Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2010:BO0863

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
14-10-2010
Datum publicatie
18-10-2010
Zaaknummer
AWB 09/1552
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Naar aanleiding van hetgeen verweerder in zijn reactie op de door de rechtbank gewezen tussenuitspraak naar voren heeft gebracht, overweegt de rechtbank dat, gelet op hetgeen hierover is vermeld in de memorie van toelichting (kamerstukken II 2007/08, 31 352, nr. 4, par.5), uit artikel 8:80a van de Awb volgt dat partijen de tussenuitspraak voor zover deze ‘eindbeslissingen’ bevat als een vaststaand gegeven moeten beschouwen. De verbindendheid van een tussenuitspraak is door de wetgever benadrukt doordat artikel 8:88 van de Awb daarop overeenkomstig van toepassing is verklaard. De rechtbank begrijpt daaruit dat in geval van nieuw gebleken feiten of omstandigheden, die redelijkerwijs niet vóór de tussenuitspraak hadden kunnen worden aangevoerd, in de einduitspraak tot een ander oordeel kan worden gekomen. Daarnaast is niet uit te sluiten dat het onder uitzonderlijke omstandigheden onaanvaardbaar kan zijn om aan de eindbeslissing in een tussenvonnis vast te houden. In hetgeen verweerder heeft betoogd zijn noch nieuwe feiten of omstandigheden, noch uitzonderlijke omstandigheden als zojuist bedoeld gelegen. Derhalve ziet de rechtbank geen aanleiding terug te komen van hetgeen in de tussenuitspraak onder 2.14. bij wijze van eindbeslissing is overwogen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:51a
Algemene wet bestuursrecht 8:51b
Algemene wet bestuursrecht 8:57
Algemene wet bestuursrecht 8:80a
Algemene wet bestuursrecht 8:88
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2011/17 met annotatie van H.P. Wiersema
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector bestuursrecht, enkelvoudige kamer

Procedurenummer: AWB 09 / 1552

Uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake

[eiseres] te [woonplaats], eiseres,

gemachtigde [gemachtigde],

tegen

het CAK, verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 september 2009 heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen een besluit van 20 mei 2009, waarbij verweerder de eigen bijdrage voor Zorg met Verblijf voor 2008 heeft vastgesteld op € 839,13 per maand, ongegrond verklaard. Tegen dat besluit is bij deze rechtbank beroep ingesteld.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan de gemachtigde van eiseres gezonden.

Op 7 januari 2009 (bedoeld is: 2010) heeft verweerder een nieuw besluit genomen, waarbij het besluit van 22 september 2009 is ingetrokken, het bezwaar tegen de vaststelling van de eigen bijdrage op € 839,13 per maand opnieuw ongegrond is verklaard en tevens het bezwaar tegen het terstond invorderen van het daardoor verschuldigde bedrag ongegrond is verklaard.

Bij brief van 4 maart 2010 heeft de rechtbank partijen meegedeeld dat dit nieuwe besluit wordt betrokken bij de beoordeling van het beroep.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 22 april 2010, waar eiseres is verschenen bij haar gemachtigde en waar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door W. de Kwant en S. van Staalduine-Pronk.

Op 27 mei 2010 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en een tussenuitspraak als bedoeld in artikel 8:51a van de Awb gewezen. Bij brief van 23 juli 2010 heeft verweerder meegedeeld dat geen gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid om het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek te herstellen. Bij brief van 24 augustus 2010 heeft de gemachtigde van eiseres zijn zienswijze kenbaar gemaakt naar aanleiding van verweerders brief van 23 juli 2010.

Het beroep is opnieuw behandeld ter zitting van 6 oktober 2010 waar eiseres is verschenen bij haar gemachtigde en waar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door W. de Kwant en mr. S.W.M. Boelee.

2. Overwegingen

2.1. Voor de relevante feiten verwijst de rechtbank naar hetgeen zij heeft overwogen in de tussenuitspraak van 27 mei 2010.

2.2. Voor zover het beroep is gericht tegen de in het bestreden besluit van 7 januari 2010 vervatte vaststelling van de hoogte van de eigen bijdrage Zorg met Verblijf 2008, overweegt de rechtbank dat verweerder ingevolge het bepaalde in artikel 6, derde lid, van de AWBZ, juncto artikel 2 van het Bijdragebesluit Zorg gehouden was die bijdrage vast te stellen. In dezen is sprake van een imperatief gesteld algemeen verbindend voorschrift dat verweerder geen ruimte biedt om de eigen bijdrage niet op te leggen, te matigen of kwijt te schelden. Dat neemt echter niet weg dat bijzondere gevallen denkbaar zijn, waarin een strikte toepassing van een wettelijk voorschrift van dwingendrechtelijke aard in die mate in strijd komt met het ongeschreven recht dat deze op grond daarvan geen rechtsplicht meer kan zijn (onder meer: CRvB 3 oktober 2001, LJN: AD7575 en CRvB 14 mei 2008, LJN: BD3529). Hoewel sprake is van een vaststelling met een terugwerkende kracht van 17 maanden die tot een aanzienlijke terugvordering leidt, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat definitieve vaststelling dermate in strijd zou komen met ongeschreven recht dat die vaststelling geen rechtsplicht meer zou zijn. Daarbij is in aanmerking genomen dat de eerdere vaststellingen steeds voorlopig zijn geweest, zodat eiseres op schuldvorming bedacht kon zijn en de vertraging in de afhandeling een gevolg is van de omstandigheid dat de fiscus eerst op 23 februari 2009 de definitieve, gecorrigeerde, inkomensgegevens over het peiljaar 2006 aan verweerder heeft doen toekomen. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het beroep voor ongegrond moet worden gehouden voor zover dat is gericht tegen de in het bestreden besluit vervatte ongegrond verklaring van het bezwaar tegen de vaststelling van de eigen bijdrage 2008.

2.3. Voor zover het beroep is gericht tegen de in het bestreden besluit van 7 januari 2010 vervatte invordering, overweegt de rechtbank als volgt. In de tussenuitspraak van 27 mei 2010 is onder overweging 2.14 door de rechtbank het volgende gebrek geconstateerd:

(2.14) Naar het oordeel van de rechtbank kan verweerders besluit van 7 januari 2010 voor zover daarbij het volledig openstaande bedrag is ingevorderd evenwel niet worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering. Verweerder heeft overwogen dat de situatie van eiseres zich niet onderscheidt van de situatie waarin andere cliënten zich bevinden en dat niet is gebleken van een onevenredig zware situatie voor eiseres als gevolg van volledige invordering van de ontstane vordering. Niet is gebleken dat verweerder daarbij de individuele, persoonlijke en financiële situatie van eiseres heeft betrokken. Naar het oordeel van de rechtbank wordt door verweerder verder ten onrechte miskend dat eiseres geheel buiten haar toedoen wordt geconfronteerd met een aanzienlijke navordering. Zoals de CRvB al meermaals heeft overwogen dient verweerder bij het gebruikmaken van zijn invorderingsbevoegdheid een belangenweging te maken. Daarbij geldt, ingevolge artikel 3:4, tweede lid, van de Awb, dat de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van het besluit niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen (CRvB 17-10-2007, LJN: BB6940 en CRvB 13-08-2008, LJN: BE8703). Niet is gebleken dat verweerder de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen in kaart heeft gebracht, waaronder de financiële gevolgen voor eiseres.

2.4. De rechtbank wijst er ter verduidelijking op dat het in de tussenuitspraak van 27 mei 2010 geconstateerde gebrek enkel ziet op de (wijze van) invordering, zoals vervat in verweerders besluit van 7 januari 2010. In die tussenuitspraak zijn weliswaar overwegingen gewijd aan de vaststelling van de eigen bijdrage, maar zowel uit de overwegingen 2.14 en 2.16. als uit het dictum van de tussenuitspraak blijkt dat het geconstateerde, te herstellen gebrek alleen ziet op het door verweerder genomen invorderingsbesluit.

2.5. Zoals de rechtbank in haar tussenuitspraak onder 2.15 heeft aangegeven, kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. De rechtbank heeft daarbij verder erop gewezen dat in artikel 8:51b van de Awb is bepaald dat het bestuursorgaan de rechtbank zo spoedig mogelijk meedeelt of het gebruik maakt van de gelegenheid om het gebrek te herstellen of te laten herstellen.

2.6. Naar aanleiding van genoemde tussenuitspraak heeft verweerder bij brief van 23 juli 2010 meegedeeld dat hij erkentelijk is voor de geboden gelegenheid het in die uitspraak onder 2.13 en 2.14 geconstateerde gebrek te herstellen, maar dat hij geen nieuw besluit wenst te nemen omtrent de invordering. Verweerder heeft daarbij een reactie gegeven op hetgeen de rechtbank onder 2.13 en 2.14 heeft overwogen en zijn besluit van 7 januari 2010 gehandhaafd. Verweerders standpunt komt erop neer dat hij meent voldoende rekening te hebben gehouden met de belangen van eiseres.

2.7. Voormelde reactie kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden begrepen dan als de in artikel 8:51b van de Awb bedoelde mededeling, zulks in die zin dat verweerder geen gebruik maakt van de gelegenheid om het gebrek te herstellen.

2.8. Naar aanleiding van hetgeen verweerder voorts in zijn reactie op de door de rechtbank gewezen tussenuitspraak naar voren heeft gebracht, overweegt de rechtbank dat, gelet op hetgeen hierover is vermeld in de memorie van toelichting (kamerstukken II 2007/08, 31 352, nr. 4, par.5), uit artikel 8:80a van de Awb volgt dat partijen de tussenuitspraak voor zover deze ‘eindbeslissingen’ bevat als een vaststaand gegeven moeten beschouwen. De verbindendheid van een tussenuitspraak is door de wetgever benadrukt doordat artikel 8:88 van de Awb daarop overeenkomstig van toepassing is verklaard. De rechtbank begrijpt daaruit dat in geval van nieuw gebleken feiten of omstandigheden, die redelijkerwijs niet vóór de tussenuitspraak hadden kunnen worden aangevoerd, in de einduitspraak tot een ander oordeel kan worden gekomen. Daarnaast is niet uit te sluiten dat het onder uitzonderlijke omstandigheden onaanvaardbaar kan zijn om aan de eindbeslissing in een tussenvonnis vast te houden. In hetgeen verweerder heeft betoogd zijn noch nieuwe feiten of omstandigheden, noch uitzonderlijke omstandigheden als zojuist bedoeld gelegen. Derhalve ziet de rechtbank geen aanleiding terug te komen van hetgeen in de tussenuitspraak onder 2.14. bij wijze van eindbeslissing is overwogen.

2.9. Op grond van voorgaande overwegingen is de rechtbank -onder verwijzing naar hetgeen in de tussenuitspraak van 27 mei 2010 onder 2.14. is overwogen- van oordeel dat het beroep gegrond dient te worden verklaard en het in het bestreden besluit van 7 januari 2010 dient te worden vernietigd, voor zover daarbij het bezwaar tegen het invorderingsbesluit ongegrond is verklaard. Verweerder dient in zoverre een nieuw besluit op het bezwaar van eiseres te nemen met inachtneming van hetgeen onder 2.14. van de tussenuitspraak is overwogen.

2.10. Mitsdien wordt beslist zoals in rubriek 3 is aangegeven.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit van 7 januari 2010, voor zover daarbij het bezwaar tegen het invorderingsbesluit ongegrond is verklaard;

verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van het gestelde in deze uitspraak;

bepaalt voorts, dat verweerder aan eiseres het door of namens deze betaalde griffierecht ten bedrage van € 41,00 volledig vergoedt.

Aldus gedaan door mr. Th.M. Schelfhout in tegenwoordigheid van mr. F.A. Timmers als griffier en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2010.

w.g. mr. F.A. Timmers,

griffier w.g. mr. Th.M. Schelfout,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

verzonden op: 14 oktober 2010

Een belanghebbende en het bestuursorgaan kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Ingevolge artikel 6:5 van de Awb bevat het beroepschrift een of meer gronden tegen de uitspraak en moet een afschrift van de uitspraak bij het beroepschrift worden overgelegd.