Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2010:BN3081

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
12-05-2010
Datum publicatie
09-08-2010
Zaaknummer
259903 \ CV EXPL 09-4811
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ziie ook LJN nummer: BN 3084

Oneerlijk beding in consumentenovereenkomst

Kantonrechter acht het vorderen van resterende contractstermijnen na vroegtijdige beëindiging van het telefoonabonnement niet toelaatbaar.

Een dergelijke vordering wordt aangemerkt als een oneerlijk beding in een consumentenovereenkomst als bedoeld in EG Richtlijn 93/13/EEG van 5 april 1993.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector kanton

Zaaknummer: 259903 \ CV EXPL 09-4811

Vonnis van de kantonrechter te Venlo d.d. 12 mei 2010

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Intrum Justitia Nederland B.V., gevestigd en kantoorhoudende te 's-Gravenhage,

eiseres,

gemachtigde: Kuik & Partners Gerechtsdeurwaarders,

tegen:

[gedaagde], wonende te [woonplaats] aan de [adres],

gedaagde,

gemachtigde: mr. P.A. van Enckevort.

1. Het verloop van de procedure

1.1. Het verloop van het geding blijkt uit het volgende:

- de inleidende dagvaarding met productie;

- de conclusie van antwoord met producties;

- de conclusie van repliek met producties;

- de conclusie van dupliek.

1.2. Na conclusiewisseling is de zaak op vonnis gesteld. De uitspraak daarvan is bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

2.1. Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken en op grond van de overgelegde producties, staat tussen partijen onder meer het volgende vast.

Eiseres heeft de onderhavige vordering op gedaagde gekocht van Vodafone Libertel B.V., verder te noemen Vodafone. Vodafone heeft de vordering gecedeerd aan eiseres. Gedaagde is schriftelijk van de overname van de vordering door eiseres in kennis gesteld.

2.2. Tussen gedaagde en Vodafone bestond een overeenkomst ter zake mobiele telecommunicatiediensten met telefoonnummer [telefoonnummer 1].

2.3. Op 6 maart 2009 heeft gedaagde een nieuw contract met Vodafone gesloten betreffende telefoonnummer [telefoonnummer 2]. Bij dit contract heeft gedaagde een Nokia 6300, Silver en MCC, TomTom One Europe V4 ter waarde van EUR 358,99 om niet ontvangen. De overeenkomst is aangegaan voor de duur van 24 maanden.

2.4. Het telefoonnummer [telefoonnummer 1] is door gedaagde in ieder geval tot in mei 2009 gebruikt. Op 6 mei 2009 is dit nummer afgesloten.

2.5. Gedaagde heeft de facturen van 16 april 2009, 15 mei 2009, 18 juni 2009, 14 juli 2009, 13 augustus 2009 en 4 september 2009 onbetaald gelaten.

2.6. Vodafone heeft een creditering van EUR 36,00 toegepast op een factuur van telefoonnummer [telefoonnummer 2].

2.7. Vodafone heeft de overeenkomst met gedaagde tussentijds, wegens wanbetaling, ontbonden.

3. De vordering en de stellingen van eiseres

3.1. Eiseres vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, gedaagde te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiseres te betalen de somma van EUR 744,13, vermeerderd met de wettelijke rente over EUR 588,42 vanaf 8 november 2009 tot de dag der algehele voldoening, een en ander tezamen een bedrag van EUR 5.000,00 niet te bovengaande, kosten rechtens.

3.2. Aan haar vordering legt eiseres het volgende ten grondslag.

Partijen hebben op 6 maart 2009 een overeenkomst ter zake telecommunicatiediensten gesloten. Gedaagde heeft een aantal facturen onbetaald gelaten, waarop Vodafone de overeenkomst heeft ontbonden. De onbetaald gebleven facturen, alsmede de resterende abonnementskosten tot het einde van het contract dienen door gedaagde betaald te worden.

3.3. De overeenkomst van 6 maart 2009 is zonder enig voorbehoud tot stand gekomen en dat de eerdere overeenkomst diende te eindigen was dan ook niet bij Vodafone bekend. Het is vrij normaal dat één persoon gelijktijdig meerdere lopende mobiele telefoonovereenkomsten heeft. Zonder daartoe verplicht te zijn heeft Vodafone gedaagde al voor een bedrag van EUR 36,00, zijnde twee maanden abonnementskosten, gecrediteerd.

3.4. Voor een verdere feitelijke en juridische onderbouwing van de vordering wordt verwezen naar de inleidende dagvaarding, de conclusie van repliek en de door eiseres overgelegde producties. De inhoud daarvan dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

4. Het verweer van gedaagde

4.1. Gedaagde heeft verweer gevoerd hetgeen – kort samengevat – het volgende inhoudt.

Gedaagde heeft de overeenkomst van 6 maart 2009 enkel gesloten indien de oude overeenkomst per gelijke datum zou eindigen. De verkoper heeft gedaagde expliciet medegedeeld dat de oude overeenkomst met het ingaan van de nieuwe overeenkomst zou eindigen. Na ontvangst van de facturen heeft gedaagde steeds weer, zowel schriftelijk, per e-mail als telefonisch, geprotesteerd. Gedaagde heeft eerst per 26 augustus 2009 (vijf maanden na gedaagdes eerste schrijven) een reactie van Vodafone mogen ontvangen. Met een juiste voorstelling van zaken had gedaagde nimmer een nieuwe overeenkomst bij Vodafone afgesloten. De vordering wordt in strijd met de redelijkheid geacht.

4.2. Ook hier verwijst de kantonrechter voor een verdere feitelijke en juridische onderbouwing van het verweer van de conclusie van antwoord en dupliek en de daarbij overgelegde producties. De inhoud van deze stukken dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

5. De beoordeling van het geschil

5.1. Partijen houdt verdeeld de vraag of gedaagde gehouden is de openstaande facturen aan eiseres te voldoen.

5.2. Gedaagde erkent op 6 maart 2009 een nieuwe overeenkomst met Vodafone te zijn aangegaan. Gedaagde spitst zijn verweer met name toe op het door Vodafone niet beëindigen van de oude overeenkomst. Zoals de kantonrechter uit de stukken afleidt heeft gedaagde hierdoor geen schade geleden, zeker niet nu Vodafone twee maanden abonnementskosten heeft gecrediteerd. De vraag of gedaagde wel of niet een voorwaarde aan de nieuwe overeenkomst heeft verbonden is dan minder belangrijk. De oude overeenkomst is op verzoek van gedaagde op 6 mei 2009 alsnog beëindigd, terwijl de nieuwe overeenkomst eerst op 6 maart 2009 is ingegaan. Precies dus die twee maanden die eiseres gecrediteerd heeft. Wat gedaagde dan met zijn verweer wenst te bereiken is onduidelijk. Dit verweer van gedaagde wordt verworpen.

5.3. Eiseres stelt voorts dat op grond van de algemene voorwaarden de vaste periodieke kosten over de resterende contractsduur ad EUR 427,56 inclusief btw in rekening worden gebracht. Nu eiseres een beroep doet op de algemene voorwaarden en dan in het bijzonder op de ontbinding van de overeenkomst en het hierbij in rekening brengen van de abonnementskosten over de resterende looptijd, is de kantonrechter het navolgende van oordeel.

5.4 De kantonrechter stelt vast dat gedaagde een consument is als bedoeld in art. 6:236 aanhef BW: een natuurlijk persoon die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, en volgens art. 2 onder b van de Richtlijn oneerlijke bedingen: iedere natuurlijke persoon die bij de onder deze richtlijn vallende overeenkomsten handelt voor doeleinden die buiten zijn bedrijfs- of beroepsactiviteit vallen. Tegenover hem staat de ‘gebruiker’ van algemene voorwaarden in de zin van art. 6:231 BW.

5.5 Onder verwijzing naar de Richtlijn EG Richtlijn 93/13/EEG van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, HvJ HvJ 27 juni 2000, gevoegde zaken C-240/98 tot C-244/98 (Oceano), Zie HvJ 14 juli 1994, C-91/92 (Faccini Dori), HvJ 21 november 2002, C-473/00, HvJ 26 oktober 2006, C-168/05, jurispr. blz. I-10421 (Mostaza Claro), HvJ 4 oktober 2007, C-429/05 (Rampion), HvJ 4 juni 2009, C-243/08, HvJ 6 oktober 2009, C-40/08 (Asturcom) acht de kantonrechter zich ingevolge art. 3:40 lid 2 BW ambtshalve geroepen te toetsen of en door de gebruiker ingeroepen algemene voorwaarde onredelijk bezwarend is jegens de consument, zodra de feiten daartoe aanleiding geven.

5.6 De kantonrechter legt derhalve de volgende toetsmomenten aan:

1) De gebruiker doet een (impliciet) beroep een onredelijk bezwarend beding;

2) De consument/wederpartij doet wel of geen (impliciet) beroep op de

onredelijkheid van het beding;

3) Mag volgens het Europees consumentenrecht het beding wel of geen efect hebben?

4) Is dan het beding naar Nederlands recht nietig op grond van art. 3:40 BW lid 2 jo 6:233 onder a dan wel 6:236 of 6:237 BW?

5.7 Art. 3 Richtlijn Oneerlijke bedingen bepaalt:

“Artikel 3

1. Een beding in een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, wordt als

oneerlijk beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort.

2. (…)

3. De bijlage bevat een indicatieve en niet uitputtende lijst van bedingen die als oneerlijk kunnen worden aangemerkt.”

5.8 In de bijlage bij Richtlijn 93/13/EEG is opgenomen onder e): dat als oneerlijk in de zin van artikel 3 lid 3 van de Richtlijn kunnen worden aangemerkt, bedingen, die tot doel of tot gevolg hebben: “de consument die zijn verbintenissen niet nakomt, een onevenredig hoge schadevergoeding op te leggen.”

Onder o) van dezelfde richtlijn is opgenomen dat als oneerlijk in de zin van artikel 3 lid 3 kunnen worden aangemerkt bedingen die tot doel of tot gevolg hebben: “de consument te verplichten al zijn verbintenissen na te komen, zelfs wanneer de verkoper zijn verbintenissen niet nakomt”.

5.8 De factuur van 4 september 2009, waarbij aan gedaagde een bedrag van EUR 427,56 in rekening is gebracht heeft (kennelijk) betrekking op de ontbinding van de overeenkomst en het in rekening brengen van de abonnementskosten over de resterende looptijd van de overeenkomst.

5.9 Eiseres grondt haar vordering op haar algemene voorwaarden. Kennelijk doelt zij op een beding waarbij het restant van de abonnementsperiode onmiddellijk opeisbaar is na opzegging of ontbinding van de overeenkomst. Volledig duidelijk is dat echter niet, te meer daar eiseres de toepasselijke algemene voorwaarden niet heeft overgelegd.

5.10 De kantonrechter draagt eiseres op:

1) de opbouw van de vordering nader uit te leggen;

2) indien daarvoor een beroep op haar algemene voorwaarden wordt gedaan, deze in het geding te brengen.

5.11 De kantonrechter stelt vast dat gedaagde geen expliciet beroep doet op de onredelijkheid van enig beding (daargelaten wellicht de een na laatste zin in de conclusie van dupliek: “ Concluderend acht Holten het dan ook in strijd met enige vorm van redelijkheid dat hem nu een bedrag ad EUR 744,13 gevorderd wordt”. De processuele opstelling van gedaagde sluit niet uit dat gedaagde niet voornemens is het oneerlijke en niet-bindende karakter daarvan in te roepen (zie HvJ 4 juni 2009, C-243/08 (Pannon), NJ 2009, 395). De kantonrechter draagt gedaagde op zich bij antwoord-akte daaromtrent voldoende duidelijk uit te laten.

5.12 De kantonrechter houdt in afwachting hiervan iedere verdere beslissing aan.

6 De beslissing

6.1 Beveelt eiseres ex artikel 22 Rv. de hiervoor gevraagde gegevens te verstrekken.

6.2 Beveelt gedaagde ex artikel 22 Rv. de hiervoor gevraagde gegevens te verstrekken.

6.3 Verwijst de zaak daartoe naar de rol van 2 juni 2010 voor akte eiseres en nadien naar de rol van 30 juni 2010 voor akte aan de kant van gedaagde.

6.4 Houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. O.M. de Lange, kantonrechter, en ter openbare civiele terechtzitting op 12 mei 2010 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.