Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2010:BO1814

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
27-10-2010
Datum publicatie
27-10-2010
Zaaknummer
04/850184-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

zaak van de dood van hulpverlener te Heythuysen, rechtbank acht verdachte schuldig aan moord, verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar en legt TBS met dwangverpleging op

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector strafrecht

Parketnummer: 04/850184-10

Datum uitspraak: 27 oktober 2010

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Roermond, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats],

thans gedetineerd in [detentieadres].

1.Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 13 oktober 2010.

2.De tenlastelegging

De verdachte staat terecht ter zake dat:

hij op of omstreeks 15 april 2010 te Heythuysen, in elk geval in de gemeente Leudal, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer] (meermalen) met een mes, in elk geval een scherp voorwerp, in het (boven)lichaam en/of hoofd gestoken en/of gesneden, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

(artikel 289 Wetboek van Strafrecht)

althans indien ter zake het vorenstaande onder 1 geen veroordeling zou volgen:

hij op of omstreeks 15 april 2010 te Heythuysen, in de gemeente Leudal, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet die [slachtoffer] (meermalen) met een mes, in elk geval een scherp voorwerp, in het (boven)lichaam en/of hoofd gestoken en/of gesneden, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

(artikel 287 Wetboek van Strafrecht).

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3.De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4.De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5.De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

6.Schorsing der vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7.Bewijsoverwegingen

7.1.Standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 13 oktober 2010 gevorderd dat, om redenen zoals vervat in haar schriftelijk requisitoir, het primair ten laste gelegde zal worden bewezen verklaard. De officier van justitie heeft daartoe – kort samengevat – aangevoerd dat uit de bij verdachte aangetroffen notities blijkt dat verdachte al langere tijd bezig was met het beramen van plannen teneinde het slachtoffer te doden en dat verdachte voorts ook al spullen had aangeschaft teneinde deze plannen uit te voeren.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde, wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs met betrekking tot de voorbedachte rade en de opzet op het doden van het slachtoffer. Daartoe heeft de verdediging - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd.

Ten eerste dienen een aantal bewijsmiddelen wegens het achterwege laten van de (Salduz) cautie van het bewijs te worden uitgesloten. Het betreft alle verklaringen van verdachte welke hij heeft afgelegd tussen het moment van de aanhouding en zijn voorgeleiding aan de hulpofficier van justitie alsmede de gegevens uit de mobiele telefoon van verdachte en daaraan gerelateerde verklaringen. Immers, verbalisanten hebben verzuimd verdachte de cautie te geven voordat zij naar de pincode van zijn telefoon vroegen. Voorts kan hetgeen verdachte jegens de forensisch arts heeft verklaard en door verbalisanten is gerelateerd eveneens niet tot het bewijs worden gebezigd, nu verdachte zich niet heeft gerealiseerd dat bij dit onderzoek verbalisanten aanwezig waren en de arts een geheimhoudingsplicht heeft, welke zonder toestemming van verdachte door deze gang van zaken is geschonden.

De verdediging betwist dat er sprake zou zijn van voorbedachte rade. Verdachte heeft nooit bewust het besluit genomen om het slachtoffer te doden, noch op het moment dat hij de notities maakte, noch op het moment dat het gevecht ontstond. Een deel van de notities hebben weliswaar een geweldadige inhoud en zijn gericht op [slachtoffer], maar handelen verder over de dagelijkse gang van zaken. Verdachte heeft hierin zijn angsten beschreven. De notities geven geen blijk van de realiteit en kunnen niet worden gezien als onderdeel van een moordplan.

Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte geen opzet had op de dood van het slachtoffer. Hij werd gedreven vanuit een voor hem reële angst voor het slachtoffer. Het bestaan van deze angst wordt bevestigd door de rapporten van de psychiater en de psycholoog.

Verdachte is terechtgekomen in een noodweer dan wel noodweerexces situatie. Gelet op zijn gemoedstoestand heeft verdachte zich niet kunnen realiseren dat hij het slachtoffer van het leven beroofde, noch dat hij bleef doorgaan met steken. Verdachte was er voorts van overtuigd dat het slachtoffer nog leefde toen hij hem naar de berging versleepte, zodat ook daaruit geen opzet op de dood kan worden afgeleid. Daarbij heeft de verdediging aangegeven dat de door de officier van justitie geschetste gang van zaken onvoldoende steun vindt in het dossier, daarbij mede in aanmerking genomen de sturende ondervraging van de verbalisanten tijdens de verhoren van verdachte.

De officier van justitie betwist dat er sprake is van een sturende vraagstelling door de politie. Het enkel voor houden van aangetroffen bewijs tijdens een verhoor en de verdachte in de gelegenheid stellen daarop te reageren is geen sturende vraagstelling. Het had de verdediging overigens vrij gestaan de opnames die gemaakt zijn te bekijken, edoch van deze mogelijkheid heeft de verdediging geen gebruik gemaakt.

7.2.Bewijsmiddelen en overwegingen van de rechtbank

De rechtbank zal de verklaringen die door de verdachte zijn afgelegd alvorens hij met een advocaat heeft kunnen spreken niet bezigen als bewijs. Ditzelfde geldt voor hetgeen verdachte tijdens zijn behandeling door de forensisch arts heeft gezegd en de informatie uit de gsm van verdachte. De door de verdediging dienaangaande aangevoerde verweren behoeven dan ook geen verdere bespreking.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat niet gebleken is dat verdachte op ongeoorloofde wijze zou zijn ondervraagd door de politie en wordt datgene wat door verdachte wordt verklaard en door de rechtbank als bewijs wordt gebruikt, bevestigd door andere bewijsmiddelen.

De overtuiging van de rechtbank dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen .

Het genoemde geschrift is slechts gebruikt in verband met de inhoud van de overige bewijsmiddelen.

Feitelijke gebeurtenissen

Op 15 april 2010 om 20.20 uur komt bij de politie een melding van de heer [getuige] binnen inhoudende dat er bij zijn boven[adres] te Heythuysen een grote ruzie gaande is tussen twee mannen. De man die boven hem woont, heeft een mes in zijn hand en de andere man bloedt als een rund. Zij zijn de trap afgekomen en daar zijn zij weer ruzie aan het maken.

Naar aanleiding van deze melding gaat een aantal verbalisanten ter plaatse en uit de door hen opgemaakte processen-verbaal blijkt het volgende.

Wanneer verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] als eerste ter plaatse komen, bellen zij aan bij de nummers [nummer] en [nummer]. Op nummer [nummer] wordt de intercom beantwoord, maar wordt niet opengedaan. Verbalisanten worden door een andere bewoner binnen gelaten en treffen bij het betreden van de hal een man aan met bloed aan zijn hoofd, handen en kleding. Op vragen van verbalisanten geeft de man aan te zijn genaamd: [verdachte], wonende aan de [adres]. Op de vraag hoe de man aan zijn verwondingen op zijn hoofd komt, antwoordt verdachte: “Dat heeft [slachtoffer] uit [plaats] gedaan. [slachtoffer] is weg. Ik ben niet gestoken. Hij heeft met zijn vuisten geslagen”. Verdachte draagt op dat moment een leeg zwart foedraal voor een steekwapen aan zijn riem. Verbalisant [verbalisant 2] vraagt verdachte naar de sleutels van zijn woning, nu zij eerder had geconstateerd dat verdachte deze bij zich droeg. In eerste instantie ontkent verdachte deze bij zich te hebben, maar uiteindelijk overhandigt hij ze toch.

Verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] betreden met deze sleutels de woning van verdachte om uit te sluiten dat er nog iemand in de woning is. Op de galerij zien zij bloed op de klink van de voordeur van verdachte. In de woning nemen zij in de hal en woonkamer met open keuken bloedspetters en

-vegen op de vloer en muren waar. Zij zien in de woonkamer een houten tafel die in twee stukken ligt en verder staan er diverse meubelstukken in een vreemde positie, wat bij hen de indruk wekt dat er een worsteling heeft plaatsgevonden. In de woning wordt verder niemand aangetroffen.

Verbalisant [verbalisant 4] is inmiddels ter assistentie gekomen en ziet vanaf de galerij voor de woning van verdachte bloed op de vloer van de eerste verdieping voor de houten stalletjes behorende bij de woningen. Hij ziet dat er bloedsporen vanuit de tweede verdieping over de linker metalen wenteltrap naar de eerste verdieping lopen. Bij de toegangsdeur onder de trap ligt een grote plas bloed en er zijn sleepsporen van bloed vanuit de wenteltrap naar het tweede stalletje aan de rechterzijde. Hij ziet bloed aan de onderkant van de deur en klink van het stalletje. De deur van het stalletje is afgesloten en wordt door verbalisant [verbalisant 2] met de sleutels van de woning van verdachte geopend. In het stalletje ligt een man in een onnatuurlijke houding in een grote plas bloed op de grond. Door de ter plaatse gekomen ambulancemedewerker wordt na controle vastgesteld dat de man is overleden en dat hij diverse steekwonden in zijn gezicht heeft.

Tijdens het forensisch onderzoek wordt in de keuken van verdachte in een wasbak gevuld met een heldere licht rood gekleurde vloeistof een op een dolk gelijkend voorwerp aangetroffen en veiliggesteld. Uit nader onderzoek blijkt dat het aangetroffen mes kan worden geborgen in het door verdachte gedragen foudraal.

Het rapport naar aanleiding van het pathologisch onderzoek opgemaakt door dr. A. Maes, arts en patholoog, wijst uit dat tijdens de op 16 april 2010 verrichte uit- en inwendige schouwing op het lijk van [slachtoffer], is gebleken dat er sprake is van circa 46 scherprandige perforaties, alle met het aspect van steek- en snijletsels. De letsels bevinden zich overwegend aan het hoofd, in het gezicht en de bovenzijde van de romp en ledematen. In relatie met de meeste steekletsels zijn er steekkanalen aangetroffen die variërend van enkele centimeters tot maximaal elf centimeter diep in het lichaam reiken en waarbij basale delen van de hersenen en de hersenstam zijn geraakt alsmede de rechterlong is geperforeerd. De meeste steekkanalen lopen schuin voetwaarts in het lichaam. De letsels zijn bij leven opgelopen door het steken en snijden met een mes en kunnen zijn toegebracht door het in de woning van verdachte aangetroffen mes. Het overlijden is het gevolg van het door alle steekletsels gezamenlijk veroorzaakte bloedverlies en weefselschade in combinatie met functieverlies van de hersenen door steekletsel in de hersenen.

Uit het bloedsporenonderzoek kan worden afgeleid dat het eerste bloedende letsel vermoedelijk is veroorzaakt bij de omgevallen eettafel in de woonkamer van verdachte. Vermoedelijk zijn het slachtoffer en verdachte daarna via de woonkamer en de gang uit de woning linksaf de galerij opgegaan. Vanuit de galerij zijn zij de metalen trap afgegaan waar het steekincident zich heeft voortgezet. Onder aan de trap is het slachtoffer uiteindelijk ten val gekomen en mogelijk verder verwond. Het slachtoffer heeft vermoedelijk proberen te vluchten door de onder de trap aanwezige deur. Uiteindelijk is het slachtoffer onder de trap terecht gekomen en is hij versleept naar de bij de woning behorende berging, in welke het levenloze lichaam van het slachtoffer later is aangetroffen.

Het beeld dat uit bloedsporenonderzoek naar voren komt, wordt voor een belangrijk deel bevestigd door de verklaring getuige [getuige] (hierna te noemen: [getuige]), zijnde de benedenbuurman van verdachte. Getuige [getuige] verklaart dat hij zich omstreeks 20.00 uur samen met zijn vrouw in de woonkamer van hun woning aan de [adres] te Heythuysen bevindt wanneer zij een geweldig lawaai uit woning van verdachte horen. Het lijkt op het geluid van een vallende kast. [getuige] loopt naar het terras aan de achterzijde van zijn woning en ziet dat de voordeur van verdachte openstaat. Vervolgens ziet hij dat [slachtoffer], die hij herkent aan zijn jas en gezien het feit dat zijn auto op straat staat geparkeerd, uit de woning van verdachte naar buiten komt kruipen. Eenmaal buiten staat [slachtoffer] op en rent hij over de balustrade in de richting van de trap met de draai erin. Verdachte komt ook uit zijn woning en rent achter [slachtoffer] aan. Op het moment dat [slachtoffer] halverwege de trap is, haalt verdachte hem in en pakt hem bij zijn haren vast. [getuige] ziet dat het gezicht van [slachtoffer] onder het bloed zit en dat beide armen van verdachte bebloed zijn. Verdachte slaat [slachtoffer] en beide gaan al worstelend de trap af naar beneden. Hij hoort [slachtoffer] roepen en ziet dat verdachte [slachtoffer] tussen zijn benen schopt. Op dat moment ziet [getuige] een mes met het lemmet naar beneden wijzend in de hand van verdachte. Nadat [getuige] de politie heeft gebeld, ziet hij dat verdachte uit zijn houten berging komt en naar de trap loopt. Hij ziet dat alles onder het bloed zit.

De verklaring van getuige [getuige] past in de resultaten van het technisch onderzoek. De verklaring dat verdachte het slachtoffer op de trap bij de haren vast pakt, wordt bevestigd door het aantreffen van plukken haar met name op de trap .

Verdachte verklaart ter terechtzitting over twee incidenten waarbij hij heeft gestoken. Het eerste steekincident vindt plaats in de woning van verdachte. Verdachte verklaart hierover dat hij het mes in het hoesje aan zijn riem had zitten en dat hij de hele tijd op het slachtoffer heeft ingestoken, waarna het slachtoffer naar buiten is gelopen. Verdachte is kwaad en loopt hem achterna. Buiten raken zij weer in gevecht, waarbij verdachte het slachtoffer beneden bij de trap wederom steekt.

Opzet

Anders dan de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat verdachte opzet op de dood van [slachtoffer] heeft gehad. Verdachte heeft met een mes circa 46 maal voornamelijk op het bovenlichaam, het hoofd en in het gezicht gestoken. De handelingen van verdachte waren naar hun aard gericht op het toebrengen van dodelijk letsel aan het slachtoffer. Het slachtoffer is geraakt in of nabij vitale lichaamsonderdelen, zoals de longen en basale delen van de hersenen en hersenstam. Verdachte had dan ook het opzet op het overlijden van [slachtoffer].

Voorbedachten rade

In de woning van verdachte worden in de woonkamer en slaapkamer verschillende losse aantekeningen en notitieboekjes aangetroffen en in beslag genomen . Uit onderzoek naar de inhoud van de aantekeningen en notitieblokjes blijkt het volgende.

In een kladbokje aangetroffen op de computertafel zijn onder andere de navolgende handgeschreven teksten aangetroffen :

“The perfect murder for [slachtoffer] Hoe gaat dat in zijn werk van a tot z.”

“Rust not in peace. Ik regel [slachtoffer] Ik maak [slachtoffer] op een mooie manier koud.”

“Release [slachtoffer] from his life burn his head the war win it atackwate.”

In het notitie blokje uit de houten kast in de woonkamer zijn onder andere de navolgende handgeschreven teksten aangetroffen :

“[slachtoffer] hoeft maar 1 keer verkeert iets naar mij en hij is er geweest. [verdachte].”

“[slachtoffer] dood RIP Kapot. [slachtoffer] dood. De vraag is wanneer Zal dat gebeuren train for impact. Pre Pair for this impact.”

“We gaan fysiek worden [slachtoffer] met elkaar tegen elkaar. Zwaartekracht op [slachtoffer] figuurlijk. Overbrengen moet. Train het.”

“[slachtoffer] Dead ceep it clean.”

“Ik ben docter [slachtoffer] en ik ben ervoor getraind. [slachtoffer] a rotten son of a bitch. Lieve deugd slash [slachtoffer] troat vloeiend door.”

“[slachtoffer] troat slash uitwerken.. Alles moet tegelijk gebeuren.. hoofd achterover keel vrij en de Slash. Het is je vrijheid dus in controle hebben al kom je in de bak. [verdachte].”

“War is in you don’t fight the slash. Dit moet je operationeel maken naar [slachtoffer], Je zit er aan vast. Geen andere uitweg slager. Ik heb het uitgewerkt.”

“Het mes en ik zijn 1. hubo zakmes-houder doeland.”

“Zon. Middag [slachtoffer] op de koffie uitnodigen kijken heo het gaat. Anders toeslaan of het zover is of niet.”

“We weten elkaar situatie niet LINKE SOEP Take [slachtoffer] dead Line 30 maart.”

“[slachtoffer] makes me kill him only way tot stop him and his terror. Amen.”

“Voorbereiding doortrekken. Voorbereiding treffen. Wat moet ik met [slachtoffer] doorheen.”

“Voorbereidingen doortrekken. Kom maar in mijn hoek staan [slachtoffer] [slachtoffer] staat in je hoek want het moet dat gedoe.”

“Er moet zeg maar een tussenspoel zitten tussen [slachtoffer] en mij. Anders lukt het niet. Tot de dood brengen die gast.”

“The drill for the kill life arround dead in the centre. Het effect van de opbrengst moet voldoende zijn. Doorloop het.”

“Geef hem eerste een knal voor z’n toeter uitlokken onderkaak intake. Take in doen.”

“I’m not perfect for [slachtoffer] that’s the right pressuer. That’s the force I use yo.”

Op schriftelijke bescheiden uit de keukenlade zijn onder andere de onderstaande handgeschreven teksten aangetroffen .

“[slachtoffer] is mine. I must take [slachtoffer] a soon as possible.”

“Bestel nachtkijkers prestige package barst musicstore call of duty.”

“Bosplek, handzaag, rubberhandschoenen. See it all as a training bekijk alles als een training.”

“Adem rustig in als je de trekker overhaalt. Mk een bioscoop afspraak 8.00 20.00 op de koffie. Coverup day after.”

“Give [slachtoffer] the effect of dead.”

“Mission [verdachte]: deliver [slachtoffer] to hell.”

“[slachtoffer] is uitgevoerd het moet. Neem hem leeg [slachtoffer] grows Crimineel [slachtoffer].”

“[slachtoffer] is dood! And I’m a deadrider ghostrider.”

“Set up plan Begin ------ Eind To murder [slachtoffer] mme love protect yourself against [slachtoffer]”

Op schriftelijke bescheiden en aantekeningen uit het nachtkastje zijn onder andere de onderstaande uitdraaien en handgeschreven teksten aangetroffen .

Uitdraai [bank]: “[bioscoop], bedrag € 20,- omschrijving [tickets]. Datum en tijd 15 april 2010.”

“Ik voel niets meer voor [slachtoffer] het laat me koud Burn [slachtoffer] up.”

“Schakel [slachtoffer] uit. A must: schakel [slachtoffer] uit [verdachte].”

“Murder [slachtoffer] Strike [slachtoffer] Strikeplan [slachtoffer] Ik heb cash geld van het dealen in kist bedragen. Ik wil je laten zien op terrein van b-berg. Heb alvast snij keel door en heb alsvast kan benzine klaar staan.”

“Dat [slachtoffer] mij helpt betekent onheil! Hoelang gaat het door?hoe loopt het af? Het moet gestopt worden, [verdachte]! Ik ga [slachtoffer] met een mes bewerken omdat het moet.”

“Moet je [slachtoffer] met een mes bewerken of heb je een keus. Er is altijd een keus. En daar kies ik voor.”

“How is [slachtoffer] gonna end op liver. Choice for life. Do I had to kill him. His Choice.”

“[slachtoffer] is a monster. I’m a monsterkiller.”

“A must take him down Rubber hand gloves.”

“Go in darkness. Nightvision. Uitklapbare schep.”

Tijdens de fouillering van verdachte is eveneens een notitieblokje aangetroffen, waarin onder andere de navolgende handgeschreven teksten zijn aangetroffen .

“Prepare het wordt deze week of anders zeker de volgende Week.”

“Voor vrijheid is het waard te sterven [slachtoffer] mummificeren. Sterk water his eyes.”

“Als we naar de film of zo toe gaan uitgaan of alleen als het kan.”

“[slachtoffer] is binnenkort afgerond.”

“Aanknopingspunt [slachtoffer] operatie [slachtoffer] van binnen uit peintreren [slachtoffer] is war.”

“he has no feelings so he’s gonna die! Vieu! Rambo first Blood drink that.”

“live for nothing or die with a purpose clean. Breng dood over naar [slachtoffer] Bring over dead to [slachtoffer] Vast. Compact. Dicht.”

“Bring dead to [slachtoffer] over. Bring dead over to [slachtoffer] compact work it out 110%. Man. Do it. Maak er iets van iets moois.”

“Alles vloeiend vloeiend over laten komen. Mine state is clear. In 3 stappen van [slachtoffer] af. Een totaalpakket met deadline.”

Verdachte bevestigt ter terechtzitting dat hij met [slachtoffer] [slachtoffer] bedoelt.

Op de computer van verdachte wordt een Word-document aangetroffen dat is aangemaakt op 20 januari 2010 en op 9 april 2010 voor de laatste keer is geopend dan wel bewerkt, inhoudende:

Opdracht; [verdachte] fysieke (lichamelijke) gedeelde

1) onderwerp; [slachtoffer] uitschakelen

2) gereedschap; kruisboog 150 ponds

3) materiaal; 1. boardheads pijlpunten, 2. scherpe handzaag/elektrische zaag. 3.

vuilniszakken, 4. natte handdoek en dekbed overtrek, 5. flesje benzine

1 liter, 6. metalen schepje, 7. led light lamp, 8. nachtkijker, 9. laser sight, 10. rugzak, 11. rubberen handschoenen

4) alleen of gezamenlijk; alleen

5) doel; tegen onderdrukking en terreur

Deze operatie wordt uitgevoerd door; [verdachte]

6) reden; selected for termination, to help humanity

7) hulp of alleen; alleen

8) tijdsbestek; 1,5-2 uur

Eventuele weerstand; non

Opmerkingen; hak hem d’r in !!!!!!!!!!!

ALLES MOET WARM DRAAIEN

Zaag bij [bouwmarkt] kopen anders bij [bouwmarkt online] bestellen metalen universele beugelzaag 30 cm 20,-

In de afvalcontainer is uitgesloten, moet het zelf verbranden en begraven. Oefen eerst met schieten en richten op karton met daarachter een houten plank met een honing meloen er tussen in of iets dergelijks/zodanig.

150/200 gram pijl met 200 km per uur op een afst. Van nog geen 10 meter

scherpe pijlpunt zit er dan op.

Het vervoeren naar de plaats is ongeveer 1500 meter dat op de scooter ’s avonds gebeurd. Of overdag met de backpak op richting de [plaats] of naar voetgangersgebied [naam] 8 km verder, is wel onbekend gebied.

In de notities en in het document worden een aantal goederen genoemd, welke in de woning worden aangetroffen dan wel reeds zijn besteld. Uit nader onderzoek naar deze goederen blijkt het volgende.

Verdachte heeft op 1 april 2010 via internet een kruisboog besteld, welke volgens de leverancier nog niet werd geleverd, omdat deze niet op voorraad was .

Op 6 april 2010 heeft verdachte via internet een miniklapschop en een hoofdlamp gekocht . Beide artikelen alsmede rubberen handschoenen en een [merk] fles met benzine zijn in de slaapkamer van verdachte aangetroffen . Verder is er een zaag in een tas van [bouwmarkt] met daarbij een kassabon d.d. 7 april 2010 aangetroffen .

Voorts is er nader onderzoek uitgevoerd naar het door verdachte gehanteerde mes, daaruit blijkt dat op 12 april 2010 door verdachte via internet een bestelling is geplaatst voor een mes en een veldfles. Uit in de slaapkamer aangetroffen uitdraaien van internetbankieren blijkt dat er op 12 april 2010 een betaling [bedrijf]. Bovendien is op een slaapkamer een verpakking van een postpakket aangetroffen gericht aan verdachte en afkomstig van [bedrijf]. De verkoper heeft verklaard dat de bestelling voor een mes en een veldfles van 12 april 2010 waarschijnlijk op 14 april 2010 bij verdachte is afgeleverd .

Wanneer verdachte bij de politie wordt geconfronteerd met bovengenoemd Word-document en de goederen die zijn aangetroffen in zijn woning, is zijn antwoord:

“Met deze spullen heb ik [slachtoffer] willen uitschakelen, maar dit zijn niet de spullen waarmee ik het gedaan heb.”

Tenslotte wordt in bovengenoemde notities in verband met [slachtoffer] enkele keren gesproken over het maken van een (bioscoop)afspraak, hetgeen wordt bevestigd door getuige [benadeelde partij] , zijnde de vrouw van het slachtoffer. Zij verklaart dat haar man op 15 april 2010 omstreeks 19.45 uur naar binnen is gekomen om zich om te kleden. Hij moest namelijk naar verdachte, want die had hem uitgenodigd voor de film. Verdachte zou kaartjes geregeld hebben. Verder verklaart zij dat dit de eerste keer was dat dit op initiatief van verdachte gebeurde. Verdachte en het slachtoffer gingen wel vaker samen naar de film of uit eten, maar zij had het idee dat meestal het initiatief van haar man kwam.

Gelet op bovenstaande bewijsmiddelen is de rechtbank - anders dan de raadsvrouw - van oordeel dat de daad het gevolg is geweest van een enige tijd tevoren door verdachte genomen besluit en dat onder genoemde omstandigheden van het willens en wetens met een vooropgezet plan handelen door verdachte kan worden gesproken. Immers, heeft verdachte het Word-document waarin hij zijn plan lijkt te hebben uitgewerkt reeds op 20 januari 2010 aangemaakt en komen er in zijn notities veelvuldig passages met betrekking tot het doden van [slachtoffer] voor. Voorts heeft verdachte niet alleen plannen gemaakt, hij heeft bovendien een aantal goederen, zoals genoemd in het document en de notities aangeschaft en hij heeft er voor gezorgd dat [slachtoffer] de betreffende avond naar zijn woning kwam. De rechtbank is van oordeel dat verdachte in het tijdsverloop tussen het nemen van dat besluit en de uitvoering daarvan heeft kunnen nadenken over, en zich rekenschap heeft kunnen geven van, de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad.

Niet gebleken is dat verdachte geen enkel inzicht had in zijn handelen en de strekking daarvan. Het tegendeel is waar. Verdachte wilde het slachtoffer dood, heeft de nodige plannen bedacht hoe dit te kunnen uitvoeren en heeft vervolgens zijn doel verwezenlijkt. Hieruit vloeit opzet en voorbedachte rade voort. Dat de plannen van verdachte het slachtoffer te doden voortkwamen uit zijn paranoïde waanideeën (zie onder 9) doet aan voorstaande niet af.

7.3.Bewezenverklaring

Op grond van voormelde bewijsmiddelen en overwegingen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 15 april 2010 te Heythuysen opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer] meermalen met een mes in het bovenlichaam en hoofd gestoken en gesneden, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen.

Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de kwalificatie

8.1.De strafbaarheid

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, nu er sprake was van noodweer aan de zijde van verdachte. Daartoe heeft zij - zakelijk weergegeven - aangevoerd dat er bij verdachte, gelet op de inhoud van de rapporten van de psychiater en psycholoog, sprake was van een voor hem reële angst voor het slachtoffer en hij zich door het slachtoffer bedreigd voelde, waardoor hij zich genoodzaakt voelde zich te verdedigen. Voorts was er ook sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, nu uit de verklaring van verdachte blijkt dat het slachtoffer hem in de woning op de grond heeft gegooid en zijn keel heeft dichtgeknepen. Verdachte is daarna weliswaar achter het slachtoffer aan naar buiten gegaan, maar ook daar is sprake geweest van een wederrechtelijke aanranding van verdachte door het slachtoffer, te weten op het moment dat het slachtoffer het mes van verdachte heeft afgepakt.

De rechtbank overweegt dat in beginsel een beroep op noodweer niet kan slagen in deze zaak op grond van de hiervoor onder 7.2 en 7.3 gegeven overwegingen. De rechtbank acht immers moord wettig en overtuigend bewezen. Voorts merkt de rechtbank op dat de feiten die door de verdediging gesteld worden ter onderbouwing van het beroep op noodweer weerlegd worden door de overige bewijsmiddelen. Immers, de verklaring van verdachte inhoudende dat hij zijn mes uit zijn foedraal heeft gepakt en op het slachtoffer heeft ingestoken op het moment dat hij zelf op de grond lag en het slachtoffer zijn keel dicht kneep, komt niet overeen met de resultaten van het pathologisch onderzoek. Hieruit blijkt dat het letsel van het slachtoffer was gelokaliseerd op zijn bovenlichaam, hoofd en gezicht. Bovendien liepen de meeste steekkanalen schuin voetwaarts in het lichaam, waaruit de rechtbank afleidt dat er sprake is geweest van bovenhands steken, in elk geval een stekende beweging die van boven naar beneden ging. Er zijn geen enkele steekkanalen of verwondingen aangetroffen (bijvoorbeeld in de zij van het slachtoffer) die sporen met de verklaring van verdachte. De bij het pathologisch onderzoek geconstateerde verwondingen komen bovendien overeen met hetgeen getuige [getuige] heeft verklaard met betrekking tot hetgeen zich buiten de woning van verdachte heeft afgespeeld. Uit de verklaring van getuige [getuige] komt naar voren dat het slachtoffer kruipend de woning van verdachte uitkwam en hij vervolgens op de trap werd achterhaald door verdachte, die hem bij zijn haren vastpakte en te lijf ging. Op het moment dat beiden onderaan de trap waren beland, zag [getuige] een mes met het lemmet naar beneden wijzend in de hand van verdachte. Dus ook de stelling van de verdediging dat het slachtoffer buiten de woning het mes zou hebben afgepakt van verdachte wordt derhalve door andere bewijsmiddelen weerlegd.

Ook overigens bevat het dossier geen aanwijzingen die de verklaring van verdachte over hetgeen heeft plaatsgevonden, ondersteunen, zodat de rechtbank het beroep op noodweer verwerpt.

8.2.Kwalificatie

Het ten laste van verdachte bewezenverklaarde levert op het navolgende strafbare misdrijf:

moord.

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht.

9.De strafbaarheid van verdachte

Nu de rechtbank op grond van de hiervoor onder 8.1 gegeven overwegingen tot het oordeel komt dat er geen sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachte door het slachtoffer, verwerpt zij eveneens het door de raadsvrouw gedane beroep op noodweerexces.

De rechtbank is - met de officier van justitie en de raadsvrouw - van oordeel dat het feit niet kan worden toegerekend aan verdachte en overweegt daartoe het volgende.

Door de psychiater drs. J.R. Nijdam is omtrent de geestvermogens van verdachte op 28 juli 2010 een rapportage uitgebracht. De deskundige geeft aan dat verdachte lijdt aan een gebrekkige ontwikkeling en ziekelijk stoornis van zijn geestvermogens. Verdachte lijdt aan een autistische of pervasieve stoornis en een psychotische stoornis niet anders omschreven. Daarnaast is er sprake van afhankelijkheid van cannabis. Ten tijde van het ten laste gelegde zijn zowel de autistische als de psychotische stoornis aanwezig geweest. De deskundige geeft aan dat verdachte een waansysteem richting het slachtoffer heeft ontwikkeld. Deze psychose verergerde doordat verdachte alleen kwam te staan en steeds meer cannabis gebruikte. Uit verdachtes relaas en uit de aangetroffen aantekeningen komen voldoende aanwijzingen naar voren om vast te stellen dat verdachte psychotisch is geweest. In het half jaar voorafgaande aan het ten laste gelegde is hij geleidelijk aan steeds meer paranoïde geworden richting het slachtoffer. Hij kreeg toenemende waanideeën dat het slachtoffer hem kwaad wilde doen en hem bedreigde en kleineerde. Vanuit deze waanideeën ontwikkelt verdachte in ernst toenemende agressieve fantasieën en gedachten. Verdachte hield deze gedachten geheel voor zichzelf en werd zodoende ook niet door zijn omgevingen gecorrigeerd en raakte steeds verder in zijn psychotische denken verstrikt. Uiteindelijk heeft verdachte vanuit de psychose het ten laste gelegde gepleegd en waren de autistische en psychotische stoornis van dusdanige invloed dat het ten laste gelegde, indien bewezen, daaruit verklaard zou kunnen worden.

Door de GZ-psycholoog drs. A.F.J.M. Zwegers is omtrent de geestvermogens van verdachte op

9 augustus 2010 een rapportage uitgebracht. De deskundige geeft aan dat verdachte lijdt aan een gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens in de zin van een pervasieve ontwikkelingsstoornis niet anders omschreven. Daarnaast is er sprake van misbruik van cannabis. Er zijn aanwijzingen dat verdachte ten tijde van het ten laste gelegde ook beïnvloed werd door een paranoïde waan, waarin verdachtes persoonlijke begeleider, het slachtoffer, geïntegreerd was. Het is aannemelijk dat de realiteitstoetsing van verdachte zo gebrekkig was dat er van wilsvrijheid geen sprake kon zijn.

De deskundigen adviseren om verdachte voor het ten laste gelegde als ontoerekeningsvatbaar te beschouwen.

De rechtbank neemt de conclusies van de deskundigen over en maakt deze de hare.

Het bewezenverklaarde kan verdachte derhalve wegens een gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens zoals hierboven omschreven, niet worden toegerekend. Verdachte dient dan ook te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

10.De terbeschikkingstelling

10.1.De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 13 oktober 2010 gevorderd dat verdachte ter zake van het door haar onder primair bewezen geachte feit zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging en dat verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging wordt opgelegd, aangezien zij - conform het advies zoals neergelegd in de rapporten van de psycholoog en psychiater betreffende verdachte - behandeling van verdachte in een streng beveiligde setting gelet op de hoge mate van recidiverisico, noodzakelijk acht. Zij is voorts van oordeel dat de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot dwangverpleging van overheidswege eist.

10.2.Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de op te leggen maatregel gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

10.3.De overwegingen van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan moord op zijn zorgbegeleider [slachtoffer]. Uit het dossier komt naar voren dat het slachtoffer zeer betrokken was bij zijn cliënten, die met grote regelmaat bij hem thuis werden begeleid en in het gezin werden ontvangen.

Moord is een zeer ernstig strafbaar feit, waarvan de gevolgen onomkeerbaar zijn.

Aan de nabestaanden is met het wegvallen van het slachtoffer veel leed berokkend, zoals onder andere gebleken is uit de slachtofferverklaring van de oudste zoon van het slachtoffer. Ook de echtgenote van het slachtoffer moet nu zonder hem verder en staat alleen voor de opvoeding van hun drie nog zeer jonge kinderen. Ook deze kinderen moeten opgroeien zonder hun vader. Dat de levensberoving heeft plaats gehad in een appartementencomplex waar enkele medebewoners op dat moment aanwezig waren alsmede het feit dat het slachtoffer in een hulpverleningsrelatie met verdachte stond, heeft gezorgd voor de nodige maatschappelijke onrust en beroering.

Ten aanzien van de op te leggen maatregel overweegt de rechtbank als volgt.

Beide onder 9 genoemde deskundigen zij van oordeel dat het recidiverisico bij verdachte in hoge mate aanwezig is. Dit heeft te maken met meerdere factoren die elkaar onderling kunnen beïnvloeden en versterken. De psychotische stoornis, de ernstige contactstoornis, het ontbreken van een sociaal netwerk van betekenis, het gebrek aan empathie en schuldgevoel, de slecht gecontroleerde agressie, het afwezig zijn van ziekte- en probleeminzicht en het cannabis gebruik zijn factoren die een rol spelen. Verdachte is voor anderen moeilijk te doorgronden en daardoor kan men een agressieve impulsdoorbraak niet tijdig voorzien en is er onvoldoende ruimte om een dergelijke doorbraak te pareren.

Gelet op de ernst van het delict, de ernst van de psychiatrische stoornissen en het hoge recidivegevaar is er een langdurige behandeling met een hoog niveau van beveiliging nodig om recidive te voorkomen. De beveiliging in een regulier psychiatrisch ziekenhuis volstaat daartoe niet en daarom is behandeling in het kader van terbeschikkingstelling met dwangverpleging de enige optie. De behandeling van de psychotische stoornis is de belangrijkste factor die het recidiverisico kan verminderen. Daarnaast is de autistische stoornis van belang, waarbij deze niet in de kern kan worden beïnvloed maar wel een zo gunstig mogelijke behandelstructuur kan worden geboden om verdachte met de met deze stoornis samenhangende beperkingen te leren omgaan.

Gelet op de bevindingen van de deskundigen, welke de rechtbank overneemt, de aard en ernst van het bewezenverklaarde en de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, is de rechtbank van oordeel dat een maatregel terbeschikkingstelling in deze gerechtvaardigd is. Verdachte kampt immers met een ernstige ontwikkelingsstoornis alsmede een psychotische stoornis op basis waarvan gesteld kan worden dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel eist. Voorts heeft verdachte een strafbaar feit gepleegd dat het opleggen van deze maatregel toestaat. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat op basis van deze gronden termen aanwezig zijn om verdachte van overheidswege te verplegen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat, gelet op de bevindingen van de deskundigen, plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis als bedoeld in artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht onvoldoende waarborg biedt voor de langdurig noodzakelijke geachte behandeling van verdachte.

Gezien vorenstaande overwegingen is de rechtbank van oordeel dat het opleggen van de maatregel terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege in deze aangewezen is.

10.4.De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

[benadeelde partij] wonende te [plaats] aan de [adres], heeft een vordering benadeelde partij ingediend met betrekking tot de als gevolg van het hiervoor onder primair ten laste gelegde feit geleden materiële schade.

[benadeelde partij] voornoemd heeft de materiële schade op een bedrag van € 6.931,97 gesteld, en wil die schade vergoed krijgen.

Ten laste van verdachte is het hiervoor onder primair ten laste gelegde feit (artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht) bewezen. Het is een strafbaar feit en verdachte zal ter zake van dat feit worden veroordeeld.

Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering, die door de verdediging onvoldoende is weersproken, voor toewijzing vatbaar, zodat de rechtbank het schadebedrag zal vaststellen op een totaalbedrag van € 6.931,97, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag, te rekenen vanaf 30 dagen na de uitspraak van dit vonnis tot de dag der algehele voldoening.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade.

De rechtbank zal de verdachte veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag gemaakt, begroot op nihil.

De schademaatregel

Met betrekking tot het opleggen van de schademaatregel overweegt de rechtbank als volgt.

Niet is gebleken dat verdachte thans over voldoende financiële middelen beschikt om de vordering integraal te voldoen. Voorts zal verdachte een mogelijk langdurige behandeling in een TBS-kliniek moeten ondergaan, gedurende welke de financiële ruimte om de vordering te voldoen, beperkt zal zijn, en een eventuele executie van de bij de schademaatregel behorende vervangende hechtenis weinig zinvol zal zijn.

Ondanks dat het opleggen van de schademaatregel door de officier van justitie niet gevorderd is, acht de rechtbank het opleggen hiervan wel aangewezen nu daardoor in ieder geval de invorderings-activiteiten door het CJIB verricht worden, zodat de benadeelde partij zelf daarmee niet belast wordt. Gelet op de omstandigheden in deze zaak zal de rechtbank, ongeacht de hoogte van het toegewezen bedrag aan het opleggen van de schademaatregel, slechts één dag hechtenis verbinden.

11.Toepasselijke wetsartikelen

Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht artikelen 24c, 36f, 37a, 37b, 289.

12.Beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verstaat dat het aldus bewezenverklaarde het hiervoor vermelde strafbare feit oplevert;

verklaart verdachte ter zake van de bewezenverklaarde feiten niet strafbaar en ontslaat hem van alle rechtsvervolging;

gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld;

beveelt dat de ter beschikking gestelde van overheidswege zal worden verpleegd;

vordering van de benadeelde partij

wijst toe de vordering benadeelde partij van [benadeelde partij];

veroordeelt verdachte om tegen bewijs van betaling aan voornoemde benadeelde partij, te betalen een bedrag van € 6.913,97, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 30 dagen na de uitspraak van dit vonnis tot de dag der algehele voldoening;

legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat te betalen een som geld ten bedrage van € 6.931,97 subsidiair 1 dag hechtenis ten behoeve van voornoemde benadeelde partij van het primaire feit (artikel 289 Wetboek van het Strafrecht), met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

veroordeelt verdachte tevens tot betaling aan de Staat van de wettelijke rente over voormeld bedrag vanaf 30 dagen na de uitspraak van dit vonnis tot de dag der algehele voldoening en bepaalt dat indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van

€ 6.931,97, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 30 dagen na de uitspraak van dit vonnis tot de dag der algehele voldoening ten behoeve van voornoemde benadeelde partij daarmede de verplichting van verdachte om dit bedrag aan voornoemde benadeelde partij te betalen komt te vervallen en dat indien dit bedrag door verdachte aan voornoemde benadeelde

partij is betaald, daarmee de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat ten behoeve van voornoemd slachtoffer komt te vervallen;

veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Vonnis gewezen door mrs. M.J.A.G. van Baal, E.A.M. van Oorschot en P.E.M. Franssen, rechters, van wie mr. M.J.A.G. van Baal voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. H.M.E. de Beukelaer als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 27 oktober 2010.