Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2010:BN3656

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
05-08-2010
Datum publicatie
10-08-2010
Zaaknummer
102786 / KG ZA 10-162
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing voorlopige voorziening zonder kortsluiting (in verband met aangekondigde verlenging van het huisverbod).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector civiel recht

Voorzieningenrechter

Zaaknummer: 102786 / KG ZA 10-162

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 05 augustus 2010 naar aanleiding van het verzoek om voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[verzoeker], verzoeker,

wonende te [woonplaats],

thans verblijvende op een onbekend adres,

gemachtigde mr. G.J.C. van Buuren,

en

de burgemeester van de gemeente Maasgouw, verweerder.

in welke zaak belanghebbende is:

[belanghebbende],

wonende te [woonplaats], gemeente Maasgouw, [adres].

Zitting hebben: mr. M.I.J. Hegeman, als voorzitter

H.V.M. Smeets, als griffier.

1. Mondelinge behandeling

1.1. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 05 augustus 2010.

Ter zitting zijn verschenen:

- verzoeker, bijgestaan door mr. G.J.C. van Buuren;

- [gemachtigden], namens verweerder.

1.2. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gemachtigde] een aantal politiemutaties overgelegd.

1.3. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting op 5 augustus 2010 heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

2. Beslissing

De voorzieningenrechter,

recht doende:

wijst af het verzoek om voorlopige voorziening;

3. Ontstaan en loop van de procedure

3.1. Bij besluit van 28 juli 2010 heeft verweerder aan verzoeker op grond van artikel 2 van de Wet tijdelijk huisverbod (Wth) een huisverbod opgelegd voor de woning gelegen te Heel, aan [adres], geldend vanaf 28 juli 2010 10.36 uur tot 07 augustus 2010 10.36 uur.

3.2. Verzoeker heeft bij verzoekschrift van 2 augustus 2010 de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende opschorting van het huisverbod en subsidiair het huisverbod tijdelijk voor een of twee dagen op te schorten, zodat verzoeker in de gelegenheid is de woning aan [adres], [woonplaats], gemeente Maasgouw, met al zijn bezittingen te ontruimen, met veroordeling van verweerder in de proceskosten en terugbetaling van het aan verzoeker in rekening gebrachte griffierecht.

Tevens heeft verzoeker in de hoofdzaak een beroepschrift d.d. 2 augustus 2010 ingediend

(zaaknummer 102782 / Fa RK 10-1150).

4. Overwegingen

4.1. Volgens artikel 8:81 van de Awb kan, als tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, door een partij in de hoofdzaak aan de voorzieningenrechter van de rechtbank een voorlopige voorziening worden gevraagd.

Bij de beoordeling van een zodanig verzoek dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist.

4.2. Voor zover de daartoe uit te voeren toetsing meebrengt dat de rechtmatigheid van het bestreden besluit wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat oordeel niet bindend voor de beslissing in de hoofdzaak.

4.3. Op 1 januari 2009 is de Wth in werking getreden. Op grond van artikel 2 van de Wth kan de burgemeester een huisverbod opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat.

4.4. Als naar het oordeel van de voorzieningenrechter na de zitting als bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, kan hij op grond van het bepaalde in artikel 8:86 van die wet onmiddellijk uitspraak doen op het door de verzoeker bij de rechtbank ingediende beroep tegen het bestreden besluit. Hoewel in de wetsgeschiedenis van de Wth tot uitdrukking is gebracht dat het de voorkeur heeft van deze mogelijkheid gebruik te maken (TK 2005 2006, 30657, nr. 3), zal de voorzieningenrechter dit in het onderhavige geval niet doen. Daargelaten of de feiten op dit moment al voldoende zijn uitgekristalliseerd, is het niet uit te sluiten dat het huisverbod zal worden verlengd. Verweerder heeft hier op de zitting over gesproken. Door het beroep niet af te doen, zal dit beroep mede tegen de eventuele verlenging zijn gericht, voor zover verzoeker deze verlenging betwist (artikel 9, tweede lid, van de Wth). Het is voor verzoeker dan niet nodig afzonderlijk beroep in te stellen (en opnieuw griffierecht te voldoen). Bovendien is het dan voor hem eenvoudiger een nieuw verzoek in te dienen tot het treffen van een voorlopige voorziening als hij meent dat dit nodig is, bijvoorbeeld vanwege gewijzigde feiten en omstandigheden. De voorzieningenrechter wijst er wel op, dat de rechtbank het beroep na afloop van de termijn waarvoor het huisverbod geldt alleen zal behandelen als verzoeker aantoont nog een belang te hebben bij een uitspraak in de hoofdzaak.

4.5. Verweerder heeft aan zijn besluit, kort weergegeven, ten grondslag gelegd dat een gevaar bestond als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wth en dat de omstandigheden van het geval het opleggen van een huisverbod noodzakelijk maken.

4.6. Ter zitting heeft verzoeker het subsidiaire gedeelte van zijn verzoek ingetrokken, zodat alleen een oordeel over de opschorting van het huisverbod gegeven dient te worden.

4.7. Verzoeker heeft bij verweerschrift gesteld dat het bestreden besluit mede in het licht van de wijze van tenuitvoerlegging en de onwettige interpretatie in strijd is met de wet, artikel 8 EVRM en met de in acht te nemen zorgvuldigheid. Verzoeker is het niet eens met de wijze waarop het besluit ten uitvoer is gelegd en geïnterpreteerd. Verzoeker is in de staat waarin hij zich op dat moment bevond - ongewassen, in zijn pyjama en zonder ondergoed - meegenomen naar het politiebureau te Weert. Verzoeker is niet in de gelegenheid gesteld zich te verzorgen, aan te kleden en een weekendtas met persoonlijke spullen mee te nemen. Verzoeker heeft wel de beschikking gekregen over een lichtblauwe papieren peignoir of overall, die kennelijk voor dit soort situaties beschikbaar is. Het huisverbod is om 10.36 uur meegedeeld aan verzoeker onder uitreiking van een vrijwel onleesbaar exemplaar van de beschikking. Diezelfde dag heeft verzoeker tot omstreeks 14.45 uur in de hal van het politiebureau te Weert vergeefs gewacht op enige vorm van hulpverlening, waarbij hem door de baliemedewerkster werd medegedeeld dat er niets anders opzat dan dat hij ondanks zijn onverzorgde en half ontklede toestand naar het M.O.V. zou gaan. Verzoeker heeft vervolgens het politiebureau verlaten en is er uiteindelijk in geslaagd zich naar de vakantiewoning van twee kennissen te laten vervoeren in hetzelfde vakantiepark De Peel. Nadat hij daar was aangekomen en de kennissen bereid waren hem te helpen aan onderdak, kleding en lichamelijke verzorging, is verzoeker opnieuw door de politie wegens overtreding van het huisverbod gearresteerd en overgebracht naar het politiebureau in Roermond, dit nog altijd in voortdurende onverzorgde en half ontklede toestand. Verzoeker is pas in de loop van de volgende dag in de gelegenheid gesteld zich te verzorgen en te kleden en is vervolgens in vrijheid gesteld. Verzoeker heeft zijn bejegening als uitermate vernederend en onzorgvuldig ervaren, mede vanwege het verlies van decorum.

4.8. Ter zitting is door verzoeker, samengevat, aanvullend aangevoerd dat de vereiste belangenafweging niet goed en buiten proportioneel is en dat het besluit onvoldoende is gemotiveerd. Verweerder heeft de feiten en omstandigheden niet objectief vastgesteld en de hulpofficier heeft zijn conclusies onvoldoende feitelijk onderbouwd. Op het Risicotaxatie-instrument Huiselijk Geweld (RiHG) worden de volgende incidenten met het symbool ? “sterk signaal” aangeduid:

- bedreiging (verbaal - schelden, schreeuwen - en dreigen met de dood),

- geweldsontwikkeling (de zwaarte van het geweld is de laatste jaren toegenomen en de

frequentie van geweld is de laatste jaren toegenomen)

- geweldsverwachting (slachtoffer vreest toekomstig geweld).

Dat toekomstig geweld wordt verwacht is een loze aantijging. Nergens wordt aangegeven waar het geweld in het verleden op berust. Verzoeker hoeft er geen spijt van te hebben als er geen geweld of mishandeling is geweest. Er is wel sprake van relationele spanningen. Hiervoor hebben verzoeker en belanghebbende hulp gezocht.

4.9. Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wth kan de burgemeester een huisverbod opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat.

4.10. Hieruit volgt dat de burgemeester alleen dan een huisverbod kan opleggen als zich een gevaar of ernstig vermoeden van een gevaar voordoet als hier bedoeld. Als dat het geval is, heeft de burgemeester echter geen verplichting een huisverbod op te leggen. Het gaat om een discretionaire bevoegdheid. Dit heeft gevolgen voor de rechterlijke toetsing van het besluit. Of het gevaar of het ernstig vermoeden daarvan bestaat, toetst de rechter vol. Hij beoordeelt zelf of de relevante feiten en omstandigheden het door de burgemeester aangenomen gevaar of vermoeden van gevaar opleveren. Het gebruik van de discretionaire bevoegdheid toetst de rechter marginaal. Dat betekent dat het al dan niet gebruik maken van die bevoegdheid door de rechter slechts kan worden aangetast, als zou moeten worden geoordeeld dat de burgemeester bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet tot zijn besluit heeft kunnen komen, dan wel anderszins heeft gehandeld in strijd met enig algemeen rechtsbeginsel of algemeen beginsel van behoorlijk bestuur.

4.11. Gelet op artikel 6, derde lid, van de Wth beoordeelt de rechter het bovenstaande niet alleen naar het moment waarop het besluit is genomen, maar gaat hij ook na of zich na het opleggen van het huisverbod feiten en omstandigheden hebben voorgedaan waardoor (het handhaven van) het huisverbod inmiddels niet meer rechtmatig is.

4.12. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter levert de aanwezigheid van verzoeker in de woning, zowel ten tijde van het opleggen van het huisverbod als op dit moment, ernstig en onmiddellijk gevaar op voor de veiligheid van de belanghebbende die met hem in de woning woont. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

4.13. De voorzieningenrechter overweegt dat het ingevulde formulier van 28 juli 2010 tot oplegging van het huisverbod zelf enkele feiten en omstandigheden noemt die aanleiding geven tot oplegging. Dit formulier vermeldt echter ook dat deze beschikking is gebaseerd op een ter plaatse gehanteerd RiHG. Dit RiHG is eveneens op 28 juli 2010 ingevuld en verwijst op zijn beurt naar een op te maken proces-verbaal. Bij de stukken bevindt zich een op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 28 juli 2010 van de hulpofficier van justitie, alsmede politiemutaties van 12 juli 2009, 14 mei 2010, 21 juli 2010 en 28 juli 2010. Gelet op de genoemde onderlinge verwijzingen en op de samenhangende inhoud moeten naar het oordeel van de voorzieningenrechter al deze stukken tezamen worden aangemerkt als de motivering van het bestreden besluit.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat enkel de aan punt 9. geweldsontwikkeling van het RiHG ten grondslag liggende feiten niet de getrokken conclusie “hoge prioriteit” rechtvaardigen. Dit levert naar het oordeel van de voorzieningenrechter echter geen reden op het huisverbod op te schorten, omdat nog altijd voldoende aannemelijk is dat de aanwezigheid van verzoeker in de woning, zowel ten tijde van het opleggen van het huisverbod als op dit moment, ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van de belanghebbende die met hem in de woning woont.

4.14. Uit het voorgaande volgt dat in beroep het bestreden besluit naar verwachting in stand zal blijven, zodat er geen aanleiding is voor het treffen van een voorlopige voorziening.

4.15. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding.

Waarvan door de griffier is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzieningenrechter en door de griffier is ondertekend.

De griffier: De voorzieningenrechter:

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

hs