Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2011:BP2887

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
02-02-2011
Datum publicatie
03-02-2011
Zaaknummer
95233 / HA ZA 09-564
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank oordeelt dat de vordering van drie verkopers van onroerende zaken, die als één verkoop wordt gesloten, in een gemeenschap valt. De door een van die verkopers gevorderde verklaring voor recht dat een door een van zijn schuldeisers gelegd conservatoir derdenbeslag op die opbrengst onder de koper geen doel treft omdat het op het gehele bedrag is gelegd en niet op zijn aandeel daarin, dient te worden toegewezen gelet op de daarop betrekking hebbende jurisprudentie van de Hoge Raad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROERMOND

Sector civielrecht

zaaknummer / rolnummer: 95233 / HA ZA 09-564

Vonnis van 2 februari 2011

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

KURSTJENS ONROEREND GOED B.V.,

gevestigd te Grubbenvorst,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

G.J.J. KURSTJENS AKKERBOUWBEDRIJVEN B.V.,

gevestigd te Grubbenvorst,

3. [eiser 3],

wonende te [woonplaats], [land]

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. J.D.E. van den Heuvel,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. H.J.J.M. van der Bruggen.

Partijen zullen hierna Kurstjens c.s. (gezamenlijk), [eiser 3] en [gedaagde] genoemd worden.

1. Het verloop van de procedure

Deze beslissing steunt op de volgende processtukken:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie

- de conclusie van antwoord in reconventie

- het comparitievonnis van 25 november 2009

- de conclusie van repliek in conventie

- de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie

- de conclusie van dupliek in reconventie

2. De geschillen

In conventie

2.1. [eiser 3] en [gedaagde] zijn van 1967 tot 1993 met elkaar gehuwd geweest. Zij hebben bij convenant de gevolgen van hun echtscheiding geregeld. Daarbij heeft [eiser 3] tot zekerheid voor de betaling van de maandelijkse alimentatieverplichtingen aan [gedaagde] tot 196.033,05 euro hypotheek verstrekt op aan hem toebedeelde onroerende zaken.

2.2. Bij overeenkomst van 23 augustus 2007 hebben [eiser 3] en de aan hem gelieerde vennootschappen (eisers in conventie) een aantal onroerende zaken verkocht aan (de niet gelieerde onderneming) Loonbedrijf Kurstjens Grubbenvorst BV (verder Loonbedrijf), waaronder ook die waarop het ten behoeve van [gedaagde] gevestigde hypotheekrecht rustte. Tussen hen is overeengekomen dat het Loonbedrijf het gedeelte van de koopsom ad 611.000 euro voor de levering onder de notaris zou storten en dat de resterende koopsom ad 320.000 euro pas hoefde te worden betaald (binnen twee dagen) nadat de hypothecaire inschrijving zal zijn doorgehaald. Die betaling zou plaatsvinden aan de notaris, waarna deze het op een door [eiser 3] aan te wijzen rekeningnummer zou doorbetalen.

2.3. In kort geding heeft [eiser 3] gevorderd dat [gedaagde] zou meewerken aan doorhaling van de hypothecaire inschrijvingen op de verkochte onroerende zaken, omdat de waarde van de zaak waarop nog hypotheek zou blijven rusten, veel hoger was dan het bedrag (van 196.033,05 euro) waarvoor die hypotheek tot zekerheid strekte. Nadat de rechtbank bij vonnis van 9 januari 2008 deze vordering afwees omdat te weinig omtrent de waarde van die resterende onroerende zaak was gesteld, wees het hof deze vordering bij arrest van 16 december 2008 alsnog toe.

2.4. Tussen [gedaagde] en [eiser 3] loopt al sinds 9 april 2001 een procedure waarin [gedaagde] stelt dat [eiser 3] bij de verdeling van de huwelijksgemeenschap onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door de omvang ervan veel lager voor te stellen dat hij geweest zou zijn. Door de rechtbank Roermond (bij vonnis van 16 mei 2002) en het hof te ‘s-Hertogenbosch (bij arrest van 1 maart 2005) is deze vordering afgewezen omdat de vordering zou zijn vervallen. De Hoge Raad heeft bij arrest van 19 januari 2007 dat arrest vernietigd en de zaak verwezen naar het hof Arnhem voor de verdere beoordeling van de vordering.

2.5. [gedaagde] heeft op 7 september 2007 tot zekerheid voor de betaling van haar vordering uit onrechtmatige daad conservatoir beslag proberen te leggen op een van de aan Loonbedrijf Kurstjens verkochte onroerende zaken. Dat beslag trof geen doel doordat de levering diezelfde dag aan het Loonbedrijf had plaatsgevonden.

Op 14 september 2007 heeft [gedaagde] met verlof van de voorzieningenrechter conservatoir derdenbeslag laten leggen onder Loonbedrijf Kurstjens BV alsmede onder de notaris die de leveringsakte had verleden. De notaris verklaarde ten tijde van het beslag niets aan [eiser 3] verschuldigd te zijn, het Loonbedrijf verklaarde op 19 september 2007 nog 320.000 euro verschuldigd te zijn.

2.6. [eiser 3] heeft daarop bij dagvaarding van 27 november 2007 in kort geding gevorderd dat [gedaagde] het beslag zou opheffen. Deze vordering in kort geding is bij vonnis van de rechtbank Roermond van 9 januari 2008 en bij arrest van het hof te ’s-Hertogenbosch van 16 december 2008 afgewezen. Daarop hebben Kurstjens c.s. bij dagvaarding van 21 juli 2009 onderhavige procedure aangespannen, waarbij zij (opnieuw) vorderen voor recht te verklaren dat het ten late van Loonbedrijf Kurstjens BV gelegde beslag geen doel treft, dat beslag op te heffen en [gedaagde] te veroordelen om de rente te betalen over het bedrag van 320.000 euro waarop het beslag rust vanaf de dag (14 september 2007) dat het beslag is gelegd.

In reconventie

2.7. Kurstjens c.s. hebben ter verzekering van de gestelde schade wegens het gelegde beslag op 15 juli 2009 conservatoir derdenbeslag onder [eiser 3] gelegd op al hetgeen hij aan [gedaagde] verschuldigd is. Aangezien [eiser 3] maandelijks 2.324,20 euro alimentatie aan [gedaagde] verschuldigd is, wordt dit bedrag sedert de beslaglegging niet langer betaald. [gedaagde] vordert in reconventie de opheffing van dat beslag, de wettelijke rente over de verschenen alimentatietermijnen en een verwijzing naar de schadestaatprocedure voor door haar geleden en nog te lijden schade.

2.8. De rechtbank zal de nadere stellingen en weren in haar beoordeling betrekken voor zover dat nodig is voor een goed begrip van die beoordeling.

3. Beoordeling

In conventie

3.1. [gedaagde] heeft beslag onder het Loonbedrijf gelegd op al hetgeen het Loonbedrijf aan [eiser 3] in privé verschuldigd mocht zijn. [eiser 3] voert aan dat het Loonbedrijf niets aan hem verschuldigd is, maar uitsluitend aan de gezamenlijke verkopers, nu immers de door het Loonbedrijf te betalen resterende koopsom valt in een gemeenschap waar [eiser 3] samen met de beide andere eisende vennootschappen deel van uitmaakt. [gedaagde] had dus beslag dienen te leggen op het aandeel van [eiser 3] in hetgeen het Loonbedrijf aan de gemeenschap, waarvan de vordering van [eiser 3] privé deel uitmaakte, verschuldigd was. Om deze reden trof het beslag volgens Kurstjens c.s. geen doel en dient het te worden opgeheven.

3.2. De rechtbank is van oordeel dat dit verweer terecht is opgeworpen. Zowel bij arrest van de Hoge Raad van 30 maart 2001 (NJ 2002, 380, met noot [A] en JOR 2001, 104 met noot [B]) als van 19 december 2008 (JBPr 2009, 13 met noot [X] en JOR 2009, 93 met noot [Y]) heeft de Hoge Raad zich op het standpunt gesteld dat het aandeel van een deelgenoot in een gemeenschap een vermogensrecht van andere aard is dan de eigendom van de tot de gemeenschap behorende zaken. Deze opvatting leidt tot het gevolg dat een beslag op een vordering niet geconverteerd (omgezet / begrepen) kan worden als een vordering op een aandeel daarin.

3.3. Tegen de opvatting van de Hoge Raad is vanuit de wetenschap kritiek geleverd (zie de genoemde annotaties). Er is op gewezen dat het dogmatische onderscheid als door de Hoge Raad aangebracht tussen een goed en een aandeel daarin, niet overeenstemt met de samenhang tussen eigendom en de aandelen daarin. Voorts is erop gewezen dat het voor de praktijk bezwarend is om op voorhand te bepalen of de geëxecuteerde rechthebbende is of slechts aanspraak op een aandeel in het beslagene maakt. Ook in onderhavig geval lijkt van [gedaagde] niet gevergd te kunnen worden dat zij zich realiseerde dat het beslagene onderdeel uitmaakte van een gemeenschap.

3.4. Het vorenstaande neemt niet weg dat de Hoge Raad ondanks alle kritiek heeft volhard in zijn rechtsopvatting en de rechtbank zich daaraan, met name in het belang van de rechtseenheid, moet conformeren, tenzij er bijzondere feiten of omstandigheden aan de orde zijn, die een afwijking rechtvaardigen. Dergelijke feiten en omstandigheden zijn evenwel niet gesteld of gebleken. In de praktijk is bovendien de onbekendheid met de aard van het eigendomsrecht ogenschijnlijk eenvoudig te ondervangen, in de woorden van annotator [S] (par. 5 laatste zin): “Al met al doen advocaten en deurwaarders er in afwachting van meer duidelijkheid van de Hoge Raad ter zaken, beter aan, beslagstukken aldus te formuleren dat beslag wordt gelegd op het goed A, B etc, althans aandeel in het goed A, B etc. van de beslaglegger”. Nu deze uitspraak (met deze aanbeveling) is gewezen en gepubliceerd (in 2002) ruim voordat het onderhavige beslag is gelegd (in 2007), had van [gedaagde] mogen worden verwacht dat zij het risico op eventuele gemeenschappelijkheid van de vordering aan [eiser 3] had ondervangen door subsidiair beslag op zijn aandeel in de vordering te leggen. Door die formulering achterwege te laten, heeft [gedaagde] derhalve het risico aanvaard dat het niet kleefde en dient zij de gevolgen daarvan dan ook te dragen.

3.5. [gedaagde] heeft overigens aangevoerd dat de vordering van eisers niet als een gemeenschap is aan te merken, omdat de delen van de koopprijs waarop de verschillende verkopers aanspraak maken, eenvoudig zijn te bepalen. De rechtbank verwerpt dit verweer. In art. 3:166 BW wordt gemeenschap aanwezig geacht als een of meer goederen aan twee of meer deelgenoten toebehoren. Bij de betreffende koopsom is daarvan sprake. Het feit dat de omvang van de aandelen daarin bepaald zijn en de gemeenschap ogenschijnlijk eenvoudig is te splitsen, heft het karakter van de gemeenschap niet op.

3.6. Het voorgaande leidt tot toewijzing van de vordering van [eiser 3] tot verklaring voor recht dat het beslag geen doel treft alsmede dit op te heffen.

3.7. De vordering tot betaling van de wettelijke rente over het bedrag van 320.000 euro vanaf 14 september 2007 tot aan de dag dat dit vonnis in kracht van gewijsde gaat, komt naar het oordeel van de rechtbank eveneens in beginsel voor toewijzing in aanmerking. De stelling van [gedaagde] dat Kurstjens c.s. de verplichting tot vergoeding van rente bij de koper hadden behoren te leggen en dat, door dat na te laten, die verplichting niet op [gedaagde] afgewenteld moet worden, acht de rechtbank onjuist. De hypotheek werd immers ten tijde van de beslaglegging opgeheven en het Loonbedrijf zou, als er geen beslag was gelegd, dus binnen twee dagen de resterende koopsom aan Kurstjens c.s. hebben voldaan. Op die verplichting zou een eventuele renteclausule ten nadele van het Loonbedrijf niet hebben uitgemaakt. Zelfs al zou namelijk die renteverplichting zijn overeengekomen, dan nog had het Loonbedrijf deze niet hoeven te voldoen nadat zij gehouden en bereid was aan Kurstjens c.s. te betalen, maar dat niet kon doordat er beslag op het geld was gelegd. Dit impliceert wel dat de gederfde rente pas schade werd vanaf twee dagen nadat de hypotheek opgeheven werd, namelijk tien dagen nadat het Gerechtshof dat bij arrest van 16 december 2008 bepaalde. Voorts wordt dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat er geen aanleiding is om de rente over het teveel beslagene langer dan de dag van dit vonnis te laten doorlopen.

3.8. Kurstjens c.s. hebben voorts gevorderd een verklaring voor recht dat het beslag geen doel treft en [gedaagde] te veroordelen om verdere schade naast de rentederving te betalen, zoals die schade in een schadestaat procedure zal worden vastgesteld. De rechtbank zal deze (samenhangende) vorderingen afwijzen. Kurstjens c.s. hebben deze schadepost niet verdergaand onderbouwd dan met de algemene stelling dat zij dit geld tijdens de beslaglegging niet konden investeren. De schade voor het niet kunnen beschikken over geld wordt doorgaans uitgedrukt in een rentepercentage. Door zowel rente te vorderen alsook de concrete schade, vordert Kurstjens c.s. dubbelop. Daarbij komt dat vergoeding van de wettelijke rente en afwijzing van het eventueel meerdere recht doet aan de omstandigheid dat [eiser 3] en [gedaagde] gewezen echtgenoten zijn.

3.9. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van Kurstjens c.s. worden veroordeeld. Daarbij zal worden aangesloten bij het liquidatietarief ad 452 euro per punt voor zaken van onbepaalde waarde, waarbij zal worden uitgegaan van drie punten.

In reconventie

3.10. De vordering tot opheffing van het door Kurstjens c.s. op 15 juli 2009 onder [gedaagde] gelegde beslag zal worden toegewezen. Onweersproken is dat de maandelijkse alimentatie ad 2.324,20 euro onder dit beslag valt. Daarmee is het thans onder beslag rustende bedrag evident hoger dan de wettelijke rente vanaf 18 december 2008 over 320.000 euro.

3.11. De vordering tot betaling van de wettelijke rente over de alimentatietermijnen voor zover deze hoger zijn dan de verschenen wettelijke rente als bedoeld in rechtsoverweging 3.7, is daarmee eveneens toewijsbaar.

3.12. De vordering tot verwijzing naar de schadestaat voor vergoeding van geleden en nog te lijden schade wordt afgewezen met dezelfde motivering als dat de gelijkluidende vordering van [eiser 3] in rechtsoverweging 3.8 is afgewezen.

3.13. Kurstjens c.s. zullen als de in reconventie in het ongelijk gestelde partijen in de proceskosten van [gedaagde] worden veroordeeld. Daarbij zal worden aangesloten bij het liquidatietarief ad 452 euro per punt voor zaken van onbepaalde waarde, waarbij zal worden uitgegaan van twee punten.

4. Beslissing

De rechtbank:

In conventie

4.1. heft op het door [gedaagde] op 14 september 2007 onder Loonbedrijf Kurstjens Grubbenvorst B.V. gelegde beslag;

4.2. veroordeelt [gedaagde] om aan Kurstjens Onroerend Goed B.V. en G.J.J. Kurstjens Akkerbouwbedrijven B.V. de wettelijke rente te betalen over 320.000 euro vanaf 18 december 2008 tot heden;

4.3. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van Kurstjens c.s., welke kosten tot op heden worden begroot op 72,25 euro aan explootkosten, 262 euro aan griffierecht en 1.356 euro aan advocaatkosten;

In reconventie

4.4. veroordeelt Kurstjens c.s. om aan [gedaagde] te betalen de wettelijke rente over het verschil tussen de vanaf juli 2009 verschenen alimentatietermijnen en de vanaf 28 december 2008 verschuldigde wettelijke rente over 320.000 euro;

4.5. heft op het door Kurstjens c.s. op 15 juli 2009 onder [eiser 3] gelegde beslag ten laste van [gedaagde] voor zover het hoger is dan de uit rechtsoverweging 4.4 voortvloeiende (gesaldeerde) rente;

4.6. veroordeelt Kurstjens c.s. in de proceskosten van [gedaagde], welke worden begroot op 904 euro aan salaris advocaat;

In conventie en in reconventie

4.7. verklaart dit vonnis in conventie uitvoerbaar bij voorraad;

4.8. wijst af het meer of anders gevorderde

Dit vonnis is gewezen door mr. H.H. Dethmers en in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2011.

Type: HD