Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2010:BO4108

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
26-10-2010
Datum publicatie
19-11-2010
Zaaknummer
04/990001-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mensenhandel en belastingfraude door meerdere personen. Voor het plukken van champignons werd een groot aantal personen in Polen geworven. De werknemers werden met een aantal tezamen in kleine ruimtes gehuisvest en moesten soms op de werkplek overnachten. De werknemers moesten zonder de vereiste vergunningen en verzekeringen werken. De werktijden waren vaak extreem lang, waardoor er onvoldoende rust- en hersteltijd was. De arbeidsbelasting vormde daardoor een bedreiging van de gezondheid van de werknemers. De werknemers kregen hun loon, dat aanzienlijk lager was dan het loon dat volgens de CAO minimaal uitbetaald diende te worden, niet op tijd uitbetaald. Bij terugkeer naar Polen werd niet het volle tegoed uitbetaald, maar werd vaak een substantieel deel achtergehouden. Initiërende en uitvoerende rol verdachte. Verdachte pleegde voorts BTW-fraude, waardoor de fiscus werd benadeeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector strafrecht

Parketnummer : 04/990001-06

Datum uitspraak : 26 oktober 2010

Verstek (dagvaarding in persoon)

Vonnis van de rechtbank Roermond, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de zaak tegen:

[verdachte/werkgever 2],

1. Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 12 oktober 2010.

2. De tenlastelegging

De verdachte staat terecht ter zake dat:

1.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 april 2005 tot en met 1 februari 2006 te [lokatie 2] en/of [lokatie 3] en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) (een) ander(en), genaamd:

[slachtoffers] en/of een of meer (andere) personen

door dwang en/of geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door dreiging met geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door afpersing en/of door fraude en/of misleiding en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie, heeft geworven en/of vervoerd en/of overgebracht en/of gehuisvest en/of opgenomen, (telkens) met het oogmerk van uitbuiting van die ander(en),

en/of een of meer van die genoemde personen met een van de onder lid 1, sub 1 van artikel 273a Wetboek van Strafrecht genoemde middelen heeft gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten

en/of onder een of meer van de onder lid 1, sub 1 van voornoemd artikel genoemde omstandigheden enige handeling heeft ondernomen waarvan hij en/of zijn mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat een of meer van die genoemde personen zich daardoor beschikbaar zou(den) stellen tot het verrichten van arbeid of diensten

bestaande vorenstaande hierin dat hij, verdachte, en/of een of meer van zijn mededaders zakelijk weergegeven (ten aanzien van) die (op dat moment) in een zwakke economische en/of financiële positie verkerende perso(o)n(en) (telkens)

-een of meer wervingsadvertenties voor personeel/werknemers heeft geplaatst en/of doen of laten plaatsen in een of meer Poolse krant(en) en/of

-als werknemer (in Polen) geworven en/of doen of laten werven en/of

-met (een) voertuig(en) heeft vervoerd en/of doen of laten vervoeren van Polen naar Nederland en/of

-heeft tewerkgesteld, doen tewerkstellen, en/of voorzien van werkinstructies in (een) champignonkwekerij(en)en/of

-heeft gehuisvest en/of doen of laten huisvesten,in (een) klein(e) ruimte(s) (nabij/in het pand waar de champignonkwekerij was gevestigd) en/of

-valselijk heeft doen voorkomen dat die perso(o)n(en) in dienst/werknemer zijn van een Pools [bedrijf], een vast uurloon ontvangen, (tewerkstellings)vergunningen, sofinummers, belasting/premieafdracht en/of (ziektekosten)verzekeringen waren geregeld en/of overigens de werkzaamheden en verantwoording overeenkomstig de Nederlandse wet/regelgeving is en/of (daartoe) een of meer (valse) arbeidscontracten aangeboden en/of doen of laten aanbieden en/of

-niet,niet volledig en/of niet tijdig loon heeft uitbetaald en/of doen of laten uitbetalen en/of in elk geval niet overeenkomstig de Nederlandse/CAO/ wetgeving en/of die perso(o)n(en) omtrent de loonbetaling(en) in onzekerheid gelaten en/of

-(aldus)in een financieel en/of economisch afhankelijke positie gebracht,doen brengen en/of

-die perso(o)n(en) (vervolgens) geen en/of onvoldoende middelen van bestaan had(den) en/of

-(bovenmatig) te lang(e) werkdag(en), werkwe(e)k(en) en/of aaneengesloten werktijden heeft doen/ laten maken (in een of meer champignonkwekerij(en) en/of geen/onvoldoende rust/hersteltijd en/of geen/onvoldoende rust/herstelfaciliteiten aangeboden/doen aanbieden en/of (tengevolge waarvan) deze/de arbeidsbelasting een bedreiging voor de gezondheid van die perso(o)n(en) vormde en/of (eveneens) ten aanzien van een of meer genoemde personen

-op 31 januari 2006,in elk geval in eerder genoemde pleegperiode (bij gelegenheid van een (mogelijke) werkweigering) (meermalen) geweld en/of bedreigingen met geweld gepleegd/doen plegen en/of dit toegelaten bestaande (onder meer) in het (onder meer) slaan,schoppen,stevig vastpakken,toepassen van armklem,verwurging, aan de haren trekken, over/op de grond trekken en/of sleuren en/of vervolgens (aldus) een of meer van die genoemde perso(o)n(en) wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd,doen beroven, in een vervoermiddel geplaatst, dat vervoermiddel afgesloten en die perso(o)n(en) overgebracht/doen overbrengen naar een andere plaats.

Artikel 273a (oud) /47 Sr

2.

[bedrijfsnaam] in of omstreeks de periode vanaf 21 maart 2006 tot en met 29 augustus 2006 in de gemeente Heerlen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n) voor de omzetbelasting over het/de aangiftetijdvak/-periode 1 januari 2005 tot en met 31 december 2005 (01-01-2005/31-12-2005), (t.n.v. [bedrijfsnaam]), (telkens) niet of niet binnen de door de Inspecteur der belastingen te Heerlen, althans de Belastingdienst, gestelde termijn heeft gedaan,

terwijl het/de feit(en) (telkens) ertoe strekte(n) dat te weinig belasting werd geheven,

tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbaar feit(en), hij, verdachte, (telkens/meermalen) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke verboden gedraging(en) hij, verdachte, (telkens/meermalen) feitelijke leiding heeft gegeven;

(bijlage D208)

Artikel 69 lid 1 Algemene wet inzake rijksbelastingen

Artikel 51 Wetboek van strafrecht

Artikel 47 Wetboek van strafrecht

Althans indien terzake het vorenstaande onder 2 geen veroordeling zou volgen:

hij in of omstreeks de periode vanaf 21 maart 2006 tot en met 29 augustus 2006 in de gemeente Heerlen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n) voor de omzetbelasting over het/de aangiftetijdvak/-periode 1 januari 2005 tot en met 31 december 2005 (01-01-2005/31-12-2005), (t.n.v. [bedrijfsnaam]), (telkens) niet of niet binnen de door de Inspecteur der belastingen te Heerlen, althans de Belastingdienst, gestelde termijn heeft gedaan,

terwijl het/de feit(en) (telkens) ertoe strekte(n) dat te weinig belasting werd geheven, (bijlage D208)

Artikel 69 Algemene wet inzake rijksbelastingen

Artikel 47 Wetboek van strafrecht

3.

[bedrijfsnaam] in of omstreeks de periode vanaf 21 maart 2006 tot en met 20 april 2006 in de gemeente Heerlen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n) voor de omzetbelasting over het/de aangiftetijdvak/-periode 1 april 2004 tot en met 31 december 2004 (01-04-2004/31-12-2004), (t.n.v. [bedrijfsnaam]), (telkens) onjuist en/of onvolledig heeft/hebben gedaan,

immers heeft/hebben [bedrijfsnaam] en/of (een of meer van) de mededader(s), (telkens) opzettelijk, op (een) bij de Inspecteur der belastingen te Heerlen, althans de Belastingdienst, ingeleverd(e) aangiftebiljet(ten) voor de omzetbelasting over bovengenoemd tijdvak/ periode (telkens)

- nihil en/of een te laag en/of verkeerd en/of onjuist bedrag aan 'Leveringen/diensten belast met 6%', en/of 'Bedrag waarover omzetbelasting wordt berekend' en/of 'Omzetbelasting' (rubriek 1a), althans aan 'Leveringen en/of diensten binnenland' en/of

- een verkeerd en/of onjuist bedrag aan 'Leveringen naar landen buiten de EU(uitvoer) en/of 'Leveringen naar landen binnen de EU' (rubriek 3a), althans aan 'Leveringen naar het buitenland (vanuit Nederland) en/of

- nihil en/of een te laag en/of verkeerd en/of onjuist bedrag aan 'Verschuldigde omzetbelasting' (rubriek 5a) en/of

- een verkeerd en/of onjuist bedrag aan voorbelasting (rubriek 5b) en/of

- een verkeerd en/of onjuist bedrag aan 'Totaal te betalen en/of terug te vragen' (rubriek 5e),

opgegeven/aangegeven, althans doen of laten opgeven/aangeven,

terwijl het/de feit(en) (telkens) ertoe strekte(n) dat te weinig belasting werd geheven,

tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbaar feit(en), hij, verdachte, (telkens/meermalen) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke verboden gedraging(en) hij, verdachte, (telkens/meermalen) feitelijke leiding heeft gegeven;

(bijlage D206)

Artikel 69 lid 2 Algemene wet inzake rijksbelastingen

Artikel 51 Wetboek van strafrecht

Artikel 47 Wetboek van strafrecht

Althans indien terzake het vorenstaande onder 3 geen veroordeling zou volgen:

hij in of omstreeks de periode vanaf 21 maart 2006 tot en met 20 april 2006 te Heerlen en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen (telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n) voor de omzetbelasting over het/de aangiftetijdvak/-periode 1 april 2004 tot en met 31 december 2004 (01-04-2004/31-12-2004), (t.n.v. [bedrijfsnaam]), (telkens) onjuist en/of onvolledig heeft/hebben gedaan,

immers heeft verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) opzettelijk op (een) bij de Inspecteur der belastingen te Heerlen, althans de belastingdienst ingeleverde aangiftebiljet(ten) omzetbelasting over bovengenoemd(e) tijdvak/periode (telkens)

-nihil en/of een te laag en/of verkeerd en/of onjuist bedrag aan "leveringen/diensten belast met 6%, en/of "Bedrag waarover omzetbelasting wordt berekend" en/of "omzetbelasting"(rubriek 1a), althans aan "Leveringen en/of diensten binnenland" en/of

-en verkeerd en/of onjuist bedrag aan "leveringen naar landen buiten de EU (uitvoer) en/of "Leveringen naar landen binnen de EU"(rubriek 3a), althans aan "leveringen naar het buitenland (vanuit Nederland)" en/of

-nihil en/of een te laag en/of verkeerd en/of onjuist bedrag aan "verschuldigde omzetbelasting (rubriek 5a) en/of

-een verkeerd en/of onjuist bedrag aan voorbelasting (rubriek 5b) en/of

-een verkeerd en/of onjuist bedrag aan "Totaal te betalen en/of terug te vragen" (rubriek 5e)

opgegeven/aangegeven, althans doen of laten opgeven/aangeven

terwijl dat feit (telkens) er toe strekte dat te weinig belasting werd geheven.

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3. De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4. De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

6 Schorsing der vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7. Bewijsoverwegingen

7.1 Standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 12 oktober 2010 zijn standpunt toegelicht overeenkomstig het door hem op schrift gestelde requisitoir en gevorderd dat het onder 1, 2 primair en 3 primair ten laste gelegde zal worden bewezen verklaard.

7.2 Bewijsmiddelen en overwegingen van de rechtbank

De overtuiging van de rechtbank dat de verdachte het onder 1, 2 primair en 3 primair ten laste gelegde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen.

De hieronder vermelde bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit, waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

De genoemde geschriften zijn slechts gebruikt in verband met de inhoud van de overige bewijsmiddelen.

Ten aanzien van feit 1.

Op 2 en 3 februari 2006 wordt door 11 Poolse personen aangifte gedaan wegens onder andere mensenhandel. Zij hebben aan de [lokatie 2] gewoond en gewerkt en hebben daar meerdere maanden als champignonplukkers gewerkt. [werkgever 1] en [verdachte/werkgever 2] waren hun werkgevers. Zij hadden nog grote bedragen tegoed.

Van deze aangevers verklaart [slachtoffer 1], dat zij per 1 juli 2005 is gaan wonen in de woning te [lokatie 1] waar zij nu ook verblijft. Zij is toen gaan werken bij een champignonbedrijf in [lokatie 2], aan de [adres] Zij werd betaald door [werkgever 1]. In die woning woonden 5 tot 7 Poolse mensen. Zij weet niet precies hoeveel geld zij tegoed heeft van [werkgever 1]. Zij denkt over 2005 ongeveer € 400,- en bovendien al het geld dat zij in januari 2006 heeft verdiend. Zij hadden in [lokatie 2] geen vaste uren om te werken. Zij moesten werken tot het werk klaar was. Het gebeurde regelmatig dat zij 24 of 36 uur achter elkaar moesten werken. Zij hebben wel eens 96 uur bijna aaneen gesloten gewerkt. Zij werkten zolang ze kracht hadden om te werken. Voor hen was [werkgever 1] contactpersoon. Haar Poolse collega’s en zij werkten al vanaf ongeveer augustus 2005 in dit groepje. Zij waren van [werkgever 1] afhankelijk, omdat zij steeds geld van hem tegoed hadden.

Voorts verklaart [slachtoffer 1] dat [verdachte/werkgever 2] haar baas was in Nederland. Iedere maand werden overeenkomsten door hen ondertekend. Op deze overeenkomsten stond vermeld dat zij werkzaamheden gingen verrichten voor [bedrijf] en dat zij 2000 Zloty per maand verdienden. Maar feitelijk was dit niet juist. Zij heeft namelijk met [verdachte/werkgever 2] persoonlijk een mondelinge afspraak gemaakt dat zij € 4,- per uur zou krijgen. Dat er op deze overeenkomsten een bedrag van 2000 Zloty genoemd stond had te maken met het feit dat zij iets konden laten zien als er een controle was. Zij had geen vergunning om in Nederland te mogen werken. Aan haar wordt een aantal werkbriefjes getoond, waarvan zij zegt dat dat de urenstaten zijn vanaf het moment dat zij naar [lokatie 2]/[lokatie 1] kwam en voor [werkgever 1] moest werken. De uren op de door de verbalisanten aan haar getoonde lijsten heeft zij echt gewerkt. Zij denkt dat zij nog ongeveer € 1.700,- tegoed heeft. Er waren problemen met het loon en het verzekerd zijn. Vanaf 1 januari 2006 kregen zij niet meer per uur betaald, maar per kilo. Dit werd hen medegedeeld door [medeverdachte], de Poolse vriendin van [verdachte/werkgever 2]. Dit werd ingesteld omdat zij volgens [verdachte/werkgever 2] en [werkgever 1] teveel uren maakten en te weinig kilo’s plukten. Zij heeft nooit een E101-verklaring aangevraagd of gezien van [bedrijf]. Sinds zij in [lokatie 2] werkt, dus vanaf 22 juni 2005, heeft zij het gevoel dat zij samen met haar collega’s wordt uitgebuit. Zij maakte lange dagen en verdiende in verhouding tot de Nederlandse wet weinig.

[slachtoffer 2] , [geboortedatum], verklaart dat zij op 27 of 28 juni 2005 in Nederland is aangekomen. Zij is drie dagen in [lokatie 3] gebleven. Na drie dagen is zij gaan wonen aan de [adres] in [lokatie 2]. Zij ging in een champignonkwekerij bij [werkgever 1] werken. Zij heeft nog een bedrag van ongeveer € 4.000,- tegoed van [werkgever 1]. [werkgever 1] zegt dat zij het geld van [medeverdachte/werkgever 2] moeten krijgen. [medeverdachte/werkgever 2] zegt dat zij het geld van [werkgever 1] moet krijgen. Zij werkt bij het bedrijf via [verdachte/werkgever 2]. Zij werkte een verschillend aantal uren. Binnen het bedrijf was [werkgever 1] de contactpersoon. Zij had het nooit gedaan als zij had geweten dat zij hier als slaaf zou komen te werken.

[slachtoffer 3], verklaart dat zij op de [adres] verbleef. In januari 2006 hebben zij met 11 personen tezamen € 500,- ontvangen. Vanaf 13 augustus 2005 tot en met december 2005 kregen zij € 100,- per persoon per week voor levensonderhoud. Dit is het enige geld dat zij hebben ontvangen. Zij heeft gemiddeld 70 à 80 uren per week gewerkt. Eind oktober heeft zij € 1.100,- gekregen. Haar baas heet [medeverdachte/werkgever 2]. Zij heeft met hem de afspraken gemaakt over het geld. Zij had deze baan gevonden via een advertentie in de krant. Zij is gaan bellen en de contactpersoon was een Poolse vrouw. Zij gaf haar het adres en € 50,- voor de reis van Polen naar Nederland. Vervolgens is zij in januari 2005 met een Poolse lijndienst naar Nederland gekomen en is zij in [lokatie 4] aangekomen. Het adres was in de [adres] in [lokatie 3]. Zij is naar de woning gebracht waar zij nu ook woont. Tot juni 2005 heeft zij in [lokatie 4] gewoond. Vanuit [lokatie 4] is zij naar [lokatie 3] gebracht. Vanaf 13 augustus 2005 tot heden woont zij in [lokatie 2]. Zij werd betaald door een secretaresse, genaamd [medeverdachte] en die is van Poolse afkomst. Zij is de secretaresse van [medeverdachte/werkgever 2].

[slachtoffer 5], verklaart dat [werkgever 1] op 31 januari 2006 in [lokatie 2] tegen haar en haar collega’s zei dat ze moesten gaan werken. Vervolgens zette hij de verwarming uit. Hij zei dat zij binnen drie uur moesten gaan werken anders zouden zij de woning binnen drie uur worden uitgezet. Zij heeft gezegd dat zij dat niet gingen doen en dat zij betaald wilden worden. [verdachte/werkgever 2] was de algemene baas. Tussen [medeverdachte/werkgever 2] en [werkgever 1] is een samenwerkingsverband ontstaan. Dit was in ieder geval zo tot juni 2005. Vanaf dat moment zijn zij overgedragen aan [werkgever 1]. [medeverdachte/werkgever 2] heeft hen ook nog uitbetaald. Niet alles, want zij hebben nog wat tegoed. Er werd geen geld ingehouden voor de huisvesting. Zij heeft van [medeverdachte/werkgever 2] € 1.600,- en van [werkgever 1] nog € 500,- tot € 600,- tegoed. Zij werkt bij [verdachte/werkgever 2] vanaf februari 2005 . Zij heeft voor [verdachte/werkgever 2] op verschillende locaties gewerkt, maar vanaf juli 2005 op de locatie in [lokatie 2]. Eind juni 2005 is zij voorgesteld aan [werkgever 1] en vanaf die tijd is zij voor [werkgever 1] gaan werken. Haar voorschot kreeg zij van [werkgever 1]. Met [verdachte/werkgever 2] had zij geen contact meer. In [lokatie 4] werden de voorschotten door zowel [medeverdachte] als door [verdachte/werkgever 2] persoonlijk in contanten betaald. [verdachte/werkgever 2] regelde alles voor haar, te weten welk werk, waar zij kon slapen en het vervoer. In haar ogen was [verdachte/werkgever 2] de grote baas. Naar aanleiding van aan haar getoonde formulieren verklaart zij dat de getoonde formulieren niet juist zijn. Het formulier vermeldt 2000 Zloty per maand, maar zij werkten voor een uurtarief van € 4,-. Voor [verdachte/werkgever 2] werkten we bijna altijd 12 uur per dag en 7 dagen per week. Het uurtarief van € 4,- is schoon in de hand. Er gingen hier geen kosten van af voor bijvoorbeeld vervoer of huisvesting of iets dergelijks. Zij kregen geen toelage voor extra verdiensten of wat dan ook. Tot juni 2005 heeft zij direct voor [verdachte/werkgever 2] gewerkt. Vanaf 13 juni 2005 is zij door [verdachte/werkgever 2] uitgeleend aan een kwekerij in [lokatie 2]. Op 30 juni werd haar door [verdachte/werkgever 2] verteld dat [werkgever 1] haar nieuwe chef was. [werkgever 1] gaf de werkopdrachten, betaalde de voorschotten contant uit en met alle vragen en problemen moest zij bij [werkgever 1] zijn. Vanaf juli 2005 sliep zij ook in de kwekerij. In de tijd dat zij voor [werkgever 1] heeft gewerkt, van juli 2005 tot en met 23 januari 2006, heeft zij van alle medewerkers urenoverzichten bijgehouden met gewerkte uren. Nadat zij al maanden alleen maar summiere voorschotten hadden gekregen, vonden zij het als werknemers tijd om eindelijk eens uitbetaald te krijgen. In september 2005 hebben zij 20% gekregen van de uit te betalen tegoeden. Dit was al een verbetering ten opzichte van de tijd bij [verdachte/werkgever 2]. In [lokatie 2] kregen zij wekelijks ongeveer € 100,- als voorschot en als zij voor een verlof naar Polen gingen werd het openstaande tegoed nagenoeg uitbetaald. Er bleef dan wel € 600,- tot € 700,- aan tegoed open staan. Naar haar gevoel was dit om te garanderen dat zij terug zouden komen. Zij moet nog van [verdachte/werkgever 2] € 1.600,- betaald krijgen. Van [werkgever 1] moet zij nog ongeveer € 5.500,- betaald krijgen. Zij herkent het systeem van [verdachte/werkgever 2] inmiddels en dat is mensen uit Polen halen om hier in Nederland te komen werken, daarna alleen de voorschotten uit te betalen en de mensen afhankelijk maken.

[slachtoffer 7] verklaart zij vanaf 20 juni 2005 in Nederland is gekomen. [slachtoffer 9] had haar gebeld dat er nog werk was voor twee personen. [slachtoffer 9], zij en [slachtoffer 8] gingen met nog drie andere personen uit Polen naar Nederland. Zij hadden met een busje gereden. Deze bus was van [naam]. Hij was ook chauffeur in [lokatie 3] en hij was in dienst bij [medeverdachte/werkgever 2]. Zij zijn tot 13 augustus 2005 in [lokatie 3] gebleven. Daar was [verdachte/werkgever 2] de baas. Dat blijkt uit het feit dat zij met [medeverdachte/werkgever 2] een mondelinge afspraak hadden dat zij € 4,- per uur zou verdienen. Weken van 100 werkuren waren geen uitzondering. Tot op heden heeft zij geen geld van [werkgever 1] danwel van [medeverdachte/werkgever 2] gehad. Zij heeft van [werkgever 1] [naam] nog € 4.500,- tegoed. Van [verdachte/werkgever 2] heeeft zij nog € 1.200,- tegoed. Zij wilden wel werken maar hadden geen kracht meer om te werken. Zij waren uitgehongerd en hadden geen geld om eten te kopen.

[slachtoffer 8], verklaart op 3 februari 2006 dat zij in [lokatie 2] bij een champignonkwekerij in het bedrijf zelf verbleef. [werkgever 1] is haar werkgever en hem heeft zij op 13 augustus 2005 in [lokatie 3] leren kennen. Sinds januari 2006 kregen zij niets meer van hem.

Een vriendin van haar, [slachtoffer 9], hoorde via een kennis van haar dat zij in Nederland ook bij een champignonbedrijf kon werken en daar veel meer kon verdienen. Zij is op 20 juni 2005 met een busje van [medeverdachte/werkgever 2], waar ongeveer zeven personen in kunnen, samen met [slachtoffer 9] naar Nederland gekomen. [medeverdachte/werkgever 2] kent zij via [slachtoffer 9]. [slachtoffer 9] heeft al eerder in Nederland gewerkt. [medeverdachte/werkgever 2] is haar werkgever. Zij is naar Nederland gekomen omdat zij meer geld wilde verdienen. Zij kreeg per week van [medeverdachte/werkgever 2] een voorschot betaald. Zij heeft verder nooit meer salaris van [medeverdachte/werkgever 2] gekregen. Zij heeft van hem in totaal nog € 1.173,- tegoed. Zover zij weet heeft niemand het beloofde salaris gekregen. Op 13 augustus 2005 is zij voor [werkgever 1] in [lokatie 2] gaan werken. Op het moment dat zij voor [werkgever 1] zijn gaan werken, heeft zij niets meer van [medeverdachte/werkgever 2] gehoord. Het salaris van 13 augustus tot en met eind november heeft zij bij [werkgever 1] ontvangen. Eind november is zij gestopt met werken. Na de kerst is zij weer gaan werken. Zij heeft bij terugkomst in Nederland nog maar € 100,- ontvangen. Op dit moment heeft zij in totaal van [werkgever 1] nog € 1.017,56 tegoed.

[slachtoffer 9], verklaart op 3 februari 2006 dat zij was gestopt met werken omdat zij geen geld meer had gehad voor haar werk als champignonplukster. Zij is op 20 juni 2005 in Nederland aangekomen. Tot 6 oktober was zij in [lokatie 3]. Hierna moest zij naar [lokatie 2]. In [lokatie 2] hadden zij het goed. Voor het werk in [lokatie 3] heeft zij nooit geld ontvangen. Zij heeft daar nog € 2.200,- te goed. Op 1 december 2005 is zij samen met [slachtoffer 8] naar Polen gegaan. Haar werk bestond uit het plukken van champignons. Zij had een schriftelijke werkovereenkomst met [verdachte/werkgever 2]. Zij had een uurloon van € 4,- afgesproken voor 7 dagen in de week. Dit was over het algemeen van 07.00 uur ’s ochtends tot 21.00 uur in de avond en ook wel eens van 07.00 uur in de ochtend tot de volgende ochtend. Vanaf 1 januari kreeg zij van [werkgever 1] alleen per kilo betaald en zij verdiende zo een stuk minder.

[slachtoffer 10], verklaart op 3 februari 2006 dat zij sinds 2 januari bij haar vriendin, [slachtoffer 12], heeft gelogeerd. Zij verbleef in de champignonkwekerij in [lokatie 2], waar zij werkte. Op 27 februari 2006 verklaart zij dat zij vanaf maart 2003 diverse keren per jaar naar Polen is geweest. In het begin kreeg zij meestal haar loon uitbetaald als zij naar Polen ging. De laatste tijd kregen zij als zij naar Polen gingen het loon niet uitbetaald. Dit betekende dat zij gedwongen werden om terug te keren naar Nederland omdat zij nog een hoop geld tegoed hadden. Zij heeft nog ongeveer € 3.000,- tegoed aan loon. Tot juni 2005 heeft zij voor [verdachte/werkgever 2] gewerkt bij [werkgever 3]. Van 21 juni tot september heeft zij in Nederland op haar geld gewacht. [verdachte/werkgever 2] heeft eigenlijk altijd een bepaalde dwang op haar uit kunnen oefenen door er altijd voor te zorgen dat zij nog heel veel geld van hem tegoed had. Dit zorgde ervoor dat zij altijd naar Nederland terug moest gaan om haar geld op te halen.

[slachtoffer 10] verklaart op 13 april 2006 dat zij [verdachte/werkgever 2] ongeveer 3 jaar geleden had ontmoet in een fabriek in Polen. Hij stelde haar voor dat zij in Nederland een bedrag van € 0,20 per kilogram geplukte champignons kon verdienen en € 4,- voor overige werkzaamheden. Zij is toen samen met [verdachte/werkgever 2] naar Nederland gekomen met een auto van [verdachte/werkgever 2]. Zij heeft toen gewoond op het adres [adres]. Zij heeft altijd onder verantwoordelijkheid van [verdachte/werkgever 2] gewerkt, maar kreeg soms opdrachten voor de te verrichten werkzaamheden van mensen op de betreffende locatie. Maar [verdachte/werkgever 2] bepaalde altijd waar zij moest werken. Als zij geld betaald kreeg dan was dit van [verdachte/werkgever 2] zelf. Zij denkt dat zij nog ongeveer € 2.000,- tegoed heeft van de heer [verdachte/werkgever 2]. Zij kreeg altijd maar een klein voorschot van [verdachte/werkgever 2]. Ook als zij voor een korte tijd terug ging naar Polen, vertelde hij haar dat zij haar geld wel zou krijgen als zij terugkwam naar Nederland.

[slachtoffer 11], verklaart op 3 februari 2006 dat hij vanaf 25 september 2005 twee weken voor [medeverdachte/werkgever 2] gewerkt heeft. Daarna is hij bij [werkgever 1] gaan werken. Bij [werkgever 1] ging alles goed tot in januari 2006. Vanaf januari 2006 kreeg hij ineens geen loon meer. Hij heeft op dit moment nog iets minder dan € 300,- tegoed van [medeverdachte/werkgever 2]. [werkgever 1] moet hem nog betalen vanaf begin januari, hij denkt ongeveer € 800,-. Hij is vanaf 25 september 2005 in Nederland werkzaam. Hij is via de schoonmoeder van [naam] achter het werkadres in Nederland gekomen. De schoonmoeder van [naam] is al eerder in Nederland geweest. Zij was toen in [lokatie 3] geweest bij [medeverdachte/werkgever 2]. Hij denkt dat zij het wel goed heeft gehad bij [medeverdachte/werkgever 2] anders had zij niet tegen hem gezegd naar Nederland te gaan. [werkgever 1] had tot januari 2006 geen schuld bij hem. Vanaf dat moment begonnen eigenlijk de problemen. Half januari 2006 kregen zij ongeveer € 40,-. Dat was een eenmalig voorschot. Als zij bij [werkgever 1] kwamen zei hij dat [medeverdachte/werkgever 2] hen moest betalen en als zij bij [medeverdachte/werkgever 2] kwamen zei hij dat [werkgever 1] hen moest betalen. Maar zij kregen niets. Zij werkten heel verschillend. Het kwam wel voor dat zij 36 uur achter elkaar moesten werken. Zij kregen geen eten van [werkgever 1] maar moesten zelf eten kopen.

[slachtoffer 12] verklaart op 3 februari 2006 dat zij werkzaam is in een champignonkwekerij te [lokatie 2]. [werkgever 1] is mede-eigenaar. De andere eigenaar is de directe chef [verdachte/werkgever 2]. Zij werkt vanaf 1 juli 2005 in [lokatie 2]. Daarvoor heeft zij 3 of 4 dagen in [lokatie 3] gewerkt voor [medeverdachte/werkgever 2]. In 2004 heeft zij ook al voor [medeverdachte/werkgever 2] gewerkt. In [lokatie 2] werkte zij bij [werkgever 1]. Zij heeft een contract met [medeverdachte/werkgever 2]. [werkgever 1] heeft wel eens tegen hen gezegd dat als de politie zou komen hij op het bedrijf alleen maar een klusjesman was. Als er weinig werk was, was het maar 4 uur per dag. Als er veel werk was, werkten zij wel eens 36 uur achter elkaar zonder pauze. De afspraak was dat zij per uur betaald zouden krijgen. Dit is tot januari 2006 ook gebeurd. [werkgever 1] betaalde hen uit. Vanaf

1 januari werd haar verteld dat zij per kilo betaald zou krijgen. Zij heeft sinds 1 januari maar € 40,- uitbetaald gekregen. Zij zou ruim € 700,- gekregen moeten hebben. Niemand heeft vanaf 1 januari geld gekregen. [werkgever 1] was de contactpersoon.

[slachtoffer 13], verklaart op 3 februari 2006 dat zij de man waar zij voor werkt kent als [werkgever 1]. Zij is ongeveer een maand in Nederland. Twee kennissen van haar hadden bij [werkgever 1] gewerkt en die had gezegd dat hij meer personeel nodig had. Haar kennissen vertelden dat zij in Nederland € 4,- per uur kon verdienen. Zij heeft toen besloten om met die kennissen mee te gaan naar Nederland. Dat waren [slachtoffer 8] en [slachtoffer 9]. Zij hadden wel uitbetalingsproblemen gehad met [medeverdachte/werkgever 2]. Zij hebben nog steeds geld tegoed bij die [medeverdachte/werkgever 2]. Zij is op 28 december 2005 met een busje met die kennissen naar Nederland gereisd. Zij is op 29 december gaan werken voor [werkgever 1]. Voor haar werk heeft zij alleen contact gehad met [werkgever 1]. Zij begon ’s morgens om 7.00 uur en werkte door tot 22.00 uur. Dat kon echter ook 23.00 uur zijn. In het begin van januari had zij € 49,- van [werkgever 1] gekregen. Zij heeft tot 3 februari 2006 geen geld gehad van [werkgever 1] voor het werk dat zij heeft gedaan. Zij heeft in totaal ongeveer 250 uur voor [werkgever 1] gewerkt. Zij heeft dus nog ongeveer € 1.000,- tegoed van [werkgever 1].

Op 12 september 2005 verklaart de getuige [getuige 1], dat zij omstreeks 31 maart 2005 in Nederland is gekomen. Via haar zus is zij in Nederland aan werk gekomen. Zij werkte in een champignonkwekerij. Haar zus woonde in de plaats [lokatie 3] in Nederland. Zij vertelde haar dat de beloning en de arbeidsomstandigheden slecht waren. Ze vertelde haar dat haar chef [medeverdachte/werkgever 2] haar gevraagd had of zij niemand wist uit Polen die ook nog hier kon werken. Zij is met de bus naar Nederland gekomen met een soort taxibedrijf en heeft voor de reis € 50,- betaald. Haar zus [naam] wachtte al op haar en met haar zus ging zij naar een plaats waar zij woonde. Dat was een woning in [lokatie 3] met huisnummer 46. De hygiënische omstandigheden waren slecht. [medeverdachte/werkgever 2] woont ook op hetzelfde adres als waar zij met haar zus woonde in kamer nummer 5. Hij had verkering met een Pools meisje, [medeverdachte]. [getuige 1] heeft meerdere maanden bij verschillende champignonkwekers gewerkt. Als zij al betaald werd, werd zij betaald door [medeverdachte/werkgever 2]. In totaal heeft zij slechts € 5,- per week gekregen als voorschot. Sommigen vertelden dat zij geldbedragen van € 50,-, € 75,- of € 100,- van [medeverdachte/werkgever 2] hadden gekregen. Het viel haar op dat dit allemaal familieleden of kennissen van [medeverdachte] waren. Zij heeft een taalprobleem doordat zij alleen Pools spreekt. Zij kan nergens anders voor werk informeren, dus wat moest zij anders. Zij ging ervan uit dat zij haar geld nog zou krijgen. Zij heeft [medeverdachte/werkgever 2] omstreeks 2 weken geleden voor het laatst gesproken en hem gezegd dat zij haar geld wilde hebben. Hij zei gewoon tegen haar dat zij niets kreeg. Ze rijden met 8-persoonsbusjes naar het werk. Meestal gaan ze omstreeks 5.00 uur en komen ze om 20.00 uur terug. Zij heeft gezien dat [naam] (de rechtbank begrijpt: [werkgever 1]) wekelijks een geldbedrag à € 70,- per persoon komt ophalen bij [medeverdachte/werkgever 2] voor het verblijf van de mensen in zijn huis in [lokatie 3]. Zij heeft tot dusverre nog geen salaris gezien. Zij heeft nog een bedrag van € 10.000,- van [medeverdachte/werkgever 2] tegoed.

[slachtoffer 14], verklaart op 26 april 2006 dat zij in februari/maart 2005 voor een periode van 11 weken vanuit Polen naar Nederland is gegaan. Zij is in [lokatie 4] voor [verdachte/werkgever 2] gaan werken. Vanaf december 2005 tot 13 februari 2006 is zij weer in Nederland geweest. Eerst heeft zij in [lokatie 2] gewerkt, vervolgens in [lokatie 4], in [lokatie 5] en in [lokatie 6]. Zij werd steeds naar verschillende kwekerijen gebracht. Dit was steeds in opdracht van [verdachte/werkgever 2]. Zij is steeds naar Nederland gereisd met de auto’s van het bedrijf. De auto’s waren door [medeverdachte/werkgever 2] geleased. [medeverdachte] is gedurende een jaar de productiechef. Zij is bevoegd aan haar werkinstructies te geven. Als zij in een andere kwekerij moet werken dan zegt [medeverdachte] dat. Zij heeft steeds contracten gehad met [bedrijf]. Zij is in Nederland aangenomen door [verdachte/werkgever 2]. In [lokatie 2] kreeg zij werkinstructies van [werkgever 1]. Zij heeft met [medeverdachte/werkgever 2] de afspraken gemaakt over het loon. Zij verdient 4 euro netto per uur. Zij weet dat zij een tewerkstellingsvergunning nodig heeft om in Nederland te mogen werken. Zij heeft geen tewerkstellingsvergunning gekregen. Zij denkt dat zij door [medeverdachte] en [medeverdachte/werkgever 2] zijn misleid bij het opmaken van het arbeidscontract. Het lijkt dat door het contract alles legaal is, maar zij heeft zich zelf moeten verzekeren tegen ziektekosten en dit was middels het contract niet geregeld. Er is altijd sprake van het betalen van een voorschot van 100 euro per week.

Volgens de regelingen met betrekking tot de werk- en rusttijden van de Arbeidstijdenwet bedraagt de maximum arbeidstijd volgens de standaardregeling 9 uur per dienst met een maximum van 45 uur per week. De dagelijkse rust bedraagt 11 uur per 24 uur waarbij een keer per week de dagelijkse rust 8 uur mag bedragen. Door Poolse werkneemsters zijn urenstaten ter beschikking gesteld waarop per werkneemster per week was weergegeven hoeveel uren er dagelijks was gewerkt. Verbalisant [naam] heeft alle gegevens op de door Poolse werkneemsters beschikbaar gestelde urenstaten verwerkt in twee overzichten, betrekking hebbend op het jaar 2005 en het jaar 2006 . Op aangetroffen urenstaten is zichtbaar dat deze normen veelvuldig en structureel worden overschreden. Een controlerapport van de arbeidsinspectie met betrekking tot de naleving van de Arbeidstijdenwet houdt ten aanzien van de beschrijving van de werktijden van [slachtoffers] als conclusie in dat betrokken medewerkers volgens de aangeleverde informatie gedurende buitensporige arbeidstijden arbeid verricht hebben. Door te lange diensten en te korte rustperioden ontstonden er aaneengesloten diensttijden tot 60 uur. De controleur concludeert dat arbeidsomstandigheden op een laag niveau staan. De aard van het werk vergt fysiek zware arbeid. Gaat men dan ook nog over op betaling per kilogram geplukt product, dan kan er nadat arbeidstijden zijn gerealiseerd van bijvoorbeeld 19 uur niet meer van werknemers worden verlangd en verwacht dat in een aansluitende werkdag van 10 uur optimaal wordt gepresteerd, zoals de situatie in week 3 van 2006 bleek te zijn.

Prof. dr. M.A.J. Kompier , arbeids- en organisatiepsycholoog bij de Radboud Universiteit te Nijmegen concludeert op grond van de hem ter beschikking gestelde gegevens met betrekking tot de urenstaten en overzichten van de gewerkte uren en het rapport van de Arbeidsinspectie dat:

- het chronisch en systematisch blootstellen van de onderzochte werknemers aan de zeer lange werkweken en series van werkdagen, in combinatie met de hoge fysieke en geestelijke arbeidsbelasting en wijze van belonen een extreme en onacceptabele arbeidslast indiceert;

- arbeidsgezondheidskundig bezien die arbeidsbelasting een bedreiging van de gezondheid is. Gezondheidsschade kan zich op korte termijn maar ook op langere termijn manifesteren.

De CAO Paddestoelen houdt onder andere in dat ‘oogstmedewerkers handoogst’ die ouder zijn dan 21 jaar minimaal € 8,25 per uur behoren te verdienen.

Uit informatie van het CWI blijkt dat er geen tewerkstellingsvergunningen waren aangevraagd door het bedrijf [bedrijf] dan wel door [verdachte/werkgever 2] voor voornoemde werknemers.

Uit informatie van de Belastingdienst blijkt dat er over de periode 2004 tot en met 2006 van [bedrijf] Polen dan wel van [verdachte/werkgever 2] met betrekking tot de loon- en inkomstenbelasting geen gegevens bekend waren. Dit betekent dat er in Nederland geen afdracht van loonbelasting heeft plaatsgevonden met betrekking tot de uitbetaalde lonen aan de Poolse werknemers die in de Nederlandse champignonkwekerijen werkzaam zijn geweest.

[verdachte/werkgever 2] verklaart dat door hem, samen met [betrokkene 1] en [betrokkene 2] in december 2003 het bedrijf [bedrijf] in Polen werd opgericht en ingeschreven bij de rechtbank. Hij is formeel voor 45% aandeelhouder van [bedrijf]. en tevens bestuurder. [betrokkene 1] en [betrokkene 2] hebben eigenlijk niets te vertellen. In Polen is er niemand voor hem of [bedrijf] [naam] werkzaam. [bedrijf] heeft in Polen in het geheel geen bedrijfsactiviteiten. In de praktijk werden plukactiviteiten verricht volgens de zogenaamde Poolse constructie. [verdachte/werkgever 2] heeft de Poolse constructie gebruikt omdat er bij de Nederlandse champignonkwekerijen, door de economische situatie gedwongen, een grote drang bestaat om met name de plukkosten te verminderen. Zo werd de afdracht voorkomen van premies sociale verzekeringen en loonbelasting in Nederland en Polen. Verder werd voorkomen dat moest worden voldaan aan de bepalingen in de CAO en Arbeidstijdenwet. Hij zorgde dat er mensen vanuit Polen naar Nederland kwamen, die op papier in dienst van [bedrijf] champignons plukten. Op deze manier werd een maas in de Nederlandse wetgeving gedekt. [verdachte/werkgever 2] was de feitelijk leidinggevende van de Poolse onderneming en dus werkgever van deze mensen. Hij heeft vanaf het begin de volledige zeggenschap over deze Poolse onderneming gehad. In de periode van juli/augustus 2004 tot half april 2006 heeft hij met zijn onderneming [bedrijf] Poolse plukkers dan wel pluksters in Nederland bij diverse champignontelers werk laten verrichten voor korte dan wel langere perioden.

Volgens [verdachte/werkgever 2] zijn er vanaf oktober 2004 door [verdachte/werkgever 2] zowel in Polen als Nederland geen werknemers verantwoord voor sociale verzekeringspremies en loonbelasting.

De eerste tien mensen heeft hij bij Poolse champignonkwekerijen benaderd. Verder is dit een circuit van vrienden, familie en kennissen dat steeds meer is uitgebouwd. Op deze wijze kon [verdachte/werkgever 2] voor 90% voorzien in de behoefte. Bij de opstart van de kwekerij in [lokatie 4], heeft hij [betrokkene 3] en [betrokkene 4] de opdracht gegeven om actief in Polen goede champignonpluksters te gaan werven en selecteren. Onder andere werd toen een advertentie geplaatst. Met de Poolse medewerkers werden in Nederland arbeidscontracten opgemaakt. Deze hadden alleen een fictief doel. Bij een controle van de Nederlandse autoriteiten moest de indruk worden gewekt dat de desbetreffende werknemer een dienstverband had met de onderneming [bedrijf] te Polen en derhalve de verantwoording van premies sociale verzekeringen en loonbelasting in Polen zou gaan plaatsvinden. Er heeft geen verantwoording in Polen plaatsgevonden. De echte werkafspraken werden door [verdachte/werkgever 2] mondeling met de Poolse werknemers gemaakt. De werknemers kregen van [verdachte/werkgever 2] de opdracht om bij een eventuele controle van een Nederlandse overheidsinstantie te verklaren dat zij in dienst waren van de Poolse firma [bedrijf]. De Poolse werknemers kregen hun loon meestal contant uitbetaald. [verdachte/werkgever 2] betaalde de vereiste premies en/of loonbelasting niet. De betaling van het plukloon bestond wekelijks uit een bedrag van € 50,- per werknemer, mits [verdachte/werkgever 2] ook daadwerkelijk zijn pluklonen van de kwekerijen had ontvangen.

[verdachte/werkgever 2] wist dat de totale uurloonkosten volgens de CAO, inclusief vakantietoeslag, werkgevers- en werknemerspremies, ongeveer € 16,50 bedroeg. Om de loonkosten zo veel mogelijk te drukken kregen de Poolse werknemers niet het normale, gangbare loon uitbetaald. De lengte van de dagelijkse werkinzet werd bepaald door de kweker zelf, maar [verdachte/werkgever 2] bleef de werkgever en dus verantwoordelijk. Het werk werd veelal bepaald door de groei van de champignons. Hij streefde naar een gemiddelde van 50 tot 60 uren, met een piek naar 70 uur per week per werknemer. Hij heeft zich bij de kostenberekening voor zijn organisatie gehouden aan het laatste aantal. Dit heeft hij gedaan omdat de algemene doelstelling was: het drukken van de loonkosten. De Poolse werknemers kregen niet het normale gangbare loon om de loonkosten zoveel mogelijk te drukken.

Onder andere bij de volgende bedrijven werden door [verdachte/werkgever 2] pluksters te werk gesteld :

- van december 2003 tot juli 2005 bij [bedrijf 1]. Dit bedrijf was van [werkgever 3] en het betroffen 8 werknemers;

- van 1 juli 2005 tot 1 maart 2006 bij [werkgever 1] in [lokatie 2], handelende onder de naam [bedrijf]. Hier werden tussen de 8 en 12 werknemers tewerk gesteld.;

- van half maart 2005 tot [bedrijf 2]2005 bij [bedrijf 2]. Daar werden ongeveer 15 werknemers tewerkgesteld;

- van juli 2005 tot augustus 2006 te bij [bedrijf 3]. Dit bedrijf is van [werkgever 3]. In [bedrijf 3] en bij [bedrijf 1] had [verdachte/werkgever 2] samen 18 werkneemsters tewerkgesteld;

- van juli 2005 tot 18 augustus 2005 bij [bedrijf 4]. Daar had hij 8 tot 12 mensen tewerkgesteld;

- in de maanden juni tot en met augustus 2005 bij de kwekerij te [lokatie 4], van [naam]. Dit waren tussen 8 en 13 personen;

- gedurende de periodes juni/juli 2005 en december 2005/januari 2006 bij de kwekerij [bedrijf 6], van [naam]. Dat waren 8 personen.

In november 2003 kreeg hij van [werkgever 3] de opdracht om in een champignonkwekerij aan de [lokatie 2] het plukken van champignons met Poolse mensen te gaan verzorgen. [werkgever 1] was eigenaar van deze kwekerij. Hij verhuurde dit pand voor de duur van 4 jaar, eindigende 1 juli 2005, aan [werkgever 3]. In juni 2005 vertelde [werkgever 1] hem dat hij onder eigen regie champignons wilde gaan kweken in zijn eigen loods, voor eigen rekening en risico. Hij heeft [verdachte/werkgever 2] benaderd om de kwekerij te gaan draaien onder zijn ondernemingsnaam [bedrijf]. Hiermee ging [verdachte/werkgever 2] akkoord. Vervolgens kwamen zij overeen dat er een rekening op naam van [bedrijf] de [bank] voor de bedrijfsvoering geopend zou worden. [verdachte/werkgever 2] zou alleen inzicht in de rekening hebben en [werkgever 1] was als enige gemachtigd om alle financiële handelingen met betrekking tot deze rekening uit te voeren. De rol van [verdachte/werkgever 2] met betrekking tot de kwekerij was het leveren van Poolse plukkers, in verband met de Poolse constructie, en de administratieve afhandeling in verband met de verkoop van de geplukte champignons. [werkgever 1] verzorgde de dagelijkse bedrijfsvoering en aansturing van het personeel in de kwekerij. Als er problemen waren met de Poolse werknemers dan moest [verdachte/werkgever 2] die oplossen. Het hele betalingsverkeer in relatie tot deze kwekerij was ter verantwoording van en werd uitgevoerd door [werkgever 1]. [werkgever 1] betaalde het plukloon direct uit aan de werknemers van [verdachte/werkgever 2]. De gelden hiervoor nam hij op van de eerder omschreven [bank]rekening. [verdachte/werkgever 2] had met [werkgever 1] afgesproken dat zijn werknemers bij hem € 4,- per uur zouden verdienen. Dit verliep goed tot november 2005. In november 2005 liepen de plukprestaties op deze locatie zodanig terug dat er meer uren gemaakt moesten worden om hetzelfde aantal kilo’s champignons van de bedden te halen. Dit lag aan de moraal van de pluksters. [werkgever 1] bepaalde wat er door wie en wanneer geplukt moest worden. Het was [verdachte/werkgever 2] bekend dat het gemiddelde in [lokatie 2] per dag en per week hoog was en steeds hoger werd.

In 2005 en 2006 heeft de huisvesting van Poolse werknemers onder de verantwoordelijkheid van [verdachte/werkgever 2] plaatsgevonden. Hij regelde de woonruimte en het onderbrengen van de werknemers. Daarbij heeft hij onder andere gebruik gemaakt van:

- [lokatie 3] in de periode van december 2003 tot en met 31 mei 2006. De eigenaar is [naam]

- [lokatie 2], in de periode vanaf juli 2005 tot september 2006. Eigenaar [werkgever 1].

De werknemers sliepen op kamers met twee tot vijf personen. In de periode rond maart 2005 kwam [verdachte/werkgever 2] qua huisvesting klem te zitten en is het voorgekomen dat hij wat kunstgrepen moest toepassen door mensen op matrassen naast elkaar in één ruimte te huisvesten. Er moesten ook wel eens twee mensen in een bed slapen. [verdachte/werkgever 2] bepaalde wie waar werd geplaatst. Vanaf begin 2004 heeft hij, daar waar dit mogelijk was, in eigen beheer vervoer verzorgd voor alle Poolse werknemers die voor hem hebben gewerkt.

[verdachte/werkgever 2] stelt dat hij niet anders kan zeggen dan dat de huisvesting kwalitatief beter zou kunnen. Voor zijn werknemers ontstonden door de lange werkdagen en werkweken situaties waardoor geen enkele ruimte was voor een sociaal leven. Sterker nog, er waren perioden bij dat er sprake was van een tekort aan slaap. Het was inderdaad een feit dat Poolse werknemers door geldgebrek kennelijk niet in staat waren om de dagelijkse boodschappen te doen. Zijn Poolse werknemers waren op diverse terreinen van hem afhankelijk. Hij vond dat hij een bepaald overwicht had op zijn werknemers en dat dit soort buitenlandse groepen werknemers ook buiten de werkgever-werknemer relatie van hem afhankelijk waren. Volgens het Nederlandse artikel uit het Wetboek van Strafrecht en de uitleg van dit artikel past hij in het hokje van uitbuiter en heeft hij deze Poolse werknemers inderdaad uitgebuit.

Vooral vanaf maart 2005 heeft hij permanent achter de feiten aangelopen en had hij te weinig geld in kas om aan zijn verplichtingen, zoals de afgesproken voorschotten, te voldoen. Hij bepaalde altijd wie welk deel van zijn voorschot, plukloon dan wel het volledige loon, uitbetaald kreeg. In de periode juni 2005 tot januari 2006 werden de lonen in de kwekerij te [lokatie 2] uitbetaald door [werkgever 1]. Deze lonen betaalde hij uit namens [bedrijf]. Hij had eigenlijk al in 2004 moeten stoppen. Hij kon de werknemers structureel niet hun volledige loon uitbetalen. Hij wist van te voren dat hij lang niet altijd in staat zou zijn om het toegezegde plukloon van € 4,- aan de nieuwe Poolse werknemers uit te betalen. Hij heeft een aantal nieuwe Poolse werknemers misleid en daardoor dus eigenlijk uitgebuit. Hij is met het aannemen van Poolse werknemers al die jaren doorgegaan. Al in 2004 had hij in de gaten dat de kans gering zou worden dat hij ooit de achterstand in loonbetalingen zou gaan inhalen.

Voorts verklaart [verdachte/werkgever 2] dat [medeverdachte] belast was met de dagelijkse sturing van een werklocatie of shift op een werklocatie. Dit was voor haar op de werklocaties in [lokatie 2] en [bedrijf 3]. [medeverdachte] was meewerkende voorvrouw in diverse kwekerijen vanaf april/mei 2005 in [bedrijf 3], [bedrijf 2], [lokatie 6] en [bedrijf 6]. Zij was belast met de urenregistratie, loonbepaling, kiloregistratie, personeelsplanning en onderhoud van contacten met aan- en afvoer van personeel uit Polen. [medeverdachte] deed dit alles in zijn opdracht, hij was hiervoor verantwoordelijk.

[medeverdachte] heeft verklaard dat als er mensen waren die ook in Nederland wilden komen werken, zij haar of andere Poolse pluksters in Nederland hierover opbelden. Zij moesten dit dan aan [medeverdachte/werkgever 2] doorgeven, want hij moest hierover beslissen. De mensen werd dan verteld dat zij dit aan [medeverdachte/werkgever 2] zouden vragen en drie dagen later terug moesten bellen. Verder vertelden zij deze mensen dat zij hier in Nederland € 4,- per uur konden verdienen.

[medeverdachte/werkgever 2] had de contacten met diverse eigenaren van de champignonkwekerijen. Hij bepaalde in overleg met de betreffende eigenaar hoeveel pluksters er nodig waren. Vervolgens gaf [medeverdachte/werkgever 2] deze aantallen door aan [medeverdachte], [betrokkene 3] of een van de voorvrouwen. In onderling overleg met de pluksters bepaalden zij uiteindelijk wie waar ging werken. [medeverdachte/werkgever 2] liet dat aan hen over.

[betrokkenen 3, 5 en 6] en [medeverdachte] maakten de arbeidscontracten namens [verdachte/werkgever 2] op, waarbij de persoonsgegevens van de werkneemsters werden ingevuld. Ook kwam het voor dat de werkneemsters dit zelf deden. Soms waren deze contracten al door [medeverdachte/werkgever 2] ondertekend en soms deed hij dit achteraf. De bedragen in dit contract waren fictief, want in werkelijkheid kregen de werkneemsters € 4,- per uur betaald. Deze bedragen werden zwart aan de werkneemsters uitbetaald. Over de lonen die aan de werkneemsters werden uitbetaald, zowel in Nederland als Polen, werden door [medeverdachte/werkgever 2] geen sociale premies en belasting betaald. Dit wist iedereen. De contracten waren vals en alleen opgemaakt om bij een eventuele controle door de Nederlandse overheid de indruk te wekken dat de werkneemsters in dienst waren van een Poolse firma, die haar personeel in Nederland liet werken. De werkneemsters wisten allemaal dat deze contracten vals waren.

[medeverdachte] heeft [medeverdachte/werkgever 2] geholpen met het bijhouden van uren en het plegen van telefoontjes als er mensen aangestuurd moesten worden. Zij had een soort spilfunctie in de relatie tussen de werkneemsters richting [medeverdachte/werkgever 2] maar ook andersom en daardoor had zij een grote verantwoordelijkheid.

[werkgever 1] verklaart dat hij de eigenaar van het perceel [lokatie 2] is. Er staat een woonhuis en een champignonkwekerij die zijn eigendom zijn. [verdachte/werkgever 2] heeft bij hem even de kwekerij gehuurd. Hij kent hem van het verhuren. [verdachte/werkgever 2] heeft personeel in de kwekerij gezet. Dit deed hij ook als [naam] de kwekerij aan anderen verhuurd had. Het personeel betrof meestel Polen. Als [verdachte/werkgever 2] niet bereikbaar was, kreeg hij [medeverdachte] wel eens aan de lijn. Dat ging ook over zaken. Er werkten Poolse mensen. Ze kregen ongeveer € 4,- à € 5,- per uur. Hij denkt dat het netto was. Hij heeft wel eens wat geld geleend aan personeel zodat ze naar de supermarkt konden. Er heeft wel personeel bij hem op het terrein gewoond. Dit was in het woongedeelte bij de cellen. Hij is voorheen zelf verantwoordelijk geweest voor de productie. Hij weet dat er betalingsmoeilijkheden waren. Hij betaalde ze wel eens een paar tientjes. Als de kwekerij maar draaide, daar was hij ook afhankelijk van. De dames eisten geld. Daar heeft hij toen een punt achter gezet.

Bewijsoverwegingen van de rechtbank

[verdachte/werkgever 2] sloot op naam van de Poolse onderneming [bedrijf] met werknemers een gefingeerd arbeidscontract af voor een vast bedrag in zloty’s per maand. Mondeling werd echter met de Poolse werknemers afgesproken dat zij 4 euro per uur voor het plukken van de champignons in Nederland gingen verdienen. Daarna werden de werknemers naar Nederland vervoerd, waar zij in door [verdachte/werkgever 2] gehuurde woningen werden gehuisvest. Zij werden in vaste werkgroepen naar de werkplekken gebracht om te gaan werken. Er werden buitensporig lange werkweken gemaakt, waarbij geen rekening werd gehouden met de Arbo-wetgeving. De werknemers werden niet wekelijks of maandelijks uitbetaald, maar zij kregen slechts een klein voorschot, waarmee zij in hun dagelijkse onderhoud dienden te voorzien. Definitieve uitbetaling van het loon bleef vaak geheel of gedeeltelijk uit. Omdat de werkzaamheden en de feitelijke leiding van [verdachte/werkgever 2] onder de naam van het bedrijf [bedrijf] uitsluitend in Nederland plaatsvonden en het Poolse personeel feitelijk niet gedetacheerd werd:

- dienden in Nederland loonbelasting en premies volksverzekeringen te worden afgedragen voor de Poolse werknemers,

- dienden de werknemers te beschikken over een tewerkstellingsvergunning en een sofinummer te hebben,

- dienden de ziektekostenverzekeringen te zijn geregeld,

- dienden de werkzaamheden volgens de Nederlandse wet- en regelgeving te worden verricht en

- dienden de loonbetalingen volgens de CAO plaats te vinden.

Door met de werknemers valse arbeidscontracten op te maken, werd door [verdachte/werkgever 2] bij de werknemers en bij de Nederlandse instanties valselijk de indruk gewekt dat de werknemers in dienst waren van een Pools bedrijf en dat aan alle vereiste wettelijke voorschriften was voldaan. Hierdoor heeft verdachte met zijn mededaders valselijk doen voorkomen dat loonbelasting en premies volksverzekeringen werden afgedragen voor de Poolse werknemers, dat de werknemers beschikten over een tewerkstellingsvergunning, een sofinummer hadden en dat de ziektekostenverzekering was geregeld.

Voorts overweegt de rechtbank dat in het midden kan worden gelaten of de betrokken werknemers vrijwillig de werkzaamheden verrichtten hetgeen ook zou kunnen blijken uit het feit dat de werknemers ook na een verblijf in Polen weer naar Nederland terugkeerden. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de Poolse werknemers zich in Polen in een economisch ongunstige positie bevonden. In Nederland moesten zij onder significant slechte omstandigheden wonen en werken en verdienden zij een beduidend lager loon dan Nederlandse werknemers, terwijl zij extreem lange werkdagen en werkweken moesten werken. Hierdoor bevonden de werknemers zich (nog steeds) in een zwakke economische en financiële positie. Door het achterhouden van (een deel van het) in Nederland verdiende loon ontbrak de keuzevrijheid om te stoppen met de opgedragen werkzaamheden en waren de werknemers gedwongen met de werkzaamheden door te gaan dan wel weer naar Nederland terug te keren om hun werk weer te hervatten indien zij aanspraak wilden maken op volledige uitbetaling van het loon dat zij nog tegoed hadden. De werknemers werden hierdoor belemmerd in hun vrijheid om met de werkzaamheden op te houden. Daardoor bevonden de werknemers zich in een kwetsbare positie en verdachte en zijn mededaders in een overwichtsituatie.

Concluderend stelt de rechtbank vast dat de werknemers zich in een economisch kwetsbare positie bevonden en illegaal in Nederland verbleven, dat er, afgezet tegen de in de Nederlandse samenleving geldende maatstaven sprake was van extreem lange werkweken en werktijden, onder slechte huisvestings- en werkomstandigheden tegen onevenredig lage en vaak uitblijvende betaling, zodat de werknemers zich in een uitbuitingssituatie bevonden en er naar het oordeel van de rechtbank sprake is geweest van uitbuiting, hetgeen moet worden gekwalificeerd als mensenhandel in de zin van artikel 273 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van de feiten 2 en 3

Op 12 december 2005 dient [verdachte/werkgever 2] een verzoek in bij de Belastingdienst Limburg/kantoor Buitenland te Heerlen, voor registratie van een buitenlandse onderneming. Het Registratieformulier Buitenlandse Ondernemingen op naam van [bedrijfsnaam] is op 15 december 2005 ingeleverd bij de Belastingdienst te Heerlen. Op 20 januari 2006 zijn door de Belastingdienst Limburg/kantoor Heerlen de aangiftebiljetten omzetbelasting 2004 en 2005 op naam van [bedrijf[naam] uitgereikt. De aangiften hadden uiterlijk 21 maart 2006 ingediend moeten zijn bij de Belastingdienst te Heerlen .

De aangifte omzetbelasting over het aangiftetijdvak van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2005 ten name van [bedrijfsnaam] en opgaven voor ICT-leveringen over het jaar 2005 zijn op 26 april 2006 bij de vordering door de Politie en de SIOD blanco aangetroffen bij het administratiekantoor [naam]. Uitsluitend de ondertekening (met uitzondering van de datum) is reeds ingevuld.

De aangifte omzetbelasting ten name van [bedrijfsnaam] over het aangiftetijdvak 1 april 2004 tot en met 31 december 2004 is op 20 april 2006 ingekomen bij de Belastingdienst te Heerlen. De aangifte is in de rubriek ”Ondertekening” gedagtekend 19 april 2006, is voorzien van de naam [verdachte/werkgever 2] en is voorzien van een handtekening. Bij het aangifteformulier zijn drie formulieren “Opgaaf Omzetbelasting” gevoegd over het tijdvak 1 april 2004 tot en met 30 juni 2004, het tijdvakken 1 juli 2004 tot en met 30 september 2004 respectievelijk het tijdvak 1 oktober 2004 tot en met 31 december 2004. Deze formulieren bevatten onder de rubriek “3a. Intracommunautaire leveringen” de bedragen € 31.654,--, € 205.820,-- respectievelijk € 150.242,-- en het BTW-identificatienummer [nummer]. De formulieren zijn in de rubriek “Ondertekening” telkens voorzien van de datum 19 april 2004, de naam [verdachte/werkgever 2] en zijn voorzien van een handtekening.

Op grond van een door hen gedaan onderzoek relateren de verbalisanten [namen] dat op 20 april 2006 de aangifte omzetbelasting en de opgaven voor de ICT-leveringen van [bedrijf] over het jaar 2004 zijn ontvangen door de Belastingdienst. [bedrijf] heeft als onderbouwing van de aangifte omzetbelasting 2004 facturen overgelegd. Deze facturen maken melding van 6% BTW. Bij de bedrijven van [werkgever 3] zijn afrekeningen van deze leveringen gevonden afkomstig van [bedrijf] die merendeels melding maken van 0% BTW. [bedrijf] is op basis van de gegevens genoemd in het document voor registratie van een buitenlandse onderneming, met ingang van 1 april 2004 belastingplichtig voor de omzetbelasting. De aangifte beslaat dan ook het tijdvak 1 april 2004 – 31 december 2004. [bedrijf] geeft in haar aangifte omzetbelasting 2004 aan dat zij de champignons tegen 6% BTW heeft ingekocht van [werkgever 3] en vraagt bij de Belastingdienst in Heerlen de op de meegezonden facturen vermelde BTW (€ 31.131) terug omdat zij de champignons naar Polen overbrengt.

Door de politie en de SIOD zijn gegevens opgevraagd bij de [bank] m.b.t. de bankrekeningen van [bedrijf]. De banktransacties van 6 van de in totaal 8 rekeningen zijn door de politie / SIOD verwerkt in een bestand (bijlage D-209, p. 2466). Een vergelijking tussen de door [bedrijf] bij de aangifte omzetbelasting 2004 ingediende facturen en de bankgegevens levert een aantal verschillen op. Hierbij dient opgemerkt te worden dat twee bankrekeningen van [bedrijf] nog niet in deze vergelijking zijn opgenomen. De verbalisanten constateren het volgende.

- Volgens de bankbescheiden heeft [bedrijf] in 2004 in totaal € 430.270,- betaald aan [bedrijf 7] en [bedrijf 8]. Aan de Belastingdienst zijn bij het indienen van de aangifte omzetbelasting 2004 facturen van deze twee bedrijven overhandigd. Samen met de bankboekingen die niet worden gedekt door een inkoopfactuur komt [bedrijf] op een totale inkoopwaarde van € 676.263,-. Een verschil van

€ 245.993,-.

- De te betalen bedragen genoemd op de facturen (incl. BTW) komen niet overeen met de bedragen die zijn afgeschreven van de bankrekening van [bedrijf]. Door [bedrijf] worden de bedragen exclusief omzetbelasting overgemaakt aan [bedrijf 7] en [bedrijf 8].

- Niet alle facturen die bij de aangifte omzetbelasting 2004 zijn ingediend worden gedekt door een betaling via de bank. Vooral van de periode van begin januari 2004 tot en met half april 2004 zijn geen betalingen via de bank aangetroffen, terwijl er facturen zijn overgelegd met een totale inkoopwaarde van € 162.792,-. In de periode daaropvolgend wordt er in totaal nog voor een bedrag van € 83.199,- aan facturen uitgeschreven die niet aan een bankoverschrijving zijn te koppelen.

- Niet alle bankbetalingen aan [bedrijf 7] en [bedrijf 8] worden gedekt door een bij de Belastingdienst ingediende factuur. In 2004 gaat dit om een bedrag van € 157.410,-.

Door de Belastingdienst is op verzoek van Polen bij de bedrijven van [werkgever 3] een deelonderzoek ingesteld naar de verantwoording van aangegeven uitvoer van champignons naar [bedrijf] gedurende de periode 1 oktober 2003 t/m 30 september 2005. Van dit deelonderzoek is op 24 januari 2006 een rapport opgemaakt Uit dit rapport komt naar voren dat op de bij [werkgever 3] aangetroffen afrekeningen van [bedrijf] gericht aan [bedrijf 7]. en [bedrijf 8]. in de meeste gevallen 0% BTW wordt vermeld.

Van [bedrijf] is bekend dat zij in ieder geval met twee partijen, [bedrijf 7]., ondertekend door [werkgever 3] en [bedrijf 9], ondertekend door [betrokkene 9], voor het jaar 2004 contracten heeft gesloten voor de opkoop van de totale oogst champignons. In de aangifte Omzetbelasting over het jaar 2004 van [bedrijf] geeft zij uitsluitend haar verwerving van [bedrijf 7]. en [bedrijf 8]., de twee bedrijven van [werkgever 3], aan. Met betrekking tot de uitvoering van het contract met [naam] is niets terug te vinden in de aangifte omzetbelasting 2004.

Noch [bedrijf], noch administratiekantoor [naam] heeft tot op heden contact opgenomen met de Belastingdienst voor het verkrijgen van uitstel voor het inleveren van de aangifte omzetbelasting 2005.

[naam] , ambtenaar van de belastingdienst, verklaart naar aanleiding van door hem verrichte boekenonderzoeken als volgt.

Vanuit Central Liaison Office te Almelo is een verzoek gekomen om toelichting te geven inzake de leveringen van de bedrijven [werkgever 3] aan [bedrijfsnaam].

Volgens de facturen van [bedrijf 7] is er in 2004 en 2005 voor de volgende bedragen geleverd aan [bedrijfsnaam]

2004 2005

1e kwartaal € 101.716 € 150.235

2e kwartaal € 65.442 € 108.427

3e kwartaal € 19.142 € 31.436

4e kwartaal € 0 € 0

Totaal leveringen € 186.300 € 290.098

Deze bedragen sluiten niet aan met de bedragen op de aangiften omzetbelasting en opgaven ICL.

Volgens de facturen van [bedrijfsnaam], [werkgever 3] c.s. is er in 2004 voor de volgende bedragen geleverd aan [bedrijfsnaam].

2004

1e kwartaal € 29.422

2e kwartaal € 96.214

3e kwartaal € 115.633

4e kwartaal € 32.709

Totaal leveringen € 273.978

Deze bedragen sluiten niet aan met de bedragen op de aangiften omzetbelasting en opgaven ICL.

Uit de aangifte Omzetbelasting 2004 maakt de controleur op dat er € 31.131 BTW teruggevraagd wordt die in eerste instantie, zoals hij gezien en vastgesteld heeft tijdens zijn controle, niet aan hen in rekening is gebracht. De bedragen genoemd in rubriek 3, leveringen vanuit het buitenland naar Nederland, pretenderen dat [bedrijf] champignons naar Polen heeft geleverd c.q. vervoerd. Uit de opgaaf omzetbelasting intracommunautaire leveringen over het tijdvak 1-4-’04 t/m 31-12-’04 valt uit het BTW-identificatienummer [nummer] op te maken dat het een overbrenging eigen goederen van Nederland naar Polen betreft.

Op de aangifte omzetbelasting 2005 had de rubriek 3b. EU leveringen naar landen binnen de EU gevuld moeten zijn met bedragen van het vierde kwartaal 2005, zoals hij op 24 januari 2006 met [werkgever 3] heb afgesproken. Deze afspraken hebben dus ook gevolgen voor de aangifte 2005 van [bedrijfsnaam].

[verdachte/werkgever 2] verklaart met betrekking tot de aangifte omzetbelasting over 2004 dat hij alleen zijn handtekening heeft moeten zetten en verder nooit meer wat van de aangiften heeft gezien. Op advies van de heer [naam] van administratiekantoor [naam] waren alle facturen, terecht en onterecht, tegen 0% opgesteld. Hij heeft de aangifte omzetbelasting 2004 in vertrouwen afgegeven aan [naam]. Hij wist dat ze via hem/[bedrijf], BTW wilden terugvragen. Hij had de omzet niet in Polen aangegeven, want de omzet was niet in Polen gegenereerd. Het bleef in Nederland. Aan hem was gevraagd of hij facturen tegen 6% wilde maken. Dit is middels een brief van [naam] gegaan. Ze hebben hem hiertoe gedwongen door de schuldpositie die hij had ten aanzien van [werkgever 3] en [betrokkene 8]

[verdachte/werkgever 2] verklaart voorts dat op het aangiftebiljet Omzetbelasting 2004 zijn handtekening en zijn telefoonnummer in Polen staan. [bedrijfsnaam] is zijn onderneming. [naam] heeft hem om deze formuleren gevraagd. Een paar dagen later vroeg [naam] hem om dit formulier te ondertekenen. Het formulier was verder nog niet gevuld. Hij heeft het formulier daar achtergelaten om het verder in te vullen en op te sturen. Hij heeft zich verder niet met de materie bemoeid. Hij weet dat hij middels zijn handtekening verantwoordelijk is voor dit document. De champignons zijn niet naar het buitenland gegaan. Er hebben 100% zeker geen leveringen naar het buitenland plaatsgevonden. Er is nooit 1 champignon naar Polen gegaan en vervolgens weer terug naar Nederland gekomen. [werkgever 3] en [naam] hebben het als volgt tegen hem gezegd: “Wij hebben BTW betaald, dat kan jij terugvragen en dat krijgen wij dan weer van jou.” [werkgever 3] had hem verteld dat hij naar aanleiding van een controle van de Belastingdienst Gorinchem tegenover de Belastingdienst had verklaard dat de champignons naar Polen zijn gegaan. [verdachte/werkgever 2] moest dat in opdracht van [werkgever 3] ook volhouden tegenover degene die hem dat zou vragen. Op verzoek van [naam] heeft hij vrachtbrieven moeten opmaken om [werkgever 3] de mogelijkheid te bieden tegenover de Belastingdienst te bewijzen dat de champignons inderdaad naar Polen zijn gegaan. Deze vrachtbrieven heeft hij aangeleverd. Er moesten tevens facturen gewijzigd worden van 0% naar 6% BTW. Dit heeft [werkneemster] in opdracht van [naam] moeten doen. Dit om voor te doen alsof er een binnenlandse levering van champignons aan [bedrijf 7]. en [bedrijf 8]. had plaatsgevonden om zodoende [bedrijfsnaam] de BTW terug te laten vragen bij de Belastingdienst die [werkgever 3] dan weer van [bedrijf] zou vorderen. Zo wilden ze de betaalde BTW die ze aan de Belastingdienst naar aanleiding van een controle moesten betalen op [verdachte/werkgever 2] terugverhalen om zodoende geen pijn te hebben van de uitwerking van de controleresultaten van de Belastingdienst.

De aan [verdachte/werkgever 2] getoonde aangifte omzetbelasting 2005 op naam van [bedrijfsnaam] heeft hij ondertekend en ook heeft hij zijn naam en de plaats genoteerd. [naam] had dit formulier Buitenlandse ondernemingen zelf bij de Belastingdienst opgevraagd. [naam] had alles geregeld omtrent de BTW ter zake van [bedrijfsnaam]. Dit hoorde allemaal bij het opzetten van de zogenaamde Poolse constructie. Deze constructie had als voordeel dat je kosten met betrekking tot het plukken van champignons kon verlagen en dus je marge op de verkoop van champignons verhoogde. [naam] heeft hem nooit gevraagd naar facturen om zodoende de aangifte omzetbelasting 2004 en de aangifte omzetbelasting 2005 te kunnen verwerken. Het enige wat hij had overhandigd inzake de aangiftes omzetbelasting 2004 en 2005 waren de vrachtbrieven die aannemelijk moesten maken dat de champignons naar Polen werden vervoerd om daarna weer terug te gaan naar Nederland. De aangifte 2005 alsmede de opgaven intracommunautaire leveringen (ICL) 2005 heeft [verdachte/werkgever 2] volgens hem in januari 2006 ontvangen. Hij heeft de aangifte 2005 alsmede de aangifte 2005 op naam van [bedrijf] omstreeks medio maart naar [naam] gebracht. Hij weet dat het zijn plicht is om aangiftes OB te doen, maar dat heeft hij niet gedaan. Hij heeft zich niet gerealiseerd dat hij alle facturen etc. het beste naar [naam] had kunnen brengen.

[naam] verklaart dat zij de financiële administratie van [bedrijf 8] verzorgt. Zij maakt de facturen voor de klanten van [bedrijf 8] en [bedrijf 7], de facturen die binnenkomen worden door [werkgever 3] bekeken en vervolgens door haar verwerkt. Tot halverwege 2005 had [betrokkene 8] ook een aandeel in [bedrijf 8]. [betrokkene 8] is een adviseur van [werkgever 3]. [werkgever 3] heeft twee adviseurs, [naam] en [betrokkene 8]. Vanaf het moment dat zij met [bedrijf] dan wel de heer [verdachte/werkgever 2] te maken kreeg, heeft zij facturen opgemaakt van leveringen inzake champignons van de bedrijven van [werkgever 3] aan [bedrijf]. Alle leveringen van champignons geschiedden vanaf dat moment via een buitenlands bedrijf, zoals [bedrijf]. De facturen die zij opmaakte gebeurden zowel tegen 6% BTW alsmede tegen 0% BTW. Dit alles werd door [werkgever 3] besproken met [naam]. Eens in de week kwam [verdachte/werkgever 2] naar het kantoor te [plaats] Vaak werd er dan in overleg tussen [verdachte/werkgever 2] en [werkgever 3] op advies van [naam] een factuur opgemaakt die vervolgens door [medeverdachte/werkgever 2] werd meegenomen. [naam] werd altijd gebeld om het juiste percentage te bepalen. Het percentage wisselde vaak tussen 0% dan wel 6%.

Bewijsoverwegingen van de rechtbank

Uit de omstandigheid dat:

- er tijdens de controle bij [werkgever 3] facturen zijn aangetroffen zonder vermelding van BTW (0%);

- op de bij de aangifte omzetbelasting 2004 van [bedrijf] meegezonden facturen van [werkgever 3] wel een bedrag voor BTW in rekening is gebracht (6%);

- uit de bankafschriften van [bedrijf] naar voren komt dat het factuurbedrag exclusief omzetbelasting aan de eerder genoemde bedrijven van [werkgever 3] wordt overgemaakt;

- tussen [naam] en [verdachte/werkgever 2] afspraken zijn gemaakt over het maken van facturen door [verdachte/werkgever 2] en het maken van valse vrachtbrieven;

- door [verdachte/werkgever 2] is verklaard dat nooit champignons naar Polen zijn gegaan,

leidt de rechtbank af dat [bedrijfsnaam] tezamen met [werkgever 3], [betrokkene 8] en [naam] opzettelijk een onjuiste aangifte omzetbelasting 2004 heeft gedaan en dat verdachte daaraan de feitelijke leiding heeft gegeven.

Uit de bewijsmiddelen blijkt voorts dat:

- bij de vordering op 26 april 2006 van de stukken met betrekking tot [bedrijf] door de Politie/SIOD bij administratiekantoor [naam] met uitzondering van de uitgereikte aangifte omzetbelasting 2005 geen facturen 2005 uitgeleverd zijn, terwijl er wel betalingen en ontvangsten zijn geweest gezien de bankrekeningen van [bedrijf];

- noch [bedrijf], noch administratiekantoor [naam] tot op heden contact opgenomen heeft met de Belastingdienst voor het verkrijgen van uitstel voor het inleveren van de aangifte omzetbelasting 2005.

De rechtbank leidt hieruit af dat [bedrijf] [naam] tezamen met [werkgever 3], [betrokkene 8] en [naam] opzettelijk geen aangifte omzetbelasting 2005 heeft gedaan en dat verdachte daaraan de feitelijke leiding heeft gegeven.

Vrijspraakoverweging ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde.

Onder 1 is ten laste gelegd dat verdachte en zijn mededaders op 31 januari 2006 ten aanzien van een aantal werknemers geweld hebben gepleegd dan wel dat dezen met geweld zijn bedreigd. Uit de stukken blijkt dat verdachte geen weet heeft gehad van de actie die op die datum heeft plaatsgevonden en dat zijn opzet daar niet op gericht was, ook niet in voorwaardelijke zin. De rechtbank zal verdachte dan ook van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.

8. Bewezenverklaring

Op grond van voormelde bewijsmiddelen en overwegingen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het sub 1, 2 primair en 3 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op tijdstippen in de periode van 1 april 2005 tot en met 1 februari 2006 te [lokatie 2] en [lokatie 3] en elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, telkens een ander, genaamd:

[slachtoffers], en andere personen

door fraude en misleiding en door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van een kwetsbare positie, heeft geworven en vervoerd en overgebracht en gehuisvest, telkens met het oogmerk van uitbuiting van die anderen,

en die genoemde personen met een van de onder lid 1, sub 1 van artikel 273a Wetboek van Strafrecht genoemde middelen heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid,

en onder een of meer van de onder lid 1, sub 1 van voornoemd artikel genoemde omstandigheden enige handeling heeft ondernomen waarvan hij en zijn mededaders wisten of redelijkerwijs moesten vermoeden dat die genoemde personen zich daardoor beschikbaar zouden stellen tot het verrichten van arbeid,

bestaande vorenstaande hierin dat hij, verdachte, en zijn mededaders zakelijk weergegeven (ten aanzien van) die (op dat moment) in een zwakke economische en financiële positie verkerende personen

-wervingsadvertenties voor personeel/werknemers heeft laten plaatsen in een of meer Poolse krant(en) en/of

-als werknemer (in Polen) geworven en laten werven en/of

-heeft vervoerd of laten vervoeren van Polen naar Nederland en/of

-heeft tewerkgesteld en voorzien van werkinstructies in champignonkwekerijen en/of

-heeft gehuisvest in kleine ruimtes (nabij/in het pand waar de champignonkwekerij was gevestigd) en/of

-(valselijk) heeft doen voorkomen dat die personen in dienst/werknemer zijn van een Pools bedrijf [bedrijfsnaam]), een vast uurloon ontvangen, (tewerkstellings)vergunningen, sofinummers, belasting/premieafdracht en (ziektekosten)verzekeringen waren geregeld en overigens de werkzaamheden en verantwoording overeenkomstig de Nederlandse wet/regelgeving is en daartoe (valse) arbeidscontracten aangeboden

-niet volledig en/of niet tijdig loon heeft uitbetaald en in elk geval niet overeenkomstig de Nederlandse CAO / wetgeving en die personen omtrent de loonbetalingen in onzekerheid gelaten en/of

-(aldus)in een financieel en economisch afhankelijke positie gebracht en/of

-die personen (vervolgens) geen of onvoldoende middelen van bestaan hadden en/of

-(bovenmatig) te lange werkdagen, werkweken en/of aaneengesloten werktijden heeft laten maken (in een of meer champignonkwekerij(en) en onvoldoende rust/hersteltijd en onvoldoende rust/herstelfaciliteiten aangeboden, tengevolge waarvan de arbeidsbelasting een bedreiging voor de gezondheid van die personen vormde.

2.

[bedrijfsnaam] in de periode vanaf 21 maart 2006 tot en met 29 augustus 2006 in de gemeente Heerlen, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de omzetbelasting over het aangiftetijdvak 1 januari 2005 tot en met 31 december 2005 (01-01-2005/31-12-2005), (t.n.v. [bedrijfsnaam]), niet heeft gedaan, terwijl het feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven, aan welke verboden gedraging hij, verdachte, feitelijke leiding heeft gegeven.

3.

[bedrijfsnaam] in de periode vanaf 21 maart 2006 tot en met 20 april 2006 in de gemeente Heerlen, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de omzetbelasting over het aangiftetijdvak 1 april 2004 tot en met 31 december 2004 (01-04-2004/31-12-2004), (t.n.v. [bedrijfsnaam]), onjuist heeft gedaan,

immers hebben [bedrijfsnaam] en de mededaders, opzettelijk, op een bij de Inspecteur der belastingen te Heerlen, ingeleverd aangiftebiljet voor de omzetbelasting over bovengenoemd tijdvak telkens

- een verkeerd en/of onjuist bedrag aan 'Leveringen naar landen binnen de EU' (rubriek 3a), aangegeven, terwijl het feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven, aan welke verboden gedraging hij, verdachte, feitelijk leiding heeft gegeven;

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

9. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde en de kwalificatie

Het ten laste van verdachte bewezen verklaarde levert op de navolgende strafbare misdrijven.

Ten aanzien van feit 1:

mensenhandel, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd.

De misdrijven zijn strafbaar gesteld bij artikel 273a (oud) van het Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van feit 2 primair:

medeplegen van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte niet doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, gepleegd door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging.

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen in verband met de artikelen 47 en 51 van het Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van feit 3 primair:

medeplegen van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, gepleegd door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging.

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen in verband met de artikelen 47 en 51 van het Wetboek van Strafrecht.

10. De strafbaarheid van verdachte

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu niet is gebleken van enige omstandigheid die verdachtes strafbaarheid opheft.

11. De straffen en/of maatregelen

11.1 De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 12 oktober 2010 met betrekking tot de op te leggen straf gevorderd dat verdachte ter zake van de feiten 1, 2 primair en 3 primair zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van 16 maanden met aftrek ex artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht. Daarbij heeft de officier van justitie opgemerkt dat een overschrijding van de redelijke termijn met twee jaren heeft plaatsgevonden, waarmee hij rekening heeft gehouden in zijn eis in die zin dat hij zijn voorgenomen strafeis met twee maanden verlaagd heeft.

11.2 De overwegingen van de rechtbank

De rechtbank heeft bij de strafoplegging meer in het bijzonder rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, alsmede met het belang van een juiste normhandhaving.

Verdachte en zijn mededaders hebben voor hun werkzaamheden, het plukken van champignons in Nederland, door middel van het plaatsen van advertenties of via bemiddeling van anderen een groot aantal personen in Polen geworven, die zich aldaar in een economisch ongunstige situatie bevonden. Nadat voor deze werknemers vervoer naar Nederland was geregeld, werden zij doorgaans met een aantal tezamen in kleine ruimtes gehuisvest en soms moesten zij zelfs op de werkplek overnachten. De Poolse werknemers was voorgehouden dat alles overeenkomstig de wettelijke regels zou verlopen, maar in werkelijkheid moesten zij zonder de vereiste vergunningen en verzekeringen werken. De werktijden waren vaak extreem lang, waardoor er onvoldoende rust- en hersteltijd was. De arbeidsbelasting vormde daardoor een bedreiging van de gezondheid van de werknemers. De werknemers kregen hun loon, dat aanzienlijk lager was dan het loon dat volgens de CAO minimaal uitbetaald diende te worden, niet op tijd uitbetaald. Er werd slechts een voorschot verstrekt, dat soms zelfs onvoldoende was om in het levensonderhoud te voorzien. Bij terugkeer naar Polen werd niet het volle tegoed uitbetaald, maar werd vaak een substantieel deel achtergehouden, zodat de werknemers verplicht waren terug te keren om hun werk opnieuw aan te vangen. De werknemers werden aldus in een financieel en economisch afhankelijke situatie gebracht waarvan verdachte en zijn mededaders misbruik hebben gemaakt. Verdachte heeft een initiërende en uitvoerende rol gespeeld bij alle activiteiten dan wel werden deze op zijn instructie door anderen uitgevoerd.

Het valt verdachte en zijn mededaders zwaar aan te rekenen dat zij zich bij zijn activiteiten enkel lieten leiden door hun hang naar financieel gewin en dat zij, ook nadat duidelijk was dat zij niet in staat zouden zijn om alle loon uit te betalen, toch zijn doorgegaan met het tewerkstellen van werknemers.

Verdachte en zijn mededaders hebben zich door hun handelen schuldig gemaakt aan een ondermijning van de belangen die de Nederlandse overheid heeft bij het verwezenlijken van haar beleid ter zake van illegaal verblijf van vreemdelingen en de bestrijding van illegale arbeid in Nederland. Hierdoor worden niet alleen de belangen van de betrokken werknemers geschaad, maar wordt ook ernstig nadeel bezorgd aan de branchegenoten die wel overeenkomstig de geldende voorschriften handelen.

Verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan BTW-fraude, waardoor ook de fiscus werd benadeeld. Daarmee is voorts ernstig afbreuk gedaan aan het stelsel van intracommunautaire belastingheffing.

Ten voordele van de verdachte houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte blijkens het uittreksel uit de Justitiële Documentatie vóór het plegen van deze feiten niet in Nederland ter zake van soortgelijke feiten is veroordeeld, alsmede met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals die zijn gebleken tijdens het onderzoek ter terechtzitting.

Uit het dossier blijkt dat verdachte aan het onderzoek heeft meegewerkt doordat hij uitgebreide verklaringen heeft afgelegd. Uit de stukken komt echter naar voren dat verdachte na de bewezen verklaarde feiten is voortgegaan met het op soortgelijke wijze tewerkstellen van werknemers. Voorts blijkt uit de verklaringen, afgezet tegen de bewijsmiddelen, dat verdachte geen volledig inzicht heeft gegeven in hetgeen is gebeurd en dat hij niet de verantwoordelijkheid voor de strafbare feiten neemt, maar zijn rol juist bagatelliseert en de verantwoordelijkheid bij anderen neerlegt. De rechtbank ziet hierin dan ook geen aanleiding om verdachte voor deze houding extra te belonen.

Op grond van al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat, met het oog op een juiste normhandhaving, een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden in beginsel een passende bestraffing vormt.

De rechtbank is echter van oordeel dat sedert het plegen van de feiten en de uiteindelijke berechting zo veel tijd is verstreken, dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM met een periode van twee jaren is overschreden. In verband met dit grote tijdsverloop tussen het plegen van de feiten en de afhandeling van deze zaak ter terechtzitting zal de rechtbank de gevangenisstraf met 2 maanden verminderen.

12. Toepasselijke wetsartikelen

Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 27, 47, 51, 57, 63, 91, 273a(oud);

Algemene wet inzake rijksbelastingen art. 68, 69.

13. Beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 primair en 3 primair ten laste gelegde zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verstaat dat het aldus bewezen verklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en verklaart verdachte ter zake strafbaar;

veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezen verklaarde tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van 16 maanden;

beveelt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Vonnis gewezen door mrs. L.J.A. Crompvoets, V.P. van Deventer en A.K. Kleine, rechters, van wie mr. L.J.A. Crompvoets voorzitter, in tegenwoordigheid van P.J.T. Frijns en O.A.G. Corten als griffiers en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 26 oktober 2010.