Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2010:BN3067

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
09-07-2010
Datum publicatie
04-08-2010
Zaaknummer
04/804030-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Oplichting gedurende vele jaren door het zich voordoen als financieel adviseur en solide belegger, tevens gewoontewitwassen.

Benadelingsbedrag meer van 300.000 Euro. Strafmaat: gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Benadeelde partijen niet ontvankelijk wegens faillissement van verdachte, wel oplegging schademaatregel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector strafrecht

Parketnummer : 04/804030-10

Datum uitspraak : 9 juli 2010

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Roermond, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboortedatum en plaats],

wonende te [adres en woonplaats],

thans gedetineerd

1. Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting

van 25 juni 2010.

2. De tenlastelegging

De rechtbank heeft geconstateerd dat in de verfeitelijking van feit 1 is opgenomen een nadere uitwerking van de in artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht opgenomen bestanddelen ‘hetzij door het aannemen van een valse naam of van een valse hoedanigheid, hetzij door listige kunstgrepen, hetzij door een samenweefsels van verdichtsels’.

De rechtbank heeft deze bestanddelen echter niet in de tenlastelegging waargenomen.

De rechtbank ziet, gelet op die verfeitelijking, het ontbreken van bedoelde bestanddelen als een kennelijke omissie zijdens de steller van de tenlastelegging en de rechtbank zal de tenlastelegging met bedoelde bestanddelen aanvullen zodat de tenlastelegging verbeterd luidt zoals hierna staat vermeld. De belangen van de verdediging zijn hierdoor niet geschaad nu blijkens het gevoerde verweer de verdediging de tenlastelegging heeft begrepen zoals de steller van de tenlastelegging kennelijk bedoeld heeft en zoals deze thans na verbeterde lezing luidt.

De rechtbank heeft in beide feiten het bij [slachtoffer 11] (nr. 11) vermelde bedrag van € 36.000,00 gewijzigd in € 46.000,00, van oordeel zijnde dat het eerst vermelde bedrag een kennelijke schrijffout is.

De rechtbank heeft verder geconstateerd dat in feit 2 als aanvang van de in de tenlastelegging vermelde periode staat vermeld 1 januari 2000. Het in de tenlastelegging vermelde gedrag is echter pas strafbaar gesteld vanaf 14 december 2001. Nu blijkens de aangiften de gelden pas door verdachte zijn verkregen op een datum gelegen ná 14 december 2001 en er geen verweer is gevoerd over de in de tenlastelegging vermelde aanvangsdatum, zal de rechtbank de aanvangsdatum verbeteren zoals hieronder in de tenlastelegging vermeld.

De verdachte staat, na de door de rechtbank gedane aanpassingen, terecht ter zake dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 01 januari 2000 tot en met 31 januari 2010 in het arrondissement Roermond en/of elders in Nederland en/of in Spanje (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen, hetzij door het aannemen van een valse naam of van een valse hoedanigheid, hetzij door listige kunstgrepen, hetzij door een samenweefsels van verdichtsels, (onder meer) een of meer van de hierna genoemde perso(o)nen heeft bewogen tot de afgifte van (telkens) een hoeveelheid geld, te weten:

1. [slachtoffer 1] tot afgifte van Euro 100.000,- of daaromtrent, en,

2. [slachtoffer 2] tot afgifte van 17.255,- of daaromtrent, en,

3. [slachtoffer 3] tot afgifte van Euro 30.000,- of daaromtrent, en,

4. [slachtoffer 4] tot afgifte van Euro 15.000,- of daaromtrent, en,

5. [slachtoffer 5] tot afgifte van Euro 1.450,- of daaromtrent, en,

6. [slachtoffer 6] tot afgifte van Euro 76.800,- of daaromtrent, en,

7. [slachtoffer 7] tot afgifte van Euro 5.500,- of daaromtrent, en,

8. [slachtoffer 8] tot afgifte van Euro 15.000,- of daaromtrent, en,

9. [slachtoffer 9] tot afgifte van Euro 50.000,- of daaromtrent, en,

10. [slachtoffer 10] tot afgifte van Euro 3.000,- of daaromtrent, en,

11. [slachtoffer 11] tot afgifte van Euro 46.000,- of daaromtrent, en,

12. [slachtoffer 12] tot afgifte van Euro 15.000,- of daaromtrent, en,

13. [slachtoffer 13] tot afgifte van Euro 11.000,- of daaromtrent, en,

14. [slachtoffer 14] tot afgifte van Euro 500,- of daaromtrent, en,

15. [slachtoffer 15] tot afgifte van Euro 500,- of daaromtrent, en,

16. [slachtoffer 16] tot afgifte van Euro 500,- of daaromtrent, en,

17. [slachtoffer 17] tot afgifte van Euro 3.900,- of daaromtrent, en,

18. [slachtoffer 18] tot afgifte van Euro 13.000,- of daaromtrent, en

19. [slachtoffer 19] tot afgifte van Euro 1.750,- of daaromtrent,

hebbende verdachte (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - vals en/of listig en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid zich onder meer voorgedaan als:

- solide belegger (betreft nr. 1, 3, 4, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18 en 19) en/of

- financieel adviseur (betreft nr. 3, 6, 7, 8, 10, 11, 13, 14, 15, 16, 18 en 19) en/of

- medewerker van verzekeringsmaatschappij [bedrijf 1] (betreft nr. 1, 5, 6, 8, 10, 11, 12, 13, 14,

15, 17, 18 en 19) en/of

- medewerker [bedrijf 2] (betreft nr. 2 en 3) en/of

- medewerker en/of eigenaar van [bedrijf 3] (betreft nr. 11, 12, 14 en 18)

- medewerker en/of eigenaar van [bedrijf 4] (betreft nr.: 9) en/of

- medewerker van [bedrijf 5] (betreft nr. 4) en/of

- medewerker van [bedrijf 6]. (betreft nr. 16) en/of

- vertegenwoordiger van project "[bedrijf 7]" (betreft nr. 8, 9 en 12) en/of

- tegen een of meer perso(o)n(en) gezegd (een) hypothe(e)k(en) te kunnen afsluiten

en/of daarvoor een borg heeft gevraagd en/of (vervolgens) deze borg niet heeft

terugbetaald en/of tevens geen hypothe(e)k(en) heeft afgesloten (betreft nr. 5 en 7) en/of

- tegen een of meer perso(o)n(en) gezegd dat hij, verdachte, (een) contract(en) voor

deze perso(o)n(en) kon ontbinden en/of daarvoor een borg heeft gevraagd en/of

(vervolgens) deze borg niet heeft terugbetaald en/of tevens de/het contract(en) niet heeft

(laten) ontbinden (betreft nr. 4, 6, 10, 11, 14, 15, 16, 18 en 19);

(artikel 326 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij in of omstreeks de periode van 14 december 2001 tot en met 31 januari 2010 in het arrondissement Roermond, althans in Nederland, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte, (een) voorwerp(en), zijnde (een) hoeveelhe(i)(d)(en) geld te weten:

1. Euro 100.000,- (aangifte [slachtoffer 1] p. 165 e.v.) en/of,

2. Euro 17.255,- (aangifte [slachtoffer 2] p. 171 e.v.) en/of,

3. Euro 30.000,- (aangifte [slachtoffer 3] p. 185 e.v.) en/of,

4. Euro 15.000,- (aangifte [slachtoffer 4] p. 195 e.v.) en/of,

5. Euro 1.450,- (aangifte [slachtoffer 5] p. 218 e.v.) en/of,

6. Euro 76.800,- (aangifte [slachtoffer 6] p. 262 e.v.) en/of,

7. Euro 5.500,- (aangifte [slachtoffer 7] p.310 e.v.) en/of,

8. Euro 15.000,- (aangifte [slachtoffer 8] p. 315 e.v.) en/of,

9. Euro 50.000,- (aangifte [slachtoffer 9] p. 318 e.v.) en/of,

10. Euro 3.000,- (aangifte [slachtoffer 10] p. 334 e.v.) en/of,

11. Euro 76.800,- (aangifte [slachtoffer 11] p. 350 e.v.) en/of,

12. Euro 15.000,- (aangifte [slachtoffer 12] p. 364 e.v.) en/of,

13. Euro 11.000,- (aangifte [slachtoffer 13] p. 368 e.v.) en/of,

14. Euro 500,- (aangifte [slachtoffer 14] p. 396 e.v.) en/of,

15. Euro 500,- (aangifte [slachtoffer 15] p. 407 e.v.) en/of,

16. Euro 500,- (aangifte [slachtoffer 16] p. 438 e.v.) en/of,

17. Euro 3.900,- (aangifte [slachtoffer 17] p. 462 e.v.) en/of,

18. Euro 13.000,- (aangifte [slachtoffer 18] p. 487 e.v.) en/of,

19. Euro 1.750,- (aangifte [slachtoffer 19] p. 514 e.v.),

verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of van die voorwerpen gebruik gemaakt, terwijl hij wist dat die/dat voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren/was uit het misdrijf;

(artikelen 420 ter juncto 420 bis Wetboek van Strafrecht)

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3. De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4. De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Uit onderzoek is de rechtbank gebleken dat verdachte Nederlander is, dat het onder 1 ten laste gelegde feit door de Nederlandse strafwet als misdrijf wordt beschouwd en dat dat feit voor zover het in Spanje is gepleegd, conform de wetgeving in Spanje, ook strafbaar is. De officier van justitie is ontvankelijk in zijn vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn overigens geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

6. Schorsing der vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7. Bewijsoverwegingen

7.1. Standpunten van de officier van justitie en de verdediging.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 25 juni 2010 gevorderd dat

de ten laste gelegde feiten zullen worden bewezen verklaard.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat in feit 1 bewezen verklaard kunnen worden de feitencomplexen met betrekking tot [slachtoffer 3], [slachtoffer 6], [slachtoffer 12] en [slachtoffer 17] en dat met betrekking tot de overig vermelde feitencomplexen vrijspraak dient te volgen. Ook dient vrijspraak te volgen van feit 2.

7.2. Bewijsmiddelen en overwegingen van de rechtbank

De overtuiging van de rechtbank dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen.

De hieronder vermelde bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit, waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Samenvatting van de bewijsmiddelen en standpunten van de rechtbank

Ten aanzien van de in de tenlastelegging vermelde [slachtoffer 1] (1)

[slachtoffer 1] verklaart tegenover de politie dat hij in juni 2006 in contact kwam met [verdachte]. Hij, verdachte, maakte zich kenbaar als zijnde een agent van pensioenfondsen van de organisatie [bedrijf 1]. Hij deed [slachtoffer 1] een voorstel om geld te doneren in een beleggingsfonds. [slachtoffer 1] gaf [verdachte] een bedrag van € 75.000,-- en maakte via notariskantoor [kantoornaam] een officiële schuldbekentenis op. Enkele weken na die overeenkomst heeft [slachtoffer 1] het bedrag van € 75.000,-- naar € 100.000,-- verhoogd. De eerste maanden heeft [slachtoffer 1] het afgesproken rentebedrag ontvangen. Echter na enkele maanden kwam [verdachte] zijn afspraken niet meer na.

Ter terechtzitting heeft [slachtoffer 1] als getuige verklaard dat [verdachte], die zich kenbaar maakte als agent van [bedrijf 1] en niet van [bedrijfsnaam] zoals tegenover de politie verklaard, bij hem kwam en dat hij zei dat hij het helemaal had gevonden. De door [slachtoffer 1] bij [verdachte] in te leggen gelden zouden worden geïnvesteerd in het project “[bedrijf 7]”: er zouden computerspiegeltjes bij een bedrijf in Engeland worden gemaakt ten behoeve van een bedrijf in Denemarken. De door hem aan [verdachte] gegeven gelden zouden worden geïnvesteerd in een bedrijfje dat nodig was om de spiegeltjes op de markt brengen. [slachtoffer 1] diende de gelden over te maken op de rekening van [verdachte] waarna [verdachte] het geld zou overmaken naar de rekening van het productiebedrijf in Engeland. [verdachte] vertelde hem dat het een soort beleggingsfonds was.

Verdachte heeft terechtzitting van 25 juni 2010 verklaard:

Deze man is een ver familielid van mij en ik heb van hem verschillende bedragen geleend. Die leningen zijn later notarieel vastgelegd. Die leningen waren privé-leningen en ik heb tegen [slachtoffer 1] gezegd dat die gelden zouden worden gebruikt ten behoeve van het project ‘[bedrijf 7]’. Via [bedrijf 3] deed ik in de jaren 2002 tot 2006/2007 zaken met een Engels bedrijf in Manchester dat onder meer achteruitkijkspiegeltjes voor de computer, het project ‘[bedrijf 7]’ produceerde.

De productielocatie zat in Denemarken. Ik had goede hoop dat deze handel van de grond zou komen. Het was de bedoeling om reclameteksten op deze spiegeltjes te drukken, zodat het leuke weggevertjes voor bedrijven waren. Plots ging echter dat bedrijf in Manchester failliet. Ik had nog met [slachtoffer 1] een keer in Manchester op bezoek willen gaan bij dat bedrijf, maar dat ging niet door vanwege het faillissement van dat bedrijf. Toen kon ik dus niet verder gaan met de handel in die spiegeltjes.

Een gedeelte van de gelden die in van [slachtoffer 1] heb ontvangen, is naar [betrokkene] gegaan.

Ten aanzien van de in de tenlastelegging vermelde [slachtoffer 2] (2):

[slachtoffer 2] verklaart tegenover de politie dat hij via 2 zakenpartners in contact is gekomen met [verdachte]. Op 10 juli 2008 kwam [verdachte] ’s avonds bij [slachtoffer 2] thuis en ontmoette [slachtoffer 2] [verdachte] voor het eerst. [verdachte] vertelde dat hij een interessante investering voor [slachtoffer 2] had. [verdachte] had destijds contacten bij [bedrijf 2]. [verdachte] stelde voor een machine te plaatsen bij [sauna] te Putten waarvoor [slachtoffer 2] dan een investering van € 17.255,-- inclusief BTW (€ 14.500,-- exclusief BTW) zou moeten doen. [slachtoffer 2] zou dan vanaf 1 augustus 2008 gedurende 36 maanden lang € 1.000,-- per maand op zijn rekening gestort krijgen. Vervolgens vroeg [verdachte] of [slachtoffer 2] direct het geld wilde overmaken. [slachtoffer 2] heeft dit toen gedaan. Hij heeft € 17.255,-- overgemaakt van zijn eigen bankrekeningnummer [rekeningnummer] op rekeningnummer [rekening[rekeningnummer], t.n.v. [verdachte]. Vervolgens gebeurde er niets. De machine werd niet geleverd bij [sauna], [slachtoffer 2] kreeg op 1 augustus 2008 geen € 1.000,-- en het woonadres dat [verdachte] van zichzelf had opgegeven bleek niet te kloppen.

In het dossier bevindt zich een schuldbekentenis opgemaakt op 10 juli 1998 waarin verdachte verklaart dat hij gedurende 36 maanden € 1000,-- per maand zal betalen voor de overname van een Beauty Systeem, dat geplaatst is bij een beauty centrum te Putten, welk beauty systeem is aangekocht door [slachtoffer 2] voor een prijs van € 17.255,-- inclusief BTW. Deze schuldbekentenis is voorzien van het [bedrijf 2] Logo.

Verdachte heeft ter terechtzitting van 25 juni 2010 verklaard dat de bij de stukken aanwezige schuldbekentenis door hem is opgemaakt.

Ten aanzien van de in de tenlastelegging vermelde [slachtoffer 3] (3):

[slachtoffer 3] heeft tegenover de politie verklaard dat zij in juni 2007 door een vriendenstel in contact werd gebracht met [verdachte]. Tijdens een feestje in het vakantiehuisje van deze vrienden in Spanje kwam [slachtoffer 3] in contact met [verdachte]. [slachtoffer 3] is ook woonachtig in Spanje. Tijdens deze 1e ontmoeting kwamen geen geldzaken ter sprake. In november 2007 belde [verdachte] [slachtoffer 3] voor een 2e ontmoeting. Zij spraken af bij [slachtoffer 3] thuis. [verdachte] vroeg wat [slachtoffer 3] deed voor de kost. [slachtoffer 3] zei dat ze werk had en dat zij een studio had verkocht voor € 52.000,00. [slachtoffer 3] hoorde [verdachte] hierop direct vragen wat [slachtoffer 3] met dat geld ging doen. [slachtoffer 3] moest dit geld niet op een normale bankrekening zetten, daar dit te weinig geld voor haar zou opleveren. Zij hoorde [verdachte] zeggen dat hij een speciale club had die in beleggingen deed, waaruit hele hoge rentes tevoorschijn kwamen. Na enkele dagen heeft [verdachte] [slachtoffer 3] nagenoeg dagelijks gebeld omtrent deze belegging. [verdachte] zou ervoor zorgen dat [slachtoffer 3] goed geld ging verdienen en zij zich financieel geen zorgen meer hoefde te maken. Zij zou zo’n hoge rente nergens anders meer vinden. Het zou een enorm winstgevende business zijn. [slachtoffer 3] hoorde [verdachte] zeggen: “Jij vertrouwt mij toch wel” [verdachte] deed [slachtoffer 3] geloven dat hij in het bankwezen zat. Op 5 februari 2008 heeft [slachtoffer 3] een geldbedrag van € 30.000,-- overgemaakt naar [verdachte]. In maart 2008 zou de 1e rente worden bijgeschreven. Toen [slachtoffer 3] [verdachte] hierover belde, gaf [verdachte] aan dat hij dit reeds had gestort. Het geld zou onderweg zijn. Vervolgens verklaarde [verdachte] dat het geld zou zijn teruggestort op zijn rekening en dat er een foutje zou zijn gemaakt. [verdachte] zou het geld alsnog overmaken. Toen [slachtoffer 3] de daarop volgende maanden ook geen rentebedragen meer ontving, kreeg zij argwaan dat [verdachte] haar aan het bedriegen was.

Verdachte heeft terechtzitting van 25 juni 2010 verklaard:

Ik heb van deze mevrouw geld ontvangen en ik had tevoren gezegd dat ik dat geld zou investeren in [bedrijf 2]. Ik ging het geld echter gebruiken om mijn eigen bedrijf , het zijn van agent van [bedrijf 2], op te zetten. Omdat ik veel vertrouwen in de producten van [bedrijf 2] had, sprak ik met de mensen die mij geld leenden rendementen af.

Een deel van de door mij ontvangen dan wel terug te betalen gelden werd gebruikt om andere schulden in te lossen.

Verdachte heeft tegenover de politie verklaard:

Ik heb mevrouw [slachtoffer 3] inderdaad wel aangegeven dat als zij geld over had ik daarmee iets kon. Ik heb toen gedoeld op de lopende projecten in [bedrijf 2], Ik had echter geld nodig om de schulden van de contacten met [betrokkene] te kunnen betalen. Ik werk op deze wijze vanaf de jaren ’80. Ik probeer op deze manier mijn problemen op te lossen, oude schulden af te betalen. Ik zie wel in dat hierdoor mijn problemen steeds groter worden.

Ik heb € 30.000,-- ontvangen van [slachtoffer 3]. Er zou 1,5 % rente per maand betaald worden, zijnde € 450,--. Voor zover ik mij kan herinneren heb ik geen rente betaald aan [slachtoffer 3]. Ik had toen geen geld. Ik heb toen in telefonische gesprekken met haar aangegeven dat ik geen geld had om de rente te betalen. We hebben toen afgesproken dat we de situatie over een half jaar opnieuw zouden bekijken. Eigenlijk was er niets af te spreken. Er was gewoon geen geld. Het geld was al gebruikt om bij [betrokkene] openstaande vorderingen te betalen. Ook heb ik hiervan nog een opleiding van [bedrijf 2] in Oostenrijk betaald.

Ten aanzien van de in de tenlastelegging vermelde [slachtoffer 4] (4):

- [slachtoffer 4] heeft tegenover de politie verklaard dat zij in november of december 2008 op het internet een site zag die over woekerpolissen ging. Zij had hier wel belangstelling voor. [slachtoffer 4] heeft toen via [bedrijf 5] (hierna [bedrijf 5]) een formulier ingevuld zodat zij in contact met haar konden komen. [slachtoffer 4] kwam daarna in contact met [verdachte]. [verdachte] is toen bij [slachtoffer 4] thuis geweest. De volgende dag belde [verdachte] [slachtoffer 4] thuis op en vertelde dat hij een mooie deal had om te investeren in vastgoed en dergelijke. [slachtoffer 4] had het geld, € 10.000,--, een paar dagen later overgemaakt. Zij heeft een schuldbekentenis gekregen van [verdachte] die door haar en [verdachte] is ondertekend. Deze is opgemaakt op 19 februari 2009. Op deze schuldbekentenis staat dat de hoofdsom van € 10.000,-- zal worden terug betaald op 1 september 2009. Tevens zal er een vergoeding worden betaald van

€ 1.000,-- zodat er totaal terug betaald wordt op 1 september 2009 een bedrag van

€ 11.000,--. Ongeveer 1 maand later belde [verdachte] wederom. [verdachte] gaf aan dat hij weer een mooie deal had voor het investeren in vastgoed. Hiervoor moest [slachtoffer 4]

€ 5.000,-- overmaken, hiervoor zou zij dan later weer € 500,-- als vergoeding krijgen .

Verdachte heeft terechtzitting van 25 juni 2010 verklaard:

Ik heb van deze mevrouw in totaal € 15.000,-- geleend. Ik heb toen tegen mevrouw gezegd dat ik dat geld zou gebruiken voor het aflossen van schulden en het investeren in [bedrijf 2]. Ik heb ook een deel van dat geld aan [betrokkene] gegeven. Op een gegeven moment wilde mevrouw het geleende geld op korte termijn terug hebben Ik had dat echter niet en ik heb het haar dus niet kunnen terugbetalen. Via [bedrijf 5] ben ik met mevrouw [slachtoffer 4] in contact gekomen. [bedrijf 5] kocht woekerpolissen op.

Ten aanzien van de in de tenlastelegging vermelde [slachtoffer 5] (5):

[slachtoffer 5] verklaart dat zij een huis hadden gezien in Heel. Dit huis konden zij kopen voor € 168.000,--. De [bank 1] deelde [slachtoffer 5] en haar man mede dat zij moeilijk een hypotheek konden afsluiten. Hierdoor kwamen zij in contact met [verdachte]. Hij deelde hen mede dat hij waarschijnlijk een hypotheek kon regelen. Enkele dagen later kwam hij hen vertellen dat hij een hypotheek geregeld had. Dit ging over een bedrag van € 200.000,--. Het zou een rendement hypotheek worden. Deze hypotheek kon afgesloten worden via de [bank 2]. [verdachte] kwam hen vertellen dat zij een borg moesten betalen aan de [bank 2] van minimaal € 7.500,-- om de hypotheek af te kunnen sluiten. Om dit geldbedrag bij elkaar te krijgen heeft hun zoon [slachtoffer 7] € 2.500,-- van zijn rekening gehaald om dit aan hen te geven. [naam], hun dochter, heeft hen daartoe € 1.000,-- gegeven. Zij hebben zelf een bedrag van € 1.450,-- aangeleverd. Hierdoor hadden ze een bedrag van € 4.950,-- bij elkaar. [verdachte] heeft, om de borg geheel bij elkaar te krijgen, zichzelf een permissie geschreven om een bedrag van € 3.000,--, op een eerder tijdstip via [slachtoffer 7] verkregen, bij het bedrag van € 4.950,00 te voegen. [verdachte] vertelde dat de borg die ingelegd was, vrij zou komen op de dag dat zij de hypotheek hadden ondertekend. Dit zou zijn op 1 september 2005. Op 14 juli 2005 werden zij gebeld door ene meneer [naam]. Deze meldde dat hij werkzaam was bij “[verzekeraar]” als financieel adviseur. Deze meldde hen dat zij geen hypotheek hadden. Hij adviseerde de familie [slachtoffer 5] dringend de koop te laten ontbinden met de mededeling dat ze te maken hadden met de oplichter [verdachte]. Op donderdag 1 september was er nog geen hypotheek beschikbaar. Bij navraag waar de hypotheek bleef vertelde [verdachte] dat de hypotheek niet liep via de [bank 2] maar via [hypotheekverstrekker]. Op maandag 3 oktober 2005 werd [slachtoffer 5] gebeld door de klerk van de notaris genaamd [naam], dat er nog steeds geen hypotheek was. [naam] had namelijk persoonlijk contact gehad met de firma [hypotheekverstrekker]. [slachtoffer 5] heeft [verdachte] gevraagd of zij haar geld, de ingelegde borg, terug kon ontvangen. Dat kon hij niet zomaar regelen. Hij moest dit eerst overleggen met degene die het geld beheerde.

Verdachte heeft terechtzitting van 25 juni 2010 verklaard:

Ik heb voor deze mevrouw geprobeerd bij de [bank 1] en de [verzekeraar] een hypotheek af te sluiten. Ik moest bij de [verzekeraar] een bedrag groot € 7.500,-- betalen anders wilden zij niets doen.

Ten aanzien van de in de tenlastelegging vermelde [slachtoffer 6] (6):

[slachtoffer 6] verklaart dat hij eigenaar is van twee vee-bedrijven. Daardoor hebben zij al jaren een groot aantal verzekeringen lopen via een tussenpersoon in Bergen. Omdat er ook verzekeringen van de firma [bedrijf 1] bij waren, is zodoende een verzekeringsagent genaamd [verdachte] bij hen thuis gekomen. Hij gaf zich uit als zijnde een tussenpersoon van de [bedrijf 1] en hij had daarvan ook een visitekaartje. Hij had toen een constructie waarbij [slachtoffer 6]’ ingelegde geld in aandelen belegd zou worden. Daar zou dan een goede winst mee gemaakt kunnen worden. Op 27 september 2000 heeft [slachtoffer 6] toen naar aanleiding van [verdachte]’ verhaal een contract afgesloten met een looptijd van 20 jaar met de voorwaarde dat dit contract na vijf jaar ontbonden kon worden.

Omstreeks 12 juli 2005 is [verdachte] persoonlijk weer bij [slachtoffer 6] thuis gekomen. [verdachte] vertelde [slachtoffer 6] dat door de beursval enkele jaren geleden zijn ingelegde geld voor het grootste gedeelte verloren was gegaan. [verdachte] bood [slachtoffer 6] een nieuwe oplossing in de vorm van nieuwe beleggingen, waarbij [slachtoffer 6]’ ontstane schulden met de winsten van de nieuwe inleggingen voldaan konden zouden worden. Een voorwaarde was wel dat het allemaal op zeer korte termijn geregeld moest worden via spoedopdrachten. [verdachte] zou voor [slachtoffer 6] een rekening openen bij de [bank 2] in Venray waarop de maandelijkse rente gestort zou worden. De rente zou eerst 1,5% zijn en werd later zelfs verhoogd naar 2% per maand. Afgesproken was dat er namens [slachtoffer 6]’ vier kinderen ook een inleg zou plaatsvinden met genoemd rendement. Hiervoor zijn per kind afzonderlijk contracten opgesteld en ondertekend op 15 augustus 2005. Het betroffen hier éénjarige contracten, waarbij de ingelegde bedragen (€ 7.000,--) niet opvraagbaar waren met een gegarandeerde rente van € 140,-- per maand. Op 12 juli 2005 heeft [slachtoffer 6] middels een spoedopdracht een bedrag van € 15.000,-- overgemaakt op rekening [rekeningnummer] van [verdachte] bij een [bank 2] te Venlo. Een week later, op 21 juli 2005, heeft [slachtoffer 6] nogmaals een bedrag van € 5.000,-- op diezelfde rekening van [verdachte] overgemaakt, maar dit was een bedrag van [slachtoffer 6]’ lopende rekening, terwijl het van de rekening van een van diens kinderen had moeten zijn. [slachtoffer 6] heeft hierover met [verdachte] gesproken toen [verdachte] weer bij [slachtoffer 6] thuis was gekomen en [verdachte] zou dat geld terugstorten. Dat is echter tot op heden nooit gebeurd. Op 21 juli 2005 is van de rekeningen van [slachtoffer 6]’ vier kinderen per rekening een bedrag van € 5.000,-- overgemaakt. Op 5 augustus 2005 heeft [slachtoffer 6]’ naar aanleiding van het verhaal van [verdachte] dat er nog extra geld gestort moest worden om [slachtoffer 6]’ investeringen veilig te stellen, nogmaals per rekening van diens kinderen via spoedopdrachten per rekening een bedrag van € 2.000,-- op [verdachte]’ rekening overgemaakt. In totaal heeft [slachtoffer 6] in de maanden juli en augustus 2005 een totaalbedrag van € 48.000,-- overgemaakt op [verdachte]’ rekening. In september en oktober 2005 is [verdachte] tweemaal bij [slachtoffer 6] thuis geweest en heeft [verdachte] contant tweemaal een bedrag van in totaal € 1.920,-- gegeven. Dat waren de verschuldigde rentebedragen per maand van de inleg van zowel [slachtoffer 6] als diens kinderen. Daarna heeft [slachtoffer 6] geen persoonlijk contact meer met [verdachte] gehad. Wel heeft [slachtoffer 6] meerdere keren telefonisch contact met [verdachte] gehad. De meeste keren kreeg [slachtoffer 6] echter [verdachte]’ voice-mail. Slechts een enkele keer kreeg [slachtoffer 6] [verdachte] zelf te spreken. [verdachte] beloofde dan alles zo snel mogelijk te regelen, maar ook die beloften kwam hij niet na. Door de mooie verhalen die [verdachte] [slachtoffer 6] vertelde, waarbij [verdachte] [slachtoffer 6] rente beloofde voor diens investeringen, werd [slachtoffer 6] bewogen tot afgifte van vermelde geldbedragen. [slachtoffer 6] geeft voorts aan dat hij, omdat [verdachte] deed voorkomen alsof hij van het bedrijf [bedrijf 1] was, in eerste instantie geen achterdocht had.

Verdachte heeft ter terechtzitting van 25 juni 2010 verklaard:

Ik ben bij deze meneer in 2000 op bezoek gekomen als medewerker van [bedrijf 1]. In 2005 heb ik contact met [slachtoffer 6] opgenomen in verband met die woekerpolisproblematiek. Ik heb met hem een geldlening afgesloten voor een bedrag van

€ 48.000,--.

Verdachte heeft tegenover de politie verklaard:

[slachtoffer 6] heeft € 48.000,-- bij mij ingelegd. Ik heb hiervoor een investeringscontract opgesteld en ondertekend. [slachtoffer 6] heeft mij dit geld ter beschikking gesteld omdat ik een beter rendement beloofde dan de bank waar het geld op stond. Ik heb dit bedrag van € 48.000,-- gebruikt voor het saneren van oude schulden. De mensen die het hardste aandrongen hebben geld terug ontvangen. Doordat ik dit geld direct aan oude schuldeisers gaf, kon dit geld ook niet meer renderen en kon ik met dit geld ook niet voldoen aan de verplichting, zoals vastgelegd in de overeenkomst. Als ik de afgesproken € 400,-- per maand wilde betalen, diende ik dit weer van anderen zien te krijgen. Ik heb ook aan [slachtoffer 6] termijnen betaald, ik weet echter niet hoeveel.

Ten aanzien van de in de tenlastelegging vermelde [slachtoffer 7] (7):

[slachtoffer 7] verklaart dat hem op 17 juni 2005 door [verdachte] werd gevraagd of hij deel wilde nemen aan een lucratieve rendementsregeling. Dit zou via [verdachte] zijn werk gaan. [verdachte] vertelde dat [slachtoffer 7] een bedrag van € 3.000,-- in een fonds moest inleggen. [slachtoffer 7] zou dan twee weken later een eenmalig rendement ontvangen van € 500,-- bovenop de reeds ingelegde € 3.000,--. [verdachte] deelde mede dat hij het bedrag bij zijn eigen polis zou stoppen. De redementsregeling zou op 1 juli 2005 afgelopen zijn en dan zou [slachtoffer 7] dus € 3.500,-- ontvangen. [slachtoffer 7] heeft tot op heden nog geen geld ontvangen. [slachtoffer 7] is in augustus 2005 erachter gekomen wat er met zijn geld gebeurd was. Zijn vader en hij wilden een hypotheek afsluiten. Dit werd door [slachtoffer 7] en zijn ouders met [verdachte] geregeld. [slachtoffer 7]’ ouders hadden om de hypotheek af te sluiten een borg nodig van ongeveer € 7.500,--. Dit bedrag mocht echter ook hoger zijn, dat zou gunstiger zijn voor de hypotheek. [slachtoffer 7]’ ouders hebben deze borg gedeeltelijk opgebracht. Zijn ouders kwamen echter nog € 6.050,-- te kort. [slachtoffer 7] zag dat zijn ouders een bedrag van € 1.450,-- bijeen hadden gebracht en zijn zus [naam] € 1.000,--. Omdat zij nog niet het hele bedrag bij elkaar hadden, heeft [slachtoffer 7] € 2.500,-- bijgedragen aan de borg. [slachtoffer 7] is in het totaal voor € 5.500,-- opgelicht. Hij heeft tot op heden nog geen enkele Euro terug ontvangen van [verdachte].

Verdachte heeft ter terechtzitting van 25 juni 2010 verklaard:

In juni 2005 werkte ik onder meer voor [bedrijf 1]. Ik heb bij [slachtoffer 7] een lening van € 3.000,-- afgesloten en als borg € 2.500,-- ontvangen. Die borg vroeg ik om mijn werkzaamheden te bekostigen. Met die lening wilde ik iets doen bij [bedrijf 2] en [bedrijf 7]. Van de ontvangen borg heb ik mogelijk tussen de € 500,-- en € 1.000,-- aan kosten betaald.

Verdachte heeft tegenover de politie verklaard:

Het geld van [slachtoffer 7] is door mij zelf geïnvesteerd via [betrokkene].

Ten aanzien van de in de tenlastelegging vermelde [slachtoffer 8] (8):

[slachtoffer 8] verklaart dat hij al enige tijd contact had met [verdachte] in verband met verzekeringen en andere zaken. Op 10 januari 2004 werd tussen [verdachte] en [slachtoffer 8] overeengekomen dat [slachtoffer 8] een bedrag van € 15.000,-- ter beschikking zou stellen aan hem tegen een maandelijkse rente van 2%, zijnde € 300,--. Het ter beschikking gestelde bedrag zou voor de duur van 12 maanden niet door [slachtoffer 8] op te vragen zijn en het totaalbedrag van € 15.000,-- zou op 10 januari 2005 worden terugbetaald aan hem. [slachtoffer 8] zou per 10 februari 2004 maandelijks de rente van € 300,-- ontvangen. Hij heeft echter slechts tot augustus 2004 dit geldbedrag ontvangen. Na die datum heeft hij geen enkel bedrag meer ontvangen van [verdachte]. Tijdens de onderhandelingen over dit geld, voordat de transactie tot stand kwam, vertelde [verdachte] dat hij dit geld zou gaan beleggen en dat hij onder andere veel zaken deed met [bedrijf 1]. Telkens wanneer [slachtoffer 8] [verdachte] vroeg waar zijn geld bleef, had [verdachte] weer een andere smoes waarom [slachtoffer 8] geen geld had ontvangen. In januari 2005 zou het geld vrijkomen en [slachtoffer 8] heeft toen ook weer telefonisch contact met [verdachte] gezocht. Ook nu had hij weer diverse smoesen waarom hij niet aan het geld kon komen. Ook is [slachtoffer 8] een keer naar het adres [adres] gereden, het in het contract als zijnde van verdachte opgenomen adres. Op het aangegeven adres trof hij een leegstaand woonhuis. [verdachte] heeft zich wederrechtelijk bevoordeeld met een bedrag van € 15.000,--, welk bedrag [slachtoffer 8] hem heeft gegeven doordat hij gebruik maakte van listige kunstgrepen, hetzij door het samenweefsel van verzinselen. Doordat [verdachte] vertelde dat hij dit geld zou gebruiken voor beleggingen onder andere via [bedrijf 1] en dat [slachtoffer 8] de maandelijkse rente en het geldbedrag van € 15.000,-- zou terug krijgen, heeft [slachtoffer 8] hem dit geldbedrag gegeven.

Verdachte heeft terechtzitting van 25 juni 2010 verklaard:

In het verleden had ik voor [slachtoffer 8] [bedrijf 1] polissen afgesloten. Omdat hij aangaf dat hij nog geld over had, heb ik van hem

€ 15.000,-- als lening ontvangen. Omdat ik kort daarna in de schuldsanering kwam, heb ik maar een deel van de afgesproken rente kunnen en mogen terugbetalen.

Verdachte heeft tegenover de politie verklaard:

Ik ben als adviseur bij [slachtoffer 8] gekomen. Ik weet niet meer of dat voor [bedrijf 1] was of voor een andere maatschappij of tussenpersoon. [slachtoffer 8] gaf aan nog gelden te hebben, waar hij een beter rendement op wilde hebben. Ik heb hem toen gezegd hier wel mogelijkheden voor te zien. Ik heb dit bedrag als privépersoon geïnvesteerd in [betrokkene]. Ik weet niet wat [betrokkene] met dit geld gedaan heeft.

Ten aanzien van de in de tenlastelegging vermelde [slachtoffer 9] (9):

[slachtoffer 9] verklaart dat hij in mei 2004 telefonisch werd benaderd door [verdachte]. [slachtoffer 9] had van een vriendin gehoord hoe deze [verdachte] haar en haar zoon had geholpen geld te investeren en dat zij met deze investering geld verdienden. [verdachte] had een goed verhaal en hij wist [slachtoffer 9]’s vertrouwen te winnen. [slachtoffer 9] geloofde dat [verdachte] wat voor hem zou kunnen betekenen. Op 13 mei 2004 heeft [slachtoffer 9] een afspraak met [verdachte] gemaakt. [slachtoffer 9] had € 30.000,-- aan contanten meegenomen, omdat hij afgesproken had met [verdachte] dat [verdachte] dit geld voor [slachtoffer 9] zou investeren. [verdachte] kwam met een contract. In dat contract staat dat zijn bedrijf, [bedrijf 4] (geldlener) partij A betreft en onder partij B staat de naam van [slachtoffer 9] genoemd. In het contract staat verder dat partij B € 30.000,-- investeert in partij A ten behoeve van [bedrijf 7]. Gedurende 12 maanden is het bedrag niet op te vragen en er zal maandelijks rente betaald worden van 2%, te weten € 600,-- per maand gegarandeerd. Tevens zal de rente uitkering plaatsvinden op de 15e van elke maand vanaf 15 juni 2004. [verdachte] en [slachtoffer 9] hebben dit contract beiden getekend en [slachtoffer 9] heeft [verdachte] de € 30.000,-- overhandigd. Dit was in 500 eurobiljetten. [slachtoffer 9] heeft een kopie gekregen van het contract en dat was het. Die € 600,-- aan rente zou [verdachte] elke maand komen brengen. Na die 13e mei 2004 had [slachtoffer 9] op 15 juni 2004 weer een afspraak met [verdachte]. [slachtoffer 9] kreeg die keer € 600,-- uitgekeerd. Dit was de rente van de € 30.000,--. Diezelfde dag gaf [slachtoffer 9] [verdachte] keer € 10.000,-- erbij om te gaan investeren en werd er door [verdachte] weer een nieuw contract gemaakt ten behoeve van het feit dat [slachtoffer 9] nu € 40.000,-- had ingelegd. Ditzelfde herhaalde zich weer op 15 juli 2004. [slachtoffer 9] legde die keer nogmaals € 10.000,-- in en kreeg wederom een nieuw contract. Ook kreeg hij op die 15e juli 2004 de beloofde € 800,-- rente betaald die in het tweede contract stond. In de maand augustus 2004 hoorde [slachtoffer 9] maar niks van [verdachte]. Normaliter belde [verdachte] op de 15e van de maand en spraken dan een tijdstip af. Wanneer [slachtoffer 9] [verdachte] belde had hij altijd wel een smoesje. Of er was iets aan de hand in Engeland, of er waren problemen met de [bedrijf 1], of hij moest in België gaan onderhandelen. [slachtoffer 9] heeft bijna een jaar lang smoezen moeten aanhoren. [slachtoffer 9] heeft [verdachte] geloofd toen deze zei dat hij zijn geld zou investeren en dat [slachtoffer 9] na 12 maanden geld uitgekeerd zou krijgen. De beloofde rente heeft [slachtoffer 9] slechts 2 keer gekregen. [slachtoffer 9] had sowieso zijn ingelegde geld terug moeten hebben. Er is bijna een jaar over heen gegaan. [slachtoffer 9] heeft [verdachte] € 50.000,-- gegeven en slechts € 1.400,-- aan rente gekregen.

Verdachte heeft ter terechtzitting van 25 juni 2010 verklaard:

Van deze man heb ik € 50.000,-- geleend. Er zijn 3 contracten; het 3e contract betreft de oversluiting van de contracten 1 en 2. Laatstbedoelde contracten zijn niet vernietigd. Het ontvangen geld is via [bedrijf 4] geïnvesteerd in [bedrijf 2].

Ten aanzien van de in de tenlastelegging vermelde [slachtoffer 10] (10):

[slachtoffer 10] verklaart dat hij in het jaar 2000, zonder dat hij daarom gevraagd had, thuis op zijn woonadres bezoek kreeg van een persoon die zijn visitekaartje gaf en zich voorstelde als [verdachte]. Tevens stelde deze man zich voor als zijnde de beleggingsadviseur van [bedrijf 1]. Deze man vroeg [slachtoffer 10] concreet of hij interesse had in het beleggen van zijn geld. Deze man kwam op [slachtoffer 10] heel professioneel over. De man vroeg hem of hij een bedrag van € 3.282,00 per contract wilde beleggen. Het beleggen zou plaatsvinden in de aandelen van [diverse bedrijven]. Volgens het contract moest [slachtoffer 10] € 3.282,00 vooruitbetalen per contract. [slachtoffer 10] heeft toen 3 contracten afgesloten bij [verdachte]. [slachtoffer 10] heeft dus in totaliteit € 9.846 overgemaakt bij de [bank 3]. Vanaf het moment dat bovenstaand bedrag was overgemaakt, ontving [slachtoffer 10] dividend. Maar de laatste jaren zakten de koersen en werd er aanzienlijk minder winst gemaakt.

[verdachte] deed [slachtoffer 10] het voorstel dat [slachtoffer 10] de 3 contracten zou kunnen afkopen, waarna [slachtoffer 10] zijn inleg, die € 9.846,-- zou terugkrijgen en tevens zou [slachtoffer 10] 4% rente krijgen van die € 9.846,--. Volgens [verdachte] had [slachtoffer 10] recht op deze 4%, omdat de bank van hem geprofiteerd had. Deze afspraken zijn deels mondeling gemaakt en deels schriftelijk vastgelegd. [verdachte] heeft in [slachtoffer 10]’ bijzijn en bij [slachtoffer 10] thuis een met de hand geschreven brief opgemaakt. In deze brief verklaart [verdachte] dat hij [slachtoffer 10] € 3.000,-- zal terugbetalen als al het andere ook goed verliep. Inmiddels waren de aandelen van [bedrijf 1] doorgesluisd naar [bedrijf 9] volgens [verdachte]. [slachtoffer 10] zou volgens [verdachte] van [bedrijf 9]. die € 9.846,-- terugkrijgen die [slachtoffer 10] 5 jaar geleden aan [bedrijf 1] betaald had. Volgens [verdachte] zou [slachtoffer 10] als [bedrijf 9]. dit geld had teruggegeven recht hebben op die 4% en die € 3.000,-- borg. Uit onderzoek van [slachtoffer 10]’ advocaat blijkt dat de firma [bedrijf 9]. helemaal niet bestaat. [slachtoffer 10] is naar de politie gegaan, omdat hij € 3.000,-- moet ontvangen van [verdachte]. [verdachte] heeft namelijk in die brief van 15 september 2005 toegezegd dat hij [slachtoffer 10] € 3.000,-- zal betalen. Het is inmiddels 21 november 2006 en tot op heden heeft [slachtoffer 10] van [verdachte] geen ene rooie cent ontvangen. [slachtoffer 10] heeft bijna iedere maand contact met hem opgenomen, maar wordt door hem aan het lijntje gehouden. Die € 3.000,-- heeft [slachtoffer 10] in september 2005 betaald als borg, zodat [verdachte] de contractontbinding in gang kon zetten. [slachtoffer 10] heeft [verdachte] € 3.000,-- betaald omdat [verdachte] hem voorhield met dit bedrag een procedure te gaan opstarten tegen [bedrijf 10], waarna [slachtoffer 10] van alle contracten af zou zijn.

Verdachte heeft ter terechtzitting van 25 juni 2010 verklaard:

Ik heb de heer [slachtoffer 10] benaderd omdat ik geld nodig had om de woekerpolissen ongedaan te krijgen. Ik heb € 3.000,-- van hem als borg ontvangen en het geld is naar [bedrijf 9] gegaan. [bedrijf 9] kocht net als [bedrijf 5] woekerpolissen op.

Ten aanzien van de in de tenlastelegging vermelde [slachtoffer 11] (11):

[slachtoffer 11] verklaart dat hij in 2001 een spaarconstructie heeft afgesloten bij [bedrijf 1]. Deze spaarregeling werd ook wel vliegwielaandelen genoemd. Als tussenpersoon fungeerde het bedrijf [bedrijf 11]. De persoon die bij [slachtoffer 11] aan de deur kwam betrof de heer [verdachte]. [verdachte] deelde destijds mede dat hij werkzaam was bij [bedrijf 1] en dat hij dit soort bemiddelingen als vriendendienst voor de (toenmalige) directeur van [bedrijf 11] deed.

Eind 2005 nam [verdachte] weer persoonlijk contact op. Hij deelde mede dat de vliegwielconstructie bij [bedrijf 1] niet het beloofde rendement gaf. Hij bood aan deze af te kopen en voor [slachtoffer 11] elders te investeren. [slachtoffer 11] moest toen aan [verdachte] € 1.000,-- overmaken. Dit geld was bedoeld als borg voor het werk dat hij voor [slachtoffer 11] zou moeten doen. [slachtoffer 11] zou dit geld binnen enkele weken terug betaald krijgen. Dit geld heeft [slachtoffer 11] op 27 december 2005 overgeboekt. [slachtoffer 11] verklaart dat hij deze € 1.000,-- tot op heden nog niet terug heeft ontvangen.

In de loop van deze periode is [verdachte] diverse malen bij [slachtoffer 11] langs geweest. Hij heeft toen voor [slachtoffer 11] diens boekhouding doorgenomen en kwam op een gegeven moment bij een beleggingsfonds waar [slachtoffer 11] veel geld in had geïnvesteerd. Dit betrof een fonds van [bedrijf 12]. Dit fonds had toen nog een waarde van circa € 36.000,--. [verdachte] bood aan dit geld elders voor een hoger rendement te beleggen. [slachtoffer 11] heeft toen € 35.000,-- uit dit fonds overgeboekt naar bovengenoemde rekening. De volgende maand, exact op de 15e, kreeg [slachtoffer 11] van [verdachte] contant het beloofde interest bedrag. Omdat [slachtoffer 11] het gevoel had dat het goed was, besloot hij om het te beleggen geldbedrag met nogmaals € 10.000,-- te verhogen. Daartoe heeft hij ook een contract met [verdachte] afgesloten op 15 februari 2006. Alles bij elkaar heeft [slachtoffer 11] tot en met december 2006 zijn rente ontvangen. Vanaf januari 2007 heeft hij geen rente meer ontvangen. Op 15 april 2007 zou het belegde geld volgens contract weer aan [slachtoffer 11] worden terugbetaald. Tot op heden heeft hij ook dit geld niet terug ontvangen.

[verdachte] heeft [slachtoffer 11] door een samenweefsel van verdichtsels bewogen tot het afgeven van een geldbedrag van € 46.000,--.

Verdachte heeft terechtzitting van 25 juni 2010 verklaard:

Ik heb van de heer [slachtoffer 11] geld geleend. Het betrof een privé-schuld, een gedeelte op naam van [verdachte] en gedeelte op naam van [bedrijf 3]. [slachtoffer 11] wist van [bedrijf 2]. Ik heb een gedeelte van het van hem geleende geld in [bedrijf 2] gestoken en mogelijk ook een gedeelte in [bedrijf 7].

Verdachte heeft tegenover de politie verklaard:

Het totale door [slachtoffer 11] ingelegde bedrag is naar [betrokkene] gegaan. Er zijn een tijd rendementen aan [slachtoffer 11] betaald. Deze rendementen waren bedragen die van [betrokkene] waren terug ontvangen.

Ten aanzien van de in de tenlastelegging vermelde [slachtoffer 12] (12):

[slachtoffer 12] verklaart dat zij [verdachte] via een collega, genaamd [slachtoffer 11], heeft leren kennen. Zij heeft [verdachte] kort voor oktober 2006 voor het eerst gesproken. [verdachte] vertelde dat hij voor [bedrijf 1] verzekeringen werkte. Hij vertelde dat hij voor [bedrijf 1] door heel Nederland en veel in het buitenland werkzaam was. Hij vertelde dat hij de mogelijkheid zag om het geld van [slachtoffer 12] te beleggen in thuiswerk. Als voorbeeld noemde hij spiegeltjes die je aan een computermonitor kon bevestigen, zodat degene die in deze monitor keek, ook kon zien wat er zich achter hem afspeelde. Hij zei dat hij 1,75% rente per maand kon geven.

Enkele dagen later, op 6 oktober 2006, heeft [slachtoffer 12] aan [verdachte] € 15.000,-- overhandigd. [verdachte] heeft met [slachtoffer 12] een contract afgesloten waarin hij toezegde dat elke 15e van de maand het verschuldigde rentebedrag zou worden betaald. Verder zou op 15 november 2007 het totale geldbedrag van € 15.000,-- worden terug betaald.

Op of omstreeks 15 oktober en 15 november 2006 heeft [verdachte] keurig de beloofde 1,75% rente aan [slachtoffer 12] persoonlijk betaald. Hij gaf [slachtoffer 12] telkens € 262,50. Vanaf december 2006 heeft [slachtoffer 12] [verdachte] niet meer gezien. Zij verklaart dat zij voortdurend beloften van [verdachte] heeft gekregen, maar geen geld.

Verdachte heeft ter terechtzitting van 25 juni 2010 verklaard:

Ik heb mevrouw [slachtoffer 12] éénmaal gesproken, onder andere over het project [bedrijf 7]. Ik ben met haar in contact gekomen via de heer [slachtoffer 11], volgens mij was zij zijn vriendin. Naar aanleiding van dat gesprek is er tussen haar en [bedrijf 3] een geldlening tot stand gekomen. Het geld is deels in het project gestoken, deels gebruikt om [betrokkene] te betalen.

Ten aanzien van de in de tenlastelegging vermelde [slachtoffer 13] (13):

[slachtoffer 13] verklaart dat hij op 15 september 2005 een afspraak met een financieel adviseur van [bedrijf 1] heeft gemaakt. Deze adviseur, genaamd [verdachte], is al jarenlang de financieel adviseur van [slachtoffer 13]’s ouders en dus vertrouwde [slachtoffer 13] hem. [verdachte] adviseerde hem zijn spaargeld op een bepaalde rekening te zetten, waarvan hij op zeer korte termijn een rente van 10% zou gaan ontvangen. Ze maakten een contract op waarin stond dat [slachtoffer 13] vanaf 15 november 2005 € 6.000,-- terug zou krijgen gestort en vervolgens daarna elke 15e van de maand een bedrag van € 600,-- terug zou krijgen gestort. In totaal zou [slachtoffer 13] € 1.200,-- bovenop de € 6.000,-- krijgen volgens [verdachte]. [slachtoffer 13] heeft diezelfde avond, 15 september 2005, volgens afspraak € 6.000,-- gestort. [verdachte] verzocht hem later die avond om € 1.000,-- borg over te maken naar dezelfde rekening. Dat deed hij.

Op 17 maart 2006 sprak [slachtoffer 13] wederom met [verdachte]. [verdachte] had met hem contact opgenomen. [verdachte] zei dat hij onder dezelfde voorwaarden weer een contract met [slachtoffer 13] mocht aangaan. [slachtoffer 13] stemde hiermee in en op verzoek van [verdachte] heeft hij op 17 maart 2006 een bedrag van € 4.000,-- overgemaakt. Ze hebben hier geen contract van opgesteld, maar de afspraak was dat [slachtoffer 13] 2 maanden later € 4.800,-- terug zou ontvangen. Het is inmiddels 3 jaar later en [slachtoffer 13] heeft nog steeds geen cent terug gezien.

Verdachte heeft terechtzitting van 25 juni 2010 verklaard:

Ik heb mij uitgegeven als financieel adviseur en ik heb van de heer [slachtoffer 13] in totaal € 10.000,-- ontvangen. Dat geld is gebruikt voor de [bedrijf 2] systemen. Er was ook een borg ad € 1.000,-- voor de kosten die moesten worden gemaakt om eerdere polissen op te zeggen.

Ten aanzien van de in de tenlastelegging vermelde [slachtoffer 14] (14):

[slachtoffer 14] verklaart dat [verdachte] begin 2000 bij hem thuis is geweest. [verdachte] deed zich toen voor als een medewerker van [bedrijf 1]. [slachtoffer 14] had toen een koersplan bij [bedrijf 1]. Hierbij spaarde hij elke maand via [bedrijf 1]. [verdachte] vertelde hem toendertijd dat dit plan niet veel waard was en dat hij maar iets anders moest doen. [verdachte] is toen met het idee gekomen om te gaan beleggen bij een bank. Dit beleggen heet Capital Effect. Dit is [slachtoffer 14] gaan doen bij [bank 3]. [bank 3] is al snel opgekocht door [bedrijf 10] en dus ging zijn beleggingsplan mee over naar [bedrijf 10]. In oktober 2005 liep [slachtoffer 14]’ beleggingscontract bij [bedrijf 10] af. Hij moest nu elke maand gaan betalen omdat zijn aandelen in waarde waren gedaald. Hierop heeft hij telefonisch contact gezocht met [verdachte]. Deze vertelde dat er een overnamekandidaat was, zodat [slachtoffer 14] zijn restschuld niet meer aan [bedrijf 10] hoefde te betalen. [slachtoffer 14] moest wel € 500,-- aan [verdachte] overmaken, zodat hij zeker wist dat [slachtoffer 14] de aandelen niet zelf van de hand zou doen. [slachtoffer 14] heeft € 500,-- overgemaakt naar [bedrijf 3] onder vermelding van “borgstelling”. Na oktober 2007 betaalt [slachtoffer 14] nog steeds elke maand aan [bedrijf 10] en is er niets veranderd.

Verdachte heeft ter terechtzitting van 25 juni 2010 verklaard:

Ik heb inderdaad van [slachtoffer 14] € 500,-- ontvangen als borg. Voor dat geld zou ik werkzaamheden verrichten en ik ben daar nog steeds mee bezig.

Ten aanzien van de in de tenlastelegging vermelde [slachtoffer 15] (15):

[slachtoffer 15] verklaart dat zij in februari 2001 werd gebeld door [verdachte]. [slachtoffer 15] werd gevraagd of zij interesse had in een spaarverzekering. Ergens in die maand is [verdachte] bij [slachtoffer 15] thuis gekomen. [verdachte] stelde zich hierbij aan haar en haar man genaamd [naam] voor als een vertegenwoordiger van [bedrijf 1]. [verdachte] kwam hen uitleg geven om een spaarverzekering af te sluiten en wat daarin de mogelijkheden waren. [verdachte] toonde een voorbeeld van de spaarverzekering [naam rekening] [bedrijf 1]. In 2005 zouden ze zo’n ƒ 3.000,-- (gulden) winst hebben. Omdat [verdachte] het verhaal zo mooi bracht, heeft de man van [slachtoffer 15] dezelfde avond nog het contract getekend. Per maart 2001 zijn zij gestart met de maandelijkse betalingen van ƒ 75,--. Zij hebben dit bedrag maandelijks betaald tot september 2007. Inmiddels was dit omgezet naar € 79,59.

In november 2005 nam [verdachte] telefonisch contact op met [slachtoffer 15] en haar man. Op 25 november 2005 kwam [verdachte] bij hen thuis. Hij zou ervoor gaan zorgen dat zij hun complete inleg en de betaalde rente terug zouden krijgen, zonder dat ze daarbij een restschuld over zouden houden. Om dit waar te maken, had hij € 500,-- nodig. Dit werd dan betaald als een borg. [verdachte] garandeerde [slachtoffer 15] dat ze dit vóór de wintersportvakantie terug zouden krijgen. Dit heeft [verdachte] dan ook opgeschreven en ondertekend. [slachtoffer 15] heeft diezelfde avond, in het bijzijn van [verdachte] via het telebankieren van de [bank 1], € 500,-- overgemaakt. Daarna is naar het gevoel van [slachtoffer 15] het getouwtrek begonnen.

Verdachte heeft ter terechtzitting van 25 juni 2010 verklaard:

Van mevrouw [slachtoffer 15] heb ik € 500,-- ontvangen. Voor dat geld zou ik werkzaamheden verrichten en ik ben daar nog steeds mee bezig.

Ten aanzien van de in de tenlastelegging vermelde [slachtoffer 16] (16):

[slachtoffer 16] heeft tegenover de politie verklaard:

Begin 2000 kregen wij een telefoontje van iemand die later bleek [verdachte] te zijn. We hebben toen een overeenkomst gesloten bij toen nog [bank 3]. Wij zouden 20 jaar iedere maand € 46,35 betalen en wij zouden iedere 5 jaar mogen stoppen en dan een redelijke winst kunnen krijgen. In september 2005 belde [verdachte] ons op en vroeg ons of we niet van dit contract af wilden. Hij vertelde ons dat het destijds niet zo’n goed contract was geweest en dat het rendement te laag was. Hij is toen weer bij ons thuis geweest en heeft ons voorgerekend wat we moesten doen. Wij zouden dan € 2.699,42 terug krijgen als wij het contract af zouden kopen. [verdachte] vertelde dat wij hem dan € 500,-- moesten overmaken, zodat hij dit af kon handelen. Dit zou een borgstelling zijn. Hij kwam toen heel geloofwaardig over. Ik snapte eigenlijk niet, waarom wij een borg moesten betalen, maar hij vertelde dat hij ervoor zou zorgen dat wij die € 2.699,42 terug zouden krijgen en onze borg van die € 500,-- ook. Dat zou 6 weken duren. Na die 6 weken zouden wij dus € 3.599,42 terug gestort krijgen. [verdachte] zou dat zelf overmaken. Wij hebben die € 500,-- met een spoedoverboeking overgemaakt, omdat [verdachte] zei dat hij dat geld snel moest hebben, omdat hij er dan snel mee aan de gang kon gaan. Door de praatjes van [verdachte] en zijn belofte dat hij er voor zou zorgen dat wij van dit contract af zouden kunnen komen en ook nog geld terug zouden krijgen, heeft hij ons bewogen om die € 500,-- te betalen. Als wij geweten hadden dat [verdachte] dit geld in eigen zak zou steken hadden wij dit natuurlijk nooit betaald. Omdat wij echter al in 2000 via die [verdachte] dit contract (met [bank 3]) hadden afgesloten hadden wij vertrouwen in [verdachte] en vertrouwden wij er ook op dat hij de waarheid vertelde en dat wij door het storten van die borg inderdaad ons geld terug zouden krijgen.

Verdachte heeft ter terechtzitting van 25 juni 2010 verklaard:

Van mevrouw [slachtoffer 16] heb ik € 500,-- als borg ontvangen om haar beleggingsovereenkomst te beëindigen.

Ten aanzien van de in de tenlastelegging vermelde [slachtoffer 17] (17):

[slachtoffer 17] heeft tegenover de politie verklaard:

Ik heb [verdachte] leren kennen via een kennis van me. Hij kwam bij ons over als een zeer vriendelijk en sympathiek persoon. In het najaar van 2008 vertelde [verdachte] mij dat hij werkzaam was bij de [bedrijf 1]. Ik vertelde hem toen dat ik bij [bedrijf 1] een paar slecht renderende spaarverzekeringen had lopen, die ik wilde afkopen. [verdachte] wilde die polissen wel eens zien om te kijken of daar nog iets uit te halen was in verband met de toen lopende onderzoeken tegen de woekerpolissen. Eind 2008 is [verdachte] een keer bij mij thuis geweest om een en ander te bekijken. Aan de hand van deze gesprekken had ik de indruk dat [verdachte] op het financiële gebied veel kennis bezat.

Vervolgens kwam hij in januari 2009 bij mij thuis met een voorstel dat hij alleen bij goede kennissen deed die hij wel een schnabbeltje gunde. Het voorstel hield in dat indien ik [verdachte] € 1.000,-- leende voor de tijdsduur van 2 maanden, hij mij dit bedrag terug zou betalen met een vergoeding van € 500,--. [verdachte] vertelde dat dit geld gebruikt werd voor een investering in nieuw te ontwikkelen ziekenhuisapparatuur voor een ziekenhuis in Nijmegen. Zodra deze apparatuur geleverd was en functioneerde, zou het revenuen gaan opbrengen en zich binnen de kortste tijd zelf terug verdienen. Derhalve kon de vergoeding zo hoog zijn. Eind maart/ begin april kwam [verdachte] bij mij thuis € 1.500,-- betalen. Begin april belt hij mij op met de mededeling dat hij weer een interessant postje had en of ik interesse had. Indien ik bereid was € 2.000,-- te lenen over een periode van 3 maanden, dan zou ik in totaal € 3.000,-- terug ontvangen. Ik dacht, de eerste keer ging goed, dus waarom niet. Begin mei 2009 bendaderde [verdachte] mij opnieuw met twee leuke postjes, ieder van € 1.000,--. Ook deze postjes moesten 3 maanden lopen en zouden per post met € 500,-- renderen. Ik heb [verdachte] op 8 mei 2009 € 2.000,-- gegeven. Sinds de zomer van 2009 heb ik vele contacten met [verdachte] gehad en gevraagd waar mij geld bleef. Elke keer wist [verdachte] het zo te brengen dat de betaling elk moment kon geschieden. Tot op heden heb ik echter geen geld van hem ontvangen.

Verdachte heeft terechtzitting van 25 juni 2010 verklaard:

Op verzoek van [bedrijf 1] ben ik naar de heer [slachtoffer 17] gegaan om met hem zijn polissen te bekijken. Ik heb van [slachtoffer 17] € 1.000,-- ontvangen en dat geld heb ik deels aan [betrokkene] gegeven, deels ten behoeve van [bedrijf 2] gebruikt. Omdat het hier om een kort lopend contract ging, heb ik [slachtoffer 17] deels terugbetaald met 50% rente. Er werd flink verdiend op kortlopende contracten. Dat terugbetaalde geld en die rente kwamen uit [bedrijf 2].

Na de tweede inleg van [slachtoffer 17], ging het echter fout. Omdat ik nog niet zeker wist of en wanneer ik mijn faillissement zou aanvragen, heb ik toch nog bij [slachtoffer 17] voor de tweede maal geld geleend; dat was vóór 8 mei 2009, de datum aanvraag faillissement.

Ten aanzien van de in de tenlastelegging vermelde [slachtoffer 18] (18):

[slachtoffer 18] heeft tegenover de politie verklaard:

Op een dag heb ik contact met [bedrijf 1] opgenomen om te informeren hoe ik ervoor stond met mijn pensioen en of ik nog iets moest afsluiten om een extra pensioen te kunnen krijgen. Naar aanleiding van dit gesprek nam [verdachte] contact met mij op en kwam hij voor een persoonlijk geprek bij mij thuis. Hij stelde zich voor als adviseur van [bedrijf 1]. Hij zei dat hij ook voor een aantal andere instellingen adviseur was, onder andere [bedrijf 13] en [bedrijf 10]. Ik heb toen een vliegwielovereenkomst afgesloten. Ik heb hiervoor € 9.000 geleend bij [bedrijf 1].

Op 15 december 2005 belt [verdachte] mij op voor een afspraak, met de mededeling dat ik toch maar eens na moest gaan denken over het opheffen van de Vliegwielpolis. Hij wist wel een persoon bij een instelling of een bedrijf die dit van mij zou overnemen. Voor het opheffen van de Vliegwielovereenkomst zou ik een borgsom van € 500,-- moeten betalen. Deze zou ik weer gauw terugkrijgen volgens [verdachte]. Ik heb deze betaling met een spoedopdracht gedaan. [verdachte] haalde mij hiertoe over op een dwangmatige manier. Hij dramt dan door dat hij het geld meteen nodig heeft. Tot op heden heb ik de borgsom echter niet teruggekregen en is de Vliegwielpolis niet opgeheven. Op 13 juni 2007 belde [verdachte] mij op met de mededeling dat hij de zaak bijna rond had. Hij had alleen nogmaals een borg van € 500,-- nodig en dan zou ik met de som van de Vliegwielpolis ook de borg van € 1.000,-- retour krijgen. Ik toen wederom € 500,-- overgemaakt naar [verdachte].

Op 1 juli 2007 komt [verdachte] bij mij thuis. Hij vertelde mij dat hij een familiebedrijf had dat handelde in platte televisieschermen die ergens werden gemaakt door huisvrouwtjes. Hij zei dat er 10 mannen in een soort holding stapten en als ik hieraan meedeed dan ontving ik hierover rente. Hij deelde mij mede dat ik hier maar 3 maanden aan mee hoefde te doen en dan had ik mijn inleggeld alweer terug plus de rente. Ik heb toen een bedrag van € 7.500,-- overgemaakt, op 17 juli 2007 heb ik € 3.000 overgemaakt en op 7 augustus 2007 heb ik € 1.500,-- overgemaakt. Ik heb tot op heden geen geld ontvangen.

Verdachte heeft tegenover de politie verklaard:

“U zegt mij dat [slachtoffer 18] verklaart dat hij in 2005 en 2007 een bedrag van elk € 500,-- heeft betaald. Ik ga er van uit dat dit klopt en dat ik hiervoor heb gewerkt en nog steeds werk.”

Verdachte heeft terechtzitting van 25 juni 2010 verklaard:

Ik heb van de heer [slachtoffer 18] gelden ontvangen. Het klopt dat ik van [slachtoffer 18] in totaal € 11.000 heb ontvangen. Als [slachtoffer 18] verklaart dat het investeringsvoorstel te maken had met tv schermen die door huisvrouwtjes gemaakt werden, dan wordt hiermee het project [bedrijf 7] bedoeld, dus die spiegeltjes voor het computerscherm. U houdt mij voor hoe het kan dat ik [slachtoffer 18] voorstel om in 2007 nog in dit project te investeren, terwijl ik toen al wist dat het Engelse bedrijf failliet was, zoals ik in de zaak [slachtoffer 1] (die in 2006 speelde) heb verklaard. Ik had geld nodig omdat ik contractueel nog computerspiegeltjes van [bedrijf 7] moest afnemen. Bovendien had ik thuis nog dozen van die spiegeltjes staan.

Ik heb een deel van de van de heer [slachtoffer 18] ontvangen gelden aan [betrokkene] gegeven.

Ten aanzien van de in de tenlastelegging vermelde [slachtoffer 19] (19):

[slachtoffer 19] heeft tegenover de politie verklaard:

In 2000 hebben mijn ex-partner en ik bieden een leasecontract afgesloten met [bank 3], onderdeel van [bedrijf 1]. Onze tussenpersoon was [verdachte]. Na ongeveer vijf jaar, dus rond 2005 kregen wij van [verdachte] bericht dat er iets mis was met de contracten. [verdachte] werkte inmiddels niet meer voor [bedrijf 10] en hij wilde ons helpen om toch een goede oplossing te vinden. Hij voelde zich verantwoordelijk omdat hij hij deze contracten met ons had afgesloten. In 2008 hadden we echter nog steeds geen geld gezien. In oktober 2008 is [verdachte] bij ons thuis gekomen om te praten. Als we een borg van € 1.000,-- zouden betalen aan [bedrijf 3], zou hij ervoor zorgen dat we ons geld zouden terugkrijgen binnen twee weken. We hebben toen € 1.000,-- overgemaakt. Na twee weken hadden we nog steeds geen geld. Hier hebben we met [verdachte] over gesproken. Er was in de media toen volop aandacht voor de lopende rechtzaken van [bedrijf 10]. Op 27 oktober 2008 hebben we samen met [verdachte] een brief opgesteld naar [bedrijf 10], waarin we nogmaals refereerden aan het ontbinden van de contracten. Omstreeks december 2008 hebben we opnieuw een afspraak gemaakt met [verdachte]. Hij had iemand gevonden die onze contracten bij [bedrijf 10] wilde afkopen. We zouden nu weer € 1.000,-- moeten betalen en dan zouden we binnen enkele dagen een bevestiging krijgen van [bedrijf 10] dat onze contracten zouden zijn ontbonden. We hadden op dat moment echter maar € 750,--. [verdachte] zei dat hij ons wilde helpen. Als wij ervoor zorgden dat er € 750,-- op zijn rekening werd gestort zou hij de resterende € 250,-- zelf uit zijn eigen portemonnee er bij doen. Tot op heden zijn onze contracten met [bedrijf 10] niet ontbonden en hebben we de door ons betaalde € 1.750,-- niet terug gekregen.

Verdachte heeft terechtzitting van 25 juni 2010 verklaard:

Ik heb van [slachtoffer 19] gelden ontvangen. Ik had die gelden nodig om mijn werkzaamheden te bekostigen. De [bedrijf 1]-polissen waren overgenomen door [bedrijf 10] en ik heb daarna contact opgenomen met [slachtoffer 19] om te informeren hoe het nu met haar polissen ging.

Voorts heeft verdachte tijdens de terechtzitting van 25 juni 2010 het navolgende verklaard.

In 1999 of 2000 ben ik in de financiële wereld terechtgekomen. Ik ben door [betrokkene], wonende te [woonplaats], benaderd met het verzoek om voor hem te gaan werken in de verkoop van een soort van beleggingspolissen. [betrokkene] was intermediair voor [bedrijf 1] en na een driedaagse opleiding ten behoeve van het verkopen van polissen, ging ik aan de slag. Via [betrokkene] kreeg ik van [bedrijf 1] de namen van de mensen door die ik kon bezoeken teneinde een polis, de vliegwielpolis, te verkopen. Ook mijn vergoeding voor deze werkzaamheden liep via [betrokkene]. Op deze basis heb ik ook gewerkt voor andere intermediairs, zoals [bedrijf 11].

De mensen aan wie ik de polis verkocht wisten niet beter dan dat ik voor [bedrijf 1] werkte.

Omdat die polis niet liep, het was een soort woekerpolis, benaderde ik de mensen die via mij zo’n polis hadden gekocht om die polis op te zeggen. Tevens deed ik voorstellen om te proberen het verlies te beperken of terug te verdienen. Een deel van de door mij opgezegde polissen kwam weer in het nieuwe product terecht. Om in het nieuwe product te kunnen investeren, leende ik van die mensen gelden. Die gelden gebruikte ik dan weer om in mijn eigen bedrijf te steken, dan wel om schulden van mij aan [betrokkene] af te lossen. Ik wilde met deze gelden in mijzelf investeren, zodat ik een eigen bedrijf kon opstarten en op die wijze de door mij geleende gelden kon terugbetalen. Als die mensen verklaren dat ze via mij geïnvesteerd hebben in bedrijven of producten, dan zeg ik dat dat niet klopt. Ik mag niet beleggen voor anderen, want daar heb ik geen vergunning voor. De mensen hebben van mij ook nooit een polis of aandelen gekregen. Uit de schriftelijke stukken blijkt ook duidelijk dat de mensen gewoon aan mij persoonlijk een geldlening hebben verstrekt. Ze hebben niet in bedrijven geïnvesteerd. Ik had die geldleningen nodig omdat ik in mezelf wilde investeren. Voor de start van mijn eigen bedrijf had ik geld nodig omdat ik de nodige kosten had. Ik moest bijvoorbeeld de nodige cursussen gaan volgen om de [bedrijf 2] apparatuur te kunnen verkopen en ook kost het tijd en geld om uiteindelijk zo’n agentuur van [bedrijf 2] te kunnen verkrijgen. Ook dacht ik geld te kunnen verdienen met het project de [bedrijf 7]. Mijn eigen bedrijf zou zich moeten gaan bezighouden met het opzetten van winstgevende activiteiten. Met die winst zou ik dan mijn verplichtingen uit de geldleenovereenkomsten kunnen nakomen.

U houdt mij voor dat ik bij de politie verklaard heb dat ik die gelden deels in mijzelf heb geïnvesteerd, maar ook dat ik deels met nieuwe geldleningen oude geldleningen afloste en deels ook gelden aan [betrokkene] moest afdragen. Ik ben van mening dat ik zelf mag beslissen wat ik met aan mij geleend geld doe.

U houdt mij voor dat ik volgens [bedrijf 2], weliswaar in 2007 een overeenkomst heb afgesloten voor de duur van drie maanden, maar dat ik volgens [bedrijf 2] geen enkel apparaat verkocht heb, waarna de samenwerking is verbroken. Ik antwoord daarop dat de mededeling van [bedrijf 2] onjuist is. Dat kunt u navragen bij mevrouw [naam] van [bedrijf 2]. Ik heb juist vele [bedrijf 2] apparaten verkocht. Ik verwijs onder meer naar het apparaat in de kwestie van [slachtoffer 2] en ook de eerste investering van [slachtoffer 17] was bedoeld om de levering van een dergelijk apparaat aan een ziekenhuis te Nijmegen te financieren.

De vliegwielpolissen liepen slecht en ik had deze afgesloten. Ik voelde mij daarvoor verantwoordelijk en ik wilde die mensen volop helpen om alles weer goed te maken. Daarom zocht ik deze mensen op en bood mijn diensten aan. Ik zei tegen de mensen die de polis wilden opzeggen dan wel een nieuw product wilden kopen, dat ik daarvoor een borg nodig had. Met die borg betaalde ik mijn kosten.

Die borg kregen zij later terug, als de afkoop geslaagd was. Dan werden de kosten verrekend met het vrijgekomen bedrag. Indien de afkoop niet lukte dan kwam de borg niet terug. Dat blijkt ook uit de afspraken die gemaakt zijn. U houdt mij voor dat deze gelden dus geen borg waren (namelijk geld dat je in de meeste gevallen terugkrijgt) maar eigenlijk een voorschot waren voor de betaling van door mij verrichte diensten. Het is juist dat deze borg eigenlijk een soort voorschot is. Ik berekende van te voren wat de werkzaamheden mij zouden gaan kosten en mede naar aanleiding daarvan bepaalde ik de hoogte van de borg. Als ik geen kosten behoefde te maken, dan ging de borg weer terug, bijvoorbeeld in de gevallen waarin het meteen duidelijk was dat afkoop niet mogelijk was.

Ik ontken ten stelligste dat ik deze mensen heb opgelicht. Ik verricht nog steeds werkzaamheden voor de mensen aan wie ik de borg nog niet heb terugbetaald. Voor hen heb ik gesprekken gevoerd bij verzekeringsmaatschappijen dan wel andere financiële instellingen, en rechtszaken rond woekerpolissen bijgewoond. Ik heb daardoor ook hoge telefoonkosten gehad. Ik heb daar verder geen urenadministratie of iets dergelijks van bijgehouden. Achteraf gezien had ik dat wel moeten doen.

U houdt mij voor dat ik in brieven suggereer dat ik zelf, middellijk dan wel onmiddellijk, betrokken zou zijn bij de proefprocedures rond de woekerpolissen. Het klopt dat ik zelf geen partij ben geweest bij deze procedures, maar ik heb ze wel intensief gevolgd. Het ging allemaal over de zorgplicht: als de echtgenoot niet heeft meegetekend, kun je onder je verplichtingen uit komen.

[bedrijf 5] kocht woekerpolissen op en ik werd door [bedrijf 5] benaderd om naar door hen aangewezen klanten te gaan.

In de afgelopen jaren heb ik een eenmanszaak gehad: [bedrijf 3]. Ik heb in het verleden gehandeld in kantoor- en schoolbenodigdheden. Daar komt de naam [bedrijf 3] vandaan. [bedrijf 3] staat voor kantoor- en schoolbenodigdheden en [gedeelte bedrijfsnaam] zijn mijn voorletters.

[bedrijf 4] is een Belgisch bedrijf van mij waarmee ik slechts eenmaal een investering heb gedaan en wel in [bedrijf 2]. Oorspronkelijk wilde ik met dit bedrijf gaan investeren in Egyptisch vastgoed, maar daar is het niet van gekomen. Ik had deze Bvba nog wel, maar het was een lege huls.

[bedrijf 2] is een in Duitsland gevestigd bedrijf dat zich bezighoudt met de productie/levering van gezondheidsapparaten. Ik wilde dat soort apparaten aan de man brengen en ik zou dan van [bedrijf 2] een provisie ontvangen. Ik moest ten behoeve van de verkoop van die apparaten een eigen bedrijfje en geld hebben en dat geld heb ik van diverse mensen geleend onder de mededeling dat ik die gelden nodig had voor [bedrijf 2]. Ik heb langere tijd voor [bedrijf 2] gewerkt en mijn contactpersoon bij [bedrijf 2] was mevrouw [naam]. Ik heb trouwens nog steeds contact met [bedrijf 2]. De verkoop van [bedrijf 2] producten liep goed totdat er negatieve publiciteit over [bedrijf 2] verscheen. Ik vond dat ik goed voor [bedrijf 2] kon investeren. Een deel van de gelden die ik van [bedrijf 2] kreeg dan wel voor [bedrijf 2] bestemd waren, heb ik aan [betrokkene] betaald.

Ik gaf mij al langere tijd uit als financieel adviseur; dat moet je ook wel zijn als je voor een intermediair werkt; ik verkocht tenslotte voor derden polissen, bijvoorbeeld voor [bedrijf 1]. Je moet kunnen uitrekenen of de mensen de lasten van een bepaalde polis kunnen dragen en naar gelang adviseer je de mensen, dus ben je financieel adviseur.

De raadsvrouw heeft als verweer aangevoerd dat niet kan worden bewezen verklaard dat verdachte in strijd met de waarheid heeft verklaard dat hij een solide belegger en een financieel adviseur was. Verdachte heeft vele adviezen gegeven en gelden laten beleggen, waarbij alles is goed gegaan. De keren dat het fout is gegaan, staan nu op de dagvaarding vermeld.

Met betrekking tot feit 1 overweegt de rechtbank dat in de tenlastelegging als verfeitelijking ondermeer staat vermeld dat verdachte zich heeft voorgedaan als medewerker van verzekeringsmaatschappij [bedrijf 1], dan wel van een van de overige in de tenlastelegging vermelde bedrijven.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte al vóór de in de tenlastelegging vermelde feitelijke gedragingen met de in de tenlastelegging vermelde personen (klanten) in contact is gekomen als verkoper van [bedrijf 1] producten aan die personen. Indien jaren later blijkt dat de betreffende producten niet dan wel onvoldoende renderen, benadert verdachte deze klanten wederom en stelt hij voor bedoelde producten af te kopen en (nieuwe) gelden via hem te investeren in producten van andere bedrijven, waarna de klanten wederom gelden afgeven. De rechtbank is van oordeel dat verdachte op deze wijze voortborduurde op zijn [bedrijf 1] connectie. Door tevens ook in zijn contacten met de aangevers te strooien met diverse bedrijfsnamen, zoals [bedrijf 3], [bedrijf 3], [bedrijf 4], de [bedrijf 7], [bedrijf 2] en de investeringsmogelijkheden in die bedrijven, heeft verdachte de indruk gewekt dat hij naast het zijn van financieel adviseur ook een solide belegger was. Dit laatste werd nog versterkt door de omstandigheid dat in veel gevallen de eerste beloofde rendementen keurig werden uitbetaald, waardoor enkele aangevers nog meer gelden aan verdachte ter beschikking hebben gesteld en vanwege deze veelbelovende rendementen soms ook familie of kennissen in contact brachten met verdachte. Zo is mevrouw [slachtoffer 12] via de heer [slachtoffer 11] in contact gekomen met verdachte en verklaart mevrouw [slachtoffer 4] dat ook haar moeder gelden ter beschikking aan verdachte heeft gesteld.

Ook aangever [slachtoffer 1] heeft in dit verband verklaard dat verdachte vertelde dat hij voor [bedrijf 1] werkte; dat hij dit vanuit zijn hoofdkantoor in Friesland deed alwaar hij twee dagen per week was. De rechtbank constateert dat de contacten met [slachtoffer 1] in 2006 plaatsvonden, en uit het dossier naar voren komt dat verdachte in 2004/2005 al bezig was om mensen van hun vliegwielpolis verplichtingen af te helpen. Gesteld noch gebleken is dat verdachte andere dan de vliegwielpolissen van [bedrijf 1] heeft verkocht, laat staan dat hij deze nog in 2006 verkocht. Ook hieruit blijkt dat verdachte zijn vroegere connectie met [bedrijf 1] gebruikte ter onderbouwing van de suggestie dat hij een financieel adviseur en solide belegger was.

Gelet op de omstandigheid dat het grootste deel van de ingelegde gelden niet gebruikt werd voor het doel dat verdachte aangevers had voorgespiegeld, maar daarentegen voor het aflossen van oude schulden van verdachte, en verdachte dus al ten tijde van het aangaan van de verplichtingen wist dat hij deze nooit volledig zou kunnen nakomen, acht de rechtbank het handelen van verdachte listig, bedrieglijk en in strijd met de waarheid.

Verdachte heeft van een aantal in de tenlastelegging genoemde personen een bedrag als borg gevraagd en verkregen. Verdachte heeft ter terechtzitting aangegeven dat hij geld als borg vroeg doch dat het in werkelijkheid geld was dat hij als voorschot gebruikte voor de door hem te maken kosten. Tevens heeft verdachte verklaard dat bij afkoop deze kosten zouden worden verrekend met het vrijgekomen bedrag, zodat er van een daadwerkelijke mogelijkheid van terugkrijgen van de borg geen sprake is geweest.

De rechtbank overweegt daaromtrent dat een van de kenmerken van een borg is dat de borg na enige tijd weer aan degene die de borg heeft gegeven, wordt terugbetaald. Nu verdachte de als borg ontvangen gelden als voorschot voor de door hem te maken kosten heeft gebruikt, acht de rechtbank dit handelen van verdachte listig en in strijd met de waarheid. Immers heeft verdachte door het gebruiken van de term “borg” ten onrechte de indruk gewekt dat aangevers geen risico liepen.

Met betrekking tot het als feit 2 tenlastegelegde witwassen heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte hiervan dient te worden vrijgesproken nu er geen sprake is van verbergen of verhullen van gelden. De rechtbank overweegt dienaangaande dat deze stelling van de verdediging rust op een verkeerde uitleg van de witwasbepalingen, nu reeds het enkele voorhanden hebben van gelden afkomstig van misdrijf, voldoende is voor het vervullen van de delictsomschrijving. Dat verdachte wist dat deze gelden van misdrijf afkomstig waren spreekt voor zich nu verdachte deze gelden door middel van zijn eigen oplichtingspraktijken heeft verkregen. Ook is de rechtbank van oordeel dat verdachte van dit witwassen een gewoonte heeft gemaakt, nu uit het dossier naar voren komt dat verdachte reeds jaren doende was met voornoemde oplichtingspraktijken.

7.3. Bewezenverklaring

Op grond van voormelde bewijsmiddelen en overwegingen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het sub 1 en sub 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 01 januari 2004 tot en met 31 januari 2010 in het arrondissement Roermond en/of elders in Nederland en/of in Spanje telkens met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen, hetzij door het aannemen van een valse naam of van een valse hoedanigheid, hetzij door listige kunstgrepen, hetzij door een samenweefsels van verdichtsels, de hierna genoemde personen heeft bewogen tot de afgifte van telkens een hoeveelheid geld, te weten:

1. [slachtoffer 1] tot afgifte van Euro 100.000,- of daaromtrent, en,

2. [slachtoffer 2] tot afgifte van 17.255,- of daaromtrent, en,

3. [slachtoffer 3] tot afgifte van Euro 30.000,- of daaromtrent, en,

4. [slachtoffer 4] tot afgifte van Euro 15.000,- of daaromtrent, en,

5. [slachtoffer 5] tot afgifte van Euro 1.450,- of daaromtrent, en,

6. [slachtoffer 6] tot afgifte van Euro 48.000,- of daaromtrent, en,

7. [slachtoffer 7] tot afgifte van Euro 5.500,- of daaromtrent, en,

8. [slachtoffer 8] tot afgifte van Euro 15.000,- of daaromtrent, en,

9. [slachtoffer 9] tot afgifte van Euro 50.000,- of daaromtrent, en,

10. [slachtoffer 10] tot afgifte van Euro 3.000,- of daaromtrent, en,

11. [slachtoffer 11] tot afgifte van Euro 46.000,- of daaromtrent, en,

12. [slachtoffer 12] tot afgifte van Euro 15.000,- of daaromtrent, en,

13. [slachtoffer 13] tot afgifte van Euro 11.000,- of daaromtrent, en,

14. [slachtoffer 14] tot afgifte van Euro 500,- of daaromtrent, en,

15. [slachtoffer 15] tot afgifte van Euro 500,- of daaromtrent, en,

16. [slachtoffer 16] tot afgifte van Euro 500,- of daaromtrent, en,

17. [slachtoffer 17] tot afgifte van Euro 3.900,- of daaromtrent, en,

18. [slachtoffer 18] tot afgifte van Euro 13.500,- of daaromtrent, en

19. [slachtoffer 19] tot afgifte van Euro 1.750,- of daaromtrent,

hebbende verdachte telkens met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - vals en/of listig en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid zich onder meer voorgedaan als:

- solide belegger en/of

- financieel adviseur en/of

- tegen personen gezegd hypotheken te kunnen afsluiten en/of daarvoor een borg heeft

gevraagd en vervolgens deze borg niet heeft terugbetaald en tevens geen hypotheken heeft

afgesloten en

- tegen personen gezegd dat hij, verdachte, (een) contract(en) voor

deze personen kon ontbinden en daarvoor een borg heeft gevraagd en

vervolgens deze borg niet heeft terugbetaald en tevens de/het contract(en) niet heeft

(laten) ontbinden;

2.

hij in de periode van 1 januari 2004 tot en met 31 januari 2010 in het arrondissement Roermond althans in Nederland, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte, voorwerpen, zijnde hoeveelheden geld te weten:

1. Euro 100.000,- (aangifte [slachtoffer 1] p. 165 e.v.) en

2. Euro 17.255,- (aangifte [slachtoffer 2] p. 171 e.v.) en

3. Euro 30.000,- (aangifte [slachtoffer 3] p. 185 e.v.) en

4. Euro 15.000,- (aangifte [slachtoffer 4] p. 195 e.v.) en

5. Euro 1.450,- (aangifte [slachtoffer 5] p. 218 e.v.) en

6. Euro 48.000,- (aangifte [slachtoffer 6] p. 262 e.v.) en

7. Euro 5.500,- (aangifte [slachtoffer 7] p.310 e.v.) en

8. Euro 15.000,- (aangifte [slachtoffer 8] p. 315 e.v.) en

9. Euro 50.000,- (aangifte [slachtoffer 9] p. 318 e.v.) en

10. Euro 3.000,- (aangifte [slachtoffer 10] p. 334 e.v.) en

11. Euro 46.000,- (aangifte [slachtoffer 11] p. 350 e.v.) en

12. Euro 15.000,- (aangifte [slachtoffer 12] p. 364 e.v.) en

13. Euro 11.000,- (aangifte [slachtoffer 13] p. 368 e.v.) en

14. Euro 500,- (aangifte [slachtoffer 14] p. 396 e.v.) en

15. Euro 500,- (aangifte [slachtoffer 15] p. 407 e.v.) en

16. Euro 500,- (aangifte [slachtoffer 16] p. 438 e.v.) en

17. Euro 3.900,- (aangifte [slachtoffer 17] p. 462 e.v.) en

18. Euro 11.500,- (aangifte [slachtoffer 18] p. 487 e.v.) en

19. Euro 1.750,- (aangifte [slachtoffer 19] p. 514 e.v.),

verworven en voorhanden gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of van die voorwerpen gebruik gemaakt, terwijl hij wist dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit het misdrijf.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen.

Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de kwalificatie

8.1. De strafbaarheid

De bewezen verklaarde feiten zijn strafbare feiten

8.2. Kwalificatie

Het ten laste van verdachte bewezenverklaarde levert op de navolgende strafbare misdrijven:

feit 1:

oplichting, meermalen gepleegd

feit 2:

een gewoonte maken van witwassen.

Het misdrijf sub 1 is strafbaar gesteld bij artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht.

Het misdrijf sub 2 is strafbaar gesteld bij artikel 420ter van het Wetboek van Strafrecht.

9. De strafbaarheid van verdachte

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu niet is gebleken van enige omstandigheid die verdachtes strafbaarheid opheft.

10. De straffen en/of maatregelen

10.1. De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 25 juni 2010 met betrekking tot de op te leggen straf gevorderd dat verdachte ter zake van oplichting, meermalen gepleegd en gewoontewitwassen zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van 3 jaren, met aftrek ex artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

10.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ten aanzien van de gevorderde straf aangevoerd dat, nu er veel minder bewezen geacht kan worden dan gesuggereerd, een lagere straf dan geëist op zijn plaats is.

10.3. De overwegingen van de rechtbank

Ten laste van verdachte zijn bewezen verklaard negentien gevallen van oplichting, gepleegd in een tijdvak van ongeveer 6 jaren. Verdachte heeft daarbij een aantal personen geld afgetroggeld door hen mooie rendementen voor te spiegelen terwijl hij deze gelden voor een groot deel gebruikte niet voor de voorgespiegelde investering maar om oude schulden te betalen. Diverse van de in de tenlastelegging vermelde personen zijn daardoor in financiële problemen gekomen. Het ziet er naar uit dat ook de toekomstperspectieven van een aantal slachtoffers zijn gewijzigd, nu hun appeltje voor de dorst opeens als sneeuw voor de zon verdwenen was. Verdachte heeft misbruik gemaakt van de goedgelovigheid en van het ontbreken van kennis op financieel gebied van de slachtoffers. Vele aangevers verklaren dat verdachte als zeer betrouwbaar en vertrouwenwekkend overkwam. Aangevers hebben verdachte vervolgens ten onrechte hun vertrouwen geschonken. Door het handelen van verdachte heeft het vertrouwen van vele slachtoffers in andere personen een grote knauw gekregen.

Bij de bepaling van de strafsoort en de hoogte daarvan heeft de rechtbank rekening gehouden met de materiele gevolgen voor de slachtoffers en het feit dat de kans dat zij nog iets terug krijgen van de door hen aan verdachte beschikbaar gestelde gelden, vrij klein is.

Voor zover verdachte met de gestelde bedreigingen zijdens [betrokkene] zijn strafwaardigheid in gunstige zin heeft willen beïnvloeden overweegt de rechtbank het volgende.

Vooreerst stelt de rechtbank dat al zou verdachte door anderen onder druk gezet zijn om al dan niet verschuldigde bedragen (terug) te betalen, dat geen excuus is om andere mensen te benadelen. Zeker niet nu verdachte volgens eigen zeggen zich al jaren onder druk gezet voelde door [betrokkene], maar verder geen enkele (juridische) stappen heeft ondernomen om deze situatie recht te zetten.

Voorts acht de rechtbank de verklaringen van verdachte rondom de situatie [betrokkene] uiterst ongeloofwaardig.

Allereerst is opvallend dat verdachte daar waar hij gelden van derden ontving, dit doorgaans keurig bevestigde middels een schuldbekentenis. Ook bevinden zich in het dossier diverse kwitanties van bedragen die verdachte aan derden heeft (terug)betaald. Daar waar verdachte stelt bedragen aan [betrokkene] te hebben betaald, kan hij dat echter op geen enkele wijze onderbouwen. Dit bevreemdt des te meer nu de situatie met [betrokkene] volgens verdachte vele jaren heeft geduurd en verdachte, indien zijn verhaal waar zou zijn, na een aantal keren betalen zonder betalingsbewijs zonder dat zijn schuld dienovereenkomstig verminderde, hieruit zijn les had kunnen trekken en zijn betalingsgedrag had kunnen en moeten aanpassen.

[betrokkene] is door de politie gehoord en ontkent verdachte op welke wijze dan ook bedreigd te hebben. [betrokkene] stelt enkel verdachte gelden ter beschikking gesteld te hebben en in ruil hiervan een schuldbekentenis te hebben verkregen van verdachte. De rechtbank merkt op dat zich in het dossier vele gelijksoortige schuldbekentenissen van verdachte aan andere benadeelden bevinden. [betrokkene] stelt dat hij verdachte vele malen heeft gebeld met het verzoek nu eindelijk zijn geld terugbetaald te krijgen. Desgevraagd ter zitting komt verdachte ook niet verder dan te verklaren dat [betrokkene] maar bleef bellen omdat hij zijn geld terug wilde zien. Hoewel dit vele gebeld worden voor verdachte wellicht vervelend en lastig is geweest, ziet de rechtbank hierin geen bedreigingen. Verdachtes zoon heeft ter terechtzitting als getuige verklaard dat ook hij [betrokkene] een keer aan de telefoon heeft gehad en dat [betrokkene] vroeg om terugbetaling van zijn geld. Ook hieruit volgt niet dat [betrokkene] bedreigingen zou uiten.

De stelling van verdachte dat hij een keer gebeld zou zijn met de mededeling dat ze bij hem in de straat stonden en dreigden zijn vrouw in de kofferbak mee te nemen als hij niet zou betalen, vindt nergens steun in. Verdachte stelt dat hij toen € 300,-- van zijn zoon heeft geleend en dat geld is gaan brengen. De rechtbank vermag niet in te zien dat een schuldeiser die volgens verdachte stelt recht te hebben op € 105.000,-- en kennelijk niet schroomt voor het uiten van ernstige bedreigingen, genoegen neemt met een bedrag van

€ 300,--. Voorts heeft de zoon van verdachte ter terechtzitting als getuige verklaard dat hij zijn vader een bedrag van € 300,-- heeft geleend voor het betalen van een rekening van [energiebedrijf].

De rechtbank acht de gestelde bedreigingen door en vermeende betalingen aan [betrokkene] dan ook slechts een smoes die verdachte heeft verzonnen teneinde zijn eigen laakbare gedrag te verontschuldigen.

Verdachte geeft aan dat hij na het aanvragen van zijn faillissement in mei 2009 geen bedragen meer aan [betrokkene] heeft afgedragen. Gevraagd of er nadien nog iets bijzonders is voorgevallen, antwoordt verdachte dat er niets bijzonders is gebeurd. Verdachte verklaart alsdan dat hij vele plannen heeft om de gedupeerden terug te betalen en rept met geen enkel woord meer over [betrokkene], laat staan over bedreigingen aan zijn adres.

Bij de straf heeft de rechtbank ook rekening gehouden met het feit dat verdachte op 11 augustus 2009 door de politierechter te ’s-Hertogenbosch is veroordeeld ter zake van oplichting en flessentrekkerij tot een onvoorwaardelijke werkstraf van 40 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van 2 maanden.

Tevens is rekening gehouden met het feit dat verdachte inmiddels 63 jaar oud is en met de overige persoonlijke omstandigheden zoals die naar voren zijn gekomen tijdens de zitting.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op de ernst en de aard van de feiten, rekening houdend met het hiervoor vermelde, dat verdachte een vrijheidsstraf dient te worden opgelegd voor de duur van 24 maanden, waarvan 8 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

10.4. Teruggave

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat onder meer in beslaggenomen zijn:

1 Computer, merk COMPAQ Deskpro

1 Computer, laptop, merk ACER en adapter

9 doosjes met visitekaartjes [verdachte]

5 stuks USB-Stick

1 bankpas, SNS-Bank nr. [rekeningnummer] t.n.v. [verdachte]

1 bankpas, nr.[rekeningnummer] t.n.v. [verdachte] Cardnr. 003

1 bankpas nr.[rekeningnummer] t.n.v. [verdachte] Cardnr. 005

1 bankpas nr.[rekeningnummer] t.n.v. [2e naam bankpas].

1 bankpas nr. [rekeningnummer] t.n.v. [2e naam bankpas].

1 giropas van girorekening [rekeningnummer] t.n.v. [verdachte]

2 groene map met diverse bescheiden

losse bescheiden

diverse losse visitekaartjes [verdachte]

5 agenda’s 2005 t/m 2009

1 ordner met diverse prive-bescheiden

55 klantdossiers

1 zwartkleurige tas inhoudende diverse bescheiden en visitekaartjes.

Nu met betrekking tot deze voorwerpen niet (meer) wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering, dienen deze voorwerpen te worden teruggegeven aan wie ze toebehoren dan wel aan degene onder wie deze zijn inbeslaggenomen, zoals hierna in het dictum genoemd.

10.5. De vorderingen van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [naam]

[naam] wonende [adres en woonplaats], heeft een vordering benadeelde partij ingediend. Nu de zaak van [naam] niet is opgenomen in de tenlastelegging, is [naam] niet ontvankelijk in haar vordering.

De overige benadeelde partijen

Onvankelijkheid van de vorderingen

Met betrekking tot de overige ingediende vorderingen benadeelde partij overweegt de rechtbank dat verdachte bij vonnis van de rechtbank Roermond d.d. 12 mei 2009 in staat van faillissement is verklaard. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de desbetreffende vorderingen zijn ontstaan vóór het faillissement van verdachte. Rechtsvorderingen die strekken tot het verrichten van betalingen ten laste van de failliete boedel kunnen op geen andere wijze worden ingesteld dan door die vorderingen ter verificatie aan te melden bij de curator in het faillissement.

Aangezien de vorderingen thans worden ingediend bij de rechtbank in plaats van bij bedoelde curator, kunnen naar het oordeel van de rechtbank de benadeelde partijen niet worden ontvangen in hun vorderingen. Daarom zal de rechtbank genoemde benadeelde partijen niet ontvankelijk in hun vorderingen verklaren.

De schademaatregel

Met betrekking tot het opleggen van de schademaatregel overweegt de rechtbank als volgt.

Gedurende de looptijd van het faillissement staat het de verdachte als regel niet vrij om ten laste van de boedel uitgaven te doen die de bijstandsnorm voor levensonderhoud te boven gaan. Derhalve heeft de verdachte het vanwege zijn faillissement in beginsel niet zelf in de hand om, zolang het faillissement niet is geëindigd, enige in het kader van deze strafzaak opgelegde betalingsverplichting na te komen.

In tegenstelling tot de overwegingen van het Hof in een vergelijkbare zaak (LJN: BG9498, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 24-12-2008) acht de rechtbank het opleggen van de schademaatregel in deze zaak wel opportuun. Het ligt immers in de lijn der verwachting dat het faillissement van verdachte op een gegeven moment zal worden opgeheven wegens gebrek aan baten. Alsdan staan de huidige benadeelde partijen wederom met lege handen. Ze hebben nog steeds geen executoriale titel, die ze bij toewijzing van de vordering benadeelde partij wel gehad zouden hebben, en moeten dan weer investeringen doen in hun pogingen hun schade terug te vorderen van verdachte. Indien de schademaatregel wordt toegewezen, worden in elk geval nog ten gunste van de benadeelde partijen invorderingsactiviteiten door het CJIB verricht.

Nu het gelet op de omstandigheden in deze zaak nog maar zeer de vraag is of verdachte ooit in staat zal zijn de schade terug te betalen, en het niet de bedoeling is dat door het opleggen van de schademaatregel het beginsel van gelijkheid van schuldeisers in het faillissement wordt doorkruist, zal de rechtbank, ongeacht de hoogte van het toegewezen bedrag aan het opleggen van de schademaatregel, slechts één dag hechtenis verbinden

De benadeelde partij [slachtoffer 1]

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat [slachtoffer 1] als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde feit schade heeft geleden en wel tot een bedrag van € 100.000,--.

De rechtbank zal daarom aan verdachte de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van € 100.000,-- bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 1 dag te betalen ten behoeve van [slachtoffer 1] voornoemd, zoals hierna in het dictum genoemd.

De benadeelde partij [slachtoffer 4]

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat [slachtoffer 4] als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde feit schade heeft geleden en wel tot een bedrag van € 15.000,--.

De rechtbank zal daarom aan verdachte de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van € 15.000,-- bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 1 dag te betalen ten behoeve van [slachtoffer 4] voornoemd, zoals hierna in het dictum genoemd.

De benadeelde partij [slachtoffer 5]

[slachtoffer 5] heeft alleen gevorderd dat aan verdachte de verplichting tot betaling aan de staat van de door haar geleden schade zal worden opgelegd.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is overigens gebleken dat [slachtoffer 5] als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde feit schade heeft geleden en wel tot een bedrag van € 3.686,--. (€ 9.186,-- -/- de door zoon [slachtoffer 7] separaat gevorderde schademaatregel voor een bedrag van € 5.500,--, zoals hierna vermeld)

De rechtbank zal daarom aan verdachte de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van € 3.686,-- bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 1 dag te betalen ten behoeve van [slachtoffer 5] voornoemd, zoals hierna in het dictum genoemd.

De benadeelde partij [slachtoffer 7]

[slachtoffer 7] heeft alleen gevorderd dat aan verdachte de verplichting tot betaling aan de staat van de door hem geleden schade zal worden opgelegd.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is overigens gebleken dat [slachtoffer 7] als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde feit schade heeft geleden en wel tot een bedrag van € 5.500,--.

De rechtbank zal daarom aan verdachte de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van € 5.500,-- bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 1 dag te betalen ten behoeve van [slachtoffer 7] voornoemd, zoals hierna in het dictum genoemd.

De benadeelde partij [slachtoffer 8]

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat [slachtoffer 8] als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde feit schade heeft geleden en wel tot een bedrag van € 15.000,--.

De rechtbank zal daarom aan verdachte de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van € 15.000,-- bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 1 dag te betalen ten behoeve van [slachtoffer 8] voornoemd, zoals hierna in het dictum genoemd.

De benadeelde partij [slachtoffer 9]

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat [slachtoffer 9] als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde feit schade heeft geleden en wel tot een bedrag van € 50.000,--. (de op 15 juli 2004 gedane en in de bewezenverklaring vermelde inleg)

De rechtbank zal daarom aan verdachte de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van € 50.000,-- bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 1 dag te betalen ten behoeve van [slachtoffer 9] voornoemd, zoals hierna in het dictum genoemd.

De benadeelde partij [slachtoffer 10]

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat [slachtoffer 10] als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde feit schade heeft geleden en wel tot een bedrag van € 3.000,--.

De rechtbank zal daarom aan verdachte de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van € 3.000,-- bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 1 dag te betalen ten behoeve van [slachtoffer 10] voornoemd, zoals hierna in het dictum genoemd.

De benadeelde partij [slachtoffer 11]

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat [slachtoffer 11] als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde feit schade heeft geleden en wel tot een bedrag van € 45.000,-- de gedane inleg).

De rechtbank zal daarom aan verdachte de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van € 45.000,-- bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 1 dag te betalen ten behoeve van [slachtoffer 11] voornoemd, zoals hierna in het dictum genoemd.

De benadeelde partij [slachtoffer 12]

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat [slachtoffer 12] als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde feit schade heeft geleden en wel tot een bedrag van € 15.000,-- (de door [slachtoffer 12] gedane inleg).

De rechtbank zal daarom aan verdachte de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van € 15.000,-- bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 1 dag te betalen ten behoeve van [slachtoffer 12] voornoemd, zoals hierna in het dictum genoemd.

De benadeelde partij [slachtoffer 14]

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat [slachtoffer 14] als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde feit schade heeft geleden en wel tot een bedrag van € 500,--.

De rechtbank zal daarom aan verdachte de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van € 500,-- bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 1 dag te betalen ten behoeve van [slachtoffer 14] voornoemd, zoals hierna in het dictum genoemd.

De benadeelde partij [slachtoffer 13]

Uit het onderzoek ter terechtzitting is overigens gebleken dat [slachtoffer 13] als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde feit schade heeft geleden en wel tot een bedrag van € 11.000,-- (investering ad € 10.000, en betaalde borgstelling ad € 1.000,00) De rechtbank zal daarom aan verdachte de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van € 11.000,-- bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 1 dag te betalen ten behoeve van [slachtoffer 13] voornoemd, zoals hierna in het dictum genoemd.

De benadeelde partij [slachtoffer 15]

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat [slachtoffer 15] als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde feit schade heeft geleden en wel tot een bedrag van € 500,--.

De rechtbank zal daarom aan verdachte de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van € 500,-- bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 1 dag te betalen ten behoeve van [slachtoffer 15] voornoemd, zoals hierna in het dictum genoemd.

De benadeelde partij [slachtoffer 16]

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat [slachtoffer 16] als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde feit schade heeft geleden en wel tot een bedrag van € 500,00.

De rechtbank zal daarom aan verdachte de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van € 500,-- bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 1 dag te betalen ten behoeve van [slachtoffer 16] voornoemd, zoals hierna in het dictum genoemd.

De benadeelde partij [slachtoffer 17]

Uit het onderzoek ter terechtzitting is overigens gebleken dat [slachtoffer 17] als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde feit schade heeft geleden en wel tot een bedrag van € 3.900,--.

De rechtbank zal daarom aan verdachte de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van € 3,900,-- bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 1 dag te betalen ten behoeve van [slachtoffer 17] voornoemd, zoals hierna in het dictum genoemd.

De benadeelde partij [slachtoffer 18]

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat [slachtoffer 18] als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde feit schade heeft geleden en wel tot een bedrag van € 11.500,--. (€ 13.000,00 -/- de door verdachte betwiste en niet onderbouwde inleg groot

€ 1.500,00). ([slachtoffer 18] heeft ook ter terechtzitting mondeling de vordering benadeelde partij ingediend.)

De rechtbank zal daarom aan verdachte de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van € 11.500,-- bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 1 dag te betalen ten behoeve van [slachtoffer 18] voornoemd, zoals hierna in het dictum genoemd.

De benadeelde partij [slachtoffer 19]

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat [slachtoffer 19] als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde feit schade heeft geleden en wel tot een bedrag van € 1.750,--.

De rechtbank zal daarom aan verdachte de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van € 1.750,-- bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 1 dag te betalen ten behoeve van [slachtoffer 19] voornoemd, zoals hierna in het dictum genoemd.

11. Toepasselijke wetsartikelen

Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht: 10, 14a, 14b, 14c, 24c, 27, 36f, 57, 63, 326, 420bis, 420ter.

12. Beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verstaat dat het aldus bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en verklaart verdachte ter zake strafbaar;

veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van vierentwintig maanden;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf acht maanden niet zullen worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

beveelt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

gelast de teruggave van de navolgende goederen aan verdachte:

1 Computer, merk COMPAQ Deskpro

1 Computer, laptop, merk ACER en adapter

9 doosjes met visitekaartjes [verdachte]

5 stuks USB-Stick

1 bankpas, SNS-Bank nr. [rekeningnummer] t.n.v. [verdachte]

1 bankpas, nr.[rekeningnummer] t.n.v. [verdachte] Cardnr. 003

1 bankpas nr.[rekeningnummer] t.n.v. [verdachte] Cardnr. 005

1 bankpas nr.[rekeningnummer] t.n.v. [2e naam bankpas].

1 bankpas nr. [rekeningnummer] t.n.v. [2e naam bankpas].

1 giropas van girorekening [rekeningnummer] t.n.v. [verdachte]

2 groene map met diverse bescheiden

losse bescheiden

diverse losse visitekaartjes [verdachte]

5 agenda’s 2005 t/m 2009

1 ordner met diverse prive-bescheiden

55 klantdossiers

1 zwartkleurige tas inhoudende diverse bescheiden en visitekaartjes.

Beslissingen op de vorderingen benadeelde partijen

De benadeelde partij [naam]

Verklaart de benadeelde partij [naam] wonende [adres en woonplaats], niet ontvankelijk in haar vordering;

De benadeelde partij [slachtoffer 1]

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1], [adres en woonplaats], niet ontvankelijk in haar vordering;

legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat te betalen een som geld ten bedrage van € 100.000,-- subsidiair 1 dag hechtenis ten behoeve van het slachtoffer van feit 1 (artikel 326 Sr.) genaamd [slachtoffer 1], [adres en woonplaats], met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

De benadeelde partij [slachtoffer 4]

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 4] wonende [adres en woonplaats] niet ontvankelijk in haar vordering;

legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat te betalen een som geld ten bedrage van € 15.000,-- subsidiair 1 dag hechtenis ten behoeve van het slachtoffer van feit 1 (artikel 326 Sr.) genaamd [slachtoffer 4] wonende [adres en woonplaats], met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

De benadeelde partij [slachtoffer 5] Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 5], wonende [adres en woonplaats],

niet ontvankelijk in haar vordering;

legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat te betalen een som geld ten bedrage van € 3.686,-- subsidiair 1 dag hechtenis ten behoeve van het slachtoffer van feit 1 (artikel 326 Sr.) genaamd [slachtoffer 5], wonende [adres en woonplaats], met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

De benadeelde partij [slachtoffer 7]

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 7], wonende [adres en woonplaats], niet ontvankelijk in haar vordering;

legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat te betalen een som geld ten bedrage van € 5.500,-- subsidiair 1 dag hechtenis ten behoeve van het slachtoffer van feit 1 (artikel 326 Sr.) genaamd [slachtoffer 7], wonende [adres en woonplaats], met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

De benadeelde partij [slachtoffer 8]

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 8] wonende [adres en woonplaats], niet ontvankelijk in haar vordering;

legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat te betalen een som geld ten bedrage van € 15.000,-- subsidiair 1 dag hechtenis ten behoeve van het slachtoffer van feit 1 (artikel 326 Sr.) genaamd [slachtoffer 8] wonende [adres en woonplaats], met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

De benadeelde partij [slachtoffer 9]

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 9] wonende [adres en woonplaats], niet ontvankelijk in haar vordering;

legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat te betalen een som geld ten bedrage van € 50.000,-- subsidiair 1 dag hechtenis ten behoeve van het slachtoffer van feit 1 (artikel 326 Sr.) genaamd [slachtoffer 9] wonende [adres en woonplaats], met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

De benadeelde partij [slachtoffer 10] Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 10] wonende [adres en woonplaats],

niet ontvankelijk in haar vordering;

legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat te betalen een som geld ten bedrage van € 3.000,-- subsidiair 1 dag hechtenis ten behoeve van het slachtoffer van feit 1 (artikel 326 Sr.) genaamd [slachtoffer 10] wonende [adres en woonplaats], met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

De benadeelde partij [slachtoffer 11] Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 11] wonende in [adres en woonplaats], niet ontvankelijk in haar vordering;

legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat te betalen een som geld ten bedrage van € 45.000,-- subsidiair 1 dag hechtenis ten behoeve van het slachtoffer van feit 1 (artikel 326 Sr.) genaamd [slachtoffer 11] wonende in [adres en woonplaats], met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

De benadeelde partij [slachtoffer 12] Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 12] wonende [adres en woonplaats], niet ontvankelijk in haar vordering;

legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat te betalen een som geld ten bedrage van € 15.000,-- subsidiair 1 dag hechtenis ten behoeve van het slachtoffer van feit 1 (artikel 326 Sr.) genaamd [slachtoffer 12] wonende [adres en woonplaats], met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

De benadeelde partij [slachtoffer 13] Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 13] wonende [adres en woonplaats], niet ontvankelijk in haar vordering;

legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat te betalen een som geld ten bedrage van € 11.000,-- subsidiair 1 dag hechtenis ten behoeve van het slachtoffer van feit 1 (artikel 326 Sr.) genaamd [slachtoffer 13] wonende [adres en woonplaats], met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

De benadeelde partij [slachtoffer 14] Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 14] wonende [adres en woonplaats], niet ontvankelijk in haar vordering;

legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat te betalen een som geld ten bedrage van € 500,-- subsidiair 1 dag hechtenis ten behoeve van het slachtoffer van feit 1 (artikel 326 Sr.) genaamd [slachtoffer 14] wonende [adres en woonplaats], met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

De benadeelde partij [slachtoffer 15]g Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 15] wonende [adres en woonplaats], niet ontvankelijk in haar vordering;

legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat te betalen een som geld ten bedrage van € 500,-- subsidiair 1 dag hechtenis ten behoeve van het slachtoffer van feit 1 (artikel 326 Sr.) genaamd [slachtoffer 15] wonende [adres en woonplaats], met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

De benadeelde partij [slachtoffer 16]

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 16] wonende [adres en woonplaats], niet ontvankelijk in haar vordering;

legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat te betalen een som geld ten bedrage van € 500,-- subsidiair 1 dag hechtenis ten behoeve van het slachtoffer van feit 1 (artikel 326 Sr.) genaamd [slachtoffer 16] wonende [adres en woonplaats], met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

De benadeelde partij [slachtoffer 17] Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 17], wonende [adres en woonplaats], niet ontvankelijk in haar vordering;

legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat te betalen een som geld ten bedrage van € 3.900,-- subsidiair 1 dag hechtenis ten behoeve van het slachtoffer van feit 1 (artikel 326 Sr.) genaamd [slachtoffer 17], wonende [adres en woonplaats], met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

De benadeelde partij [slachtoffer 18] Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 18], wonende [adres en woonplaats], niet ontvankelijk in haar vordering;

legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat te betalen een som geld ten bedrage van € 11.500,-- subsidiair 1 dag hechtenis ten behoeve van het slachtoffer van feit 1 (artikel 326 Sr.) genaamd [slachtoffer 18], wonende [adres en woonplaats], met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

De benadeelde partij [slachtoffer 19] Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 19] wonende [adres en woonplaats], niet ontvankelijk in haar vordering;

legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat te betalen een som geld ten bedrage van € 1.750,-- subsidiair 1 dag hechtenis ten behoeve van het slachtoffer van feit 1 (artikel 326 Sr.) genaamd [slachtoffer 19] wonende [adres en woonplaats], met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Dit vonnis is gewezen door mrs. M.J.A.G. van Baal, A.K. Kleine en P.M.S. Dijks, rechters, van wie mr. M.J.A.G. van Baal voorzitter, in tegenwoordigheid van J.A.H. Bicker als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank voornoemd op 9 juli 2010.

Zijnde mrs. Kleine en Dijks niet in staat dit vonnis mede te ondertekenen

Typ: JB