Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2010:BO5347

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
16-11-2010
Datum publicatie
30-11-2010
Zaaknummer
AWB 10 / 1298
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wet dwangsom en beroep AWB 10/1298

Eiser stelt beroep in tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar van 28 januari 2010. Op grond van de stukken is niet aannemelijk geworden dat eiser, die meerdere procedures heeft lopen tegen verweerder, op deze datum een bezwaarschrift heeft ingediend. Eiser heeft dit ook niet kunnen aantonen, nu de brief niet aangetekend is verzonden, hetgeen voor zijn risico komt. De door verweerder gebruikelijk te verzenden ontvangstbevestiging bevindt zich niet onder de stukken. De rechtbank acht het voldoende aannemelijk dat verweerder niet bekend kon zijn met het bezwaarschrift van 28 januari 2010, zodat naar het oordeel van de rechtbank geen sprake kan zijn van een situatie waarop de wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen van toepassing is. Het beroep is dan ook niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector bestuursrecht, enkelvoudige kamer

Procedurenummer: AWB 10 / 1298

Uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) met toepassing van artikel 8:54 van de Awb

inzake

[naam] te Beegden, eiser,

tegen

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Maasgouw, verweerder.

1. Procesverloop

1.1. Bij brief, gedateerd 28 september 2010, ingekomen ter griffie van de Rechtbank Roermond sector Bestuursrecht d.d. 29 september 2010, heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar van 28 januari 2010.

1.2. Bij brieven van 30 september 2010 is aan partijen meegedeeld dat de rechtbank ambtshalve heeft besloten tot versnelde behandeling als bedoeld in artikel 8:52 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

1.3. Verweerder heeft naar aanleiding van het beroep de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift, gedateerd 12 oktober 2010, ingezonden. Ter uitvoering van artikel 8:42 van de Awb zijn deze stukken en het verweerschrift op

21 oktober 2010 aan eiser gezonden.

1.4. Bij brief van 24 oktober 2010 heeft eiser op het verweerschrift gereageerd.

1.5. Vervolgens heeft verweerder hierop bij brief van 28 oktober 2010, verzonden op

1 november 2010, aanvullend gereageerd.

1.6. Bij brief van 5 november 2010 heeft eiser gereageerd op laatstgenoemde brief van verweerder.

2. Overwegingen

2.1. Op 1 oktober 2009 is de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen (Staatsblad 2009, 383) in werking getreden. Afdeling 8.2.4A van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt deel uit van deze wetswijziging. Ingevolge artikel III, tweede lid, van de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen blijft op een bezwaar- of beroepschrift tegen het niet tijdig nemen van een besluit dat is ingediend voor het tijdstip waarop afdeling 8.2.4A van toepassing is geworden, het recht zoals dit gold voor dat tijdstip van toepassing. Nu het beroepschrift is ingediend op 29 september 2010, is het recht over het niet tijdig beslissen in Afdeling 8.2.4A van de Awb van toepassing zoals dat geldt vanaf

1 oktober 2009.

2.2. Ter informatie, en onder verwijzing naar artikel III, eerste lid, van de Wet dwangsom en niet tijdig beslissen, zij nog opgemerkt dat de nieuwe paragraaf 4.1.3.2 van de Awb op het bezwaarschrift van 28 januari 2010 van toepassing is.

2.3. Ingevolge artikel 8:54, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank, totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, het onderzoek sluiten indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat zij kennelijk onbevoegd is dan wel het beroep kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is.

2.4. De rechtbank acht in dit geval termen aanwezig om van vorenbedoelde bevoegdheid gebruik te maken.

2.5. Ingevolge artikel 8:55b, eerste lid, van de Awb doet de rechtbank, indien het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, binnen acht weken nadat het beroepschrift is ontvangen en aan de vereisten van artikel 6:5 van de Awb is voldaan, uitspraak met toepassing van artikel 8:54 van de Awb, tenzij de rechtbank een onderzoek ter zitting noodzakelijk acht.

2.6. Ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. Tegen het niet tijdig beslissen staat dan ook beroep bij de rechtbank open.

2.7. Ingevolge artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, kan het beroepschrift worden ingediend zodra:

a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, en

b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.

Ingevolge artikel 6:12, vierde lid, van de Awb is het beroep niet-ontvankelijk indien het beroepschrift onredelijk laat is ingediend.

2.8. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroepschrift niet onredelijk laat ingediend in de zin van artikel 6:12, vierde lid, van de Awb, zodat het beroep ontvankelijk is.

2.9. Ingevolge artikel 7:10 van de Awb beslist het bestuursorgaan binnen zes weken of -indien een commissie als bedoeld in artikel 7:13 is ingesteld- binnen twaalf weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken. Deze termijn wordt opgeschort met ingang van de dag waarop de indiener is verzocht een verzuim als bedoeld in artikel 6:6 Awb te herstellen, tot de dag waarop het verzuim is hersteld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken. Het bestuursorgaan kan de beslissing voor ten hoogste zes weken verdagen en verder uitstel is mogelijk voor zover de indiener van het bezwaarschrift daarmee instemt en andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden geschaad of ermee instemmen.

2.10. Verweerder heeft in het verweerschrift van 12 oktober 2010 onder meer aangevoerd dat er diverse bezwaarschriften van eiser zijn ontvangen maar dat het bezwaarschrift van 28 januari 2010, waarnaar eiser in het beroepschrift verwijst, niet bij verweerder is ontvangen. Ten aanzien van de overige bezwaarschriften heeft verweerder bij brief van 24 februari 2010 eiser geïnformeerd over de voortgang van de bestuursrechtelijke handhavingsprocedure.

2.11. In zijn reaktie bij brief van 24 oktober 2010 heeft eiser onder meer aangegeven dat het bezwaarschrift van 28 januari 2010 door de Raad van State in het kader van de doorzendplicht aan verweerder is toegezonden. Vervolgens heeft verweerder bij brief van

28 oktober 2010 hierop gereageerd, waarbij is aangegeven dat via de Raad van State een beroepschrift van 28 januari 2010 van eiser is ontvangen maar dat dit beroepschrift, zoals blijkt uit de meegezonden bijlage bij de brief van 28 oktober 2010, niet het bezwaarschrift is waarnaar eiser in de onderhavige procedure verwijst. Daarop heeft eiser bij brief van

5 november 2010 aangegeven dat hij blijft bij de stelling dat verweerder in het bezit moet zijn van het bezwaarschrift van 28 januari 2010 en verweerder wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar dient te worden veroordeeld tot betaling van een dwangsom en vergoeding van het betaalde griffierecht.

2.12. De rechtbank overweegt dat op grond van de ingezonden processtukken de conclusie kan en mag worden getrokken dat verweerder een ontvangstbevestiging stuurt van ingediende bezwaarschriften. Ten aanzien van het bezwaarschrift van 28 januari 2010 bevindt zich geen ontvangstbevestiging in het dossier. Evenmin blijkt anderszins dat bij verweerder een op 28 januari 2010 gedateerd bezwaarschrift is ingediend. De door de Raad van State aan verweerder doorgestuurde brief kan, zo oordeelt de rechtbank, immers niet als het bedoelde bezwaarschrift worden aangemerkt. Ook eiser heeft niet kunnen aantonen dat het bezwaarschrift daadwerkelijk naar verweerder is verzonden. Het bezwaarschrift is in elk geval niet per aangetekende post verzonden, zodat het risico van het niet aankomen van deze brief bij verweerder, voor risico van eiser behoort te komen. Nu naar het oordeel van de rechtbank het voldoende aannemelijk is dat verweerder niet bekend kon zijn met het bezwaarschrift van 28 januari 2010, kan naar het oordeel van de rechtbank geen sprake zijn van een situatie waarop de wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen van toepassing is. Het beroep is mitsdien kennelijk niet-ontvankelijk. Aan het meer of anders gestelde komt de rechtbank niet toe.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar van

28 januari 2010 niet-ontvankelijk;

Aldus gedaan door mr. A.W.P. Letschert in tegenwoordigheid van M.B.G. Cox-Vorage als griffier en in het openbaar uitgesproken op 16 november 2010.

w.g. M.B.G. Cox-Vorage,

griffier

w.g. mr. A.W.P. Letschert,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

verzonden op: 16 november 2010.

MC

Tegen deze uitspraak staat het rechtsmiddel verzet open. Indien u daarvan gebruik wenst te maken, dient u binnen zes weken na dagtekening van de verzending van het afschrift van deze uitspraak, een verzetschrift aan deze rechtbank (p.a. Rechtbank Roermond, Postbus 950, 6040 AZ Roermond) te zenden. Daarin vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt. Tevens gelieve u aan te geven of u wel/niet in de gelegenheid gesteld wilt worden over het verzet te worden gehoord.