Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2010:BN2482

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
21-07-2010
Datum publicatie
27-07-2010
Zaaknummer
W 3/2010
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wraking. Gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2010/348
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beslissing

RECHTBANK ROERMOND

Wrakingskamer

Nummer: W 3/2010

Beslissing als bedoeld in artikel 39 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op het verzoek tot wraking, gedaan door:

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid [vereniging] gevestigd te [gemeente], [straat] (verder aangeduid als verzoekster).

1. Het verloop van de procedure

1.1. In de zaken [zaaknummers] van verzoekster tegen de stichting [stichting], gevestigd te [gemeente], [straat] (verder aangeduid als de stichting) als verweerster, heeft op 30 maart 2010 een mondelinge behandeling plaatsgevonden voor mr. [rechter], kantonrechter in de rechtbank Roermond. Het betreft hier een voortzetting van de mondelinge behandeling in de zaak [zaaknummer] (die op 23 november 2009 was aangehouden) en de eerste mondelinge behandeling in de zaak [zaaknummer].

1.2. Bij aanvang van de mondelinge behandeling in die zaken heeft verzoekster het woord laten voeren door onder meer de heer A, bestuursadviseur van verzoekster. De kantonrechter heeft vervolgens aan de orde gesteld dat de verhouding tussen de stichting en de heer A verstoord lijkt te zijn en in verband daarmee aan verzoekster de vraag voorgelegd of het in het belang is van de huurders, die door verzoekster worden vertegenwoordigd, om de heer A verder het woord te laten voeren. Daarbij heeft de kantonrechter erop gewezen dat het bestuur de vereniging vertegenwoordigt. De kantonrechter heeft verzoekster in overweging gegeven zich nader te beraden over deze kwestie en meegedeeld dat als verzoekster erbij blijft het woord te laten voeren door de heer A, hij in overweging zal nemen of dit een reden kan zijn om de heer A als gemachtigde van verzoekster te weigeren. Na een schorsing is de behandeling hervat en is de heer B, voorzitter van verzoekster, bij de verdere behandeling als vertegenwoordiger van verzoekster opgetreden.

1.3. Bij brief van 27 april 2010 heeft verzoekster de wraking van de kantonrechter verzocht.

1.4. De rechtbank heeft de behandeling van het wrakingsverzoek bepaald op de openbare terechtzitting van 16 juli 2010 en daarvan alsmede van haar samenstelling mededeling gegaan aan de kantonrechter en aan partijen.

1.5. De rechtbank heeft het wrakingsverzoek op de openbare terechtzitting van 16 juli 2010 behandeld. Bij deze behandeling zijn van de kant van verzoekster onder meer verschenen de heer A voornoemd en de heer B, voorzitter van de vereniging, die namens verzoekster het woord hebben gevoerd.

2. De gronden van het wrakingsverzoek

2.1. Verzoekster stelt - voor zover voor de beoordeling van het wrakingsverzoek van belang en zakelijk weergegeven - dat haar bestuur de heer A heeft gemachtigd haar in- en extern te vertegenwoordigen en namens haar op te treden. De heer A is tijdens de mondelinge behandeling op 23 november 2009 door de kantonrechter in staat gesteld om namens verzoekster het woord te voeren. Tijdens de behandeling op 30 maart 2010 heeft de kantonrechter direct na de opening van de zitting en vóór aanvang van de inhoudelijke behandeling verzoekster gedwongen de heer A als gemachtigde terug te trekken. Daarbij heeft de kantonrechter aangegeven dat hij van zijn bevoegdheid gebruik zou maken om de heer A als gemachtigde te weigeren als verzoekster de heer A niet zou terugtrekken. Hierdoor is bij verzoekster de schijn gewekt dat de kantonrechter niet langer onpartijdig zou zijn met betrekking tot de verdere behandeling van de zaak. Met het kenbaar maken van zijn voornemen heeft de kantonrechter verzoekster en de heer A onder druk gezet, waardoor het recht op een eerlijk proces in het gedrang is gekomen. De heer A had de behandeling op 30 maart 2010 inhoudelijk voorbereid en als gevolg van de vervanging van de heer A hebben woordvoerders, die zich inhoudelijk minder hadden voorbereid, het woord moeten voeren, waardoor de vereniging ernstig in haar verdediging is geschaad. De stichting heeft kort vóór de zitting van 30 maart 2010 processtukken (producties 60 t/m 72) ingediend uit de civiele procedure tussen de stichting en de vereniging met zaaknummer [zaaknummer] betreffende smaad en laster door de vereniging aan het adres van de stichting. In deze civiele procedure was nog geen einduitspraak gedaan. De producties 60 en 61 zijn met grote waarschijnlijkheid de basis geweest voor de kantonrechter om tot zijn uitlatingen te komen “Ik weet genoeg” en “Het staat voor mij vast dat A de veroorzaker is van alle problemen”. Dit oordeel van de kantonrechter sluit naadloos aan bij het standpunt van de schrijver van die producties 60 en 61 en het lijkt er zeer op dat de kantonrechter het standpunt zoals dat is neergelegd in die producties zonder meer heeft overgenomen. De opmerking van de kantonrechter “Het staat voor mij vast dat A de veroorzaker is van alle problemen” en de opmerking dat de standpunten van de vereniging in die andere civiele procedure “niet waar zijn en weerlegd zijn” geven blijk van de innerlijke gesteldheid van de kantonrechter, van waaruit hij de vereniging en de heer A benadert en wekken de schijn van vooringenomenheid.

3. Het standpunt van de kantonrechter

3.1. De kantonrechter is van mening dat het wrakingsverzoek is gebaseerd op de onjuiste aanname dat hij de heer A als gemachtigde heeft geweigerd. Hij heeft dat wel overwogen. Tot een weigering is het niet gekomen omdat het bestuur van verzoekster er voor heeft gekozen de heer A niet als gemachtigde op de zitting van 30 maart 2010 te laten optreden. De kantonrechter is van mening dat zijn handelwijze niets met vooringenomenheid of het ontbreken van onpartijdigheid heeft te maken, maar met een poging een ernstig verstoorde relatie tussen twee organisaties in het belang van 14.000 huurders te verbeteren en uit de wereld te helpen.

4. De beoordeling van het verzoek

4.1. Artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kent verzoekster het recht toe om de wraking te verzoeken van een rechter die een zaak behandelt en wel op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

4.2. Het onpartijdigheidsvereiste houdt in dat een rechter vrij dient te staan tegenover de te berechten zaak en de daarbij betrokken partijen. Daarbij pleegt een onderscheid te worden gemaakt tussen subjectieve en objectieve partijdigheid.

De subjectieve partijdigheid betreft de persoonlijke instelling en overtuiging van een individuele rechter in een bepaalde zaak. Partijdigheid in deze zin is aanwezig, indien bij de rechter sprake is van vooringenomenheid ten opzichte van een van partijen.

De objectieve onpartijdigheid betreft niet de feitelijk aanwezige persoonlijke instelling van een individuele rechter, maar de indruk die bij een partij bestaat of zou kunnen bestaan over de aanwezigheid van vooringenomenheid van de rechter, de schijn van partijdigheid. De toets is hier of de rechter voldoende waarborgen biedt om bij een partij elke gerechtvaardigde twijfel aan onpartijdigheid van de rechter uit te sluiten, ongeacht of er daadwerkelijk sprake is van vooringenomenheid van de rechter. Bij de beantwoording van de vraag of in een bepaald geval gerechtvaardigde grond voor vrees voor partijdigheid van de rechter bestaat, is het standpunt van een partij belangrijk, maar niet doorslaggevend. Beslissend is of de twijfel van een partij aan de onpartijdigheid van de rechter door objectieve factoren wordt gerechtvaardigd.

4.3. Het is de rechtbank niet gebleken dat van subjectieve partijdigheid sprake is. Aan de orde is slechts de vraag of sprake is van feiten en omstandigheden die verzoekster een objectief te rechtvaardigen grond geven voor de vrees dat het de rechter aan onpartijdigheid ontbreekt. De rechtbank oordeelt hierover als volgt.

4.4. Onbetwist staat vast dat de heer A tijdens de behandeling van de zaak [zaaknummer] op 23 november 2009 door de kantonrechter als gemachtigde van de vereniging is opgetreden en toen als zodanig is geaccepteerd, dat die behandeling is aangehouden en op 30 maart 2010 is voortgezet en dat de stichting kort vóór laatstgenoemde datum de producties 60 tot en met 72 uit de civiele procedure met zaaknummer [zaaknummer] ten behoeve van de behandeling op 30 maart 2010 aan de kantonrechter heeft overgelegd.

4.5. Tijdens de behandeling van het wrakingsverzoek heeft de vereniging verklaard dat de kantonrechter - gezien het feit dat hij woordelijk uit die producties heeft geciteerd - zijn handelwijze heeft gebaseerd op die producties zonder dat de kantonrechter die producties met de vereniging heeft doorgenomen en zonder dat de kantonrechter de vereniging naar haar mening over de inhoud van die producties heeft gevraagd en zij zich daarover heeft kunnen uitlaten. Verder heeft de vereniging daar verklaard dat zij zich gedwongen voelde te verhinderen dat de kantonrechter uitvoering zou geven aan zijn voornemen om de heer A als gemachtigde te weigeren en heeft zij om die reden de heer A vervangen door de heer B voornoemd. De vereniging had er immers een groot financieel belang bij dat de behandeling van de zaak [zaaknummer] op 30 maart 2010 zou doorgaan omdat anders het faillissement van de vereniging dreigde.

4.6. Gesteld noch gebleken is dat de kantonrechter de vereniging de gelegenheid heeft geboden haar standpunt aan hem kenbaar te maken over de inhoud van de ingediende producties alvorens de kwestie over (het voornemen tot) het weigeren van de heer A als gemachtigde ter sprake te brengen. Nu de kantonrechter zich bij het uiten van zijn voornemen kennelijk heeft gebaseerd op bescheiden waarover de vereniging zich niet heeft kunnen uitlaten en mede gelet op de uitlatingen en opmerkingen, zoals onbetwist door de vereniging gesteld, kan bij de vereniging – objectie gezien – de vrees zijn ontstaan dat van een verdere onbevangen behandeling van de zaken en van een onbevangen beslissing daarin geen sprake meer kan zijn. Nu daardoor de rechterlijke onpartijdigheid van de kantonrechter schade zou kunnen lijden, dient het verzoek tot wraking van de kantonrechter gegrond verklaard en toegewezen te worden.

5. Beslissing

De rechtbank:

5.1. verklaart gegrond en wijst toe het verzoek tot wraking van de kantonrechter

mr. [rechter].

Deze beslissing is gegeven door mr. L.J.A. Crompvoets, mr. C.A.M. Schaap-Meulemeester en mr. J.M.E. Derks , bijgestaan door mr. L.G.H. Cox als griffier en in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2010.