Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2011:BP1458

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
20-01-2011
Datum publicatie
21-01-2011
Zaaknummer
04/860299-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

- Ontvoering en ontucht met 9 jarig meisje.

- vrijspraak van sexueel binnendringen van het lichaam, omdat veroordeelde tussen de schaamlippen van het slachtoffer is geweest maar niet in de vagina. Alleen dat laatste was als feitelijke gedraging in de tenlastelegging opgenomen.

- verwerping meer en vaartverweer mbt DNA sporen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector strafrecht

Parketnummer : 04/860299-10

Datum uitspraak : 21 januari 2011

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Roermond, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de zaak tegen:

[naam verdachte],

geboren te [geboortedatum],

wonende te [adres]

thans gedetineerd in [detentie adres]

1. Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting

van 7 januari 2011.

2. De tenlastelegging

De verdachte staat na wijziging van de tenlastelegging terecht ter zake dat:

1.

hij op of omstreeks 16 april 2010 te Lomm, in elk geval in de gemeente Venlo, en/of te Wellerlooi, in elk geval in de gemeente Bergen(L), in elk geval in Nederland, met [slachtoffer], geboren op [geboortedatum], die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer],

immers heeft hij, verdachte, zijn, verdachtes, tong in de vagina van genoemde

[slachtoffer] geduwd/gebracht en/of met zijn, verdachtes, tong gelikt in de vagina van genoemde [slachtoffer];

(art. 244 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij op of omstreeks 16 april 2010 te Lomm, in elk geval in de gemeente Venlo, en/of te Wellerlooi, in elk geval in de gemeente Bergen(L), in elk geval in Nederland, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, immers heeft hij, verdachte, met dat opzet :

- die [slachtoffer] in de kofferbak van zijn, verdachtes, auto gelegd en is

met die auto gaan rijden en/of

- die [slachtoffer] tegen haar wil gedwongen met hem, verdachte, een bos in

te lopen en/of

- die [slachtoffer] tegen haar wil gedwongen in dat bos op de grond te gaan

liggen en/of

- die [slachtoffer] tegen haar wil gedwongen haar kleren uit te trekken;

(art. 282 Wetboek van Strafrecht)

3.

hij op of omstreeks 16 april 2010 te Lomm, in elk geval in de gemeente Venlo, en/of te Wellerlooi, in elk geval in de gemeente Bergen(L), in elk geval in Nederland, door bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer] heeft gedwongen tot het dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), bestaande uit het likken over de vagina en/of buik van genoemde [slachtoffer] en/of het wrijven met een dildo of vibrator over de vagina van genoemde [slachtoffer],

welke bedreiging met geweld en/of andere feitelijkhe(i)d(en) heeft bestaan in het in de (dichte) nabijheid van de op de grond liggende [slachtoffer] in de grond steken van een mes en (daarbij) op dreigende toon, in elk geval voor genoemde [slachtoffer] dreigend, zeggen: "Stil zijn anders ga ik iets met je doen" en/of "Stil, anders ga ik je wat doen", in elk geval woorden van soortgelijke dreigende aard en/of strekking;

(art. 246 Wetboek van Strafrecht)

Althans indien terzake het vorenstaande geen veroordeling zou volgen:

hij op of omstreeks 16 april 2010 te Lomm, in elke geval in de gemeente Venlo en/of te Wellerlooi, in elk geval in de gemeente Bergen (L), in elke geval in Nederland, met [slachtoffer], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt , een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande uit het likken over de vagina en/of buik van genoemde [slachtoffer] en/of het wrijven met een dildo of vibrator over de vagina van voornoemde [slachtoffer];

(artikel 247 Wetboek van Strafrecht)

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3. De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4. De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Door de raadsman is bij pleidooi verweer gevoerd. Dit verweer komt er in essentie op neer dat de belangen van verdachte zijn geschonden omdat verdachte tijdens de politieverhoren onder zodanige druk is gezet dat hij niet in vrijheid heeft kunnen verklaren en dat er tijdens het hele politieonderzoek sprake is geweest van tunnelvisie, zodat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Ten aanzien van de stelling dat er door de politie dwang is uitgeoefend op verdachte tijdens het verhoor door de politie overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank stelt voorop dat tijdens een politieverhoor van een verdachte enige druk op een verdachte kan en mag worden uitgeoefend en dat deze druk kan toenemen naarmate een verdachte van een zeer ernstig strafbaar feit, zoals in casu het geval, verdacht wordt. Dit betekent evenwel niet dat verdachte tijdens een politieverhoor aan ongeoorloofde druk mag worden blootgesteld, teneinde een bekennende verklaring van verdachte te verkrijgen. Uit het onderzoek ter terechtzitting is niet gebleken dat zich een dergelijke situatie heeft voorgedaan. Verdachte heeft weliswaar wisselende verklaringen afgelegd tijdens de politieverhoren maar hij heeft zich steeds op het standpunt gesteld dat hij terzake van het plegen van ontuchtige handelingen onschuldig is. Van een bekennende verklaring die onder ongeoorloofde druk tot stand is gekomen is dan ook geen sprake. Terzake van de wederrechtelijke vrijheidsberoving[slachtoff[slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]) heeft de verdachte ter terechtzitting herhaald wat hij ook bij de politie heeft verklaard. Hij heeft daarbij aangegeven dat hij deze (gedeeltelijk) bekennende verklaring in vrijheid heeft afgelegd.

Ten aanzien van de stelling dat er sprake is geweest van tunnelvisie overweegt de rechtbank als volgt. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachtes belangen bij het voeren van de verdediging door tunnelvisie zijn veronachtzaamd. Ter adstructie van deze stelling heeft de verdediging aangevoerd dat de politie geweigerd heeft om de route die verdachte op 16 april 2010 gereden heeft na te trekken, terwijl de politie dat wel met [slachtoffer] heeft gedaan. De rechtbank kan in dit geval, ook achteraf bezien, begrip op brengen voor de reden waarom de politie niet op dit verzoek van de verdediging is ingaan. Verdachte heeft de politie niet zozeer gevraagd de beweerdelijk door hem op 16 april 2010 gereden route na te trekken, doch hij heeft bij herhaling gevraagd deze route zelf met de politie te mogen rijden. Daarvoor bestond, op zichzelf beschouwd geen noodzaak. Deze beslissing van de politie is dan ook niet aan te merken als tunnelvisie. De rechtbank merkt bovendien op dat zij in een latere fase naar aanleiding van een daartoe door de verdediging gedaan verzoek heeft ingestemd, zij het geclausuleerd, met het natrekken van de beweerdelijk door verdachte gereden route door de politie zonder aanwezigheid van verdachte. Nadat verdachte uiteindelijk kenbaar had gemaakt welke route hij op 16 april 2010 had gereden heeft de politie deze route nagereden en hebben de verbalisanten hiervan een proces-verbaal bevindingen van opgemaakt, welk proces-verbaal inmiddels ook het dossier is toegevoegd.

De verdediging heeft de onderhavige strafzaak voor betreft de verstrekkende gevolgen van tunnelvisie voor verdachte vergeleken met strafzaken als de Schiedammer parkmoord, de Puttense moordzaak en de zaak Ina Post. Naar het oordeel van de rechtbank is de zaak tegen verdachte alleen al niet vergelijkbaar met voormelde strafzaken vanwege de omstandigheid dat verdachte geen bekennende verklaring heeft afgelegd met betrekking tot het seksuele misbruik van [slachtoffer].

Ten aanzien van alle overige stellingen in de pleitnota van de raadsman met betrekking tot tunnelvisie is de rechtbank van oordeel dat de politie deze stellingen genoegzaam heeft nagetrokken dan wel deze stellingen op goede gronden heeft weerlegd.

Het scenario dat er een andere dader in het spel is, welke scenario door verdachte voor het eerst ter terechtzitting te berde is gebracht en waarbij de verdediging in dit verband heeft verwezen naar een NFI-rapport d.d. 14 juli 2010, inhoudende dat er bij het

DNA-onderzoek speeksel van minimaal één andere (onbekend) gebleven persoon op de vagina rechts van [slachtoffer] is gevonden, acht de rechtbank evenmin aannemelijk. Naar het oordeel van de rechtbank berust deze stelling van de verdediging op een verkeerde lezing van het betreffend rapport. In het NFI-rapport wordt naast de constatering dat bij het vergelijkend DNA-onderzoek negen keer celmateriaal is waargenomen dat afkomstig kan zijn van [slachtoffer] en de verdachte, waarbij zes maal de berekende frequentie DNA-profiel van kleiner dan één op één miljard is berekend. Eveneens is in twee gevallen waargenomen dat het celmateriaal afkomstig kan zijn van [slachtoffer] en minimaal één andere persoon. Dit impliceert niet dat dit celmateriaal van een andere persoon is. Het betekent slechts dat het materiaal onvoldoende was om een match met het referentiemateriaal van verdachte te verkrijgen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn overigens geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

6. Schorsing der vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7. Bewijsoverwegingen

7.1. Standpunten van de officier van justitie en de verdediging.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 7 januari 2011 gevorderd dat

het onder 1, 2 en 3 primair ten laste gelegde zal worden bewezen verklaard.

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde. Ten aanzien van feit 2 heeft de verdediging zich subsidiair op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat hem vanwege de anafylactische shock geen verwijt kan worden gemaakt.

7.2. Algemene bewijsoverwegingen

Alvorens de bewijsmiddelen te vermelden zal de rechtbank in een algemene bewijsoverweging ingaan op een drietal aspecten die van belang zijn voor het bewijs in de onderhavige strafzaak, te weten:

1. De betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer];

2. Tijdpadverweer;

3. verklaring aantreffen DNA materiaal van verdachte op het lichaam [slachtoffer].

Sub 1. De Betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer].

Voor wat betreft de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer] verwijst de rechtbank naar de zich in het dossier bevindende rapporten van de psychologen

drs. A. Laurijssen-Timmers en dr. G. Wolters. De psycholoog drs. A. Laurijssen-Timmers heeft in haar rapport naar aanleiding van het psychologisch onderzoek betreffende [slachtoffer] d.d. 21 december 2010 vermeld dat [slachtoffer]’s sterke kanten zijn gelegen in het goed en accuraat waarnemen van beelden en het vervolgens oproepen van deze beelden. Zij laat ook zien dat het redeneervermogen met betrekking tot sociale situaties bovengemiddeld is ontwikkeld.

De psycholoog dr. G. Wolters heeft in zijn rapport betreffend een onderzoek naar de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer] d.d. 30 oktober 2010 vermeld, kort samengevat:

- dat het studioverhoor van [slachtoffer] correct en volgens de geldende regels en procedures is uitgevoerd;

- dat de verklaringen die [slachtoffer] aflegt tijdens het informatieve gesprek (16 april 2010 en tijdens het studioverhoor 18 april 2010 en wat ze volgens haar moeder had verteld (weergegeven in de aangifte), in grote mate consistent zijn;

- dat de verklaringen van [slachtoffer] zeer gedetailleerd zijn en de onafhankelijke verifieerbare feiten die zij noemt zonder uitzondering worden bevestigd;

- dat de verklaringen van [slachtoffer] betrekking hebben over feiten die door andere getuigen en overig onderzoek kunnen worden geverifieerd, zonder uitzondering blijken te worden bevestigd;

- dat de verklaringen van [slachtoffer] ten aanzien van het door haar beschreven misbruik gedetailleerd en zeer specifiek zijn. De details zijn niet aannemelijk voor een verzonnen of gesuggereerd verhaal. Zowel door de beide onderwijzeressen van [slachtoffer] als door haar vader wordt bovendien aangegeven dat [slachtoffer] niet bijzonder fantasievol is en een voor haar leeftijd een normale fantasie heeft;

- dat de rapporteur Wolters tot de conclusie komt dat de verklaringen van [slachtoffer] in hoge mate betrouwbaar zijn.

Ter terechtzitting heeft de getuige-deskundige Wolters nog verklaard te persisteren bij zijn in het rapport gegeven overwegingen en conclusie. Hij heeft daarbij aangegeven dat, indien hij de mate van betrouwbaarheid van [slachtoffer]s verklaringen in een percentage zou moeten uitdrukken, hij eerder bij de 100% dan bij de 90% zou uitkomen.

Tegenover deze rapportages en bevindingen van de ter terechtzitting gehoorde getuige-deskundigen staat de stelling van de verdediging dat “het verhaal van [slachtoffer] aan alle kanten rammelt”. Nu de verdediging onvoldoende haar eigen standpunt ten opzichte van de valide overwegingen van de beide deskundigen met specifieke deskundigheden op het terrein van zedenzaken en seksueel misbruik van jonge kinderen heeft onderbouwd, gaat de rechtbank hieraan voorbij.

Gelet op het vorenstaande overwegingen en conclusies van de deskundigen, welke overwegingen en conclusies de rechtbank overneemt en tot de hare maakt, acht de rechtbank de afgelegde verklaringen van [slachtoffer] een hoge mate van betrouwbaarheid bezitten.

Sub 2. Tijdpadverweer

De verdediging heeft betoogd dat verdachte de hem tenlastegelegde feiten, met uitzondering van de wederrechtelijk vrijheidsberoving van [slachtoffer], gelet op de gemeten tijdstippen niet kan hebben gepleegd aangezien verdachte op dat moment niet ter plaatse is geweest. De rechtbank leidt uit het tijdspad, dat door de politie naar aanleiding van de onderzoeksresultaten tijdens het opsporingsonderzoek is gemaakt, af dat verdachte heeft verklaard dat hij op 16 april 2010 om 17.25 uur een black out heeft gehad toen hij stond te kijken bij de bordjes van de wandelroutes. Dit impliceert dat verdachte reeds voor 17.25 uur ter plaatse moet zijn geweest. Volgens zijn eigen verklaring heeft verdachte voordat hij de black out kreeg langs een vijver gelopen waarna hij in zijn auto is gestapt en naar de plaats waar de wandelroutebordjes staan is gereden. Hiermee moet naar het oordeel van de rechtbank in alle redelijkheid een tijdsbestek van 5 minuten gemoeid zijn geweest. Dit betekent dat verdachte tussen 17.15 en 17.20 uur ter plaatse moet zijn geweest. Het verschil in tijd tussen het relaas van [slachtoffer] en dat van verdachte is niet zo groot dat de ene verklaring de andere verklaring uitsluit.

Sub 3. Verklaring aantreffen DNA materiaal van verdachte op het lichaam van [slachtoffer].

Verdachte heeft verweer gevoerd met betrekking tot het op het lichaam aangetroffen DNA materiaal. Het NFI heeft vast gesteld dat dit materiaal overeenkomt met het referentiemateriaal dat van verdachte is afgenomen.

Aanvankelijk (pagina 153) heeft verdachte aangeven dat hij het kind niet had aangeraakt. Vervolgens heeft hij aangegeven [slachtoffer] te hebben gedragen door het bos, toen zij moe werd (pagina 157). Hij verklaart daarna dat hij het meisje heeft opgepakt als een baby en achter in de auto heeft gelegd (pagina 162). Vervolgens verklaart verdachte dat het meisje moest plassen (pagina 171). Hij heeft haar toen Tempo zakdoekjes gegeven. Hij zegt dat hij deze op weg naar huis uit het raam heeft laten waaien. Verdachte stelt dat op sexuele aard “daar” geen DNA materiaal van hem aangetroffen kan worden (pagina 177). Wel meldt verdachte dat [slachtoffer] een “keuteltje had hangen”. Dat heeft hij met twee Tempo zakdoekjes afgeveegd, waarbij hij zegt haar niet met de handen aangeraakt te hebben (pagina 178). Bovendien zou zij vijf keer hebben geplast (pagina 177). Dan verklaart verdachte (pagina 189) dat indien DNA materiaal wordt aangetroffen, rondom haar kruis, nabij de vagina en zo dan is dat van het afvegen. Hij zegt haar van achteren bij de anus en aan de voorzijde bij de vagina te hebben afgeveegd. Ook geeft hij aan dat nergens elders op haar lichaam DNA materiaal kan worden aangetroffen (pagina 190).

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij één pakje Tempo zakdoekjes bij zich had. Zeven daarvan heeft hij gebruikt voor het afvegen van [slachtoffer]. Verder verklaarde hij dat hij, toen hij na zijn wandeling bij het vennetje, stond te kijken naar een mogelijke wandelroute wel vijftig keer geniest had. Desgevraagd gaf hij aan dat hij bij die vijftig keer niezen één zakdoekje had gebuikt. Dit zakdoekje had hij op de terugweg uit het raam gegooid. De zakdoekjes die hij voor het afvegen had gebuikt zei hij in het bos te hebben weggegooid.

De rechtbank heeft verdachte voorgehouden, dat het DNA-materiaal van hem dat op het lichaam van [slachtoffer] was aangetroffen volgens het NFI afkomstig moet zijn geweest van speeksel (of faeces, wat gelet op de verklaring van [slachtoffer] door het NFI niet aannemelijk werd geacht). Hierop heeft verdachte zijn verklaring aangepast in die zin dat hij alle Tempo zakdoekjes bij het niezen heeft gebruikt, waarbij speeksel in de zakdoekjes terecht is gekomen. Deze zakdoekjes heeft hij, om het milieu niet te belasten, niet weggegooid. Met deze zakdoekjes zegt hij later [slachtoffer] te hebben afgeveegd.

De rechtbank acht de verklaringen van verdachte op dit punt kennelijk leugenachtig, met de bedoeling de waarheid te verdoezelen. Niet alleen past verdachte zijn verklaring telkens aan, wanneer hij wordt geconfronteerd met bewijsmateriaal dat strijdig is met een eerdere verklaring, ook zijn zijn verklaringen innerlijk tegenstrijdig. In het bijzonder wijst de rechtbank op verdachtes verklaring dat hij de zakdoekjes die hij zelf gebruikt zou hebben uit het raam had laten waaien en die hij voor het afvegen had gebruikt in het bos had gegooid. Dit is innerlijk tegenstrijdig met zijn verklaring, ter zitting aangepast, dat hij alle zakdoekjes had gebruikt voor niezen en afvegen. Bovendien verklaren verdachtes lezingen niet het aantreffen van verdachtes DNA-materiaal op [slachtoffer]s buik en bij haar tepel. De rechtbank verwerpt daarom verdachtes verweer op dit punt.

7.3. Vrijspraak overwegingen van de rechtbank

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het slachtoffer tussen haar schaamlippen heeft gelikt. Volgens recente jurisprudentie van de Hoge Raad moet dit worden gekwalificeerd als het seksueel binnendringen van het lichaam. [slachtoffer] heeft tijdens het studioverhoor uitdrukkelijk verklaard dat verdachte met zijn tong wel in het spleetje maar niet in het gaatje is geweest. De rechtbank begrijpt hieruit dat verdachte niet met zijn tong in de vagina als zodanig is geweest. Nu in de tenlastelegging alleen de penetratie van de vagina en niet het likken tussen de schaamlippen als verfeitelijking is genoemd ziet de rechtbank zich genoodzaakt verdachte vrij te spreken van het hem sub 1 ten laste gelegde feit, omdat de penetratie van de vagina niet wettig en overtuigend te bewijzen is.

7.4. Bewijsmiddelen en overwegingen van de rechtbank

De overtuiging van de rechtbank dat de verdachte het onder 2 en onder 3 primair ten laste gelegde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen .

De hieronder vermelde bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit, waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Ten aanzien van de feiten 2 en 3 primair

Uit het stamproces-verbaal van politie blijkt het volgende. Op 16 april 2010, omstreeks 17.20 uur werd er door aangeefster [aangeefster], melding gedaan van vermissing van haar minderjarige en inwonende dochter [slachtoffer], geboren te [geboortedatum], wonende te [adres]. [slachtoffer] was die dag omstreeks 17.00 uur op de fiets bij haar vriendinnetje vertrokken en zou normaal gesproken, gelet op de door haar af te leggen afstand, binnen een kwartier thuis moeten zijn. Aangeefster heeft vanaf 17.40 uur naar [slachtoffer] gezocht en vond haar fiets onbeheerd en onafgesloten aan de kant van de weg tegen een boom. Dit was aan de rand van een bosperceel aan de [adres] te Lomm. Diezelfde dag omstreeks 18.55 uur werd [slachtoffer] alleen aangetroffen aan de andere kant van het bosperceel door een buurtbewoner.

Uit een proces-verbaal van bevindingen van politie blijkt het volgende. Op 16 april 2010 omstreeks 19.50 uur had verbalisant L.M.G. Seuren, brigadier en gecertificeerd zedenrechercheur, een informatief gesprek met [slachtoffer] in het bijzijn van haar moeder. [slachtoffer] vertelde verbalisant Seuren desgevraagd het volgende:

- ze was gaan spelen bij haar vriendinnetje

- ze toen naar huis fietste

- het was rond 17.05 uur

- een auto reed haar voorbij

- later stond de auto stil

- een man stond achter de auto stil

- de man vroeg of ze een klein diertje wilde zien

- de man vroeg haar waar de dierenbescherming was

- hij zei niet schrikken pakte haar vast en legde haar in de kofferbak

- toen gingen ze lang rijden over hobbelige paadjes

- de man haalde haar uit de auto

- dit was bij een witte brug in het bos

- zij zijn toen het bos in gegaan een heel stuk het bos in

- de man zei dat hij [naam 1] uit Nijmegen was

- ze moest zich uitkleden

- hij kleedde haar uit

- hij had een zakmes zwart, mes zat in broekzak. Het mes heeft hij in de grond gestoken

- ze moest stil zijn

- hij heeft haar buik en ponani (vagina) gestreeld

- de man heeft haar gebeten in buik

- met zijn handen en tong heeft hij aan haar ponani gezeten

- hij had ook apparaatje een steel met knopje en dat trilde

- dat deed hij bij haar ponani en toen trilde ponani ook

- ze moest in auto nu voor passagiersstoel zitten

- ze mocht niet naar boven komen

- ze zijn toen met auto weggereden

- toen rondgereden wel een half uur en toen andere kant bos er uit gelaten

- witte brug met spijlen toen ze uit kofferbak kwam daarna heel stuk lopen

- het was een grijze auto met grijze bekleding.

Toen verbalisant overleg pleegde met de recherchecluster heeft [slachtoffer] aan haar moeder het volgende verteld:

- ik mocht toch kijken

- ik mocht niet praten anders zou hij mes gebruiken

- hij had grijze haren met zwarte punten

- ik schat hem 56 jaar

- 4 deurs grijze auto

[slachtoffer] heeft tijdens het studioverhoor op de vraag van de verhoorder inhoudende “Hij stond voor je en hij had allebei de handen op jouw mond. En wat zei hij daarna?”geantwoord: “Stil, anders ga ik je wat doen.”

Door aangeefster [aangeefster] is aangifte gedaan. Zij verklaart. Ik wens aangifte te doen van vrijheidsbeneming en seksueel misbruik van mijn minderjarige en inwonende dochter [slachtoffer]. [slachtoffer] is geboren op [geboortedatum]. Sinds twee jaar woon ik met mijn gezin in [adres]. [slachtoffer] is gisteren vrijdag 16 april 2010 om 13.00 uur zelfstandig naar school gefietst. [slachtoffer] had na school afgesproken met haar vriendin[naam 2] 2]. [slachtoffer] zou naar [naam 2] toe gaan en om 17.00 uur thuis zijn. Omstreeks 17.20 uur die dag was [slachtoffer] nog steeds niet thuis. Rond die tijd heb ik gebeld met de moeder van [naam 2]. Zij vertelde mij dat [slachtoffer] rond 17.00 uur met de fiets was vertrokken. [slachtoffer] had gezegd dat ze naar huis zou gaan. Om 17.40 uur was [slachtoffer] nog steeds niet thuis. Ik heb daarop de auto gepakt en ben haar gaan zoeken. Ik kwam [slachtoffer] niet tegen. Op de [adres] zag ik links van de weg [slachtoffer]s fiets tegen een boom staan. De fiets van [slachtoffer] was niet afgesloten. Dat vond ik vreemd omdat [slachtoffer] altijd haar fiets op slot deed. Toen wist ik dat het fout was. Even later ben ik samen met mijn partner teruggegaan naar de plek waar ik kort daarvoor de fiets had aangetroffen en heb toen 112 gebeld. Op een gegeven moment is de politie gekomen. Enige tijd later kregen wij het bericht dat de heer [naam 3] [slachtoffer] uit het bos had zien komen. Ik ben toen in de politieauto gestapt en naar [slachtoffer] gegaan. [slachtoffer] was heel timide. Vandaar uit zijn we naar het politiebureau in Venlo gebracht. In de politiebus hoorde ik haar eerste verhalen. Samengevat heeft [slachtoffer] verteld dat er een man in een grijze auto haar voorbijreed op de [adres]. De man stond op het zandpad bij zijn auto. De man sprak [slachtoffer] aan. [slachtoffer] stapt af van haar fiets om de weg te wijzen. De man zegt niet schrikken en tilt [slachtoffer] op. Hij stopt [slachtoffer] in de kofferbak en rijdt weg. Tenslotte stopt de man ergens en neemt [slachtoffer] een stuk mee verder het bos in. Van zijn auto weg. Daar laat hij [slachtoffer] zich zelf uitkleden onder bedreiging van een mes. Hij betast haar en bewerkt haar met een vibrator en mond. De man is aan haar ponani (vagina) geweest die had hij gelikt. Hij heeft hierna [slachtoffer] weer meegenomen in de auto. Ze mocht aan het voeteneind van de passagiersstoel zitten. Ze is ergens in het bos afgezet en hij is een stukje meegelopen. [slachtoffer] had ongeveer een kwartier gelopen toen ze gevonden werd. De man had gezegd dat hij [naam 1] was. [naam vader] mijn man is in het bos nog een man lopend tegen gekomen. Hij heeft die man aangesproken en ook gezien dat deze man in een grijze auto is gestapt en is weggereden.

Bij de stukken bevindt zich een akte van geboorte van de gemeente Woerden. Deze akte houdt in dat op [geboortedatum] [slachtoffer] is geboren.

Het rapport onderzoek naar biologische en DNA-onderzoek naar aanleiding van aangifte van een zedendelict gepleegd in Lomm op 16 april 2010 houdt onder meer in dat het NFI het ontvangen referentiemateriaal, te weten een referentiemonster wangslijmvlies van [slachtoffer] met identeitszegel RAAL3042NL en een onderzoeksset zedendelicten met daaraan veertien bemonsteringen met identiteitszegel ZAAA6815NL en een referentiemonster wangslijmvlies van de verdachte met identeitszegel RAAL5716NL heeft onderworpen aan een DNA-onderzoek. Uit dit onderzoek is gebleken dat bij acht sporen een match is gevonden met het referentiemateriaal van verdachte. Bij zes daarvan is vastgesteld dat de kans dat dat spoor van een ander dan verdachte afkomstig is, kleiner is dan één op één miljard. Deze sporen zijn aangetroffen bij [slachtoffer] op haar buik, nabij haar tepel en bij haar vagina.

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard. Op 16 april 2010 17.18 uur heb ik [slachtoffer] op de [adres] te Lomm opgetild en in de kofferbak van mijn auto gelegd. Vervolgens ben ik met de auto weggereden. Ik heb met haar in de auto rondgereden en een tijd met haar in het bos gelopen.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte, als volwassene voor [slachtoffer] een feitelijke omstandigheid heeft geschapen door haar van de bewoonde wereld af te zonderen en woordelijk en met een mes te dreigen, waardoor zij volledig van hem afhankelijk is gemaakt.

7.5. Bewezenverklaring

Op grond van voormelde bewijsmiddelen en overwegingen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het sub 2 en 3 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

2.

hij op 16 april 2010 te Lomm, en in Nederland, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers heeft hij, verdachte, met dat opzet :

- die [slachtoffer] in de kofferbak van zijn, verdachtes, auto gelegd en is

met die auto gaan rijden en

- die [slachtoffer] tegen haar wil gedwongen met hem, verdachte, een bos in

te lopen en

- die [slachtoffer] tegen haar wil gedwongen in dat bos op de grond te gaan

liggen en

- die [slachtoffer] tegen haar wil gedwongen haar kleren uit te trekken;

3.

hij op 16 april 2010 in Nederland, door feitelijkheden [slachtoffer] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, bestaande uit het likken over de vagina en buik van genoemde [slachtoffer] en het wrijven met een vibrator over de vagina van genoemde [slachtoffer], welke feitelijkheden hebben bestaan in het in de dichte nabijheid van de op de grond liggende [slachtoffer] in de grond steken van een mes en daarbij op dreigende toon zeggen: "Stil zijn anders ga ik iets met je doen", in elk geval woorden van soortgelijke dreigende aard en/of strekking;

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen.

Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de kwalificatie

8.1. Kwalificatie

Het ten laste van verdachte bewezenverklaarde levert op de navolgende strafbare misdrijven:

Feit 2:

De voortgezette handeling van: opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden.

Feit 3:

Feitelijke aanranding van de eerbaarheid.

Het misdrijf sub 2 is strafbaar gesteld bij artikel 282 juncto 56 van het Wetboek van Strafrecht.

Het misdrijf sub 3 is strafbaar gesteld bij artikel 246 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De strafbaarheid van verdachte

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman subsidiair als verweer aangevoerd dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat verdachte geen verwijt kan worden gemaakt als gevolg van de anafylactische shock/black out.

De rechtbank overweegt als volgt. Voor zover verdachte stelt gehandeld te hebben in een anafylactische shock/black out wordt dit door de rechtbank verworpen. Uiteindelijk heeft verdachte deze stelling onderbouwd met een beroep op zijn allergieën, een steek van enig insect in combinatie met cocaïne gebruik. Wat het cocaïne gebruik betreft kan dit verdachte nooit disculperen, aangezien het gebruik van cocaïne geheel voor zijn rekening en risico komt. Wat betreft de black out na een (insecten) prik verwijst de rechtbank naar een zich bij de stukken bevindend NFI-rapport van d.d. 30 september 2010, opgemaakt door

NFI-deskundige Dr. K.J. Lusthof, toxicoloog ERT. Dit rapport behelst het antwoord op de door de rechter-commissaris op 17 september 2010 geformuleerde vraagstelling:

1. Is het in de medische wereld bekend, in literatuur of anderszins, of insectenbeten een allergische reactie tot gevolg kunnen hebben die - al dan niet in combinatie met het gebruik van verdovende middelen (harddrugs) - een black out tot gevolg kunnen hebben, terwijl een dergelijke black out van dusdanige aard is dat betrokkenen nog wel in staat is om te handelen, maar geen wetenschap heeft van zijn handelingen?

2. is een dergelijk effect aannemelijk gelet op de door verdachte in zijn verklaringen – beschreven gang van zaken?

De NFI-deskundige Lusthof heeft beide vragen samenvattend als volgt beantwoord:

Er is in de wetenschappelijke literatuur en in de verklaringen van de verdachte geen onderbouwing gevonden voor de suggestie van de verdachte, dat een externe oorzaak (insectenbeet, allergie, drugs, geneesmiddelen) de mogelijke aanleiding was voor een black out.

De deskundige psychiater dr. K.J. Simis heeft een psychiatrisch onderzoek verricht bij verdachte. Op pagina 14, laatste alinea, van zijn rapport d.d. 20 augustus 2010 gaat de deskundige Simis nader in op de “black out” van verdachte en overweegt daaromtrent het volgende:

“Er is geen voorgeschiedenis van geheugenstoornissen, noch van cardiovasculaire of epileptische problematiek. Wel beschrijft hij een voorgeschiedenis van allergische aanleg. De reactie op de beet zou dan een anafylactische shock zijn geweest, waarbij er zwelling kan optreden in de keel, en ernstige bloeddrukverlaging. In dat geval raakt iemand buiten bewustzijn en kan een levensbedreigende situatie optreden. Noch de partner van betrokkene, noch het meisje in haar verklaringen, beschrijven op enige wijze een man in ademnood, die vervolgens zijn bewustzijn verliest (of daar zojuist weer uit bijkomt). Overigens was het onmogelijk geweest dat betrokkene nog zou kunnen autorijden, als er werkelijk sprake was geweest van een anafylactische shock.”

De rechtbank acht, gelet op al het vorenstaande, het dan ook niet aannemelijk dat verdachte een anafylactische shock/black out heeft gehad.

De verdachte is derhalve strafbaar voor het bewezenverklaarde nu overigens niet is gebleken van enige omstandigheid die verdachtes strafbaarheid opheft.

10. De straffen en/of maatregelen

10.1. De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 7 januari 2011 met betrekking tot de op te leggen straf gevorderd dat verdachte ter zake van het bewezenverklaarde zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van acht jaren, met aftrek ex artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

10.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van de gevorderde straf aangevoerd deze straf te zwaar te vinden en heeft een onvoorwaardelijke gevangenisstraf bepleit gelijk aan de duur van de voorlopige hechtenis met daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf.

10.3. De overwegingen van de rechtbank

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de wederrechtelijke vrijheidsberoving en feitelijke aanranding van de eerbaarheid van het toen negenjarig meisje [slachtoff[slachtoffer]. Dit zijn zeer ernstige strafbare feiten hetgeen mede is af te leiden aan het strafmaximum dat de wetgever op deze strafbare feiten heeft gesteld.

Verdachte is bij het plegen van de strafbare feiten zeer berekenend te werk gegaan. Zo heeft hij [slachtoffer] met een smoes naar zijn auto gelokt en haar vervolgens opgepakt en in de kofferbak van zijn auto gestopt, waarna hij is weggereden. Na enige tijd met [slachtoffer] in de kofferbak te hebben gereden heeft verdachte zijn auto ergens tot stilstand gebracht en is hij met [slachtoffer] het bos ingelopen, waarna onder bedreiging van geweld de bewezenverklaarde ontuchtige handelingen met behulp van een meegenomen vibrator hebben plaatsgevonden. Nadat de ontuchtige handelingen hadden plaatsgevonden, moest [slachtoffer] vóór de passagiersstoel van de bijrijder in de auto plaatsnemen, zodat zij voor passanten en/of andere weggebruikers niet te zien was. Verdachte heeft zich tegenover [slachtoffer] en haar vader als [naam 1] uit Nijmegen cq [naam 1] uitgegeven met als enig doel zijn ware identiteit geheim te houden en de politie op een dwaalspoor te brengen.

De rechtbank rekent verdachte de bewezenverklaarde feiten erg aan gelet op de bijzondere ernst van deze feiten en de grote impact die deze feiten op [slachtoffer], haar ouders en zusje heeft gehad en de maatschappelijke verontrusting.

Het is een feit van algemene bekendheid dat delicten als de onderhavige, zeker als deze op jonge leeftijd plaatsvinden, enorme impact hebben op het leven en de verdere ontwikkeling van het slachtoffer. Door zijn handelen heeft verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de geestelijke en lichamelijke integriteit van [slachtoffer] veroorzaakt. Hoe groot de impact op [slachtoffer] en haar directe familie is geweest en ook in de toekomst nog zal hebben blijkt uit de schriftelijke slachtofferverklaring opgesteld door de moeder van [slachtoffer]. Op het moment dat [slachtoffer] terug was begon zij meteen te huilen en vertelde zij dat ze was ontvoerd. Voor haar was de tijd dat zij in de kofferbak zat het ergste omdat zij dacht dat de verdachte haar zou vermoorden en dat zij haar ouders nooit meer zou terug zien.

De moeder van [slachtoffer] beschrijft in de slachtofferverklaring dat [slachtoffer] sinds 16 april 2010 is veranderd. [slachtoffer] kan bij het minste of geringste aggressief worden en extreem boos reageren. [slachtoffer] schaamt zich voor haar lichaam en voor wat er gebeurd is. Zij vertrouwt niemand meer en vindt alle mannen eng. [slachtoffer] durft niet meer alleen buitenshuis te gaan. Haar zusje heeft extreem veel angsten en is bang dat haar hetzelfde zal overkomen en gaat daarvoor in behandeling. Buiten dat [slachtoffer] slachtoffer is geworden, is het hele gezin ontwricht. De moeder is ook in behandeling omdat ze niet meer functioneert op haar werk en nog moet verwerken wat er met haar dochter is gebeurd. In verband met alle klachten zal [slachtoffer] nog therapie gaan volgen.

Uit het rapport van de psycholoog drs. A. Laurijssen-Timmers d.d. 21 december 2010 blijkt eveneens hoe ingrijpend de traumatische gebeurtenissen voor [slachtoffer] zijn geweest. Bij [slachtoffer] is sprake van een mogelijk uitgestelde posttraumatische stress-stoornis. Ruim een half jaar na dato valt op dat de herbelevingen of intrusies (opdringende gedachten aan het trauma) nog steeds onderdrukt kunnen worden. Er zijn zorgsignalen rond haar welbevinden zichtbaar die erop wijzen dat dergelijke symptonen op elk moment zichtbaar kunnen worden (moeite met doorslapen, prikkelbaarheid, moeite met concentreren, overmatige waakzaamheid). Ze heeft alles wat haar is overkomen nog niet in een behandeling kunnen verwerken. Alles wordt alleen onderdrukt of vermeden. Ze doet pogingen gedachten, gevoelens of gesprekken horend bij het trauma te vermijden. Dat het trauma nog niet verwerkt is en breder is dan alleen mogelijk seksueel misbruik, wordt duidelijk in de signalen die [slachtoffer] thuis afgeeft en de krampachtige wijze waarop ze het wegstopt. De wereld is onveilig, niemand is meer te vertrouwen. Het basisvertrouwen in mensen is diep geschaad.

De rechtbank is gelet op de bijzondere ernst van de bewezenverklaarde feiten, alsmede op grond en de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd en de persoon van verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, van oordeel dat aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren behoort te worden opgelegd. De rechtbank is van tevens van oordeel dat met het oog op een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met een het opleggen van een andersoortige of lagere straf, zoals door de verdediging is bepleit, dan voormelde vrijheidsstraf.

11. Verbeurdverklaring

De rechtbank is van oordeel dat het inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten

2010037233 1 1.00 STK Personenauto 32-GTN 8

HONDA Civic 2008 Kl:grijs

2010037233 8 1.00 STK Sleutel

HONDA CIVIC

Autosleutel Honda Civic 32-gtn-8, ibn door rc

dienen te worden verbeurdverklaard.

Genoemde voorwerpen is vatbaar voor verbeurdverklaring aangezien

met betrekking tot deze voorwerpen het onder 2 vermelde feit is begaan

12. Teruggave

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat onder meer inbeslaggenomen zijn:

2010037233 2 1.00 STK Handdoek Kl:gekleurd

-

Diverse kleuren gestreept. Beslagcode:3-SL-001

2010037233 3 1.00 STK Handdoek Kl:gekleurd

-

Diverse kleuren gestreept. Beslagcode:3-SL-002

2010037233 4 1.00 STK Handdoek Kl:blauw

-

Blauwe handdoek op zolder aangetroffen

2010037233 5 1.00 STK Handdoek Kl:blauw

-

Aangetroffen op magnetron

2010037233 6 1.00 STK Handdoek Kl:blauw

-

Blauw/witte handdoek aangetroffen op gasfornuis

2010037233 7 1.00 STK Handdoek Kl:blauw

-

Aangetroffen op badkamer

2010037233 9 1.00 STK Vibrator Kl:paars

-

Paars/witte vibrator, ibn door rc

2010037233 10 2.00 STK Sok

-

2010037233 11 1.00 STK Vest Kl:grijs

-

Grijs vest met witte strepen

2010037233 12 2.00 STK Schoenen

-

2010037233 13 1.00 STK Kleding Kl:wit

-

2010037233 14 1.00 STK Broek

-

Inclusief broekriem

2010037233 15 1.00 STK Ondergoed Kl:zwart

-

Zwart heren slip

2010037233 17 1.00 STK Kleding Kl:wit

-

2010037233 18 1.00 STK Vibrator

-

Groen/ blauwe dildo;

Nu met betrekking tot deze voorwerpen niet (meer) wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering, dienen deze voorwerpen te worden teruggegeven aan degene(n) onder wie deze zijn inbeslaggenomen, zoals hierna in het dictum genoemd.

13. De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

[slachtoffer] wonende [adres] heeft een vordering benadeelde partij ingediend met betrekking tot de als gevolg van de hiervoor onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten geleden materiële schade en immateriële schade.

[slachtoffer] voornoemd heeft de materiële schade op een bedrag van € 217,68 en de immateriële schade op een bedrag van € 7.000,00 gesteld, en wil die schade(s) vergoed krijgen.

Ten laste van verdachte zijn de hiervoor onder 2 en 3 primair ten laste gelegde feiten (artikel 282 en 246 WvSr) bewezen. Het zijn strafbare feiten en verdachte zal ter zake van die feiten worden veroordeeld.

Met betrekking tot de toewijsbaarheid van de hoogte van het schadebedrag overweegt de rechtbank dat de vordering is opgebouwd uit de navolgende posten:

Materiële schade, te weten:

reiskosten in verband met verhoorstudio Eindhoven, slachtofferhulp Venlo en bijwonen terechtzitting Roermond, totaal € 49,68

kleding slachtoffer totaal € 168,00

Totaal € 217,68

De rechtbank acht deze kosten voor integrale toewijzing vatbaar. De reiskosten zijn weliswaar niet gemaakt door het slachtoffer zelf, maar wel ten behoeve van het slachtoffer door de wettelijke vertegenwoordiger van het slachtoffer.

Met betrekking tot de gevorderde immateriële schade overweegt de rechtbank als volgt. Gelet op de aard en de impact van het bewezenverklaarde waarvoor verdachte wordt veroordeeld, is het een ervaringsregel dat daardoor bij het slachtoffer immateriële schade van enige omvang wordt veroorzaakt. Of de door het slachtoffer opgelopen immateriële schade een bedrag van € 7.000,00 rechtvaardigt, kan de rechtbank op basis van de haar beschikbare informatie niet beoordelen. De vordering immateriële schade, die door verdachte niet is weersproken, is naar het oordeel van de rechtbank wel gedeeltelijk voor toewijzing vatbaar, en wel tot bedrag van € 5.000,00. Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade.

Voor zover de vordering voormeld bedrag van € 5.000,00 overstijgt, is deze vordering in het strafproces niet van eenvoudige aard. In zoverre kan [slachtoffer] derhalve niet in haar vordering bij de strafrechter worden ontvangen. Zij kan deze restantvordering, desgewenst, bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Het toegewezen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag, te rekenen vanaf 16 april 2010 en voor wat betreft de reiskosten vanaf 11 januari 2011 tot de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal over de vordering van de benadeelde partij, overeenkomstig het hiervoren overwogene, beslissen zoals hierna is vermeld, alsmede over de kosten die door de benadeelde partij zijn gemaakt, thans begroot op nihil.

De rechtbank zal tevens aan verdachte de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van € 5.217,68 te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 5.168,00 te rekenen vanaf 16 april 2010 en voor wat betreft de reiskosten ad € 49,68 vanaf 11 januari 2011 tot de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 61 dagen, te betalen ten behoeve van [slachtoffer] voornoemd, zoals hierna in het dictum genoemd.

14. Toepasselijke wetsartikelen

Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen:

10, 24, 24c, 27, 33, 33a, 36f, 56, 246 en 282 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het sub 1 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het sub 2 en 3 primair ten laste gelegde zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verstaat dat het aldus bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en verklaart verdachte ter zake strafbaar;

veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van zes jaar;

beveelt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

verklaart verbeurd:

2010037233 1 1.00 STK Personenauto 32-GTN 8

HONDA Civic 2008 Kl:grijs

2010037233 8 1.00 STK Sleutel

HONDA CIVIC

Autosleutel Honda Civic 32-gtn-8, ibn door

gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

2010037233 2 1.00 STK Handdoek Kl:gekleurd

-

Diverse kleuren gestreept. Beslagcode:3-SL-001

2010037233 3 1.00 STK Handdoek Kl:gekleurd

-

Diverse kleuren gestreept. Beslagcode:3-SL-002

2010037233 4 1.00 STK Handdoek Kl:blauw

-

Blauwe handdoek op zolder aangetroffen

2010037233 5 1.00 STK Handdoek Kl:blauw

-

Aangetroffen op magnetron

2010037233 6 1.00 STK Handdoek Kl:blauw

-

Blauw/witte handdoek aangetroffen op gasfornuis

2010037233 7 1.00 STK Handdoek Kl:blauw

-

Aangetroffen op badkamer

2010037233 9 1.00 STK Vibrator Kl:paars

-

Paars/witte vibrator, ibn door rc

2010037233 10 2.00 STK Sok

-

2010037233 11 1.00 STK Vest Kl:grijs

-

Grijs vest met witte strepen

2010037233 12 2.00 STK Schoenen

-

2010037233 13 1.00 STK Kleding Kl:wit

-

2010037233 14 1.00 STK Broek

-

Inclusief broekriem

2010037233 15 1.00 STK Ondergoed Kl:zwart

-

Zwart heren slip

2010037233 17 1.00 STK Kleding Kl:wit

-

2010037233 18 1.00 STK Vibrator

-

Groen/ blauwe dildo;

Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

Ten aanzien van de feiten 2 en 3 primair:

gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij van EUR 5.217,68;

veroordeelt verdachte om tegen bewijs van betaling aan benadeelde partij

[slachtoffer], wonende [adres] te betalen een bedrag van EUR 5.217,68 te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 5.168,00 te rekenen vanaf 16 april 2010 en voor wat betreft de reiskosten ad € 49,68 vanaf 11 januari 2011 tot de dag der algehele afdoening;

gedeeltelijk niet-ontvankelijkverklaring van benadeelde partij [slachtoffer] voor het meer gevorderde aan immateriële schade, met bepaling dat de benadeelde partij het deel van de vordering waarin zij niet-ontvankelijk is slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat te betalen een som geld ten bedrage van EUR 5.217,68 subsidiair 61 dagen hechtenis te behoeve van [slachtoffer] voornoemd met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

veroordeelt verdachte tevens tot betaling aan de Staat van de wettelijke rente over voormeld bedrag ad € 5.168,00 vanaf 16 april 2010 en voor wat betreft de reiskosten ad € 49,68 vanaf 11 januari 2011 tot de dag der algehele voldoening en bepaalt dat de subsidiair hechtenis ook van toepassing is op de vervallen rentetermijnen;

veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Vonnis gewezen door mrs. V.P. van Deventer, E.A.M. van Oorschot en C.C.W.M. Aretz, rechters, van wie mr V.P. van Deventer voorzitter, in tegenwoordigheid van

mr. P.C.M. Müller als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 21 januari 2011.

Mr. P.C.M. Müller is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.