Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2010:BN2995

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
30-07-2010
Datum publicatie
02-08-2010
Zaaknummer
04/850179-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overval op tankstation met een mes

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector strafrecht

Parketnummer: 04/850179-10

Datum uitspraak: 30 juli 2010

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Roermond, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats],

wonende aan de [adres],

thans gedetineerd in [detentieadres].

1.Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting

van 16 juli 2010.

2.De tenlastelegging

De verdachte staat na wijziging van de tenlastelegging terecht ter zake dat:

1.

A.

hij op of omstreeks 13 april 2010 in de gemeente Weert met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [eigenaar tankstation], beheerder van het Shell tankstation, gelegen aan de [adres], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte die [slachtoffer] dreigend een mes heeft getoond en/of voorgehouden en/of

dreigend met dat mes een stekende beweging heeft gemaakt in de richting van die

[slachtoffer] en daarbij op dreigende toon tegen die [slachtoffer] heeft gezegd "Je geld nu meteen" en/of "Meer meer", in elk geval woorden van soortgelijke dreigende aard en/of strekking;

(artikel 317 Wetboek van Strafrecht)

en/of:

B.

hij op of omstreeks 13 april 2010 in de gemeente Weert met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid geld, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [eigenaar tankstation], beheerder van het Shell tankstation, gelegen aan de [adres], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte die [slachtoffer] dreigend een mes heeft getoond en/of voorgehouden en/of dreigend met dat mes een stekende beweging heeft gemaakt in de richting van die [slachtoffer] en daarbij op dreigende toon tegen die [slachtoffer] heeft gezegd "Je geld nu meteen" en/of "Meer meer", in elk geval woorden van soortgelijke dreigende aard en/of strekking;

(artikel 312 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij op of omstreeks 10 mei 2009 in de gemeente Weert opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 0,3 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of ongeveer 1,1 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Artikel 2 Opiumwet.

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3.De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4.De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5.De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

6.Schorsing der vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7.Bewijsoverwegingen

7.1.Standpunten van de officier van justitie en de verdediging.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 16 juli 2010 gevorderd dat

het onder 1 en 2 ten laste gelegde zal worden bewezen verklaard.

De verdediging heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de bewezenverklaring.

7.2.Bewijsmiddelen en overwegingen van de rechtbank

De overtuiging van de rechtbank dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen.

De hieronder vermelde bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit, waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde acht de rechtbank op grond van de volgende bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan:

-de aangifte van [slachtoffer] namens de exploitant van tankstation Shell ;

-de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 16 juli 2010;

-de beschrijving van de camerabeelden zoals weergegeven in het proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 april 2010.

Uit de beschrijving van de camerabeelden blijkt dat verdachte tijdens de overval op de balie springt en met zijn knieën op de balie komt. De medewerkster schrikt duidelijk en maakt een stap naar achteren. De verdachte maakt, met de punt van het mes naar voren gericht, enkele bewegingen in de richting van de medewerkster.

Ten aanzien van feit 2 acht de rechtbank op grond van de volgende bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan:

-het proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 mei 2009 ;

-de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 16 juli 2010;

-het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 11 december 2009 .

7.3.Bewezenverklaring

Op grond van voormelde bewijsmiddelen en overwegingen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

A.

hij op 13 april 2010 in de gemeente Weert met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld toebehorende aan een ander, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte, die [slachtoffer] dreigend een mes heeft getoond en voorgehouden en dreigend met dat mes een stekende beweging heeft gemaakt in de richting van die [slachtoffer] en daarbij op dreigende toon tegen die [slachtoffer] heeft gezegd "Je geld nu meteen";

en:

B.

hij op 13 april 2010 in de gemeente Weert met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid geld toebehorende aan een ander, welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte die [slachtoffer] dreigend een mes heeft getoond en voorgehouden en dreigend met dat mes een stekende beweging heeft gemaakt in de richting van die [slachtoffer] en daarbij op dreigende toon tegen die [slachtoffer] heeft gezegd "Meer meer";

2.

hij op 10 mei 2009 in de gemeente Weert opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 0,3 gram van een materiaal bevattende heroïne en ongeveer 1,1 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne, telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8.De kwalificatie

Het ten laste van verdachte bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare misdrijven op:

Ten aanzien van feit 1:

A. afpersing

en

B. diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken.

Ten aanzien van feit 2:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Het misdrijven onder feit 1 zijn strafbaar gesteld bij artikel 317 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Het misdrijf onder feit 2 is strafbaar gesteld bij de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

9.De strafbaarheid van verdachte

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu niet is gebleken van enige omstandigheid die verdachtes strafbaarheid opheft.

10.De straffen en/of maatregelen

10.1.De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 16 juli 2010 met betrekking tot de op te leggen straf gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van 30 maanden met aftrek ex artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met als algemene voorwaarde dat er geen nieuwe strafbare feiten worden gepleegd en als bijzondere voorwaarde reclasseringsbegeleiding. De officier van justitie houdt bij de eis rekening met de justitiële documentatie van verdachte, in het bijzonder het feit dat verdachte bij vonnis van 15 juni 1993 reeds door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Roermond voor diefstal met geweldpleging -als gevolg van zijn drugsverslaving- is veroordeeld.

10.2.Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw is van mening dat drugsgerelateerde veroordeling van verdachte uit 1993 thans niet als strafverzwarende omstandigheid mag meewegen gezien het tijdsverloop; deze veroordeling dateert immers van 17 jaar geleden. Aangezien de officier van justitie dit wel laat meewegen in de eis, acht de raadsvrouw de geëiste straf te zwaar.

10.3.De overwegingen van de rechtbank

Verdachte heeft zich op 13 april 2010 schuldig gemaakt aan afpersing en diefstal met bedreiging met geweld door het tankstation Shell in Weert te overvallen en de betreffende medewerkster dreigend een mes te tonen, stekende bewegingen in haar richting te maken en op dreigende toon die medewerkster heeft gedwongen tot afgifte van geld. Onder verdere bedreiging met een mes van de medewerkster was verdachte is staat om zelf ook nog geld te stelen. Op 10 mei 2009 heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het bezit van heroïne en cocaïne.

Tijdens het plegen van alle bovengenoemde strafbare feiten was verdachte onder invloed van cocaïne. De reden om de overval op het tankstation te plegen was, volgens verdachte, om aan geld te kunnen komen om meer drugs te kunnen kopen. Het is een feit van algemene bekendheid dat er bij slachtoffers van een gewapende overval, lange tijd gevoelens van angst en onzekerheid (kunnen) blijven bestaan, waardoor zij in hun deelname aan het maatschappelijk verkeer ernstig kunnen worden belemmerd. Dergelijke uitingen van geweld leveren bij velen in de samenleving gevoelens van angst en verontwaardiging op. In deze zaak heeft de medewerkster als gevolg van deze overval inmiddels ontslag genomen omdat zij bang is voor herhaling en omdat zij -mede als gevolg van slaapproblemen sinds de overval- het niet meer kan opbrengen om daar te blijven werken. Ter terechtzitting heeft zij nog aangegeven geen vertrouwen meer te hebben, voortdurend alert te zijn en zich ongemakkelijk te voelen, wanneer onbekenden zich dicht bij haar ophouden.

Harddrugs, eenmaal in handen van gebruikers, leveren grote gevaren voor de gezondheid van die gebruikers op, terwijl die gebruikers hun verslaving vaak door diefstal of ander crimineel handelen trachten te bekostigen, waardoor aan de samenleving ernstige schade wordt berokkend; zo ook in dit geval.

Blijkens het reclasseringsadvies d.d. 5 juli 2010 kampt verdachte reeds met verslavingsproblematiek sinds hij 16 jaar oud was. Verdachte zegt dat het roken van cocaïne hem een euforisch gevoel oplevert, waardoor de zucht uiteindelijk alleen maar toeneemt. Echter wordt er bij verdachte ook vaker een opgefokt gevoel opgeroepen. Om de kans op recidive te verminderen acht de reclassering het van belang dat verdachte een klinische behandeling binnen de Verslavingszorg GGZ Noord Midden Limburg ondergaat voor zijn middelengebruik. Teneinde meer zicht te krijgen op zijn denkpatronen en gedrag dient verdachte deel te nemen aan een Cognitieve Vaardigheden training. Gezien de directe samenhang van de verslaving met het criminele gedrag van verdachte adviseert de reclassering verdachte te verplichten om een behandeling in de intramurale inrichting of forensische verslavingszorg te ondergaan. Verder dient verdachte zich te houden aan de aanwijzingen die reclassering hem geeft en moet zich daartoe binnen vijf dagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis melden bij Justitiële Verslavingszorg GGZ Noord- en Midden Limburg.

Blijkens het uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister is verdachte in eerder ter zake van winkeldiefstal en diefstal met geweld veroordeeld.

Ter terechtzitting heeft verdachte inzicht heeft getoond in de onjuistheid van zijn handelwijze.

De rechtbank is van oordeel dat met het oog op een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lagere straf dan de hierna vermelde vrijheidsstraf met een onvoorwaardelijk deel.

10.4.De vorderingen van de benadeelde partijen

10.4.1 De vordering van benadeelde partij [slachtoffer]

[slachtoffer], wonende aan de [adres], heeft een vordering benadeelde partij ingediend met betrekking tot de immateriële schade als gevolg van het hiervoor onder 1 ten laste gelegde. [slachtoffer] heeft de gesteld op € 350,- gesteld en wil die schade vergoed krijgen.

Ten laste van verdachte is het hiervoor onder 1 ten laste gelegde bewezen. Het is een strafbaar feit en verdachte zal onder andere ter zake van dat feit worden veroordeeld.

Met betrekking tot de gevorderde immateriële schade overweegt de rechtbank als volgt. [slachtoffer] heeft ter terechtzitting d.d. 16 juli 2010 meegedeeld dat zij reeds van het Schadefonds Geweldsmisdrijven een bedrag uitgekeerd heeft gekregen. Het is de rechtbank onbekend of en in hoeverre deze uitkering te maken heeft met het onderhavige feit en of deze uitkering al dan niet een voorschot betreft. Daarom is de vordering van benadeelde partij [slachtoffer] niet eenvoudig van aard. [slachtoffer] zal derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard en de rechtbank zal bepalen dat de benadeelde partij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Aangezien de benadeelde partij niet ontvankelijk in haar vordering zal worden verklaard, zal de benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten die door verdachte zijn gemaakt.

Nu niet gebleken is dat verdachte (extra) kosten heeft gemaakt ten aanzien van de civiele vordering zal de rechtbank deze kosten vaststellen op nihil.

10.4.2 De vordering van benadeelde partij [eigenaar tankstation]. en de schademaatregel

[eigenaar tankstation], gevestigd aan de [adres], heeft een vordering benadeelde partij ingediend met betrekking tot de geleden materiële schade als gevolg van het hiervoor onder 1 ten laste gelegde. [eigenaar tankstation]. heeft de totale materiële schade gesteld op € 339,84,- gesteld (bestaande uit € 120,- gestolen kasgeld en € 219,84 in verband met dubbele bezetting) en wil die schade vergoed krijgen.

Met betrekking tot de gevorderde materiële schade overweegt de rechtbank als volgt. Het gevorderde bedrag aan kasgeld groot € 120,- komt de rechtbank alleszins redelijk voor. Dit deel van de vordering materiële schade is naar het oordeel van de rechtbank dan ook voor toewijzing vatbaar.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de materiële schade als gevolg van het stelen van het kasgeld.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij, overeenkomstig het hiervoren overwogene, beslissen zoals hierna is vermeld, alsmede over de kosten die door de benadeelde partij zijn gemaakt, thans begroot op nihil.

De rechtbank zal tevens aan verdachte de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van € 120,- te betalen ten behoeve van [eigenaar tankstation]. voornoemd, zoals hierna in het dictum opgenomen.

Aangezien het overige deel van de vordering naar het oordeel van de rechtbank niet zodanig is onderbouwd, voor wat betreft de post ‘dubbele bezetting’ groot € 219,84 dat die eenvoudig is vast te stellen, zal de benadeelde partij voor dat deel van haar vordering niet ontvankelijk in haar vordering dienen te worden verklaard en zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij haar restantvordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

11.Toepasselijke wetsartikelen

Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht: 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 27, 36f, 57, 91, 312, 317.

Opiumwet: 2 en 10.

12.Beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verstaat dat het aldus bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en verklaart verdachte ter zake strafbaar;

veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van 30 maanden;

beveelt dat van deze gevangenisstraf 10 maanden niet zullen worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt bepaald op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel gedurende die proeftijd de hierna te melden bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende maximaal de periode van de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen en voorschriften die hem zullen worden gegeven door of namens de GGZ Groep Noord- en Midden Limburg, Justitiële Verslavingszorg Limburg, -ook als dat inhoudt deelname aan een Cognitieve Vaardigheden training of een behandeling bij een door genoemde GGZ Groep aan te wijzen instelling gedurende maximaal de periode van de proeftijd, waarbij verdachte zich heeft te houden aan de aanwijzingen van de behandelaars-, zolang deze instelling dit noodzakelijk acht, met opdracht aan die instelling aan de verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze bijzondere voorwaarde;

draagt de verdachte op om zich daartoe binnen vijf dagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis te melden bij Justitiële Verslavingszorg GGZ Noord- en Midden Limburg, Laurentiusplein 10, 6040 CS Roermond, telefoonnummer 0475-319747 (keuze 2), waarna hij zich gedurende de door de Justitiële Verslavingszorg te bepalen periode moet blijven melden zo frequent als Justitiële Verslavingszorg dat nodig acht;

beveelt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

verklaart niet-ontvankelijk de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer], wonende aan de [adres] en bepaalt dat de benadeelde partij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt benadeelde partij [slachtoffer] in de kosten van het geding door de verdachte ten behoeve van zijn verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot op nihil;

wijst gedeeltelijk toe de vordering van benadeelde partij [eigenaar tankstation]. en wel voor een bedrag groot € 120,-;

veroordeelt verdachte om tegen bewijs van betaling aan benadeelde partij [eigenaar tankstation]. t.a.v. [eigenaar tankstation], wonende aan de [adres] te betalen een bedrag groot € 120,- ;

legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat te betalen een som geld ten bedrage van

€ 120,- subsidiair 2 dagen hechtenis ten behoeve van benadeelde partij genaamd [eigenaar tankstation]., met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van de benadeelde partij niet opheft;

bepaalt dat indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 120,- ten behoeve van voornoemde benadeelde partij daarmee de verplichting van verdachte komt te vervallen en dat indien dit bedrag door verdachte aan voornoemde benadeelde partij is betaald, daarmee de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat ten behoeve van voornoemde benadeelde partij komt te vervallen;

veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij [eigenaar tankstation]. gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil;

verklaart niet-ontvankelijk het overige deel van de vordering van de benadeelde partij [eigenaar tankstation]. groot € 219,84 en bepaalt dat de benadeelde partij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Vonnis gewezen door mrs. E..H.M. Druijf, V.P. van Deventer en W.A.H.J. Poppeliers, rechters, van wie mr. V.P. van Deventer voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J. Iding als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 30 juli 2010.