Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2010:BO5420

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
17-11-2010
Datum publicatie
30-11-2010
Zaaknummer
AWB 10 / 488
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De gemeenteraad (verweerder) heeft afwijzend beslist op een verzoek van eiseres om subsidie op grond van artikel 4:23, derde lid, onder d, van de Algemene wet bestuursrecht.

De rechtbank overweegt dat artikel 4:23, eerste lid, van de Awb de eis bevat dat er voor de verstrekking van subsidie een wettelijke grondslag bestaat, dit mede om een weloverwogen gebruik van het subsidie instrument te bevorderen. Het niet van passing zijn van het eerste lid van dit artikel, in het geval er sprake is van een als incidenteel aan te merken subsidie, ziet naar het oordeel van de rechtbank slechts op het vereiste dat er voor het verlenen van subsidie steeds een wettelijke grondslag wordt vereist. Daarbij zij nog aangetekend dat uit de wetsgeschiedenis, alsmede de jurisprudentie verder volgt dat de uitzondering van sub d slechts bedoeld is voor gevallen waarin zowel het tijdvak als het aantal subsidieontvangers beperkt is. Een eenmalige subsidie met een groot aantal subsidieontvangers is dus niet incidenteel. (Zie o.a. ABRS 17 09 2003, AB 2004, 195).

In de bevoegdheidstoebedeling wordt, anders dan verweerder stelt, door lid 3 sub d van artikel 4:23 van de Awb evenwel geen wijziging gebracht.

Bij wettelijk voorschrift (zie ook de artikelen 4, 33 en 38 van de Algemene subsidieverordening van verweerders gemeente) is de subsidiebevoegdheid toebedeeld aan het college van Burgemeester en Wethouders en niet aan verweerder. Niet is gesteld of gebleken dat de bevoegdheid bijvoorbeeld door delegatie of mandaat aan verweerder is overgedragen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder niet bevoegd was om op de subsidieaanvraag van eiseres te beslissen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector bestuursrecht, enkelvoudige kamer

Procedurenummer: AWB 10 / 488

Uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake

[naam eiseres] te [plaatsnaam], eiseres,

gemachtigde [naam gemachtigde],

tegen

de Raad van de gemeente Echt-Susteren, verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 maart 2010 heeft verweerder beslist op het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 9 juli 2009 waarbij de door eiseres gevraagde eenmalige, incidentele subsidie is afgewezen.

Tegen dat besluit is bij deze rechtbank beroep ingesteld.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 8 november 2010, waar van de zijde van eiseres niemand is verschenen en waar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. J.H.G. Levels.

2. Overwegingen

2.1. Naar aanleiding van de besteding van de zogenaamde Essent-gelden 2007 heeft verweerder in de vergadering van 12 februari 2009 een aantal correctiebesluiten genomen, waarbij aan een groot aantal verenigingen, stichtingen en organisaties op grond van artikel 4:23, derde lid, onder d, van de Awb subsidie is verleend. Eiseres heeft, onder verwijzing naar die besluiten van 12 februari 2009 verzocht om eveneens in aanmerking te komen voor subsidie. Bij besluit van 16 juli 2009 (raadsbesluit van 9 juli 2009) heeft verweerder het subsidieverzoek niet ingewilligd. Deze afwijzing heeft verweerder in heroverweging gehandhaafd.

2.2. Aan dit besluit van 8 maart 2010 (raadsbesluit van 10 februari 2010) heeft verweerder onder overneming van het advies van de bezwaarcommissie van 21 oktober 2009 -kort gezegd- ten grondslag gelegd, dat het gelijkheidsbeginsel niet zover strekt dat een eenmaal gemaakte fout herhaald dient te worden

2.3. Een subsidiebeschikking dan wel een afwijzing daarvan is een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. Tegen een besluit kan bezwaar worden gemaakt en tegen de beslissing op bezwaar staat beroep open bij de bestuursrechter. De bestuursrechter van deze rechtbank is ter zake bevoegd en de rechtbank ziet geen aanleiding om, zoals door eiseres verzocht, onderhavige zaak met toepassing van artikel 8:71 van de Awb door te verwijzen naar de burgerlijke rechter.

2.4. De rechtbank dient op basis van de aangevoerde beroepsgronden te beoordelen of het bestreden besluit in strijd is met het geschreven of ongeschreven recht dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel. Dienaangaande wordt als volgt overwogen.

Ten aanzien van de overige gronden in beroep overweegt de rechtbank als volgt.

2.5. Door de verkoop van Essent-aandelen in 2007 is voor de gemeente een bedrag van € 750.000,- vrijgekomen. Aan verschillende verenigingen, organisaties en stichtingen is door de coalitiefracties geld gegeven. Naderhand is geconcludeerd dat de bestemming van deze zogenaamde Essent-gelden en de wijze van toekenning daarvan niet conform de geldende wet- en regelgeving, beleidskaders en procedures is verlopen. Er is geen enkele uitgave gedaan in de vorm van een subsidiebeschikking afkomstig van het daartoe bevoegde bestuursorgaan (het college van B&W volgens de Algemene subsidieverordening van de gemeente Echt-Susteren). Daarnaast zijn de meeste uitgaven op enig punt in strijd met de Algemene subsidieverordening, de daarop gebaseerde deelverordeningen en beleidsregels. Volgens verweerder is er dan ook geen wettelijke basis voor de verstrekte subsidies. Omdat de subsidieontvangers er in redelijkheid op mochten vertrouwen dat de subsidieverstrekking conform de daarvoor geldende regels en procedures heeft plaatsgevonden, behoort intrekking en terugvordering niet tot de mogelijkheden. Verweerder heeft er daarom voor gekozen om achteraf alsnog een subsidiebeschikking te geven, waarbij aan de verenigingen, stichtingen en organisaties waaraan eerder geld is gegeven, subsidie wordt verstrekt op grond van artikel 4:23, derde lid, onder d, van de Awb. Deze besluiten staan in rechte vast.

2.6. Verweerder heeft het subsidieverzoek van eiseres geïnterpreteerd als een beroep op het gelijkheidsbeginsel met het doel (ook) subsidie uit de Essent-gelden te verkrijgen en heeft hierop afwijzend beslist. De grondslag voor het verzoek van eiseres is derhalve gelegen, zoals verweerder ter zitting ook heeft erkend, in artikel 4:23, lid 3, sub d, van de Awb

2.7. De rechtbank ziet zich allereerst -ambtshalve- voor de vraag gesteld of de beslissing op dat verzoek door het bevoegde orgaan is genomen. Ter zitting heeft verweerder desgevraagd toegelicht dat hij van mening is dat de Raad in deze als het bevoegde bestuursorgaan heeft te gelden, omdat het een subsidie betreft buiten de wettelijke systematiek om. Volgens verweerder kan het college van burgemeester en wethouders geen subsidie verlenen wanneer daar geen budget voor is. Gelet op het duaal stelsel is in dat geval de gemeenteraad bevoegd te achten.

2.8. Ingevolge artikel 4:23, eerste lid, van de Awb verstrekt een bestuursorgaan slechts subsidie op grond van een wettelijk voorschrift dat regelt voor welke activiteiten subsidie kan worden verstrekt. In het derde lid, onder d van artikel 4:23 van de Awb is bepaald dat het eerste lid niet van toepassing is in incidentele gevallen, mits de subsidie voor ten hoogste vier jaren wordt verstrekt.

2.9. De rechtbank overweegt dat artikel 4:23, eerste lid, van de Awb de eis bevat dat er voor de verstrekking van subsidie een wettelijke grondslag bestaat, dit mede om een weloverwogen gebruik van het subsidie-instrument te bevorderen. Het niet van passing zijn van het eerste lid van dit artikel, in het geval er sprake is van een als incidenteel aan te merken subsidie, ziet naar het oordeel van de rechtbank slechts op het vereiste dat er voor het verlenen van subsidie steeds een wettelijke grondslag wordt vereist. In de wetsgeschiedenis van dit artikellid valt te lezen dat “in een aantal gevallen -incidentele subsidies en subsidies met slechts één of enkele ontvangers- de eis van een wettelijk voorschrift onevenredig zwaar zou zijn. Daarom is een aantal uitzonderingen op deze eis opgenomen” (TK ‘93-’94, Kamerstuknummer 23700, nr. 3). Daarbij zij nog aangetekend dat uit de wetsgeschiedenis, alsmede de jurisprudentie verder volgt dat de uitzondering van sub d slechts bedoeld is voor gevallen waarin zowel het tijdvak als het aantal subsidieontvangers beperkt is. Een eenmalige subsidie met een groot aantal subsidieontvangers is dus niet incidenteel. (Zie o.a. ABRS 17-09-2003, AB 2004, 195).

In de bevoegdheidstoebedeling wordt, anders dan verweerder stelt, door lid 3 sub d van artikel 4:23 van de Awb evenwel geen wijziging gebracht.

2.10. Bij wettelijk voorschrift (zie ook de artikelen 4, 33 en 38 van de Algemene subsidieverordening gemeente Echt-Susteren) is de subsidiebevoegdheid toebedeeld aan het college van Burgemeester en Wethouders en niet aan verweerder. Niet is gesteld of gebleken dat de bevoegdheid bijvoorbeeld door delegatie of mandaat aan verweerder is overgedragen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder niet bevoegd was om op de subsidieaanvraag van eiseres te beslissen. De redenering van de gemachtigde van verweerder ter zitting vindt geen steun in de wet.

2.11. Bij de heroverweging in bezwaar had verweerder het bezwaar van eiseres dan ook gegrond dienen te verklaren en moeten constateren dat het primaire besluit onbevoegd is genomen. Het beroep van eiseres is in zoverre dan ook gegrond.

2.12. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zal zij zelf in de zaak voorzien door het primaire besluit van 16 juli 2009 (raadsbesluit van 9 juli 2009) te herroepen.

2.13. Het voorgaande betekent dat, door het bevoegde orgaan, alsnog dient te worden beslist op de subsidieaanvraag van eiseres. De rechtbank geeft daarbij in overweging niet enkel te toetsen aan het gelijkheidsbeginsel, maar ook te beoordelen of eiseres op andere gronden in aanmerking kan komen voor (incidentele) subsidie.

2.14. Er is geen grond om verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep. Van kosten die op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen is de rechtbank niet gebleken.

Mitsdien wordt als volgt beslist.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

herroept het besluit van 16 juli 2009 (raadsbesluit van 9 juli 2009) en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

bepaalt dat verweerder aan eiseres het door of namens deze betaalde griffierecht ten bedrage van € 298,00 volledig vergoedt.

Aldus gedaan door mr. L.M.J.A. barones van Hövell tot Westerflier Dassen in tegenwoordigheid van mr. N.F.M. Beurskens-Roelofs als griffier en in het openbaar uitgesproken op 17 november 2010.

w.g. mr. N.F.M. Beurskens-Roelofs,

griffier w.g. mr. L.M.J.A. van Hövell tot Westerflier Dassen,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

verzonden op: 17 november 2010.

Een belanghebbende en het bestuursorgaan kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Ingevolge artikel 6:5 van de Awb bevat het beroepschrift een of meer gronden tegen de uitspraak en moet een afschrift van de uitspraak bij het beroepschrift worden overgelegd.