Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2010:BN5525

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
20-08-2010
Datum publicatie
31-08-2010
Zaaknummer
99396 / FT - RK 10-66
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Samenloop verzoek faillissement en schuldsanering (art. 3a Fw). In onderhavig geval wordt het faillissement uitgesproken ondanks dat het schuldsaneringsverzoek in hoger beroep nog loopt. Afweging van belangen van werknemers bij het faillissement versus schuldenaar bij toepassing van de schuldsaneringsregeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector civielrecht

faillissementsnummers: 10/220 F, 10/221 F en 10/222 F

binnenkomst aangifte d.d.: 24 februari 2010

rekestnummer: 99396/FT-RK 10.66

Bij verzoekschrift heeft Crossmoor Sport B.V., statutair gevestigd te Weert en kantoorhoudende te 6000 VR Weert, Laurabosweg 6-10,

schuldeiser hierna te noemen Crossmoor,

advocaat mr. Y.M. van Beek te Amsterdam,

de rechtbank verzocht in staat van faillissement te verklaren:

de vennootschap onder firma Hostellerie [bedrijfsnaam] V.O.F.,

ingeschreven bij de Kamer van Koophandel voor Limburg onder nummer [nummer],

correspondentieadres: [woonplaats], [adres],

vestigingsadres: [vestigingsplaats], [adres],

alsmede haar vennoten:

[vennoot sub 1],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

en

[vennoot sub 2],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

beiden woonadres: [woonplaats], [adres].

Verzoekster wordt Crossmoor genoemd. Verweerder wordt de Hostellerie genoemd.

De vennoten zullen samen als de vennoten worden aangeduid.

1. Het verloop van de procedure

1.1. Crossmoor Sport BV (verder: Crossmoor) heeft bij verzoekschrift, ingekomen bij de

rechtbank op 24 februari 2010, het faillissement verzocht van de vennootschap onder firma

Hostellerie [bedrijfsnaam]. Op de faillissementszitting van 16 maart 2010 is dit verzoekschrift

behandeld in aanwezigheid van de vennoten van de Hostellerie en is de behandeling

aangehouden om een minnelijke oplossing van de schuldenproblematiek te beproeven. Op

30 maart 2010 bleek een vergelijk niet mogelijk en is het faillissementsverzoek geschorst in

afwachting van de beslissing op het op die zitting ingediende verzoek van de vennoten om

voor toepassing van de schuldsaneringsregeling in aanmerking te komen.

1.2. Bij brief van 10 juni 2010 heeft mr. Goorts als advocaat van de vennoten een

verzoekschrift tot toepassing van de schuldsaneringsregeling aan de rechtbank toegezonden.

Omdat dit verzoekschrift niet volledig was; de gemeentelijke verklaring als bedoeld in art.

285 lid 1 sub f Fw ontbrak, is bij brief van 22 juni 2010 een uitstel verleend van twee weken

teneinde deze verklaring alsnog in het geding te brengen. Ter zitting van 6 juli 2010 blijkt

de vennoot de heer [vennoot sub 1] bij de gemeente evenwel niet de afdeling Schuldhulpverlening

te hebben bezocht voor het verkrijgen van deze verklaring, maar de afdeling bijzondere

bijstand teneinde krediet te verkrijgen om de onderneming te saneren. De rechtbank heeft

vervolgens bij mondeling vonnis van diezelfde dag verzoekers niet-ontvankelijk verklaard

in hun verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.

De vennoten hebben tegen dit vonnis houdende niet-ontvankelijkheid hoger beroep

ingesteld bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.

1.3. Bij brief van 6 augustus 2010 vragen een tiental werknemers van de Hostellerie

dringend om een snelle beslissing op het faillissementsverzoek. Zij wijzen erop al enige tijd

geen salaris meer te ontvangen. Daarop is door de rechtbank besloten tot voortzetting van de

behandeling van het faillissementsverzoek op 17 augustus 2010. Verweerders worden van

deze beslissing door de rechtbank bij brief van 10 augustus 2010 op de hoogte gesteld.

Voorts zijn verweerders namens Crossmoor bij exploot van 12 augustus 2010 voor die

zitting opgeroepen.

1.4. Bij de behandeling van het faillissementsverzoek zijn verweerders ondanks

behoorlijke oproeping niet verschenen. Wel zijn namens Crossmoor haar directeur, haar

raadsman mr. B.T.G.M. Lamers alsmede een vertegenwoordiger van de werknemers van

Hostellerie verschenen. De uitspraak op het verzoek is bepaald op heden.

2. Overwegingen

2.1. De rechtbank stelt voorop dat het maatschappelijk belang erbij gediend is dat de

faillietverklaring van een lopende onderneming die is opgehouden met te betalen, zo

spoedig als mogelijk wordt uitgesproken. Onnodige voortzetting van de onderneming kan

namelijk tot schade leiden voor met name crediteuren en werknemers. Dit belang komt tot

uitdrukking in het feit dat eigen aangiften of verzoeken tot faillissement in voorkomende

gevallen ook buiten de roldag kunnen worden uitgesproken.

2.2. Dit belang komt onder spanning te staan als natuurlijke personen met een eigen

onderneming hangende een verzoek tot faillietverklaring, ter afwering daarvan een verzoek

tot toepassing van de schuldsaneringsregeling indienen. Omdat met de voorbereiding van de

behandeling van een schuldsaneringsverzoek een termijn van maanden gemoeid is, in welke

termijn het faillissementsverzoek geschorst blijft, leidt het indienen van dergelijke

verzoeken tot lange onzekerheid over de status van het faillissementsverzoek en van de

onderneming. Hoewel in de praktijk blijkt dat vanwege deze tijdsdruk schuldsanerings-

verzoeken onvolledig worden voorbereid, doet het nadeel van de ongewisse status van

faillissementsverzoek en onderneming zich vooral gevoelen als het schuldsaneringsverzoek

wordt afgewezen en de verzoeker daarvan in hoger beroep komt; het faillissementsverzoek

blijft immers geschorst totdat onherroepelijk op het schuldsaneringsverzoek is beslist. Bij

hoger beroep en eventueel cassatie zal de schorsing al gauw vele maanden tot langer dan

een jaar belopen. Zulks is evenwel in overeenstemming met de keuze van de wetgever om

het belang van een natuurlijke persoon om in eerste instantie voor toepassing van de

schuldsaneringsregeling in aanmerking te komen, te stellen boven het belang van het

rechtsverkeer om kennelijk insolvente ondernemingen op verzoek van een of meer

schuldeisers zo voortvarend mogelijk in staat van faillissement te verklaren.

2.3. In de rechtspraktijk blijkt niet zelden dat ondernemende natuurlijke personen die

zich niet wensen neer te leggen bij het faillissement van hun onderneming, ter afwering

daarvan een schuldsaneringsverzoek indienen. Omdat als regel ook tijdens een wettelijk

schuldsaneringstraject de onderneming beëindigd moet worden, is hun doel niet primair de

toepassing van die regeling, maar het winnen van tijd om de door hen gedachte sanering van

hun onderneming alsnog te realiseren. Ook de onderhavige zaak lijkt een voorbeeld van dit

streven. De vennoten van de Hostellerie willen namelijk primair de liquidatie van de

Hostellerie voorkomen. In plaats van schuldhulpverlening aan te vragen, wenden zij zich tot

de afdeling bijzondere bijstand van de gemeente om aanvullende financiering voor de

onderneming te bepleiten.

2.4. De wet stelt in art. 287 lid 2 Fw als sanctie op het niet voortvarend of onvolledig

indienen van het schuldsaneringsverzoek de niet-ontvankelijkheid van de verzoeker.

Verdedigbaar is dat tegen deze beslissing geen rechtsmiddel openstaat, nu het gesloten

stelsel van rechtsmiddelen in de Faillissementswet inzake deze beslissing geen rechtsmiddel

noemt, terwijl ook inhoudelijk gezegd kan worden dat de niet-ontvankelijkheid onverlet laat

dat gewoon opnieuw een verzoekschrift kan worden ingediend. Hoven en Hoge Raad

hebben evenwel dit gevolg niet getrokken, zodat het er rechtens voor moet worden

gehouden dat hoger beroep tegen een niet-ontvankelijkverklaring mogelijk is. Daardoor is

ook deze rechtbankbeslissing niet onherroepelijk en blijft het faillissementsverzoek door het

instellen van een rechtsmiddel geschorst.

2.5. Het voorgaande impliceert dat de spanning tussen voortvarende faillietverklaring en

de mogelijkheid van toepassing van de schuldsaneringsregeling extra onder spanning kan

worden gezet door personen die naar het oordeel van de rechter in eerste instantie niet

voortvarend of volledige verzoekschriften indienen en van de daarop volgende niet-

ontvankelijkheidsbeslissing in hoger beroep en eventueel cassatie komen. De rechtbank is

van oordeel dat deze ongewenste consequentie van het wettelijk stelsel niet door de

wetgever voorzien en evenmin gewild is. Dit rechtvaardigt dat in voorkomende gevallen,

ondanks de in art. 3a Fw neergelegde voorrang van schuldsanering boven faillissement, de

rechter een afweging kan maken tussen de belangen van een verzoeker tot faillissement op

het uitspreken daarvan en het belang van verzoeker tot schuldsanering op het van toepassen

verklaren van de regeling. Daarbij kan bij de afweging van de wederzijdse belangen worden

meegenomen dat als in hoger beroep alsnog de beslissing van de rechtbank op het

schuldsaneringsverzoek wordt vernietigd, de gevolgen van een in de tussentijd uitgesproken

faillissement eenvoudig ongedaan kunnen worden gemaakt door dat faillissement met

toepassing van art. 15b Fw. alsnog om te zetten in een schuldsaneringsregeling.

2.6. In onderhavig geval is de rechtbank van oordeel dat de hierboven beschreven

belangenafweging ten gunste van de verzoekster tot faillietverklaring moet uitvallen. Het

oneigenlijk gebleken belang van de vennoten tot voortzetting van de onderneming, althans

buitengerechtelijke sanering daarvan weegt niet op tegen het belang van de werknemers van

de vennootschap onder firma om bij faillietverklaring zekerheid te verkrijgen omtrent hun

salarisaanspraken.

2.7. Dit leidt tot toewijzing van het faillissementsverzoek. Hoewel het verzoek zich

uitsluitend richt tegen de vennootschap onder firma, zal ook het faillissement van de beide

vennoten worden uitgesproken, nu het faillissement van de v.o.f. van rechtswege ook tot het

faillissement van haar vennoten leidt.

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. verklaart HOSTELLERIE [bedrijfsnaam] V.O.F., [vennoot sub 1] en [vennoot sub 2] voornoemd in staat van faillissement;

3.2. benoemt tot rechter-commissaris het lid van deze rechtbank mr. H.H. Dethmers;

3.3. stelt aan tot curator mr. G. te Biesebeek, advocaat te 6020 AC Budel, Postbus 2139;

3.4. geeft last aan de curator tot het openen van aan gefailleerden gerichte brieven en telegrammen.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.H. Dethmers en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 augustus 2010 om 11.00 uur in tegenwoordigheid van de griffier.