengevat – de Vof, [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] in hoofdelijkheid te veroordelen tot betaling van een bedrag van EUR 5.230,24, vermeerderd met de wettelijke handelsrente alsmede tot betaling van de kosten van de procedure.

3.2. [gedaagden sub 2 en 3] voert verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Koenen en Co heeft aan haar vordering het volgende ten grondslag gelegd. In verband met de door haar in het kader van de opdracht verrichte werkzaamheden heeft zij aan [gedaagde sub 2] facturen verzonden ten bedrage van EUR 2.975,00 en EUR 4.755,24 inclusief BTW. Tot op heden heeft [gedaagde sub 2] een bedrag van EUR 2.500,00 voldaan. Derhalve resteert nog een door [gedaagde sub 2] te betalen bedrag van totaal EUR 5.230,24.

4.2. [gedaagden sub 2 en 3] heeft aangevoerd, dat de Vof en [gedaagde sub 3] geen opdrachtgever zijn in het kader van de litigieuze opdracht. Verder heeft [gedaagden sub 2 en 3] de verschuldigdheid van het gevorderde bedrag betwist. In dat verband is aangevoerd, dat het gevorderde bedrag te hoog is in relatie tot de omvang van de opdracht. Tevens zijn geen betalingen meer gedaan, omdat niet duidelijk was welk bedrag in redelijkheid nog betaald zou moeten worden.

4.3. De Vof en [gedaagde sub 3] hebben als meest verstrekkend verweer aangevoerd, dat Koenen en Co in haar vordering jegens hen niet ontvankelijk verklaard dient te worden, dan wel dat die vordering dient te worden afgewezen omdat de Vof en [gedaagde sub 3] geen partij zijn geweest bij de opdracht. Dit verweer slaagt. De rechtbank overweegt daartoe het volgende. Tussen partijen staat vast dat de opdracht tot het opstellen van het ondernemingsplan is gegeven door [gedaagde sub 2] in verband met de wens om de Vof op te richten. Naar analogie van het bepaalde in artikel 2:203 Burgerlijk Wetboek (BW) met betrekking tot rechtshandelingen namens een op te richten BV zou aansprakelijkheid voor de Vof en de vennoten kunnen ontstaan ten gevolge van bekrachtiging van die rechtshandelingen dan wel middels de akte van oprichting van de Vof. Koenen en Co heeft echter niet gesteld, noch is anderszins gebleken dat daarvan sprake zou zijn. Koenen en Co heeft ter onderbouwing van de door haar gestelde aansprakelijkheid slechts aangevoerd, dat de opdracht mede ten voordele van de Vof heeft gestrekt. Nog daargelaten de juistheid van die stelling, nu [gedaagde sub 2] heeft betoogd dat het door Koenen en Co opgestelde ondernemingsplan niet tot financiering en derhalve niet tot voordeel heeft geleid, kan het enkele tot voordeel strekken niet leiden tot de door Koenen en Co gestelde aansprakelijkheid.

De rechtbank zal de vordering van Koenen en Co tegen de Vof en [gedaagde sub 3] dan ook afwijzen.

4.4. Met betrekking tot het door Koenen en Co gevorderde bedrag is de rechtbank van oordeel dat Koenen en Co haar vordering voldoende heeft onderbouwd door middel van het overleggen van facturen en de daarbij behorende factuurspecificaties, waarin de werkzaamheden en de in rekening gebrachte tarieven zijn gespecificeerd (producties 1 en 2 bij de dagvaarding).

4.5. [gedaagde sub 2] heeft allereerst aangevoerd, dat voor het uitvoeren van de opdracht een maximumbedrag is afgesproken van EUR 4.000,00 à EUR 5.000,00. De rechtbank overweegt, dat [gedaagde sub 2] gezien de op hem rustende stelplicht de door hem gestelde afspraak had dienen te onderbouwen. Dit geldt temeer, nu Koenen en Co de gestelde afspraak heeft betwist. [gedaagde sub 2] heeft aan zijn stelling echter geen feiten of omstandigheden ten grondslag gelegd waaruit de juistheid daarvan zou kunnen blijken. De rechtbank zal dan ook aan die stelling als onvoldoende onderbouwd voorbij gaan.

4.6. Verder heeft [gedaagde sub 2] gesteld, dat teveel uren in rekening zijn gebracht. In dat verband heeft hij het volgende aangevoerd. Een aantal werkzaamheden zijn nodeloos verricht, omdat de behandeling van de opdracht vanwege ziekte intern werd overgedragen van de heer [X] aan de heer [Y]. De heer [Y] heeft veel uren aan studie en intern overleg besteed, welke uren doublures vormen met de reeds door de heer [X] verrichte werkzaamheden. Daarnaast is voor de heer [Y] een hoger uurtarief berekend dan voor de [X]. Verder is blijkens de urenspecificatie EUR 130,00 in rekening gebracht voor een poging tot het downloaden van een ondernemingsplan vanaf de website van de Rabobank. De noodzaak tot het downloaden van een ondernemingsplan is onduidelijk. [gedaagde sub 2] heeft zelf een oprichtingsconcept gemaakt en aan Koenen en Co overhandigd. Vervolgens heeft Koenen en Co dit concept nagenoeg geheel overgenomen in het uiteindelijk gepresenteerde ondernemingsplan. Verder is er slechts sprake geweest van een tweetal wijzigingen in verband met de opdracht, namelijk een wijziging van de standplaats en een wijziging van de kredietsom.

Koenen en Co heeft naar aanleiding van dit verweer ter comparitie van partijen een en ander nader als volgt uiteengezet. De post downloaden ondernemingsplan met een tijdsbesteding van 1 uur is wat ongelukkig geformuleerd. Het betrof de bij de Rabobank in te dienen financieringsaanvraag. In het ondernemingsplan van de Rabobank worden dan de gegevens ingevuld, waardoor automatisch waardevolle informatie met betrekking tot de branche wordt gegenereerd. De betreffende activiteit omvat dus meer dan het enkel downloaden. Verder heeft [gedaagde sub 2] inderdaad een conceptplan aangeleverd. Dat plan heeft echter slechts als basis gediend. Een ondernemingsplan betreft immers niet alleen de tekstuele opstelling daarvan, maar moet tevens financieel gedegen onderbouwd worden. In dat kader dienen onder andere meerdere begrotingen opgesteld te worden zoals onder andere een exploitatie- en investeringsbegroting. Vanwege de financiële onderbouwing zou de heer [Y] als accountant in ieder geval al bij de opdracht betrokken worden, dus ook indien de heer [X] niet vervangen zou zijn. Daarnaast heeft de heer [Y] de heer [X] vervangen. Voor de heer [Y] wordt een hoger tarief gevraagd dan voor de heer [X], maar gezien de ervaring en deskundigheid van de heer [Y] heeft hij de werkzaamheden in minder tijd verricht dan de heer [X] nodig gehad zou hebben. Tevens betreft het een gering aantal uren. Voor zover de uren van de heer [X] een overlap vormden met de uren van de heer [Y] zijn die uren niet gedeclareerd. Ook de door de heer [X] aan studie bestede uren zijn niet opgevoerd. Voor zover uren van de heer [X] zijn gedeclareerd, betreft het werkzaamheden die apart ten goede zijn gekomen aan het ondernemingsplan. Verder diende een en ander ten gevolge van door [gedaagde sub 2] gewenste wijzigingen weer geheel doorgerekend te worden.

De rechtbank overweegt dat deze nadere uiteenzetting ondersteuning vindt in de overgelegde factuurspecificatie, waarin de werkzaamheden zijn gespecificeerd (productie 2 bij de dagvaarding). De rechtbank is dan ook van oordeel, dat Koenen en Co met deze uiteenzetting het verweer van [gedaagde sub 2] voldoende heeft weerlegd.

4.7. [gedaagde sub 2] heeft eerst ter comparitie van partijen nog naar voren gebracht, dat hij door een andere opdrachtnemer een ondernemingsplan heeft laten opstellen, waarvoor EUR 1.650,00 in rekening is gebracht. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde sub 2] op dit punt niet aan zijn stelplicht heeft voldaan, aangezien hij ter zake heeft volstaan met een kale mededeling. De rechtbank komt dan ook niet meer toe aan bewijslevering op dit punt. De rechtbank zal aan de niet onderbouwde stelling voorbij gaan.

4.8. Tenslotte heeft [gedaagde sub 2] nog gesteld, dat het door hem te betalen bedrag naar redelijkheid dient te worden bepaald. De rechtbank gaat ervan uit, dat [gedaagde sub 2] hierbij kennelijk doelt op het bepaalde in artikel 7:405, tweede lid, BW. De rechtbank overweegt dat ingevolge die bepaling pas wordt toegekomen aan het bepalen van een redelijk loon, indien er onvoldoende aanknopingspunten zijn om het loon op de gebruikelijke wijze te berekenen. In het onderhavige geval waren er echter voldoende aanknopingspunten, namelijk het aantal gewerkte uren vermenigvuldigd met het gebruikelijke loon, zodat het bepalen van een redelijk loon in dit geval niet aan de orde is.

4.9. Concluderend zal de rechtbank de door Koenen en Co onderbouwde vordering ten bedrage van EUR 5.230,24 toewijzen.

4.10. Koenen en Co heeft nog de wettelijke handelsrente ingevolge artikel 6:119a BW met ingang van de dag van verzuim gevorderd. De rechtbank is – met [gedaagde sub 2] - van oordeel dat de opdracht niet kan worden aangemerkt als een handelsovereenkomst. De opdracht betrof het opstellen van een ondernemingsplan in verband met de financieringsmogelijkheden van een eventueel op te richten vennootschap onder firma. [gedaagde sub 2] handelde daarbij als privépersoon en niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf. Koenen en Co kan wel aanspraak maken op de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW, welke rente als ‘het mindere’ geacht moet worden mede in de vordering te zijn verdisconteerd. Koenen en Co heeft niet nader aangegeven wat de datum van verzuim zou zijn, zodat de rechtbank de wettelijke rente met ingang van de dag van de dagvaarding zal toewijzen.

4.11. Met betrekking tot de gevorderde buitengerechtelijke kosten overweegt de rechtbank het volgende. Bij de beoordeling van de vraag of de gevorderde buitengerechtelijke (incasso-) kosten voor vergoeding in aanmerking komen, hanteert de rechtbank het uitgangspunt, dat verrichtingen voorafgaand aan het geding worden gezien als voorbereiding van de gedingstukken en instructie van de zaak. Bij afzonderlijk voor vergoeding in aanmerking komende kosten moet het gaan om verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. Daarvan is in deze zaak niet gebleken.

De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal daarom worden afgewezen.

4.12. Aangezien partijen over en weer gedeeltelijk in het gelijk zijn gesteld, nu de vordering tegen [gedaagde sub 2] grotendeels zal worden toegewezen, maar de vorderingen tegen de Vof en [gedaagde sub 3] geheel zullen worden afgewezen, zal de rechtbank de proceskosten aldus compenseren dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. veroordeelt [gedaagde sub 2] om aan Koenen en Co te betalen een bedrag van

EUR 5.230,24 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 juli 2010,

5.2. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.3. compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.4. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.C.M. Bomans en in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2011.?