Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2010:BN3638

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
28-07-2010
Datum publicatie
10-08-2010
Zaaknummer
273836 \ CV EXPL 10-1507
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kennelijk onredelijk ontslag. Belangenafweging. Algemeen belang meegwogen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 681
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAR 2010/155
JIN 2010/668
AR-Updates.nl 2010-0642
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector kanton

Zaaknummer: 273836 \ CV EXPL 10-1507

Vonnis van de kantonrechter te Venlo d.d. 28 juli 2010

in de zaak van:

[eiser], wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde: mr. J.B.M. Vaessen,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [...] Vertandingstechniek B.V., gevestigd te Heijen aan De Groote Heeze 37,

gedaagde,

gemachtigde: dw. M.M.J. Hafkamp (H&P Venlo).

1. Het verloop van de procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit het volgende:

? Het exploot van dagvaarding met producties;

? De conclusie van antwoord met producties;

? Het tussenvonnis van 16 juni 2010;

? De overgelegde producties;

? De comparitie van partijen op 8 juli 2010;

? De pleitnota’s c.q. schriftelijke aantekeningen van partijen.

1.2. De zaak is daarna op vonnis gesteld en de uitspraak daarvan is bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

2.1. Eiser is op 16 mei 1995 voor bepaalde tijd en wel tot 16 november 1995 bij gedaagde in dienst getreden. Op 6 oktober 1995 is het dienstverband met ingang van

16 november 1995 verlengd met zes maanden. Vanaf dien geldt de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. De functie van eiser was laatstelijk die van medewerker afwerkhoek en zijn salaris bedroeg EUR 2.268,17 bruto per maand met een recht op vakantietoeslag en op EUR 317,54 ploegentoeslag per maand.

2.2. Op 16 december 2009 heeft gedaagde wegens bedrijfseconomische redenen om afgifte van een ontslagvergunning voor eiser gevraagd. Het UWV-werkbedrijf heeft op

27 januari 2010 toestemming verleend de arbeidsverhouding met eiser op te zeggen. Bij brief van 28 januari 2010 heeft gedaagde de arbeidsverhouding met eiser opgezegd tegen 1 april 2010. Op 1 februari 2010 heeft eiser zich ziek gemeld in verband met psychische klachten.

3. De vordering en stellingen van eiser

3.1. Eiser vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

? Voor recht te verklaren dat het door gedaagde aan eiser verleende ontslag kennelijk onredelijk is;

? Gedaagde te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiser te betalen een schadevergoeding, naar redelijkheid en billijkheid te bepalen en bij voorkeur berekend volgens de kantonrechtersformule, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 april 2010 tot aan de dag der algehele voldoening;

? Gedaagde te veroordelen in de kosten van de onderhavige procedure.

3.2. Eiser heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat het ontslag kennelijk onredelijk op grond van het gevolgencriterium. Gelet op het lange dienstverband van bijna 15 jaar, de 54-jarige leeftijd van eiser, zijn ook na het ontslag voortdurende psychische klachten, de uiterst beperkte mogelijkheden op de huidige arbeidsmarkt en het financiële nadeel dat eiser als gevolg van het ontslag lijdt, had het op de weg van gedaagde gelegen een passende financiële vergoeding te betalen.

3.3. Voor een verdere feitelijke en juridische onderbouwing van de vordering verwijst de kantonrechter naar de dagvaarding met producties en het besprokene ter zitting. De inhoud van het voornoemde moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.

4. Het verweer van gedaagde

4.1. Allereerst heeft gedaagde haar organisatorische en bedrijfseconomische omstandigheden uiteengezet. Verder geeft zij een toelichting op de reorganisatie van 2009 en welke maatregelen zij daaraan voorafgaand heeft genomen.

4.2. Er is geen sprake van een kennelijk onredelijk ontslag. Er was geen andere mogelijkheid om het voortbestaan van het bedrijf te garanderen. Het anciënniteit- en afspiegelingsbeginsel is getoetst. De financiële toestand maakt het onmogelijk een vergoeding te betalen.

4.3. Ook hier verwijst de kantonrechter voor een verdere feitelijke en juridische onderbouwing naar de conclusie van antwoord, de in het geding gebrachte producties en het besprokene ter zitting. Ook hier geldt dat het voornoemde als hier herhaald en ingelast moet worden beschouwd.

5. De beoordeling

5.1. Volgens jurisprudentie moeten bij de beantwoording van de vraag of het ontslag kennelijk onredelijk ingevolge het gevolgencriterium kennelijk onredelijk is alle omstandigheden ten tijde van het ontslag in aanmerking worden genomen. De enkele omstandigheid dat een werknemer zonder dan wel met een minimale vergoeding is ontslagen, levert in het algemeen geen grond op voor een vordering als bedoeld in artikel 7:681 lid 1 BW. In een dergelijk geval moet voor het aannemen van een kennelijke onredelijkheid sprake zijn van bijzondere omstandigheden die meebrengen dat de nadelige gevolgen van de beëindiging geheel of ten dele voor rekening van de werkgever dienen te komen. Indien wordt aangenomen dat een opzegging kennelijk onredelijk is, heeft de werknemer recht op een vergoeding. De hoogte van die vergoeding houdt nauw verband met de omstandigheden die de kantonrechter tot zijn oordeel over de kennelijke onredelijkheid van het ontslag hebben geleid, en is mede afhankelijk van omstandigheden zoals de duur van het dienstverband, de leeftijd van de werknemer en de kansen op het vinden van ander passend werk. De vergoeding dient aan de benadeelde een zekere mate van genoegdoening te verschaffen die in overeenstemming is met de aard en de ernst van de tekortkoming van de wederpartij. Bij de vaststelling van de vergoeding heeft de kantonrechter een grote mate van vrijheid.

5.2. De kantonrechter overweegt dat de gevolgen van het ontslag voor eiser ernstig zijn. Daarbij let de kantonrechter op:

- zijn leeftijd van 54 jaar;

- zijn niet perfecte maar wel redelijke kennis van de Nederlandse taal;

- zijn 15-jarig dienstverband;

- de niet te groot aangeslagen kans om in de huidige economische crisis weer nieuw werk te vinden, ook al gelet op de door eiser gestelde rugklachten en spanningen.

5.3. De vraag in het kader van art. 7:681 BW is of deze ernstige gevolgen na afweging van de belangen van de werkgever zodanig ernstig althans onevenredig groter zijn, dat daardoor een vergoeding op haar plaats dient te zijn.

De kantonrechter is op zich niet zo onder de indruk van een “heb weinig tot niets”-verweer. Financiële onmacht is geen overmacht en behoort tot het risico van ieder debiteur / ondernemer.

5.4. De kantonrechter acht de belangen van gedaagde bij de verlening van het ontslag de volgende:

- Zonder de reductie in personeel (14 man helaas ontslagen, waar tegenover 26 man productie en 6 man indirect personeel in dienst blijven) was een deconfiture onafwendbaar.

- Een met de bank afgesproken Plan van Aanpak wordt gerealiseerd, waarbij de bank wekelijks toezicht (afdeling kredietbegeleiding) uitoefent, zodat is gewaarborgd dat bedrijfseconomisch verantwoorde (investering-)beslissingen worden genomen;

- Het bedrijf kent een steeds kortere productencyclus, mede als gevolg van Aziatische concurrentie, waardoor meer tijd, geld en energie wordt gestoken in de engineering van nieuwe producten;

- De balansen, de kasstroomoverzichten, het Plan van Aanpak en de verklaring van de registeraccountant laten zien dat de onderneming met de huidige bezetting en financiering, bij een weer iets stijgende ordervraag, een redelijke kans van slagen heeft;

- Het algemeen belang vergt dat zoveel als mogelijk de onderneming – mits goed geleid en financieel verantwoord begeleid – in stand blijft zodat niet nog meer werk, kennis, vaardigheden en productiefaciliteiten uit Nederland verdwijnen;

- Niet is gebleken dat in het verleden winsten door te doorzichtige constructies ten behoeve van slechts op eigen gewin uit zijnde derden zijn weggelekt of dat via “managementvergoedingen” of te ruime pensioenvoorzieningen het belang van de onderneming als geheel werd achtergesteld.

5.5. De kantonrechter acht deze belangen aan de kant van gedaagde opwegen tegen de belangen van eiser. De belangen van eiser worden niet onevenredig zwaarder benadeeld. Dit leidt tot de conclusie dat zijn vordering moet worden afgewezen.

5.6. Tot slot zal eiser als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

6. De beslissing

6.1. Wijst de vordering af.

6.2. Veroordeelt eiser in de kosten van deze procedure aan de kant van gedaagde gevallen en aan die kant tot heden begroot op EUR 600,00 als salaris voor de gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mr. O.M. de Lange, kantonrechter, en ter openbare civiele terechtzitting op 28 juli 2010 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.