Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2010:BN2478

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
04-08-2010
Datum publicatie
09-08-2010
Zaaknummer
94917 / HA ZA 09-536
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Huwelijkse voorwaarden, periodieke verrekening niet plaats gevonden, vervalbeding, woning, goederen, wettelijke rente.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROERMOND

Sector civielrecht

zaaknummer / rolnummer: 94917 / HA ZA 09-536

Vonnis van 4 augustus 2010

in de zaak van

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. I. Vorbach,

tegen

[de man],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. P.W.M. Broekmans.

Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord

- de conclusie van repliek

- de conclusie van dupliek

- akte uitlating

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Partijen zijn op 15 april 1988 onder uitsluiting van elke vermogensrechtelijke gemeenschap onder huwelijkse voorwaarden gehuwd. Het huwelijk is op 26 februari 2008 ontbonden door middel van inschrijving van de beschikking betreffende echtscheiding van 10 oktober 2007 in de registers van de Burgerlijke Stand.

2.2. In de huwelijkse voorwaarden is onder andere het volgende opgenomen:

‘artikel 2. Ieder van de echtgenoten behoudt derhalve de goederen, welke hij of zij ten huwelijk aanbrengt en die welke gedurende het huwelijk door hem of haar worden verkregen, hetzij door erfenis, legaat of schenking, of op enige andere wijze om niet, hetzij door belegging, wederbelegging of ruiling van ieders vermogen...

artikel 4. De kosten van de gemeenschappelijke huishouding, daaronder begrepen....., komen voor gezamenlijke rekening van de echtgenoten, die ter bestrijding hiervan gehouden zullen zijn ieder jaarlijks bij te dragen als door hen in onderling overleg en goedvinden zal worden vastgesteld. Bij gebreke van overeenstemming dienaangaande zijn de echtgenoten verplicht in die kosten, aanslagen en premiën bij te dragen naar evenredigheid van hun eigen besteedbare inkomens, waaronder niet te verstaan hetgeen is verkregen door toeval of geluk. Voor zover die inkomens van beide echtgenoten ontoereikend mochten zijn, zal het tekort worden voldaan uit het vermogen van beide echtelieden, naar evenredigheid. Na verloop van het jaar, volgende opdat, waarin de uitgaven zijn gedaan, kan geen verrekening meer worden gevorderd van teveel of te weinig betaalde bedragen.

artikel 5. Ingeval in een jaar de gezamenlijke inkomsten van de echtgenoten de kosten van de gemeenschappelijke huishouding als hiervoor bedoeld, hebben overtroffen, zal van dit te berekenen overschot ieder van de echtgenoten de helft toekomen. Indien de gemeenschappelijke huishouding in de loop van enig jaar feitelijk heeft opgehouden te bestaan, zal vanaf dat tijdstip geen verrekening als hierboven bedoeld, meer plaatsvinden. Verrekening van gemeld eventueel overschot kan echter niet meer gevorderd worden na verloop van één jaar na het desbetreffende kalenderjaar.

artikel 7. Alle goederen, welke bij ontbinding van het huwelijk, of bij scheiding van tafel en bed, of bij eventuele wijziging van de huwelijksvoorwaarden, aanwezig zijn en waarop noch de man, noch de vrouw zijn of haar recht kan bewijzen, zullen geacht worden aan ieder van de echtgenoten voor de helft toe te behoren.’

2.3. De man heeft tijdens het huwelijk een perceel en woning gelegen aan de [adres]g te [woonplaats] in eigendom verworven.

2.4. Partijen zijn op 14 oktober 2006 feitelijk uit elkaar gegaan.

3. Het geschil

3.1. De vrouw vordert – samengevat – bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis de man te veroordelen tot:

I. primair a) het verlenen van medewerking aan de beschrijving en waardebepaling van zijn vermogen per 14 oktober 2006 en de herkomst daarvan aan te geven, alsmede b) in het kader van verrekening betaling van een bedrag gelijk aan de helft van die vermogenswaarde, te vermeerderen met de wettelijke rente en

subsidiair tot betaling van een bedrag van EUR 122.706,50 te vermeerderen met de wettelijke rente,

II. a) het verschaffen van inzicht in de wijze van financiering van het perceel en de woning van de man op straffe van een dwangsom en b) betaling van een bedrag gelijk aan de helft van de waarde per 14 oktober 2006 van de voor verrekening in aanmerking komende waarde van de woning alsmede het perceel, te vermeerderen met de wettelijke rente,

III. primair het voldoen van de nominale waarde van de door de vrouw bij het huwelijk ingebrachte roerende zaken, te vermeerderen met de wettelijke rente en

subsidiair afgifte van genoemde goederen op straffe van een dwangsom,

en

IV. verzoekt de rechtbank de verdeling vast te stellen van de aanspraken op het ouderdomspensioen,

met veroordeling van de man in de proceskosten.

3.2. De man voert verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De man heeft als meest verstrekkend verweer aangevoerd dat de vrouw gezien het in de huwelijkse voorwaarden opgenomen vervalbeding een vorderingsrecht ontbeert. De man heeft in dat verband aangevoerd dat in casu sprake is van een vervalbeding ter zake van de in de huwelijkse voorwaarden geregelde draagplicht voor de kosten van de huishouding. Daarbij heeft de man verwezen naar de uitspraak van de Hoge Raad van 15 september 2006, waarbij is geoordeeld dat een beroep op een dergelijk vervalbeding niet zonder meer naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De rechtbank overweegt dat de man met zijn redenering miskent dat de vrouw geen aanspraak maakt op verrekening ter zake van de draagplicht voor de kosten van de huishouding zoals opgenomen in artikel 4 van de huwelijkse voorwaarden. Immers de vrouw beroept zich op de verrekening opgenomen in artikel 5 van de huwelijkse voorwaarden. Dat artikel ziet op verrekening van overgespaarde inkomsten. Derhalve ziet het daarin opgenomen vervalbeding niet, zoals door de man gesteld en zoals in het door de man aangehaalde arrest aan de orde, op een vorderingsrecht ter zake van kosten van de huishouding, maar vervat artikel 5 een vervalbeding verbonden aan een in huwelijkse voorwaarden geregelde verrekening van hetgeen jaarlijks van de zuivere inkomsten van de echtgenoten resteert. De vrouw heeft gesteld, dat het in artikel 5 genoemde vervalbeding toepassing mist, aangezien een beroep daarop naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.

4.2. Bij beantwoording van de vraag of het in artikel 5 opgenomen vervalbeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, is in het bijzonder van betekenis dat een beding als het onderhavige naar zijn aard in belangrijke mate de werking ontneemt aan de tussen partijen overeengekomen verrekening van hetgeen jaarlijks van hun zuivere inkomsten resteert, alsmede dat om voor de hand liggende redenen partijen in het algemeen niet tot verrekening zullen overgaan zolang de huwelijkse samenleving voortduurt. Van belang is voorts dat, zoals in de literatuur is opgemerkt, partijen zich veelal niet bewust zullen zijn van de consequenties van een beding als het onderhavige en ook als gevolg daarvan jaarlijkse verrekening achterwege zullen laten. Een en ander brengt mee dat een beroep op het vervalbeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar moet worden geacht in een geval waarin een van de gewezen echtgenoten – in casu de vrouw - na hun echtscheiding verrekening vordert van in het verleden overgespaarde inkomsten, tenzij blijkt van, door de echtgenoot – in casu de man - die zich op het vervalbeding beroept te stellen en zo nodig te bewijzen, omstandigheden die een beroep op het beding rechtvaardigen.

4.3. De man heeft nog aangevoerd dat de vrouw vrijwel niet dan wel veel en veel minder dan de man in de kosten der huishouding heeft bijgedragen. Voor zover de man heeft bedoeld te stellen dat daarin een rechtvaardiging van het beroep op het vervalbeding is gelegen kan de rechtbank de man in die stelling niet volgen. Immers bezien tegen de achtergrond van het bepaalde in artikel 4 van de huwelijkse voorwaarden omtrent die kosten en mede in aanmerking nemende dat de vrouw volgens de eigen stelling van de man slechts een marginaal inkomen genoot, valt, zonder nadere toelichting die ontbreekt, niet in te zien waarom in het enkele feit van een geringe(re) bijdrage door de vrouw – zo al juist - een bijzondere omstandigheid zou zijn gelegen.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet is gebleken van feiten of omstandigheden die een beroep op het vervalbeding rechtvaardigen. Derhalve heeft de vrouw een vorderingsrecht zoals omschreven in artikel 5 van de huwelijkse voorwaarden.

4.4. Tussen partijen is niet in geschil dat tijdens het huwelijk geen uitvoering is gegeven aan de in artikel 5 van de huwelijkse voorwaarden opgenomen periodieke verrekening. Ingevolge het bepaalde in artikel 1:141, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) moet er behoudens tegenbewijs in beginsel van worden uitgegaan dat het bij het einde van het huwelijk aanwezige vermogen is gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden. De vrouw heeft onder verwijzing naar artikel 5 van de huwelijkse voorwaarden onweersproken gesteld, dat moet worden uitgegaan van de vermogenstoestand per 14 oktober 2006, zijnde de datum waarop partijen feitelijk uit elkaar zijn gegaan. De rechtbank zal die datum als uitgangspunt hanteren. In het geval gegevens per die datum niet bekend zijn, zal de rechtbank aansluiten bij de in tijd dichtst daarbij gelegen wel bekende gegevens. De rechtbank zal hierna eerst overgaan tot vaststelling van de vermogenstoestand.

4.5. De vrouw heeft onder verwijzing naar de jaarrekening 2005 van S.T.D. Distributie VOF en de fiscale rapporten van de man van 2005 en 2006 (producties 4, 5 en 6 bij de dagvaarding) gesteld dat het in aanmerking te nemen vermogen bestaat uit:

- vermogen (inclusief stille reserves) in de onderneming EUR 60.783,00

- bank- en spaartegoeden van de man 113.052,00

- aandelen, obligaties e.d. van de man 42.672,00

- contant geld en overige vorderingen van de man 69.592,00

---------------

Totaal 286.099,00

4.6. De rechtbank constateert, dat uit het fiscaal rapport 2006 van de man (productie 6 bij de dagvaarding) blijkt dat daar hogere bedragen bij de post aandelen en obligaties en dergelijke en de post contant geld en overige vorderingen staan genoemd dan de door de vrouw gestelde bedragen zoals die staan genoemd in het fiscaal rapport 2005, namelijk EUR 54.370,00 en EUR 72.198,00. Echter nu de vrouw zelf is uitgegaan van de bedragen van eind 2005 en ook de man tegen de hoogte van die bedragen geen bezwaar heeft gemaakt, gaat de rechtbank ervan uit dat partijen het over de hoogte van die bedragen eens zijn, zodat de rechtbank daarvan uit zal gaan.

4.7. De man heeft gesteld dat het vermogen in de onderneming niet EUR 60.783,00 maar EUR 55.656,53 bedraagt, zoals volgens hem blijkt uit fiscaal rapport 2006. De rechtbank overweegt dat zij geen van beide bedragen in de genoemde producties kan terugvinden. Partijen hebben ook nagelaten om tenminste aan te geven op welke pagina de genoemde bedragen dan zouden zijn vermeld. De vrouw heeft het door de man bij conclusie van antwoord genoemde bedrag van EUR 55.656,53 echter bij repliek niet meer betwist. De rechtbank zal dan ook van dat bedrag als vaststaand tussen partijen uitgaan.

4.8. Met betrekking tot de bank- en spaartegoeden heeft de man gesteld dat het daarbij behorende bedrag niet EUR 113.052,00 maar EUR 73.840,00 bedraagt. De rechtbank constateert dat het door de vrouw genoemde bedrag blijkt uit het fiscaal rapport 2005 en het door de man genoemde bedrag uit het fiscaal rapport 2006. Nu de datum van eind 2006 het dichtst bij de datum van 14 oktober 2006 is gelegen en de vrouw het door de man bij zijn conclusie van antwoord genoemde bedrag niet meer bij conclusie van repliek heeft betwist, zal de rechtbank van dat bedrag uitgaan.

4.9. Verder heeft de man gesteld dat in de post bank- en spaartegoeden ook drie rekeningen zijn opgenomen die op naam van de kinderen van partijen staan ten bedrage van totaal EUR 17.476,00, welke tegoeden aan de kinderen dienen te verblijven. De vrouw heeft die stelling bij conclusie van repliek niet betwist, zodat de rechtbank van de juistheid daarvan uit zal gaan. Derhalve dient het bedrag van EUR 17.476,00 op het vermogen in mindering te worden gebracht.

4.10. De man heeft nog opgeworpen dat de vrouw mogelijk ergens nog beschikt over eigen vermogen. Voor zover de rechtbank hierin een stelling moet lezen, zal zij daaraan bij gebreke van enige substantiëring voorbij gaan.

4.11. Concluderend stelt de rechtbank het in aanmerking te nemen vermogen op EUR 55.656,53 + EUR 56.364,00 (EUR 73.840,00 minus EUR 17.476,00) + EUR 42.672,00 + EUR 69.592,00 = EUR 224.284,53.

4.12. Vervolgens zal de rechtbank ingaan op de stelling van de man dat zijn vermogen niet is gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden. De rechtbank merkt in dat verband op, dat gezien het bepaalde in artikel 2 van de huwelijkse voorwaarden, het niet van belang is of schenkingen en erfenissen al dan niet onder een uitsluitingclausule zijn verricht.

4.13. Tussen partijen is niet in geschil dat het vermogen van de man bij aanvang van het huwelijk ten bedrage van EUR 28.645,00 geen overgespaarde inkomsten betreft. Dit bedrag dient dan ook op het vermogen in mindering te worden gebracht.

4.14. De man heeft onder andere onweersproken gesteld, dat er sprake is van twee schuldigerkenningen uit vrijgevigheid van de moeder van de man (moeder) aan de man. Ter onderbouwing daarvan heeft de man verwezen naar de als producties V en VI bij de conclusie van antwoord overgelegde aktes van 20 december 2000 en 27 december 2001. De rechtbank constateert dat uit de akte van 20 december 2000 een schuldigerkenning uit vrijgevigheid van moeder van totaal EUR 57.501,67 (126.717,00 gulden) en een schenking van EUR 3.630,24 (8.000,00 gulden) in contanten aan de man blijkt. Verder blijkt uit de akte van 27 december 2001 een schuldigerkenning uit vrijgevigheid van moeder van EUR 38.780,96 (85.462,00 gulden). Derhalve betreft het totaal van die bedragen geen overgespaarde inkomsten. Het totaalbedrag van EUR 99.912,87 (EUR 57.501,67 + EUR 3.630,24 + EUR 38.780,96) dient dan ook op het vermogen in mindering te worden gebracht.

4.15. Verder heeft de man gesteld dat zijn vermogen enkel is ontstaan uit erfenissen en schenkingen. Onder andere zouden jaarlijks schenkingen zijn gedaan door de ouders van de man en na 1995 door de moeder van de man ten belope van de maximale fiscale vrijstelling. Deze schenkingen zouden zijn gedaan in contanten dan wel in de vorm van aandelen. De rechtbank stelt voorop dat gezien de op de man ter zake van de beweerde erfenissen en schenkingen rustende stelplicht de man in zijn conclusies door middel van stellingen duidelijk inzicht dient te geven in de gang van zaken daaromtrent en de volgens hem daarbij aan de orde zijnde bedragen. Daarbij dient de man te verwijzen naar specifieke producties die ter onderbouwing daarvan dienen. De rechtbank constateert, dat de man slechts summierlijk bedragen in zijn conclusies noemt en merendeels volstaat met vage aanduidingen als ‘maximale fiscale vrijstellingen’ en ‘aandelenpakketten’. Verder verwijst de man ter onderbouwing naar de als productie III bij de conclusie van antwoord overgelegde stukken, zonder daarbij aan te geven wat exact uit welk stuk zou moeten blijken.

4.16. De rechtbank kan met de nodige moeite het volgende uit de stellingen in combinatie met de inhoud van productie III afleiden.

Uit het bankafschrift van girorekening 3795158 van 7 januari 1998 blijkt een schenking van moeder aan de man ten bedrage van EUR 3.599,84 (7.933,00 gulden) op 5 januari 1998. Verder blijkt uit de brief van de ABN AMRO bank van 19 december 2005 een aankoop van aandelen ten gunste van de man in opdracht van moeder. In de brief zijn aantallen aandelen met daarbij genoemde bedragen opgenomen, waarbij de rechtbank volgens eigen berekening, nu de man een berekening achterwege heeft gelaten, komt op een bedrag van totaal EUR 114,51. Uit het afschrift van de ABN AMRO rekening nummer 54.04.72.123 van 30 december 2005 blijkt een schenking door moeder aan de man ten bedrage van EUR 220,00 op 23 december 2005. Uit het afschrift ABN AMRO rekening nummer 54.04.72.123 van 29 december 2006 blijkt een schenking van moeder aan de man van EUR 6.700,45 op 27 december 2006. Tenslotte blijkt uit de brief van 14 december 2001 van de ABN AMRO bank een schenking van moeder aan de man van 8.545,00 gulden en een betaling van 4100 gulden ter zake van rente in verband met een lening, derhalve totaal een bedrag omgerekend in euro’s van EUR 5.738,06.

Op grond van bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat uit productie III naar voren komt dat een gedeelte van het vermogen van de man ten bedrage van EUR 16.372,86 (3.599,84 + EUR 114,51 + EUR 220,00 + EUR 6.700,45 + EUR 5.738,06) niet afkomstig is uit overgespaarde inkomsten. Dit bedrag dient dan ook op het vermogen in mindering te worden gebracht.

4.17. De rechtbank overweegt dat productie III verder bankafschriften bevat van de ABN AMRO beleggingsrekening met een omschrijving overboeking met betrekking tot fondsen, waarbij aantallen en bedragen zijn aangegeven, echter waarbij niet duidelijk is, waar die overboekingen vandaan komen, dan wel op welke wijze de financiering daarvan heeft plaats gevonden.

Tevens treft de rechtbank in productie III depotoverzichten aan van het depot op naam van moeder. Het is de rechtbank niet duidelijk welke ter zake doende conclusies daaruit zouden moeten worden getrokken. Tevens bevinden zich in productie III zelf gemaakte overzichten van schenkingen die zouden zijn gestort op rekeningnummer 54.04.72.123 van de man. De rechtbank overweegt dat aan zodanige overzichten geen waarde kan worden gehecht. Daarbij is opvallend, dat met betrekking tot die schenkingen geen afschriften zijn overgelegd. Verder blijkt uit het afschrift van de ABN AMRO rekening 54.04.72.123 van de man nog een storting van EUR 45.000,00 afkomstig van rekening 62.61.52.217 van de man. Tevens blijkt uit dat afschrift dat per dezelfde datum een afboeking van een bedrag van EUR 45.000,00 onder naam aflossing heeft plaats gevonden naar rekening 45.84.93.651 van moeder, zijnde een effectendepot zoals blijkt uit de brief van ABN AMRO van 14 december 2001. Het is volstrekt onduidelijk, welke betekenis aan een en ander moet

worden gehecht. In ieder geval blijkt daaruit niet dat sprake is van een schenking van moeder aan de man.

De rechtbank overweegt dat de vrouw in haar conclusie van repliek uitvoerig is ingegaan op het ontbreken van inzicht in bedragen en geldstromen. Desondanks heeft de man in zijn conclusie van dupliek nagelaten daarin nader inzicht te verschaffen. De rechtbank is dan ook, onder verwijzing naar hetgeen onder 4.15 is overwogen, van oordeel dat de man met betrekking tot zijn stelling dat het vermogen niet is gevormd van overgespaarde inkomsten, voor zover die stelling de hiervoor genoemde bedragen overschrijdt, niet aan zijn stelplicht heeft voldaan. De rechtbank zal daar dan ook aan voorbij gaan.

4.18. Concluderend is naar het oordeel van de rechtbank komen vast te staan dat van het vermogen een gedeelte ten bedrage van EUR 144.930,73 (EUR 28.645 + EUR 16.372,86 + EUR 99.912,87) niet afkomstig is van overgespaarde inkomsten. Met betrekking tot het resterend vermogen is de rechtbank van oordeel dat de man het uit artikel 1:141, derde lid, BW voortvloeiende vermoeden niet heeft ontzenuwd. Derhalve dient het resterend vermogen ten bedrage van EUR 79.353,80 (EUR 224.284,53 minus 144.930,73) te worden beschouwd als te zijn gevormd uit overgespaarde inkomsten. De vrouw heeft conform de in de huwelijkse voorwaarden overeengekomen verrekening recht op de helft van dat bedrag, zijnde EUR 39.676,90.

De rechtbank zal de primaire vordering onder I sub b tot de hoogte van dat bedrag toewijzen.

4.19. De vrouw heeft nog betaling van de wettelijke rente over het toe te wijzen bedrag gevorderd vanaf 14 oktober 2006 althans vanaf een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen datum. De rechtbank overweegt, dat zolang niet is vastgesteld welk bedrag de man in het kader van de verrekening aan de vrouw dient te betalen, er geen sprake is van een vordering tot betaling van een geldsom ter zake waarvan de man in verzuim is. De rechtbank acht, gezien de omvang van het door de man te betalen bedrag, een termijn van 60 dagen na de datum van dit vonnis een redelijke termijn om aan het vonnis te voldoen. De rechtbank zal de wettelijke rente toewijzen vanaf 60 dagen na datum van dit vonnis.

4.20. De vrouw heeft tevens betaling gevorderd van de helft van de voor verrekening in aanmerking komende waarde van het perceel en de woning in eigendom bij de man.

De man heeft de vordering betwist. Hij heeft daaraan ten grondslag gelegd, dat de financiering van de woning niet heeft plaats gevonden door middel van overgespaarde inkomsten.

4.21. Allereerst merkt de rechtbank op dat in verband met een lening ten behoeve van de financiering van de woning betaalde rente dient te worden aangemerkt als kosten van gemeenschappelijke huishouding. De desbetreffende bedragen komen dus niet als onverteerd inkomen voor verrekening in aanmerking. De rechtbank zal eventueel betaalde rente dan ook buiten beschouwing laten. De rechtbank overweegt verder het volgende. Uit het als productie 8 bij de dagvaarding overgelegde kadastraal bericht blijkt dat het perceel is aangekocht voor een bedrag van EUR 93.000,00. Uit de opdrachtbevestiging (productie VII bij de conclusie van antwoord) blijkt dat de aanneemsom ter zake van de bouw van de woning EUR 148.613 (327.500,00 gulden) bedroeg. De man heeft nog gesteld dat uiteindelijk van het bedrag van 327.000,00 gulden slechts 282.500,00 gulden is betaald, vanwege lekkage in de kelder. Hij heeft die stelling echter op geen enkele wijze onderbouwd, zodat de rechtbank aan die stelling voorbij zal gaan. De rechtbank zal derhalve uitgaan van een totale aankoopsom ten bedrage van EUR 241.613,00 (EUR 93.000,00 + EUR 148.613,00).

Met betrekking tot de wijze van financiering van dat bedrag overweegt de rechtbank het volgende. Uit de als productie 7 bij dagvaarding overgelegde overeenkomst van schenking blijkt een schenking van EUR 29.495,71 (65.000 gulden) van moeder aan de man ten behoeve van de aankoop van het perceel. Uit de als productie IV bij de conclusie van antwoord overgelegde schuldbekentenissen blijkt van een lening van moeder aan de man van 90.000,00 gulden en 50.000,00 gulden, derhalve totaal EUR 63.529,00. Dit bedrag komt ook terug als lening bij moeder onder schulden eigen woning in het fiscaal jaarrapport 2005 (productie 5 bij de dagvaarding). Uit het fiscaal jaarrapport 2005 blijkt dat het bedrag aan leningen ten behoeve van de woning (inclusief de lening van EUR 63.529,00) totaal EUR 255.551 beloopt. Derhalve was totaal ten behoeve van de financiering van het perceel en de woning EUR 285.046,71 (EUR 29.495,71 + EUR 255.551) beschikbaar en dus EUR 43.433,71 (EUR 285.046,71 minus 241.613,00) meer dan nodig voor het aankoopbedrag.

Uit het fiscaal jaarrapport 2006 (productie 6 bij dagvaarding) blijkt dat de lening bij moeder met een bedrag van EUR 40.841,00 (EUR 63.529,00 minus EUR 22.688,00) is afgenomen. De rechtbank gaat ervan uit, dat deze afname is gefinancierd door middel van het overschot van EUR 43.433,71.

Op grond van bovenstaande is de rechtbank van oordeel, dat de financiering van het perceel en de woning alsmede de vermindering van de schuld aan moeder niet heeft plaats gevonden door middel van overgespaarde inkomsten, zodat in verband met de woning geen verplichting tot verrekening bestaat.

De rechtbank zal de vordering onder II subsidiair afwijzen.

4.22. Hiervoor heeft de rechtbank het te verrekenen vermogen vastgesteld, alsmede geoordeeld, dat er geen verrekenplicht bestaat in verband met de woning. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen, dat de man, voor zover hij geen duidelijkheid heeft verschaft, het uit artikel 1:141, derde lid, BW voortvloeiende vermoeden niet heeft ontzenuwd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de vrouw geen belang meer heeft bij haar vorderingen onder I sub a primair en II sub a primair. De rechtbank zal die vorderingen afwijzen.

4.23. Met betrekking tot de door de vrouw bij huwelijk aangebrachte goederen zoals gespecificeerd op de bij de huwelijkse voorwaarden gevoegde lijst van aanbreng heeft de vrouw primair gevorderd dat de man aan haar de nominale waarde van de goederen betaalt en subsidiair afgifte van die goederen gevorderd.

De man wenst de betreffende goederen te verrekenen met de auto merk Daihatsu die nog in het bezit van de vrouw is.

Voor zover partijen bedoeld hebben te stellen dat de auto haar of zijn eigendom is, gaat de rechtbank aan die stelling bij gebreke van enige onderbouwing voorbij. Derhalve dient de auto ingevolge het bepaalde in artikel 7 van de huwelijkse voorwaarden geacht te worden aan ieder der partijen voor de helft toe te behoren.

Hoewel partijen daar in hun conclusies tot en met dupliek ruim de gelegenheid toe hebben gehad, heeft geen van beiden enige indicatie gegeven omtrent de waarde die gezien de ouderdom en de staat van de goederen per 14 oktober 2006, waarover evenmin opheldering is verschaft, moet worden toegekend. Voor zover de vrouw met de ‘nominale’ waarde doelt op de waarde zoals die op de lijst van aanbreng is aangegeven is dat niet realistisch, aangezien tussen de datum van aanbreng en de peildatum 18 jaar zijn verstreken en de ouderdom van die goederen evenredig is toegenomen. Evenzeer is de rechtbank door beide partijen in het ongewisse gelaten over kenmerken van de auto, behoudens het merk, die enig aanknopingspunt met betrekking tot de daaraan toe te kennen waarde per oktober 2006 zouden kunnen bieden. Weliswaar is aangegeven, dat de auto in 2006 is gekocht. Echter daarbij is niet vermeld of het toen een nieuwe of een tweedehands auto betrof alsmede wat de staat van de auto per oktober 2006 was.

De man heeft voorgesteld de goederen tegen de auto uit te ruilen. In dat verband heeft hij gesteld, dat de vrouw de waarde van de goederen reeds heeft verkregen doordat zij de auto heeft behouden. De vrouw heeft die stelling niet betwist noch daar een eigen stelling tegenover gezet. De vrouw heeft aangegeven, dat de man eerst zijn standpunt moet ophelderen. De rechtbank ziet echter niet in dat een eventueel onhelder standpunt van de man in de weg zou staan aan het verwoorden van een eigen visie door de vrouw.

Op grond van bovenstaande zal de rechtbank, ervan uitgaande dat de betreffende goederen in gebruik bij de man blijven en de auto bij de vrouw, de primaire vordering onder III van de vrouw tot betaling van het nominale bedrag en de subsidiaire vordering onder III tot afgifte van de goederen afwijzen.

4.24. De vrouw heeft nog verdeling gevraagd van de aanspraken op ouderdomspensioen. De rechtbank overweegt dat tussen partijen niet in geschil is dat de pensioenrechten van partijen verevend dienen te worden volgens de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (WPV). Die pensioenrechten vallen niet in enige gemeenschap, zodat die rechten niet voor verdeling in aanmerking komen. Partijen kunnen zich ingevolge artikel 2, tweede lid, van de WPV in verband met hun aanspraken zelfstandig tot de betreffende uitvoeringsorganen wenden.

De rechtbank zal de vordering dan ook afwijzen.

4.25. De man heeft naar aanleiding van het verzoek van de vrouw bij conclusie van dupliek als productie X de verzekeringspolis bij de Nationale Nederlanden overgelegd. Tevens heeft hij gesteld, dat de AXA-polis ten name van de vrouw zelf staat en niet in het bezit is van de man. Op de rol van 27 januari 2010 is de zaak verwezen naar de rol van 24 februari 2010 teneinde de vrouw in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over de bij dupliek in het geding gebrachte productie. De vrouw heeft bij akte uitlating noch op de overgelegde productie nog op genoemde stelling gereageerd. De rechtbank zal de polissen dan ook verder buiten beschouwing laten. Voor zover de vrouw in de akte uitlating buiten de begrenzing van de reden van verwijzing is getreden, zal de rechtbank daar niet meer op ingaan.

4.26. Gelet op het feit dat partijen ex-echtgenoten zijn en het geschil uit die relatie is voortgevloeid zal de rechtbank de proceskosten aldus compenseren dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. veroordeelt de man om aan de vrouw te betalen een bedrag van EUR 39.676,90 (negenendertigduizendzeshonderdzesenzeventig euro en negentig cent) binnen 60 dagen na datum van dit vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 60 dagen na de datum van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening,

5.2. compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.4. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.C.M. Bomans en in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2010.?