Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2010:BO3657

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
05-11-2010
Datum publicatie
11-11-2010
Zaaknummer
Awb 10 / 511
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bijzondere bijstand in salariskosten bewindvoerder WSNP. In beginsel vallen alle inkomsten boven de beslagvrije voet in d eboedel en op dit uitgangspunt kan op grond van de richtlijnen van recofa voor een aantal met name genoemde posten een inbreuk worden gemaakt in die zin dat een vtlb boven de beslagvrije voet kan worden vastgesteld. Die inbreuk wordt echter uitdrukkelijk niet gemaakt voor het bewindvoerdersalaris. Dat betekent dat indien en voor zover de schuldenaar (maandelijkse) inkomsten heeft boven de beslagvrije voet, afdracht aan de boedel in elk geval verplicht is tot het bedrag van het bewindvoerdersalaris.

In de door de CRvB beoordeelde casus in de uitspraak van 29 juni 2010 (BM9799) was de conclusie dat de kosten waarvoor bijzondere bijstand werd gevraagd zich niet voordeden op de grond dat de boedel geen ruimte bood voor betaling van het voorschot op het salaris van de bewindvoerder zoals door de rechtbank vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector bestuursrecht, enkelvoudige kamer

Procedurenummer: AWB 10 / 511

Uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake

[eiser] te [woonplaats], eiser,

gemachtigde mr. J.H.M. Verstraten,

tegen

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Roermond, verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 maart 2010 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen afwijzing van een verzoek om bijzondere bijstand in de salariskosten van bewindvoering, ongegrond verklaard. Tegen dat besluit is bij deze rechtbank beroep ingesteld.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Awb ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan de gemachtigde van eiser gezonden.

Het beroep is, gelijktijdig met de beroepszaak met registratienummer 2010/621, behandeld ter zitting van de rechtbank op 25 augustus 2010, waar eiser in persoon is verschenen bijgestaan door zijn gemachtigde, en waar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door R. Ivanovic. Na de behandeling ter zitting heeft de rechtbank beslist dat in de zaken separaat uitspraak wordt gedaan.

2. Overwegingen

2.1. Op 28 juli 2009 heeft eiser verzocht in aanmerking te worden gebracht voor bijzondere bijstand voor –onder meer- de kosten van bewindvoering in het kader van de Wet schuldsanering natuurlijke personen (WSNP) ten bedrage van € 48,79 maandelijks.

2.2. Bij besluit van 26 oktober 2009 heeft verweerder die aanvraag afgewezen op de grond dat uit het schrijven van de griffier van de rechtbank, namens de rechter-commissaris insolventies, niet blijkt dat er ten tijde van de aanvraag een betalingsverplichting is en onvoldoende is aangetoond dat er daadwerkelijk kosten zijn.

2.3. Eiser heeft tijdig een bezwaarschrift ingediend. Op instigatie van verweerder is eiser met de rechter-commissaris insolventies in overleg getreden en is de maandelijkse inhouding voor de bewindvoerder benedenwaarts bijgesteld naar het verschil tussen eisers inkomen en de beslagvrije voet. Bij brief van 22 januari 2010 heeft eiser zijn aanvraag om bijzondere bijstand aangepast in die zin dat thans wordt verzocht om bijzondere bijstand voor het maandelijkse bedrag van € 31,50.

2.4. Bij het thans bestreden besluit is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat er ten tijde van de aanvraag sprake is geweest van een positief boedelsaldo van meer dan € 3.000,00, zodat het maandelijks voorschot op het salaris, overeenkomstig de ter zake geldende richtlijn, op dat moment uit de boedel kon worden voldaan. Verweerder heeft geconcludeerd dat er geen sprake is geweest van betalingen die buiten de WSNP-boedel vallen, zodat er op die grond geen sprake is van kosten en reeds op die grond de aanvraag terecht is afgewezen.

Ten overvloede heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat aanpassing van de aanvraag tijdens de bezwaarprocedure in strijd is met artikel 7:11, tweede lid, van de Awb.

2.5. In beroep is aangevoerd dat er niets in de boedel valt en dat eiser dan ook het salaris niet kan voldoen. Betoogd is verder dat verweerder er ten onrechte vanuit gaat dat de minimale boedelbijdrage slechts voor het salaris is bedoeld is, terwijl die bijdrage bedoeld is voor de kosten van schuldsanering waaronder het salaris. Eiser is van mening dat de verplichting tot betaling van de minimale boedelbijdrage voortvloeit uit de wet en is vastgelegd in de spelregels, terwijl het niet betalen van die bijdrage leidt tot beëindiging van de schuldsanering zonder schone lei verklaring. Gewezen is op het oordeel van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) in de uitspraak van 10 juni 2008 (LJN: BD4040) en de noodzaak om de kosten ten behoeve van het salaris van de bewindvoerder te betalen. Eiser heeft nog aangevoerd dat zijn vermogen beneden de bijstandsnorm is gekomen, zijn draagkracht nihil is en de toelating tot de wettelijke schuldsanering de noodzaak van bijstandsverlening aangeeft. Tot slot heeft eiser gesteld dat vele gemeenten voor deze kosten bijzondere bijstand verstrekken.

2.6. Bij verweerschrift heeft verweerder aangegeven dat primair de afwijzing van bijzondere bijstand is gebaseerd op de brief van de griffier waaruit volgt dat er geen betalingsverplichting is en dat in het bestreden besluit de afwijzing is aangevuld met de grond dat er voldoende saldo van € 3.000,00 aanwezig was waaruit de bijdrage kon worden voldaan. Verweerder is van mening dat de verplichting een minimale boedelbijdrage te betalen geen steun in de wet vindt en dat betaling van die bijdrage niet ten koste mag gaan van het in het kader van de schuldsanering vastgestelde vrij te laten bedrag. Verweerder heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat het begrip “minimale boedelbijdrage” geen steun vindt in de wet, evenmin als eisers stelling dat hij geen schone lei verklaring krijgt bij boedelachterstand door het niet betalen van de boedelbijdrage steun vindt in de Faillissementswet (Fw) of het toelatingsvonnis van de rechtbank tot de schuldsanering. Voor zover eiser heeft gewezen op de ter zake van de schuldsanering overeengekomen spelregels heeft verweerder erop gewezen dat die niet zijn overgelegd. Tot slot heeft verweerder gesteld niet te zijn toegekomen aan de beoordeling van eisers draagkracht op de grond dat het bestaan van de kosten in de visie van verweerder niet is aangetoond.

2.7. De rechtbank dient op basis van de aangevoerde beroepsgronden te beoordelen of het bestreden besluit de rechterlijke toets kan doorstaan. Voor zover verweerder eiser –kennelijk subsidiair- artikel 7:11, tweede lid, van de Awb heeft tegengeworpen, is de rechtbank van oordeel dat eiser doordat hij bij brief van 22 februari 2010 het maandelijkse bedrag waarvoor hij bijzondere bijstand vraagt, heeft gewijzigd, niet de grondslag van de aanvraag heeft verlaten, zodat er reeds daarom geen grond is om te concluderen tot strijdigheid met dat artikellid.

2.8. Ingevolge artikel 35, eerste lid, van de Wwb heeft de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm. Voor de vaststelling van de middelen en van het vermogen zijn artikel 31, tweede lid en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing.

Bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de WWB dient eerst beoordeeld te worden (1) of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens (2) of die kosten in het individuele geval van de alleenstaande of het gezin noodzakelijk zijn en daarna (3) of die kosten voortvloeien uit bijzondere individuele omstandigheden. Ten slotte dient de vraag te worden beantwoord (4) of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, op welk punt verweerder ingevolge genoemde bepaling een zekere beoordelingsvrijheid heeft. De omstandigheid dat de alleenstaande of het gezin al dan niet de mogelijkheid heeft gehad te reserveren voor de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd, is een aspect dat moet worden beoordeeld in het kader van de vraag of de zich voordoende, noodzakelijke kosten, voortvloeien uit bijzondere individuele omstandigheden.

2.9. Verweerder heeft in wezen de eerste vraag, of de kosten zich voordoen, ontkennend beantwoord. Daarbij heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat uit het systeem van de Fw en uit het toelatingsvonnis tot de schuldsanering van de rechtbank volgt dat eiser de salariskosten enkel verschuldigd is voor zover er toereikend actief in de boedel zit en dat bij onvoldoende actief geen of minder voorschot verschuldigd is dan wel dat in strijd met het vonnis en de systematiek van de Fw wordt gehandeld indien toch de minimale boedelbijdrage ter hoogte van het bewindvoerdersalaris wordt geïnd. Het ontbreken van de noodzaak om het voorschot op het bewindvoerdersalaris maandelijks te voldoen wordt in de visie van verweerder ook ondersteund door de regeling in artikel 320 van de Fw, die uitgaat van een maandelijks voorschot en een eindafrekening na ommekomst van de looptijd van de wettelijke schuldsanering, waaruit volgt dat pas ten tijde van de eindafrekening de (hoogte van de) betalingsverplichting vast komt te staan.

2.10. Artikel 295 van de Fw luidt, sedert 26 maart 2008, en voor zover relevant, als volgt:

1. De boedel omvat de goederen van de schuldenaar ten tijde van de uitspraak tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, alsmede de goederen die hij tijdens de toepassing van die regeling verkrijgt.

2. Van het inkomen en van periodieke uitkeringen onder welke benaming ook die de schuldenaar verkrijgt, wordt, onverminderd het derde lid, slechts buiten de boedel gelaten een bedrag gelijk aan de beslagvrije voet bedoeld in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

3. De rechter-commissaris kan op verzoek van de schuldenaar, de bewindvoerder dan wel ambtshalve bij schriftelijke beschikking het bedrag, bedoeld in het tweede lid, verhogen met een in die beschikking vast te stellen nominaal bedrag. De rechter-commissaris kan aan zijn beschikking voorwaarden verbinden en terugwerkende kracht verlenen.

4. …

5. …

6. …

2.11. Door het landelijk overleg van rechters-commissarissen insolventies (recofa) zijn in overleg met de Raad voor de rechtsbijstand richtlijnen voor schuldsaneringsregelingen opgesteld, onder meer voor de toepassing van de bevoegdheid in het derde lid van artikel 295 van de Fw. In die richtlijnen is neergelegd dat het vrij te laten bedrag (vtlb) wordt berekend aan de hand van het Rapport van de werkgroep rekenmethode Vtlb van recofa (hierna te noemen: het Rapport).Voorts is in die richtlijnen neergelegd dat het salaris van de bewindvoerder wordt vastgesteld overeenkomstig de daarvoor genoemde regels ook indien het boedelactief betaling daarvan niet toelaat en dat in het toelatingsvonnis wordt opgenomen dat, bij toereikend actief, gedurende de looptijd van de schuldsaneringsregeling aan de bewindvoerder een voorschot op het salaris wordt toegekend overeenkomstig het Besluit Salaris Bewindvoerder Schuldsaneringsregeling. Verder is in het Rapport opgenomen dat de schuldenaar in ieder geval het salaris van de bewindvoerder aan de boedel moet voldoen en dat indien de boedel niet toereikend is, de schuldenaar het salaris van de bewindvoerder uit het vtlb moet voldoen. Deze verplichting geldt volgens het Rapport tot de beslagvrije voet.

2.12. Uit het vorenstaande volgt dat in beginsel alle inkomsten boven de beslagvrije voet in de boedel vallen en dat op dit uitgangspunt op grond van de richtlijnen van recofa voor een aantal met name genoemde posten in het Rapport een inbreuk kan worden gemaakt in die zin dat een vtlb boven de beslagvrije voet kan worden vastgesteld. Die inbreuk wordt echter uitdrukkelijk niet gemaakt voor het bewindvoerdersalaris. Dat betekent dat indien en voor zover de schuldenaar (maandelijks) inkomsten heeft boven de beslagvrije voet, afdracht aan de boedel in elk geval verplicht is tot het bedrag van het bewindvoerdersalaris.

Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat er voor de afdracht aan de boedel ten bedrage van het bewindvoerdersalaris op grond van het bepaalde in artikel 295, tweede lid, van de Fw bezien in samenhang met het Rapport, een betalingsverplichting geldt voor (een voorschot op) het salaris van de bewindvoerder indien en voor zover het inkomen van betrokkene de beslagvrije voet overstijgt en in de boedel vloeit.

Dat die minimale boedelafdracht in artikel 320, tweede lid, van de Fw en in het toelatingsvonnis van de rechtbank wordt aangeduid als voorschot doet aan het ontstaan van de afdrachtverplichting, en derhalve aan de betalingsverplichting, geen afbreuk. Vorenstaande conclusie is kennelijk ook grond voor de bestaande praktijk dat het bewindvoerdersalaris maandelijks van de inkomsten wordt afgeboekt, ongeacht of daarmee het vtlb wordt aangetast.

Voor zover verweerder heeft betoogd dat het bewindvoerdersalaris op grond van het toelatingsvonnis enkel verschuldigd is bij toereikend actief in de boedel, welke formulering voortvloeit uit meergenoemde recofa-richtlijnen, is de rechtbank van oordeel dat daarmee kennelijk is bedoeld dat het bewindvoerdersalaris verschuldigd is indien er inkomsten zijn boven de beslagvrije voet. Overigens gaat ook het Besluit salaris bewindvoerder schuldsanering in samenhang met het Besluit subsidie bewindvoerder schuldsanering uit van een bestaande betalingsverplichting.

2.13. In zijn uitspraken van 10 juni 2008 (LJN: BD4040) en van 29 juni 2010 (LJN: BM9799) heeft de Centrale Raad van Beroep uitgesproken dat, in aanmerking genomen het vonnis van de rechtbank tot het van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling, de daarbij in het individuele geval gemaakte afwegingen en het daarbij vastgestelde salaris van de bewindvoerder, in het kader van de toepassing van de Wwb de noodzaak van de schuldsaneringsregeling uitgangspunt voor het College van burgemeester en wethouders dient te zijn. Daarmee staat tevens vast dat de salariskosten van de door de rechtbank benoemde bewindvoerder moeten worden aangemerkt als uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan. Bij beantwoording van de vraag of tot verlening van bijzondere bijstand moet worden overgegaan, zal steeds moeten worden beoordeeld of de kosten van de bewindvoerder zich voor de betrokkene ook daadwerkelijk voordoen. In de door de CRvB beoordeelde casus in de uitspraak van 29 juni 2010 was de conclusie dat de kosten waarvoor bijzondere bijstand werd gevraagd zich niet voordeden op de grond dat de boedel geen ruimte bood voor betaling van het voorschot op het salaris van de bewindvoerder zoals door de rechtbank vastgesteld.

2.14. Het voorgaande betekent dat eiser de salariskosten van bewindvoering verschuldigd is en verplicht is tot betaling van het voorschot op het salaris van de bewindvoerder, voor zover eisers inkomen boven het bedrag van de beslagvrije voet maandelijks in de boedel vloeit, zodat de thans als eerste aan de orde zijnde vraag bij de toepassing van artikel 35 van de Wwb bevestigend dient te worden beantwoord. Eisers beroep op dat punt slaagt dan ook.

2.15. Voor zover verweerder voor de voldoening van de salariskosten verwijst naar een bedrag van € 3.000,00 heeft eiser ter zitting verklaard dat dit een belastingteruggave is wegens ziektekosten en dat er met de rechtbank in het kader van de WSNP is afgesproken dat dit niet in de boedel valt maar ten behoeve van ziektekosten maandelijks aan eiser wordt uitbetaald voor ziektekosten. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat van de zijde van eiser desgevraagd zou zijn aangegeven dat dit bedrag voor de schuldeisers was. Nu voor beide standpunten enig begin van bewijs ontbreekt, oordeelt de rechtbank dat in zoverre het bestreden besluit een voldoende zorgvuldige voorbereiding en deugdelijke motivering ontbeert. Ook in zoverre slaagt eisers beroep.

2.16. Op grond van het vorenstaande dient het beroep van eiser gegrond te worden verklaard en het bestreden besluit te worden vernietigd. Verweerder zal opnieuw op het bezwaar van eiser moeten beslissen met inachtneming van deze uitspraak.

2.17. Met het oog op de nieuwe besluitvorming op de bezwaren overweegt de rechtbank nog als volgt. Uit de hiervoor vermelde uitspraak van de CRvB van 10 juni 2008 volgt dat de CRvB de in overweging 2.8. beschreven vragen 2 en 3 bevestigend beantwoordt. Daarbij is overwogen dat uit het toelatingsvonnis van de rechtbank volgt dat in het kader van de toepassing van de Wwb de noodzaak van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van betrokkene uitgangspunt dient te zijn en dat daarmee ook vaststaat dat de salariskosten van de door de rechtbank benoemde bewindvoerder moeten worden aangemerkt als uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan in de zin van artikel 35, eerste lid, van de Wwb. De rechtbank ziet geen grond om in de thans aan de orde zijnde zaken deze vragen 2 en 3 anders te beantwoorden dan de CRvB in de uitspraak van 10 juni 2008 heeft gedaan.

Vervolgens dient nog de vraag te worden beantwoord (4) of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, op welk punt verweerders ingevolge genoemde bepaling een zekere beoordelingsvrijheid hebben.

2.18. De rechtbank acht verder termen aanwezig om verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep, een en ander overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen wordt twee punt toegekend (één voor het beroepschrift en één voor het verschijnen ter zitting). Het gewicht van de zaak wordt bepaald op gemiddeld, hetgeen correspondeert met de wegingsfactor 1. De waarde per punt bedraagt voor deze zaak € 437,00.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat verweerder opnieuw beslist op het bezwaar van eiser tegen het besluit van 26 oktober 2009 met inachtneming van deze uitspraak;

veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiser begroot op € 874,00 (wegens kosten van rechtsbijstand) te betalen aan de griffier der gerechten in het arrondissement Roermond;

bepaalt dat verweerder aan eiser het door of namens deze betaalde griffierecht ten bedrage van € 41,00 volledig vergoedt.

Aldus gedaan door mr. T.M. Schelfhout in tegenwoordigheid van J.N. Buddeke als griffier en in het openbaar uitgesproken op 5 november 2010.

w.g. J.N. Buddeke,

griffier w.g. mr. T.M. Schelfhout,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

verzonden op: 5 november 2010

Een belanghebbende en het bestuursorgaan kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Ingevolge artikel 6:5 van de Awb bevat het beroepschrift een of meer gronden tegen de uitspraak en moet een afschrift van de uitspraak bij het beroepschrift worden overgelegd.