Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2010:BO0062

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
06-10-2010
Datum publicatie
11-10-2010
Zaaknummer
99233 / HA ZA 10-142
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2011:BU6254, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gemeente. Privaatrechtelijke rechtshandeling. Ontbreken goedkeuring Gedeputeerde Staten. Totstandkoming koopovereenkomst. Essentialia. Aanbod en aanvaarding. Bescherming opgewekt vertrouwen in toereikende volmacht. Precontractuele goede trouw. Artikel 3:61 lid 2 Burgerlijk Wetboek. Artikel 10:25 Algemene wet bestuursrecht. Artikel 21 Wet algemene regels herindeling. Wet voorkeursrecht gemeenten.

Bedrijf biedt gemeente grond aan waarop Wvg van toepassing is verklaard. Gemeente treedt in onderhandeling en doet uiteindelijk een aanbod dat door wederpartij wordt aanvaard. Gemeente behoefde echter goedkeuring GS voor besluit tot aankoop, welke niet was verleend. In casu oordeelt rechtbank dat ontbreken goedkeuring niet aan wederpartij kan worden tegengeworpen, nu aanbod gemeente zonder enig voorbehoud was gedaan, gemeente wederpartij in strijd met haar gerechtvaardigde belangen niet op publiekrechtelijke beperkingen had gewezen en niet gebleken is dat besluit GS inhoudende oplegging goedkeuringsvereiste buiten de betrokken gemeenten bekend was gemaakt zodat wederpartij mocht worden verondersteld van bestaan publiekrechtelijke beperkingen op de hoogte te zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2010/425
RCR 2010/86
RVR 2011/11
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROERMOND

Sector civielrecht

zaaknummer / rolnummer: 99233 / HA ZA 10-142

Vonnis van 6 oktober 2010

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

EXPLOITATIEMAATSCHAPPIJ EEMNES B.V.,

gevestigd te Baarn,

eiseres,

advocaat mr. E.M. van Zelm te De Bilt,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE BERGEN (LIMBURG),

zetelend te Bergen,

gedaagde,

advocaat mr. M.J.A.M. Muijres te Venlo.

Partijen zullen hierna Eemnes en de gemeente genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 21 april 2010;

- de akte houdende overleggen producties, tevens houdende wijziging en vermeerdering van eis;

- het proces-verbaal van comparitie van 26 juli 2010.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Eemnes is eigenaar van de percelen grond kadastraal bekend gemeente Bergen (Limburg) M 77 en M 78 (verder: “de percelen”).

2.2. Bij besluit van 27 november 2007 heeft het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente (verder: “B&W”) een voorkeursrecht op grond van de Wet voorkeursrecht gemeenten (verder: “voorkeursrecht” en “Wvg”) gevestigd op voornoemde percelen.

2.3. Op 7 januari 2008 heeft B&W Eemnes schriftelijk bericht dat het toen geldende voorkeursrecht op de percelen per 10 januari 2008 zou worden vervangen door een nieuw voorkeursrecht op grond van de Wvg.

2.4. Op 7 januari 2008 heeft Eemnes de percelen schriftelijk te koop aangeboden aan de gemeente. In dit schrijven wordt gerefereerd aan het op de percelen gevestigde voorkeursrecht en worden de locatie, kadastrale nummers en de omvang van de percelen genoemd.

2.5. Op 20 februari 2008 bericht de gemeente Eemnes in reactie op en met referte aan de brief van 7 januari 2008 onder meer:

“In de vergadering van 19 februari 2008 is besloten in beginsel over te gaan tot verwerving van de genoemde percelen tegen een nader overeen te komen prijs. De waarde van de percelen laten wij daarom vaststellen door een taxateur. Zodra het taxatierapport in ons bezit is, nemen wij weer contact met u op.”

2.6. Op 6 augustus 2008 schrijft de gemeente Eemnes in vervolg op de brief van

20 februari 2008 onder meer:

“In de vergadering van 24 juni 2008 is besloten de genoemde percelen aan te kopen voor de prijs van EUR 7,50 per vierkante meter, [dat wil zeggen in totaal voor] EUR 764.437,50. Wij willen schriftelijk van u vernemen of u tot verkoop van de percelen tegen de genoemde [prijs] van EUR 7,50 per vierkante meter overgaat.”

2.7. Op 19 augustus 2008 schrijft Eemnes de gemeente in reactie op de brief van

6 augustus 2008 onder meer:

“Wij zijn genegen de opgemelde grond aan u te verkopen. Echter wij willen u in overweging geven de koopprijs per vierkante meter te stellen op EUR 12,50.”

2.8. Op 9 september 2008 schrijven Gedeputeerde Staten van Limburg (verder: “GS”) aan B&W dat zij een herindelingsontwerp ten aanzien van onder andere de gemeente hebben vastgesteld en verzoeken zij dit ontwerp gelet op het bepaalde in artikel 8 lid 3 Wet algemene regels herindeling (verder: “Wet Arhi”) gedurende acht weken ter inzage te leggen op de gemeentesecretarie. Verder delen zij B&W mede dat zij op grond van artikel 21 Wet Arhi in het kader van financieel toezicht een aantal besluiten aan goedkeuring onderwerpen, waaronder besluiten tot het kopen, ruilen, vervreemden en bezwaren van onroerende zaken.

2.9. Het besluit van GS is verzonden op 12 september 2008 en door de gemeente ontvangen op 15 september 2008.

2.10. Op 23 september 2008 schrijft de gemeente Eemnes in reactie op de brief van

19 augustus 2008 onder meer:

“In de vergadering van 9 september 2008 is uw aanbieding in het College van Burgemeester en Wethouders aan de orde geweest. [Er] is besloten de genoemde percelen aan te kopen voor de prijs van EUR 8,00 per vierkante meter. Wij willen schriftelijk van u vernemen of u tot verkoop van de percelen tegen het genoemde bedrag van EUR 8,00 per vierkante meter overgaat.”

2.11. Op 28 oktober 2008 vindt er een gesprek plaats tussen [X] namens Eemnes en de heren [Y], de portefeuillehouder en [Z], het hoofd Ruimtelijke Ontwikkeling namens de gemeente. In dat gesprek verzocht Eemnes de verkoopprijs in heroverweging te nemen.

2.12. Op 17 december 2008 bericht de gemeente Eemnes bij brief onder meer als volgt:

“Naar aanleiding van onze brief van 23 september 2009 inzake de koop van de percelen sectie M nummers 77 en 78 heeft u op 28 november 2008 een gesprek gehad met de portefeuillehouder en de heer [Z] hoofd van de afdeling Ruimtelijke Ontwikkeling van de gemeente Bergen. U vraagt of de aankoopprijs van EUR 8,00 per vierkante meter alsnog in heroverweging genomen kan worden. (…) In de vergadering van 3 december 2008 heeft het college van Burgemeesters en Wethouders besloten niet af te wijken van deze prijs. Dit houdt in, dat wij de genoemde percelen van u willen kopen conform het gestelde in onze brief van 23 september 2008.

Hoogachtend,

Burgemeester en wethouders van Bergen,

de secretaris, de burgemeester,

[de secretaris] [de burgemeester]

2.13. Op 19 december 2008 schrijft Eemnes de gemeente in reactie op de brief van

17 december 2008 onder meer:

“Wij zijn genegen de opgemelde grond aan u te verkopen ad EUR 8,00 per vierkante meter. In het gesprek met de portefeuillehouder en de heer [Z] is aangegeven dat het transport spoedig zou kunnen plaats vinden. Wij verzoeken u dit inderdaad te bewerkstelligen.”

2.14. Op 23 januari 2009 informeert Eemnes per email bij de gemeente wanneer het transport van de percelen plaats kan vinden.

2.15. Op 26 januari 2009 schrijft de gemeente Eemnes in reactie op de email van

23 januari 2009 onder meer:

“De aankoop van de percelen dient vooraf aan de gemeenteraad ter kennisgeving voorgelegd te worden. Indien de raad hiertegen geen bezwaren heeft, wordt een definitief besluit genomen. Verder moet het besluit tot aankoop van de genoemde percelen op grond van artikel 21 Wet Algemene Regels Herindeling (Arhi) voorgelegd worden aan de werkgroep Arhi van de gemeente Bergen, Gennep en Mook en Middelaar, waarna het besluit nog ter goedkeuring toegestuurd dient te worden aan het college van Gedeputeerde Staten van Limburg. Dit houdt in, dat op dit moment geen datum aangegeven kan worden wanneer het transport gaat plaatsvinden.”

2.16. Op 17 maart 2009 stuurt Eemnes de gemeente een email waarin zij onder meer schrijft:

“Eind december is dit akkoord bereikt. (…) In het bedrijfsleven is een maand na de overeenstemming de overdracht normaal. Een rentevergoeding à 5% ingaande 1 februari 2009 lijkt ons alleszins redelijk.”

2.17. Op 25 mei 2009 sommeert mr. E.M. van Zelm de gemeente namens Eemnes om binnen 30 dagen medewerking te verlenen aan de eigendomsoverdracht van de percelen.

2.18. Op 15 juni 2009 reageert de gemeente op het schrijven van 25 mei 2009.

2.19. Op 25 juni 2009 sommeert mr. E.M. van Zelm de gemeente om binnen 14 dagen schriftelijk te bevestigen dat zij medewerking zal verlenen aan de eigendomsoverdracht van de percelen en de koopprijs vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 19 maart 2008 zal voldoen.

2.20. Op 9 oktober 2009 deed de voorzieningenrechter van de rechtbank Roermond uitspraak in een kort geding dat door Eemnes tegen de gemeente aanhangig was gemaakt. De vordering van Eemnes om – samengevat – de gemeente te veroordelen mee te werken aan de levering van de percelen werd afgewezen omdat – samengevat – er naar het oordeel van de voorzieningenrechter teveel onduidelijkheden bestonden over de vraag of er sprake was van publiekrechtelijke voorbehouden en wat er precies is besproken in oktober 2008, in het bijzonder over de uiterste datum van levering.

2.21. Op 12 februari 2010 heeft Eemnes de gemeente in rechte betrokken in de onderhavige procedure.

2.22. Op 15 juni 2010 heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch het vonnis van de voorzieningenrechter van 9 oktober 2009 onder aanvulling van gronden bekrachtigd. In dit arrest overwoog het Hof onder meer als volgt:

“4.6. Ten overvloede overweegt het hof nog als volgt.

Eemnes gaat ervan uit dat overeenstemming is bereikt over een verkoop tegen een prijs van € 8 per m2. De gemeente heeft zich niet eerder dan op 23 september 2008 uitgelaten over verkoop tegen deze prijs, terwijl ze voordien steeds is uitgegaan van een lagere prijs.

Uit de brief van 23 september 2008 waarin deze de prijs is opgenomen (alsook uit de eerdere brief waarin aan Eemnes een prijs is genoemd) blijkt dat het daarbij kennelijk gaat om besluiten van B&W van de Gemeente als bedoeld in artikel 160 Gemeentewet, in welke bepaling is opgenomen dat het college bevoegd is te besluiten tot privaatrechtelijke rechtshandelingen.

4.7. Dit besluit tot het aangaan van een koopovereenkomst is dus genomen nadat gedeputeerde staten van Limburg (op 9 september 2008) op grond van artikel 21 van de Wet Arhi hadden besloten dat besluiten tot het vervreemden van onroerende zaken aan haar goedkeuring onderworpen waren. Dit besluit van B&W tot aankoop van de percelen van Eemnes was daarmee onderworpen aan goedkeuring van gedeputeerde staten. Het feit dat het ging om een koop in het kader van de Wet voorkeursrecht gemeenten maakte dat niet anders. Het goedkeuringsvereiste geldt ook bij een dergelijke koop.

Dat dit voorbehoud niet was opgenomen in het besluit van de gemeente kan daaraan - anders dan Eemnes stelt - niet afdoen. Dit besluit is immers aan goedkeuring onderhevig ongeacht eventueel door partijen bij de beoogde overeenkomst gestelde voorwaarden.

4.8. Gesteld noch gebleken is dat gedeputeerde staten het besluit van B&W van 23 september 2008 hebben goedgekeurd. Evenmin is gebleken van het verstrijken van de termijn bedoeld in artikel 10:31 Awb, waarna een besluit tot goedkeuring geacht kan worden te zijn genomen. Deze termijn begint eerst te lopen na de verzending ter goedkeuring. De Gemeente heeft in eerste aanleg (pleitnota paragraaf 25) aangevoerd dat zij nimmer goedkeuring heeft gevraagd aan gedeputeerde staten, omdat zij van mening was en is dat er geen (perfecte) koopovereenkomst was tot stand gekomen.

De Gemeente heeft tijdens het pleidooi in hoger beroep desgevraagd verklaard dat ook thans nog geen sprake is van herindeling inzake de gemeente Bergen, zodat, gelet op artikel 21 lid 4 Wet Arhi, nog steeds het goedkeuringsvereiste geldt, nu gesteld noch gebleken is dat het toezicht is vervallen als in dat lid bepaald.

4.9. Het feit dat goedkeuring van gedeputeerde staten ontbreekt, blokkeert in ieder geval de door Eemnes gevorderde levering, nu er daardoor nog geen geldig besluit tot koop is, zodat er in ieder geval ook geen geldige koopovereenkomst kan zijn tot stand gekomen.”

2.23. Ter comparitie heeft de gemeente onder meer verklaard dat er in het gesprek op 28 oktober 2008 alleen over de koopprijs is gesproken. De gemeente heeft ook verklaard dat zij de vereiste toestemming van GS niet heeft gemeld aan Eemnes.

3. Het geschil

3.1. Eemnes vordert, na wijziging van eis, – samengevat:

• Primair te verklaren voor recht dat een koopovereenkomst tussen partijen tot stand is gekomen met betrekking tot de percelen, althans dat een koopovereenkomst onder opschortende voorwaarde(n) tot stand is gekomen tussen partijen, en de gemeente te veroordelen om mee te werken aan de levering van de percelen op straffe van een dwangsom;

• Subsidiair te verklaren voor recht dat de gemeente wanprestatie heeft gepleegd c.q. onrechtmatig heeft gehandeld jegens Eemnes en dat de gemeente haar een nader te bepalen schadevergoeding verschuldigd is;

• Meer subsidiair de gemeente te veroordelen om het aankoopbesluit van de percelen van het College van Burgemeester en Wethouders d.d. 23 september 2008 ter goedkeuring aan Gedeputeerde Staten voor te leggen;

• Primair en subsidiair te vermeerderen met rente;

• Primair en subsidiair te vermeerderen met een boete van 10% van de koopprijs.

3.2. De gemeente voert verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De rechtbank overweegt dat zij zich gezien de door partijen ingenomen standpunten allereerst gesteld ziet voor de vraag of tussen Eemnes en de gemeente in beginsel een privaatrechtelijke koopovereenkomst tot stand is gekomen. Indien de rechtbank deze vraag naar het bestaan van een koopovereenkomst in beginsel bevestigend beantwoordt, ziet zij zich vervolgens gesteld voor de vraag of het ontbreken van goedkeuring van GS desalniettemin aan het tot stand komen van een geldige koopovereenkomst in de weg stond. Eventueel zal daarna nog worden ingegaan op de vraag of de gemeente zich schadeplichtig heeft gemaakt door haar handelwijze in de onderhandelingen met Eemnes.

4.2. Ten aanzien van de vraag of tussen Eemnes en de gemeente in beginsel een geldige koopovereenkomst tot stand is gekomen, overweegt de rechtbank als volgt. Het antwoord op de vraag of ten aanzien van een overeenkomst, bij de totstandkoming waarvan een aantal onderling samenhangende verbintenissen moet worden geregeld, overeenstemming omtrent één of meer onderdelen een overeenkomst doet ontstaan zolang omtrent andere onderdelen nog geen overeenstemming bestaat, is afhankelijk van de bedoeling van partijen zoals deze op grond van de betekenis van hetgeen wel en niet geregeld is, van het al dan niet bestaan van het voornemen tot verder onderhandelen en van de verdere omstandigheden van het geval moet worden aangenomen. In het geval van een overeenkomst tot koop van een onroerende zaak behoren tot de essentialia van die overeenkomst in beginsel het object en de koopprijs, maar kunnen de in voornoemde maatstaf opgenomen omstandigheden met zich meebrengen dat meer elementen deel uitmaken van de essentialia.

4.2.1. Deze maatstaf toepassend op het onderhavige geschil, constateert de rechtbank dat vast staat dat Eemnes op 7 januari 2008 de gemeente schriftelijk heeft verzocht een bod uit te brengen op de percelen en dat de gemeente op 20 februari 2008 op deze aanbieding reageerde met de aankondiging “te hebben besloten in beginsel tot verwerving van de genoemde percelen tegen een nader overeen te komen prijs over te gaan”. Partijen hebben vervolgens met elkaar onderhandeld over de voor de percelen te betalen prijs en uiteindelijk heeft de gemeente op 17 december 2008 aan Eemnes geschreven dat B&W in haar vergadering van 3 december 2008 had besloten niet af te wijken van de door haar in de brief van 23 september 2008 genoemde prijs van EUR 8,00 per vierkante meter en dat zij de percelen wilde kopen conform het gestelde in die brief van 23 september 2008. In deze laatst genoemde brief schreef zij dat B&W had besloten de percelen te kopen voor EUR 8,00 per vierkante meter en verzocht zij Eemnes schriftelijk aan te geven of zij hiermee akkoord ging. Eemnes reageerde op 19 december 2008 schriftelijk op dit schrijven van 17 december 2008 en deelde mede dat zij “genegen is de opgemelde grond aan de gemeente te verkopen ad EUR 8,00 per vierkante meter”. Tevens verzocht Eemnes het transport zo spoedig mogelijk te laten plaatsvinden. Eemnes heeft aangevoerd dat zij aldus het uiteindelijke aanbod van de gemeente had aanvaard en dat daarmee een koopovereenkomst tot stand was gekomen. Volgens haar bestond er op dat moment namelijk overeenstemming over de essentialia van de koopovereenkomst, te weten de prijs en het te kopen object, terwijl over andere aan het tot stand komen van de koop te stellen voorwaarden nooit gesproken was door de gemeente. De gemeente heeft zich tegen dit standpunt verweerd met de stelling dat de brief van 7 januari 2008 van Eemnes niet als een aanbod maar als een uitnodiging om in onderhandeling te treden gezien moet worden. Verder heeft de gemeente aangevoerd dat zij met de woorden “in beginsel” in haar schrijven van 20 februari 2008 duidelijk heeft gemaakt dat zij weliswaar interesse had in de percelen, maar dat er nadere afspraken zouden moeten worden gemaakt, waaronder over de prijs, het transport, de betaling en publiekrechtelijke voorbehouden, alvorens er sprake zou kunnen zijn van totstandkoming van een koopovereenkomst. De daaropvolgende onderhandelingen zagen volgens de gemeente alleen op het vaststellen van een indicatieve prijs, waarop vervolgens verder onderhandeld zou moeten worden over de andere essentiële elementen van de koopovereenkomst. Dit verweer moet worden gepasseerd. Weliswaar is juist dat de brief van Eemnes van 7 februari 2008 niet als een aanbod maar als een uitnodiging om in onderhandeling te treden moet worden aangemerkt, maar dit geldt niet voor de brieven van de gemeente van 20 februari 2008, 23 september 2008 en 17 december 2008. Daarin verzoekt de gemeente Eemnes immers telkens of zij schriftelijk wil laten weten of zij akkoord gaat met verkoop van de – eerder precies omschreven en getaxeerde – percelen tegen een specifieke prijs. Zoals Eemnes heeft aangevoerd, moeten deze brieven als een aanbod in privaatrechtelijke zin worden aangemerkt, waarvan de aanvaarding leidt tot een koopovereenkomst, tenzij – conform de hierboven geciteerde maatstaf – uit de overige omstandigheden van het geval moet worden afgeleid dat er behalve prijs en object nog andere zaken als essentialia moeten worden aangemerkt waarover eerst overeenstemming moet zijn. Daarvan is echter niet gebleken. De gemeente heeft immers het aanbod van

17 december 2008, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank als het finale aanbod van de gemeente moet worden aangemerkt dat Eemnes uiteindelijk heeft aanvaard, gedaan zonder daarbij enig voorbehoud te maken ten aanzien van andere zaken waarover nog overeenstemming zou moeten worden bereikt. Van dergelijke voorbehouden blijkt ook niet uit de brieven waarnaar de gemeente in dat schrijven verwijst, noch uit de brieven waarnaar dit schrijven op haar beurt verwijst. Ook heeft de gemeente ter comparitie aangegeven dat zij in het gesprek dat op 28 oktober 2008 plaatsvond tussen haar en Eemnes alleen heeft gesproken over de prijs en niet over andere aan de totstandkoming van de koop te stellen voorwaarden. Onder deze omstandigheden moet worden geoordeeld dat Eemnes er vanuit moest kunnen gaan dat door haar aanvaarding van het aanbod van de gemeente een privaatrechtelijke koopovereenkomst tot stand zou komen en kan het verweer van de gemeente niet slagen dat de door haar gestelde nadere nog overeen te komen zaken ook tot de essentialia van de koopovereenkomst behoorden, zoals de transportdatum, publiekrechtelijke voorbehouden, of voorbehouden ten aanzien van de verdere interne besluitvorming. Met het aanbod van 17 december 2008 en de aanvaarding daarvan op 19 december 2008 kwam dus in beginsel een koopovereenkomst tot stand tussen partijen.

4.3. Nu de rechtbank heeft vastgesteld dat er in beginsel een koopovereenkomst tussen Eemnes en de gemeente tot stand was gekomen, ziet zij zich gesteld voor de vraag of, en zo ja, welke consequentie het ontbreken van de goedkeuring van GS van het besluit van de gemeente voor het tot stand komen van de koopovereenkomst heeft. Wat deze vraag betreft is allereerst van belang dat het verrichten door een gemeente van een privaatrechtelijke rechtshandeling als de onderhavige geschiedt op basis van een besluit van B&W – op grond van artikel 160 lid 1 sub e Gemeentewet – tot het verrichten van een privaatrechtelijke rechtshandeling. De rechtbank constateert in dit verband dat in de brief van de gemeente van 17 december 2008 (geciteerd onder rechtsoverweging 2.12) wordt gerefereerd aan besluitvorming in de vergadering van het college van Burgemeester en Wethouders van

3 december 2008, waarin is besloten dat B&W blijft bij het eerdere door haar bij brief van 23 september 2008 gedane aanbod van EUR 8,00 per vierkante meter. Het besluit tot het verrichten van de privaatrechtelijke rechtshandeling dat aanleiding gaf tot het uiteindelijke aanbod van de gemeente is dus kennelijk genomen op 3 december 2008. Verder is van belang dat GS de gemeente bij brief van 9 september 2008 hadden medegedeeld dat er een herindelingsontwerp was vastgesteld en dat – onder meer – besluiten tot het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen als de onderhavige aan haar goedkeuring waren onderworpen op grond van artikel 21 Arhi. Deze brief van GS moet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 lid 1 Awb, welk besluit ingevolge artikel 3:40 Awb pas in werking trad nadat het bekend was gemaakt. Aangezien het besluit van GS was gericht tot één of meer belanghebbenden – dat wil zeggen de herindelingsgemeenten Bergen, Gennep en Mook en Middelaar – is voor wat betreft de wijze van bekendmaking artikel 3:41 Awb van toepassing. Nu het besluit van GS – blijkens het stempel op de als productie 20 overgelegde kopie van het schrijven van GS – naar de gemeente is verzonden op 12 september 2008 trad het derhalve vanaf die datum in werking. Dit houdt gezien artikel 10:25 van de Algemene wet bestuursrecht (verder: “Awb”) in dat vanaf 12 september 2008 een door een bestuursorgaan van de gemeente genomen besluit als het onderhavige niet in werking treedt voordat het is goedgekeurd door GS. De vraag die thans moet worden beantwoord, is of er ondanks voormeld publiekrechtelijk beletsel een koopovereenkomst tussen Eemnes en de gemeente tot stand is gekomen.

4.4. Eemnes heeft zich op dit punt verweerd door te stellen dat de gemeente haar nooit op enig publiekrechtelijk of ander voorbehoud ten aanzien van het tot stand komen van de koopovereenkomst heeft gewezen en dat zij er daarom vanuit mocht gaan dat een rechtsgeldige koopovereenkomst tot stand zou komen als zij akkoord ging met de uiteindelijk door de gemeente voorgestelde koopprijs. Het standpunt van Eemnes wordt door de rechtbank dan ook aldus begrepen dat zij zich beroept op het bepaalde in artikel 3:61 lid 2 BW. Anders gezegd, de rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of er omstandigheden zijn die maken dat deze publiekrechtelijke onbevoegdheid niet aan Eemnes kan worden tegengeworpen. Wat de beantwoording van deze vraagt betreft wordt allereerst overwogen dat, nu de gemeente doende was een privaatrechtelijke rechtshandeling te verrichten, op haar handelen de normstelling van het Burgerlijk Wetboek van toepassing is. Bij de beoordeling van de vraag of aan het bepaalde in artikel 3:61 lid 2 BW voldaan is, moet het uitgangspunt zijn dat voor toerekening van schijn van volmachtverlening aan de vertegenwoordigde (ook) plaats kan zijn indien de wederpartij gerechtvaardigd heeft vertrouwd op volmachtverlening op grond van feiten en omstandigheden die voor risico van de vertegenwoordigde komen en waaruit naar verkeersopvattingen zodanige schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kan worden afgeleid (HR 19 februari 2010, LJN BK7671, ING/Bera Holding NV). Deze maatstaf toepassend op het onderhavige geval, overweegt de rechtbank als volgt. De achtergrond bij de onderhandelingen tussen Eemnes en de gemeente was het door de gemeente op de percelen van Eemnes (opnieuw) gevestigde voorkeursrecht. Naar aanleiding van de aanbieding door Eemnes op 7 januari 2008 conform dit voorkeursrecht is de gemeente in onderhandeling getreden met Eemnes met haar schrijven van 20 februari 2008, waarin de gemeente aangaf in beginsel de percelen te willen aanschaffen voor een nader overeen te komen prijs. Vervolgens is enkel over de prijs gecorrespondeerd en is zowel in het finale aanbod van de gemeente als in de daarvoor gedane aanbiedingen geen enkel publiekrechtelijk of ander voorbehoud gemaakt door de gemeente. Voorts is door de gemeente ter comparitie ook erkend dat in het gesprek van 28 oktober 2008, waar namens de gemeente de portefeuillehouder en het Hoofd Ruimtelijke ontwikkeling aanwezig waren, enkel over de prijs is gesproken en dat toen door de gemeente niet aan Eemnes is medegedeeld dat het besluit van GS (inmiddels) was genomen. Verder is het finale aanbod aan Eemnes gedaan door de gemeentesecretaris van de gemeente, voor B&W, en de burgemeester van de gemeente, dit met referte aan een besluit van het volgens artikel 160 lid 1 sub e van de Gemeentewet ter zake bevoegde orgaan van de gemeente. Ook heeft de gemeente niet de stelling van Eemnes betwist dat het besluit van GS van 9 september 2008 niet anders dan door toezending aan de betrokken gemeenten is bekend gemaakt en is door de gemeente niet toegelicht hoe Eemnes er van op de hoogte had kunnen zijn. Ten slotte blijkt uit artikel 21 Arhi dat het opleggen van het goedkeuringsvereiste een discretionaire bevoegdheid is. Immers, het vereiste van goedkeuring van GS geldt enkel ten aanzien van “de door GS aangewezen besluiten”, terwijl uit het gebruik van het woord “kunnen” in artikel 21 Arhi temeer blijkt dat het de keuze van GS is welke categorieën van besluiten zij al dan niet aanwijst. Dit blijkt ook uit het onderhavige besluit van GS zelf, waarin bepaalde categorieën besluiten wel en bepaalde categorieën besluiten niet aan de goedkeuring van GS werden onderworpen. Uit het enkele feit dat de gemeente in aanmerking kwam om te worden opgeheven, volgde dus niet noodzakelijkerwijs dat privaatrechtelijke rechtshandelingen als de onderhavige aan de goedkeuring van GS waren onderworpen. De rechtbank oordeelt dat onder deze omstandigheden niet, zoals de gemeente stelt, aan Eemnes kan worden tegengeworpen dat zij zich, als partij die blijkens haar inschrijving bij de Kamer van Koophandel actief is in de handel in onroerend goed, ervan bewust moest zijn, althans had behoren te begrijpen, dat een dergelijk publiekrechtelijk voorbehoud kon bestaan gezien het feit dat de gemeente een gemeente onderworpen aan de werking van de Arhi was en dat het daarom op haar weg lag daar onderzoek naar te doen. Naar het oordeel van de rechtbank voerde de onderzoeksplicht van Eemnes niet zover en miskent deze stelling bovendien dat, zoals Eemnes heeft aangevoerd, de gemeente gehouden was zich tijdens de onderhandelingen jegens Eemnes te gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid. Deze brachten met zich mee dat de gemeente haar gedrag mede moest laten bepalen door de gerechtvaardigde belangen van Eemnes, waaronder het belang op de hoogte te worden gebracht van een voor haar rechtspositie belangrijk publiekrechtelijk voorbehoud als het onderhavige dat de uiteindelijke totstandkoming van de koop minimaal zou vertragen en mogelijk zou verhinderen. Kort gezegd, op de gemeente rustte een zelfstandige mededelingsplicht waaraan zij uitvoering had kunnen en moeten geven en nu zij dit niet gedaan heeft komt haar, gezien ook de overige omstandigheden van het geval, geen beroep toe op de onbevoegdheid van B&W. De rechtbank oordeelt derhalve dat Eemnes er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat B&W bevoegd handelde bij het doen van het finale aanbod en dat er door haar rechtsaanvaarding van dit aanbod een geldige koopovereenkomst tot stand kwam. De rechtbank zal derhalve, zoals primair gevorderd, voor recht verklaren dat een koopovereenkomst tussen partijen tot stand is gekomen met betrekking tot de percelen, en zal de gemeente veroordelen om mee te werken aan de levering van de percelen op straffe van een dwangsom. Daarnaast zal de rechtbank de gemeente veroordelen tot betaling van de koopsom van EUR 8,00 per vierkante meter, kosten koper.

4.5. Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat voorgaande conclusies niet worden aangetast door de werking van de Wvg, meer in het bijzonder de mogelijkheid, waarop de gemeente heeft gewezen, dat de eigenaar van een met een voorkeursrecht belast perceel voor de rechtbank een deskundigenbericht omtrent de door de gemeente te betalen prijs kan uitlokken op grond van de artikelen 16 en verder Wvg. Zoals Eemnes heeft aangevoerd, bestond er bestond immers overeenstemming over de prijs, reden waarom het volgen van deze procedure niet zinvol was geweest.

4.6. Eemnes heeft tevens een rente van 5% op jaarbasis gevorderd over de koopsom, met ingang van 19 maart 2009, dat wil zeggen twee dagen na de email van de zijde van [X] waarin deze de gemeente verzocht tot nakoming van de koopovereenkomst. Ook heeft Eemnes een boete van 10% over de koopsom gevorderd met het argument dat een dergelijke boete zowel gebruikelijk als redelijk en billijk is. De gemeente heeft dit deel van de vordering betwist met het argument dat deze renteopslag en boete nooit zijn bedongen. De rechtbank overweegt dat uit niets blijkt dat deze rente en boete tussen partijen overeen gekomen zijn, terwijl de stelling van Eemnes dat het gebruikelijke bedingen zou betreffen door de gemeente is betwist en overigens door Eemnes niet nader is onderbouwd. De rechtbank zal de over de koopsom gevorderde boete en renteopslag daarom afwijzen.

4.7. Aan een behandeling van de overige door Eemnes en de gemeente ingenomen standpunten en (meer) subsidiaire vorderingen van Eemnes komt de rechtbank gezien voorgaande rechtsoverwegingen niet meer toe.

4.8. Bergen zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Eemnes worden begroot op:

- dagvaarding EUR 73,89

- vast recht 263,00

- salaris advocaat 5.160,00 (2,0 punten × tarief EUR 2.580,00)

Totaal EUR 5.496,89

5. De beslissing

De rechtbank:

5.1. verklaart voor recht dat tussen partijen een koopovereenkomst tot stand is gekomen met betrekking tot de percelen kadastraal bekend gemeente Bergen (Limburg) M 77 en M 78,

5.2. veroordeelt de gemeente om binnen zes weken na betekening van dit vonnis te verschijnen op Notariskantoor Bergen, gevestigd aan de Siebengewaldseweg 9-11 te Bergen (Limburg) en daar medewerking te verlenen aan de ondertekening van de akte van levering betreffende de percelen, onder gelijktijdige voldoening van de koopprijs van EUR 8,00 per vierkante meter, kosten koper,

5.3. veroordeelt de gemeente om aan Eemnes een dwangsom te betalen van EUR 50.000,00 voor iedere dag dat zij niet aan de in rechtsoverweging 5.2 uitgesproken veroordeling tot medewerking aan de ondertekening van de akte van levering betreffende de percelen voldoet, tot een maximum van EUR 1.000.000,00 is bereikt,

5.4. veroordeelt Bergen in de proceskosten, aan de zijde van Eemnes tot op heden begroot op EUR 5.496,89,

5.5. verklaart vorenstaande veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

5.6. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M.P. Drijkoningen en in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2010.?