Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2010:BN1030

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
07-07-2010
Datum publicatie
13-07-2010
Zaaknummer
04/650025-09 04/856062-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Opiumwet: langdurige handel in cocaïne, export hasjiesj naar Duitsland, hennepkwekerij in België, witwassen en deelname aan criminele Opiumwetorganisatie. Gevangenisstraf 24 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector strafrecht

Parketnummers: 04/650025-09; 04/856062-10

Datum uitspraak: 7 juli 2010

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Roermond, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboortedatum],

wonende te [adres].

1.Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting

van 23 juni 2010.

2.De tenlastelegging

De verdachte staat, na voeging van de zaken met de parketnummers 04/650025-09 en 04/856062-10, terecht ter zake dat:

ten aanzien van parketnummer 04/650025-09:

1.

hij in of omstreeks de periode van 01 mei 2007 tot en met 06 mei 2009 in de gemeente Venlo tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a

van die wet;

(artikel 2 Opiumwet)

2.

hij in of omstreeks de periode van 01 januari 2009 tot en met 06 mei 2009 in de gemeente Venlo tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep en/of een hoeveelheid van meer dan 30 gram hasjiesj, zijnde hennep en/of hasjiesj (telkens) (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst

II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

(artikel 3 Opiumwet)

3.

hij op of omstreeks 09 februari 2009 in de gemeente Venlo tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

(artikel 2 Opiumwet)

4.

hij op of omstreeks 14 maart 2009 in de gemeente Venlo tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, een hoeveelheid van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

(artikel 3 Opiumwet)

ten aanzien van parketnummer 04/856062-10:

1.

hij in of omstreeks de periode van 15 januari 2009 tot en met 06 mei 2009 in de gemeente Venlo, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, bestaande uit een of meer ander(en), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 11, derde, vierde en/of vijfde lid, namelijk het (meermalen) (telkens) opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van

Nederland brengen en/of het verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of het aanwezig hebben van middelen of een middel als bedoeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

(artikel 11a Opiumwet)

2.

hij in of omstreeks de periode van 01 juni 2006 tot en met 06 mei 2009 in de gemeente Venlo, althans in Nederland, een voorwerp, te weten (een) hoeveelhe(i)d(en) geld (afkomstig uit de handel in verdovende middelen), heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten (een) hoeveelhe(i)d(en) geld (afkomstig uit de handel in verdovende middelen), gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist dat dat geld - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

(artikel 420bis Wetboek van Strafrecht)

3.

hij in of omstreeks de periode van 15 januari 2009 tot en met 06 mei 2009 in de gemeente Venlo en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet en/of buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, een hoeveelheid hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij die wet

behorende lijst II.

(artikel 3 Opiumwet)

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3.De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4.De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5.De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

6.Schorsing der vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7.Bewijsoverwegingen

7.1.Standpunten van de officier van justitie en de verdediging.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 23 juni 2010 gevorderd dat het onder parketnummer 04/650025-09 onder 1, 2, 3 en 4 en het onder parketnummer 04/856062-10 onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde zal worden bewezen verklaard.

Daartoe heeft de officier van justitie ten aanzien van het onder parketnummer 04/650025-09 onder 1 ten laste gelegde aangevoerd dat verdachte samen met zijn mededader in de ten laste gelegde periode cocaïne heeft verkocht aan [naam 1], [naam 2] en [medeverdachte 1]. Het onder 2 ten laste gelegde heeft betrekking op de verkoop van hennep en hasjiesj aan [naam 3], de hennepplantage aan de [adres] te Reuver en het aanwezig hebben van hasjiesj en hennep in de woning van verdachte op 6 mei 2009. Het onder feit 3 ten laste gelegde betreft de uitvoer van cocaïne naar Duitsland samen met [naam 1] op 9 februari 2009. Het onder 4 ten laste gelegde heeft betrekking op de uitvoer van hasjiesj naar Duitsland samen met [naam 3] op 14 maart 2009.

Het onder parketnummer 04/856062-10 onder 1 ten laste gelegde heeft volgens de officier van justitie betrekking op een criminele organisatie die verdachte heeft gevormd samen met [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4]. Feit 2 betreft het witwassen van de winsten die verdachte uit de handel in verdovende middelen heeft verkregen en weer heeft gebruikt. Met betrekking tot de periode gedurende welke dit witwassen heeft plaatsgevonden heeft de officier van justitie gesteld dat bewezen kan worden dat verdachte zich hieraan heeft schuldig gemaakt gedurende de periode van 1 juli 2007 tot en met 6 mei 2009. Het onder 3 ten laste gelegde heeft voorts betrekking op de uit- en invoer van hennep van Nederland naar de hennepplantage te Maasmechelen in België respectievelijk van Maasmechelen naar Nederland.

De verdediging heeft zich ten aanzien van het onder parketnummer 04/650025-09 onder 1 ten laste gelegde op het standpunt gesteld dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte cocaïne heeft verkocht aan [naam 1], [naam 2] en [medeverdachte 1], met dien verstande dat de frequentie van de verkoophandelingen en de hoeveelheid beperkter is geweest dan door het Openbaar Ministerie is aangegeven. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman gesteld dat alleen de verkoop van hasjiesj aan [naam 3] bewezen kan worden verklaard. Ook het onder 3 en 4 ten laste gelegde kan als medeplegen worden bewezen verklaard.

Met betrekking tot parketnummer 04/856062-10 heeft de raadsman aangevoerd dat de onder 1 ten laste gelegde criminele organisatie geen betrekking kan hebben op hetgeen onder parketnummer 04/650025-09 onder 4 reeds is ten laste gelegd, doch slechts op de hennepkwekerij te Maasmechelen. Het onder feit 2 ten laste gelegde witwassen kan wellicht worden bewezen verklaard, maar het afzonderlijk ten laste leggen van het verkopen van middelen en het voorhanden hebben van daarvoor ontvangen gelden voegt inhoudelijk niet veel toe aan het strafproces. Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde kan uit de bewijsmiddelen blijken dat de oogst van gedroogde henneptoppen in Nederland is ingevoerd, echter is niet duidelijk of verdachte zich daadwerkelijk heeft bemoeid met de verdere verhandeling van die hoeveelheid, aldus de raadsman.

7.2.Bewijsmiddelen en overwegingen van de rechtbank

De overtuiging van de rechtbank dat de verdachte het onder parketnummer 04/650025-09 onder 1, 2, 3 en 4 en het onder parketnummer 04/856062-10 onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen.

De hieronder vermelde bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit, waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

De genoemde geschriften zijn slechts gebruikt in verband met de inhoud van de overige bewijsmiddelen.

Ten aanzien van het onder parketnummer 04/650025-09 onder 1 en het onder parketnummer 04/856062-10 onder 2 ten laste gelegde.

[naam 1] verklaart dat zij op 9 februari 2009 5 gram cocaïne had gekocht bij [verdachte] voor € 225. Verder verklaart zij dat zij [verdachte] en [naam 4] al ongeveer 10 jaar kent. Op 9 februari 2009 is zij rechtstreeks naar [verdachte] in Venlo gereden. Daar is zij ongeveer een uur geweest. Daarna is zij terug gereden richting Duitsland. Hierna is zij aangehouden in Duitsland met vijf bolletjes cocaïne van elk één gram. Daarna heeft zij [naam 4] gebeld over haar aanhouding.

Zij verklaart voorts dat zij gedurende een langere periode verdovende middelen kocht. Zij heeft haar cocaïne altijd bij [verdachte] thuis opgehaald. Zij stuurde een sms nadat zij bij [verdachte] en [naam 4] verdovende middelen had gekocht. Zij deed dit om te laten weten dat zij niet door de politie was aangehouden. Reeds in 2007 stuurde zij haar kennis [naam 2] naar [verdachte] om verdovende middelen te kopen. Zij gaf dan aan [naam 2] geld mee voor de aankoop van de verdovende middelen. In het algemeen betaalde zij € 45 per gram voor de cocaïne.

[naam 2] verklaart dat hij [verdachte], [naam 4] en [naam 1] kent, dat hij telefonisch contact met [verdachte] had over de koop van verdovende middelen en dat hij alleen maar cocaïne bij [verdachte] kocht, gemiddeld 1 keer per maand 5 gram. In het begin kocht hij telkens 2 à 3 gram, maar vanaf de zomer van 2008 werd dat 5 gram. In 2007 is hij zo’n 4 of 5 keer bij [verdachte] geweest en heeft hij 2 à 3 gram gekocht. In deze periode heeft hij 8 à 15 gram gekocht. Vanaf de zomer van 2008 is hij 3 of 4 keer bij [verdachte] geweest en in deze periode heeft hij 15 à 20 gram gekocht. De verkoop vond altijd plaats in de woning van [verdachte].

[medeverdachte 1] verklaart dat hij midden 2007 is begonnen met het verkopen van cocaïne. Hij kocht altijd 10 gram cocaïne en sporadisch 20 of 30 gram van [verdachte]. De verkoop door [verdachte] vond altijd plaats in de woning van [verdachte] aan de [adres] te Venlo. Hij betaalde € 45 per gram .

Voorts verklaart hij dat hij ongeveer 2 jaar cocaïne heeft verkocht en dat hij, als hij cocaïne had verkocht, bij [verdachte] weer nieuwe ging halen en hij dan [verdachte] betaalde wat hij hem nog schuldig was. Voor 10 gram was dat dan € 450.

Verdachte heeft verklaard dat hij in de periode van 1 mei 2007 tot en met 6 mei 2009 vanuit zijn woning te Venlo cocaïne heeft verkocht aan [naam 1], [naam 2] en [medeverdachte 1].

Ten aanzien van het onder parketnummer 04/650025-09 onder 2 en 4 en het onder parketnummer 04/856062-10 onder 2 ten laste gelegde.

Tussen 27 januari 2009 en 9 mei 2009 worden in het Duits gevoerde telefoongesprekken/sms-en onderschept tussen [verdachte] en het Duitse telefoonnummer [telefoonnummer], dat in gebruik is bij iemand genaamd [naam 3], en het Duitse telefoonnummer [telefoonnummer], dat is afgegeven aan [naam 3]. In deze gesprekken worden afspraken gemaakt om elkaar te ontmoeten. Uit stemvergelijking blijkt dat de stemmen bij nummer [telefoonnummer] en nummer [telefoonnummer] identiek zijn.

Op 13 maart 2009 wordt [verdachte] gebeld door [naam 3]. Er wordt gezegd dat het vorige keer goed gelukt is en er wordt gevraagd of het nog een keer gedaan kan worden. Er wordt een afspraak gemaakt voor 14 maart 2009 om 12.00 uur aan een tankstation.

Naar aanleiding hiervan wordt [verdachte] geobserveerd. Op 14 maart 2009 wordt [verdachte] in zijn auto, [merk auto], bij het tankstation te Kessel gezien. Bij het tankstation staat een [merk auto], voorzien van het Duitse kenteken [kenteken] ten name van [naam 3]. Om 11.55 uur rijden de auto van [verdachte] en de auto van [naam 3] naar de achterkant van het gebouw van het tankstation. Omstreeks 12.02 uur rijdt de [merk auto] weg richting Venlo. Even later rijdt de [merk auto] ook weg in de tegenovergestelde richting. De Volkswagen wordt gevolgd en omstreeks 12.20 uur wordt de auto tot stilstand gedwongen. [naam 3] wordt aangehouden en in zijn auto wordt een zwart/bruine op hasjiesj gelijkende substantie aangetroffen . Na een ODV-test blijkt het te gaan om 1005 gram hasjiesj .

[naam 3] verklaart dat de telefoongesprekken tussen hem en [verdachte] werden gevoerd en dat deze betrekking hadden op een verdovende middelentransactie.

Voorts verklaart hij dat hij van [verdachte] een brok hasjiesj had gekregen om deze uit te proberen. Zijn klanten waren echter niet tevreden over de kwaliteit. Daarover heeft hij een sms naar [verdachte] gestuurd. Op 27 februari 2009 hebben zij een afspraak gemaakt voor 28 maart 2009 bij McDonalds te Kessel. Daar heeft hij van [verdachte] 50 gram hasjiesj gekregen. Hij hoefde daar niet voor te betalen. Dit was in verband met de slechte kwaliteit die hij had geleverd.

Op 2 maart 2009 hebben zij een afspraak gemaakt voor 3 maart bij McDonalds te Kessel Daar heeft hij omstreeks 10.00 uur een ontmoeting gehad met [verdachte] en heeft hij van hem 1,5 kilo hasjiesj gekocht Hij betaalde daarvoor 3500 euro.

De op 14 maart 2009 in zijn auto aangetroffen 1 kilo hasjiesj heeft hij gekocht van [verdachte] en daarvoor heeft hij 2200 euro betaald. Hij was op 14 maart 2009 vanuit Würselen in Duitsland naar Kessel in Nederland gereden, waar hij de hasjiesj van [verdachte] heeft gekocht. [naam 3] zegt voorts dat hij weet dat het strafbaar is om hasjiesj voorhanden te hebben en hasjiesj uit te voeren naar Duitsland. Hij heeft de hasjiesj gekocht om het te verdelen onder zijn vrienden.

Verdachte heeft verklaard dat hij in de periode van 1 januari 2009 tot en met 6 mei 2009 in Venlo telefonisch afspraken heeft gemaakt met [naam 3] over de verkoop en levering van hasjiesj. Hij heeft op 14 maart 2010 aan [naam 3] 1005 gram hasjiesj verkocht. Ook heeft hij op 3 maart 2009 1,5 kilogram hasjiesj aan [naam 3] verkocht en heeft hij hem op 28 maart 2009 50 gram hasjiesj gegeven.

Bewijsoverweging van de rechtbank

Ten aanzien van het onder parketnummer 04/650025-09 onder 4 ten laste gelegde overweegt de rechtbank als volgt. Verdachte voert telefoongesprekken met de Duits sprekende [naam 3], aan wie hij al eerder hasjiesj heeft geleverd, en spreekt met hem af dat hij hasjiesj aan hem zal verkopen. Zij spreken af bij een tankstation te Kessel. Op 14 maart 2009 vertrekt [naam 3] vanuit Würselen in Duitsland naar Nederland en heeft verdachte vervolgens een ontmoeting met [naam 3], die in het bezit is van een personenauto met een Duits kenteken. [naam 3] zegt voorts dat hij weet dat het strafbaar is om hasjiesj uit te voeren naar Duitsland. Hij heeft de hasjiesj gekocht om het te verdelen onder zijn vrienden.

De rechtbank leidt hieruit af dat de door verdachte aan [naam 3] verkochte hasjiesj bestemd was voor Duitsland, dat [naam 3] met die hasjiesj op weg was naar Duitsland en dat verdachte dit ook wist. Dat de hasjiesj Duitsland niet daadwerkelijk heeft bereikt, doet niet af aan de omstandigheid dat verdachte samen met [naam 3] de hasjiesj naar Duitsland heeft gebracht, immers ingevolge het bepaalde in artikel 1, vijfde lid van de Opiumwet is onder buiten het grondgebied van Nederland van artikel bedoeld in artikel 3 van de opiumwet is begrepen het met bestemming naar het buitenland vervoeren, ten vervoer aannemen of ten vervoer aanbieden van de middelen.

Ten aanzien van het onder parketnummer 04/650025-09 onder 3 en het onder parketnummer 04/856062-10 onder 2 ten laste gelegde.

Tussen 7 februari 2009 en 11 februari 2009 wordt een aantal in het Duits gevoerde telefoongesprekken onderschept tussen [verdachte], diens vrouw [naa[naam 4] en het Duits telefoonnummer [telefoonnummer], dat is afgegeven aan [naam 1] .

Op 9 februari 2009 zegt [verdachte] dat hij thuis is en [naam 1] zegt dan dat zij zo vertrekt. Bij observaties wordt een [merk auto], met het Duitse kenteken [kenteken], die op naam staat van [naam 1], te Venlo gezien. De auto wordt geparkeerd om 12.38 uur in de [adres]. Een vrouw stapt uit en loopt via een poortje naar de achtertuin van de het perceel [adres], de woning van [verdachte]. Om 13.30 uur verlaat de vrouw de woning weer en loopt naar de auto. Zij stapt in en rijdt over de [adres] richting Duitse grens. Zij stopt eerst bij een tankstation voor de grens en daarna rijdt zij de grens over. Even later wordt zij vlak over de grens door de Duitse politie gecontroleerd en dan worden bij haar vijf bolletjes van 1 gram cocaïne aangetroffen. De vrouw blijkt [naam 1] te zijn.

Later die dag belt [naam 1] naar [naam 4] . [naam 4] stuurt een sms-bericht naar [verdachte] met de mededeling dat [naam 1] net gebeld heeft en dat zij mee moest naar het ziekenhuis . Later wordt [verdachte] gebeld en dan vertelt [naam 1] dat het een gerichte actie was en dat zij met haar naar het ziekenhuis zijn geweest en dat ze haar hebben onderzocht. Op 11 februari 2009 belt [naam 1] weer met [verdachte] en zegt dat ze hadden gedacht dat ze een voltreffer hadden. [verdachte] zegt dan dat als het voor eigen gebruik is ze helemaal niets kunnen maken. [verdachte] zegt dat je het weliswaar niet mag hebben maar…

De aangetroffen verdovende middelen worden door de Duitse politie onderzocht via de ESA-Vortest en hierbij wordt een positief resultaat vastgesteld. Het nettogewicht van de cocaïne bedraagt 4,90 gram.

[naam 1] heeft verklaard dat zij op 9 februari 2009 rechtstreeks naar [verdachte] in Venlo is gereden. Daar is zij ongeveer een uur geweest, waarna zij is teruggereden richting Duitsland. Hierna is zij in Duitsland aangehouden met vijf bolletjes cocaïne van elk één gram. Aan de verbalisanten vertelt zij vervolgens dat zij de 5 gram cocaïne op 9 februari 2009 had gekocht bij [verdachte] voor € 225. In het algemeen betaalde zij € 45 per gram voor de cocaïne. Zij verkocht de cocaïne in Duitsland, maar gebruikte ook zelf. Zij had haar cocaïne altijd bij [verdachte] gehaald.

Verder verklaart zij dat zij [verdachte] en [naam 4] al ongeveer 10 jaar kent. Zij heeft haar cocaïne altijd bij [verdachte] thuis opgehaald. Zij stuurde een sms nadat zij bij [verdachte] en [naam 4] verdovende middelen had gekocht. Zij deed dit om te laten weten dat zij niet door de politie was aangehouden.

Verdachte heeft verklaard dat hij op 9 februari 2009 5 gram cocaïne aan [naam 1] heeft verkocht.

Bewijsoverweging van de rechtbank

Ten aanzien van de onder parketnummer 04/650025-09 onder 3 ten laste gelegde uitvoer van de cocaïne overweegt de rechtbank als volgt.

[naam 1] heeft verklaard dat zij [verdachte] en [naam 4] al ongeveer 10 jaar kent en dat zij haar cocaïne altijd bij [verdachte] thuis heeft opgehaald. Zij stuurde een sms nadat zij bij [verdachte] en [naam 4] verdovende middelen had gekocht. Zij deed dit dan om te laten weten dat zij niet door de politie was aangehouden. Op 9 februari 2009 is zij rechtstreeks naar [verdachte] in Venlo gereden. Daar is zij ongeveer een uur geweest. Daarna is zij terug gereden richting Duitsland. Later stuurt zij een sms-bericht naar [naam 4]. [naam 4] stuurt daarop een sms-bericht naar [verdachte] met de mededeling dat [naam 1] net gebeld heeft en dat zij mee moest naar het ziekenhuis.

De rechtbank leidt uit deze gang van zaken af dat verdachte wist dat de cocaïne bestemd was voor Duitsland en dat [naam 1] met die cocaïne op weg was naar Duitsland. De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte de cocaïne samen met [naam 1] buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht.

Ten aanzien van het onder parketnummer 04/856062-10 onder 1, 2 en onder 3 ten laste gelegde:

De rechtbank stelt voorop dat op 6 mei 2009 door de gerechtelijke politie te Tongeren aan de [adres] te Maasmechelen een hennepkwekerij wordt aangetroffen.

Van deze hennepplantage werden in totaal 30 planten met voedingsbodem als stalen inbeslaggenomen. Deze staalnames werden ter neergelegd ter Griffie van de Correctionele Rechtbank te Tongeren onder het OS-nummer: 20091956.

Het overtuigingsstuk 20091956 werd onderworpen aan een drugsanalyse. De plantenresten verspreiden de typische cannabisgeur. Het chromatografisch onderzoek wijst op de aanwezigheid van cannabisbestanddelen.

Op 5 maart 2009 te 15.59 uur wordt [verdachte] gebeld door [medeverdachte 3]. Deze zegt dat hij vandaag naar België moet. [verdachte] vraagt of er problemen zijn. [medeverdachte 3] zegt dat hij iets moet controleren omdat iets niet klopt. [verdachte] vraagt of [medeverdachte 4] hem gebeld heeft waarop de man dit bevestigt.

Op 30 maart 2009 te 12.05 uur wordt [verdachte] gebeld door [medeverdachte 3]. Deze vraagt of het afval gedeponeerd kan worden bij [naam 5] en zegt dat als hij handel bij hem koopt, hij dat ook kan teruggeven. Om 15.45 uur stuurt [verdachte] een sms-bericht naar [naam 5], de eigenaar van een growshop in Oostrum en vraagt of hij 214 slabs (de rechtbank begrijpt dat daarmee stroken steenwol waarin plantjes worden gepoot, bedoeld worden), van 133 cm kan krijgen. Om 17.54 uur wordt [verdachte] door [medeverdachte 3] gebeld. Deze vraagt aan [verdachte] of hij voor morgen 9 kan komen. [verdachte] zegt dat dit wel gaat. [medeverdachte 3] zegt tegen [verdachte] dat hij 3000 nodig heeft.

Op 31 maart 2009 te 20.32 uur wordt [verdachte] gebeld door [medeverdachte 3] en later komt ook [medeverdachte 4] aan de telefoon. [medeverdachte 3] zegt tegen [verdachte] dat het volgens hem allemaal donderdag moet worden. Hierna komt [medeverdachte 4] aan de telefoon en zegt dat hij vandaag bij de jongen was om een busje te huren. [verdachte] vraagt of [medeverdachte 4] het donderdag wil doen en [medeverdachte 4] zegt ja en dat hij rond twee uur bij Oostrum die spullen komt halen en naar Belgie gaat afleveren. [medeverdachte 4] zegt dat hij dan met het afval terugkomt. [verdachte] zegt dat het goed is en hij het regelt. [medeverdachte 4] vraagt of [verdachte] borg heeft.

Op 2 april 2009 zien verbalisanten een witte bestelbus, merk [merk auto], kenteken [kenteken ], met daarop de tekst “Sterverhuur” het terrein van perceel [adres] te Oostrum, waar de growshop [naam] van [naam 5], oprijden. Enige tijd later rijdt de bestelbus weg en wordt gezien dat [medeverdachte 4] als bestuurder optreedt. De bestelbus is redelijk vol beladen met een soort potgrondzakken. [medeverdachte 4] is de huurder van de bestelbus . [medeverdachte 4] rijdt vervolgens weg met de bestelbus en op 2 april 2009 omstreeks 13.58 uur passeert hij de Nederlands/Belgische grens. Om 14.17 uur rijdt het bestelbusje een smal steegje tussen de percelen [adres] te Maasmechelen in. Om 15.14 uur rijdt het bestelbusje met daarin een aantal blauwe plastic zakken weer naar Nederland. In Venlo worden vervolgens goederen gedeponeerd door een opening van een muur van een pand aan de achterzijde van de [adres]. Daarna rijdt de bestelbus met de blauwe zakken naar het bedrijventerrein aan de [adres] te Venlo-Blerick, waar goederen in een container worden gegooid. Vervolgens rijdt de bestelbus verder en stopt in de [adres] . Daar wordt geconstateerd dat de bestelbus leeg is.

Op 2 april 2009 te 15.43 uur belt [verdachte] naar [medeverdachte 3]. [verdachte] zegt dat [naam 6] straks blokken meeneemt. [verdachte] vraagt of [medeverdachte 3] daar morgen weer heen gaat. [medeverdachte 3] bevestigt dat en zegt dat [medeverdachte 4] hem morgen om tien uur op komt halen. [verdachte] zegt dat hij morgen voor die tijd nog wel langs komt en dat hij dan geld mee zal nemen omdat het alarm betaald moet worden. [medeverdachte 3] zegt dat [verdachte] vijfhonderd extra mee moet nemen.

Op 3 april 2009 te 15.57 uur belt [verdachte] naar [medeverdachte 3] en vraagt of [medeverdachte 4] morgenvroeg om 09.00 uur in Venray kan zijn. [medeverdachte 3] zegt dat hij denkt van wel en vraagt op welk adres. [verdachte] zegt dan dat hij in Venray bij het station moet zijn. Hij moet om negen uur met [medeverdachte 4] naar het station gaan en van het station even een stukje naar [naam 5]. [medeverdachte 3] vraagt of hij even kan kijken en als alles goed is dan wordt het negen uur morgen vroeg. Om 16.02 uur belt [verdachte] naar [medeverdachte 3] en zegt dat hij het gezien heeft en dat het mooi was. [medeverdachte 3] zegt dan dat als hij het garandeert, het prima is. [verdachte] zegt dat hij nog gevraagd had of ze allemaal zo waren en hij had gezegd 100%. [verdachte] zegt dat de jongen buiten staat op de weg. [verdachte] zegt dat alles geregeld is en dat hij morgen even zal betalen aan [naam 5]. [medeverdachte 3] zegt dat er pas betaald mag worden als alles goed is.

Op 4 april 2009 om 09.06 uur wordt [verdachte] gebeld door John. Deze vraagt of [verdachte] weet of ze er zijn. [verdachte] vraagt of ze er nog niet zijn. John vraagt of het Turken of zo zijn. [verdachte] zegt dat er één Turk bij is. John vraagt of hij een groene Combo heeft. [verdachte] zegt ja. John zegt dat hij ze dan ziet staan. Op 4 april te 14.21 uur stuurt [verdachte] een sms-bericht naar [medeverdachte 3] met de inhoud: “Waar ben je”. Om 14.32 uur ontvangt hij een sms-bericht van [medeverdachte 3], met als inhoud: “B”.

Op 5 april 2009 om 18.23 uur wordt [verdachte] gebeld door [medeverdachte 3] en deze zegt dat er 400 kapot zijn. [medeverdachte 3] vraagt aan [verdachte] hoe het nu allemaal geregeld wordt. [verdachte] zegt dat hij het dadelijk probeert en anders morgenvroeg en belooft dat het allemaal goed komt.

Op 6 april 2009 om 09.11 uur wordt [verdachte] door [medeverdachte 3] gebeld die zegt dat [medeverdachte 4] foto’s heeft gemaakt en heeft gefilmd. Volgens [medeverdachte 4] zijn er 300 tot 350 kapot. [verdachte] zegt dat hij wat moet gaan regelen en dat hij zo meteen naar [naam 5] rijdt.

[medeverdachte 3] heeft verklaard dat hij een hennepkwekerij heeft ingericht in België. Hij was benaderd door [medeverdachte 4] die vroeg of hij wilde meehelpen. Hij heeft meegeholpen omdat hij geld nodig had. Omdat er geen geld was voor het bouwen van de kwekerij werd hem gevraagd of hij iemand wist die dit geld wilde investeren in de te bouwen hennepkwekerij. Hij heeft daarop met [verdachte] gesproken en die wist wel iemand die de inrichting van de hennepkwekerij wilde financieren. [medeverdachte 3] bemiddelde tussen [verdachte] en personen in België. Bij de bouw heeft hij hulp gekregen van [medeverdachte 4]. Hij moest naar de hennepkwekerij in Maasmechelen om de kwaliteit van de planten te bekijken. De materialen voor de kwekerij kwamen van de growshop in Oostrum .

Hij haalde regelmatig spullen, zoals een pvc-buis, hout, schroeven en goten bij de Gamma of de Formido. Hij kreeg van [verdachte] geld als hij deze materialen ging halen. Voor de kwekerij in Maasmechelen heeft hij ongeveer € 10.000 aan materiaal gekocht. [verdachte] heeft hem dit geld altijd in goed vertrouwen gegeven. Als hij weer materiaal nodig had kon hij aan [verdachte] geld vragen. Specifieke materialen voor een hennepkwekerij, zoals lampen, transformatoren, filters en dergelijke hoefde hij niet te kopen. [verdachte] en [medeverdachte 4] kochten die goederen. [medeverdachte 4] was verantwoordelijk voor de elektriciteit in de hennepkwekerij in Maasmechelen en hij voor het mechanische gedeelte.

[medeverdachte 3] heeft voorts verklaard dat in maart 2009 een oogst in de hennepkwekerij in Maasmechelen was mislukt. Meer dan de helft van de oogst was kapot gegaan. [verdachte] heeft hem gevraagd de hennep op te gaan halen in Maasmechelen. Hij is met de witte bestelbus van [verdachte] naar Maasmechelen gereden en heeft de dozen met de natte hennep in de auto gezet. Het zou kunnen dat het gewicht van de natte hennep tussen de 46 en 47 kilogram was. Vervolgens is hij teruggereden en heeft hij de auto bij de woning van [verdachte] geparkeerd. [verdachte] is naar hem toegekomen en hij heeft de sleutels van de auto aan [verdachte] overhandigd.

[medeverdachte 4] heeft bij de politie verklaard dat hij met een gehuurde bus afval van de hennepplantage in Maasmechelen heeft weggegooid. Hij is daarvoor van Maasmechelen eerst naar de growshop te Oostrum gereden. Daar aangekomen namen ze het afval niet af, waarop hij naar het containerpark te Blerick is gereden en daar heeft weggegooid. Dit was in opdracht van [naam 8] en [medeverdachte 3]. Ik heb hierover drie keer met [verdachte] gebeld en ik heb met hem hieromtrent afspraken gemaakt.

Blijkens het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 4] is hij op 3 april 2009 met zijn [merk auto] [medeverdachte 3] bij hem thuis gaan ophalen. [medeverdachte 3] legde een doos voedingsvloeistof in de [merk auto] waarop zij naar de growshop te Weert reden. In deze growshop werden transfo’s, maatbekers en een lampenkap gekocht en zijn ze vervolgens naar de plantage in Maasmechelen gereden. Op de plantage heeft [medeverdachte 4] de kapotte transfo’s vervangen en de montage gedaan van de aangekochte voorwerpen. In totaal is [medeverdachte 4] samen met [medeverdachte 3] vier keer benodigdheden gaan kopen voor de plantage. [medeverdachte 4] heeft de nodige herstellingen in de plantage verricht, waarvoor hij betaald kreeg. Dit had betrekking op de stroompanne.

Blijkens het verhoor van [naam 9] d.d. 19 juni 2009 heeft hij verklaard dat er in maart-april 2009 1 oogst is geweest en dat hijzelf en [medeverdachte 4] hebben helpen knippen, samen met illegalen uit Nederland. De oogst bedroeg ongeveer 46 kilogram. Tijdens het knippen was [medeverdachte 3] er ook bij. De oogst is weggebracht met een witte bestelauto, waarmee [medeverdachte 3] reed.

[verdachte] heeft verklaard dat hij betrokken is geweest bij de hennepkwekerij te Maasmechelen. Hij heeft er geld in geïnvesteerd. Ook heeft hij planten geregeld, die vanuit Nederland naar Maasmechelen zijn meegenomen. De hennep die [medeverdachte 3] naar hem heeft gebracht heeft in de auto bij hem in de straat gestaan en is daar ook weer opgehaald.

Bewijsoverwegingen van de rechtbank

Ten aanzien van het onder parketnummer 04/650025-09 onder 1 ten laste gelegde overweegt de rechtbank als volgt.

Ten laste is gelegd dat verdachte heeft deelgenomen aan een organisatie, die tot doel had het plegen van misdrijven als bedoeld in art. 11 van de Opiumwet, namelijk het binnen en buiten het grondgebied van Nederland brengen en verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren van middelen als bedoeld op lijst II. Dit betekent dat de activiteiten van verdachte met betrekking tot de handel in cocaïne buiten de tenlastelegging vallen.

In het dossier is sprake van een drietal hennepkwekerijen. De kwekerijen die bij [naam 10] en [medeverdachte 3] zijn aangetroffen, waren – zo is uit het dossier af te leiden – van en voor henzelf. Mede in het licht daarvan kan niet worden vastgesteld dat de activiteiten, die verdachte voor die twee kwekerijen heeft ontplooid, dienend waren aan enige organisatie.

Naar het oordeel van de rechtbank dient te worden beoordeeld of de mensen die waren betrokken bij de derde hennepkwekerij, die te Maasmechelen in België, daaraan in een zodanig georganiseerd verband hebben deelgenomen dat dit kan worden opgevat als een organisatie als bedoeld in artikel 11a van de Opiumwet.

De vaste kern van de personen die zich bezig hielden met de hennepkwekerij bestond uit [verdachte], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4]. Daarnaast maakte de organisatie gebruik van een aantal personen, zoals bijvoorbeeld de leverancier van de planten. De rechtbank is van oordeel dat deze laatste personen in de organisatie rond de hennepkwekerij te Maasmechelen niet een zodanige constructieve en duurzame rol hebben gespeeld dat zij kunnen worden opgevat als deelnemers aan de verboden organisatie.

Door [verdachte], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] werden in de telefoongesprekken bedekte termen en codes gebruikt voor de hoeveelheden verdovende middelen, de kwaliteit, de prijs van goederen en de locatie van de overdracht van verdovende middelen.

De organisatie opereerde voornamelijk vanuit de woning van [verdachte]. Hij speelde een centrale rol, hij financierde mede de kwekerij en hield zich bezig met de opbouw, het onderhoud en de exploitatie. Hij was overal van op de hoogte en hij ontving de eerste opbrengst van de kwekerij in Maasmechelen.

Uit diverse telefoongesprekken tussen [verdachte] en [medeverdachte 3] en de verklaring van [medeverdachte 3] leidt de rechtbank af dat bestellingen altijd via [verdachte] gingen en dat deze de financiële man was voor de hennepkwekerij te Maasmechelen en dat hij regelmatig goederen haalde voor de kwekerij. Vanwege de financiering van de goederen bevond [medeverdachte 3] zich in een afhankelijke positie ten opzichte van [verdachte].

De werkzaamheden van [medeverdachte 3] bestonden uit het opzetten, aanleggen en onderhouden van de hennepkwekerij in Maasmechelen. Hiervoor belde hij regelmatig met [verdachte] voor het doen van bestellingen van goederen die nodig waren voor de aanleg van de hennepkwekerij. Tevens controleerde hij de kwaliteit van de aangekochte plantjes.

[medeverdachte 4] heeft de elektriciteit en het alarm van de hennepkwekerij in Maasmechelen aangelegd. Hij werd voorts ingeschakeld bij storingen in de kwekerij. Ook was hij betrokken bij het verwijderen en storten van het hennepafval van de kwekerij te Maasmechelen. Hij vervoerde restafval van de kwekerij naar Nederland. Hij had een busje gehuurd. [medeverdachte 4] reed met dit busje op 2 april 2009 het terrein op van growshop [naam] te Oostrum. Vervolgens rijdt hij met de volgeladen bus met slabs (214) weg en wordt gezien dat hij een steegje inrijdt aan de [adres] te Maasmechelen.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat er sprake was van een duurzame structuur, waarbij de rollen duidelijk vastlagen en er intensief overleg plaatsvond over te uit te voeren werkzaamheden. Het doel van de organisatie was het opzetten, onderhouden en exploiteren van een hennepkwekerij, met het oogmerk de handel in verdovende middelen en het zich door middel daarvan verrijken. Ieder had voor zich de wetenschap van het doel daarvan en door iedereen werd eraan gewerkt dit doel te bereiken. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat er sprake was van een organisatie als bedoeld in artikel 11a van de Opiumwet.

Ten aanzien van het onder parketnummer 04/856062-10 onder 2 ten laste gelegde witwassen overweegt de rechtbank dat uit de verklaringen van [naam 1], [naam 2], [medeverdachte 1] en [naam 3] blijkt dat deze voor de geleverde verdovende middelen hebben betaald. Verdachte heeft voorts ter terechtzitting verklaard dat hij aan de handel niets heeft overgehouden en dat ontvangen gelden opnieuw zijn geïnvesteerd in de hennepkwekerij in Maasmechelen in België. De rechtbank leidt hieruit af dat verdachte van misdrijven ontvangen gelden voorhanden heeft gehad en deze gelden opnieuw heeft geïnvesteerd in de hennepkwekerij in Maasmechelen. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van omzetten in de zin van artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van het onder parketnummer 04/856062-10 onder 3 ten laste gelegde overweegt de rechtbank dat dit feit alleen betrekking heeft op de in- en uitvoer van hennep van en naar België en niet op de uitvoer van hasjiesj naar Duitsland door verdachte samen met [naam 3].

De rechtbank is op grond van vorenstaande bewijsmiddelen van oordeel dat [verdachte] nauw betrokken is geweest bij de hennepkwekerij in Maasmechelen in België. [verdachte] heeft bemiddeld bij de aankoop van hennepplantjes in Nederland. Deze plantjes zijn vanuit Nederland naar de hennepkwekerij in Maasmechelen gebracht. [medeverdachte 3] heeft vanuit Maasmechelen natte hennep naar de woning van [verdachte] in Nederland vervoerd, terwijl [medeverdachte 4] hennepafval vanuit Maasmechelen naar Nederland heeft gebracht. In diezelfde periode hebben [verdachte], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] regelmatig contact over de planten in de hennepkwekerij in Maasmechelen. Door de nauwe betrokkenheid van [verdachte] bij deze transporthandelingen tussen de hennepkwekerij en Nederland is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk hennep binnen en buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht.

7.3.Bewezenverklaring

Op grond van voormelde bewijsmiddelen en overwegingen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder parketnummer 04/650025-09 onder 1, 2, 3 en 4 en onder parketnummer 04/856062-10 onder 1, 2 en 3 laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

ten aanzien van parketnummer 04/650025-09:

1.

hij in de periode van 01 mei 2007 tot en met 06 mei 2009 in de gemeente Venlo tezamen en in vereniging met een ander, meermalen telkens opzettelijk heeft verkocht en verstrekt een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij in de periode van 01 januari 2009 tot en met 06 mei 2009 in de gemeente Venlo, meermalen telkens opzettelijk heeft verkocht en/of verstrekt een hoeveelheid van meer dan 30 gram hasjiesj, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

3.

hij op 09 februari 2009 in de gemeente Venlo tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I;

4.

hij op 14 maart 2009 in de gemeente Venlo tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, een hoeveelheid van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II;

ten aanzien van parketnummer 04/856062-10:

1.

hij in de periode van 15 januari 2009 tot en met 06 mei 2009 in de gemeente Venlo, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 11, vierde en vijfde lid, namelijk het meermalen telkens opzettelijk binnen en buiten het grondgebied van

Nederland brengen en het verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of het aanwezig hebben van middelen of een middel als bedoeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

2.

hij in de periode van 01 mei 2007 tot en met 06 mei 2009 in de gemeente Venlo, althans in Nederland, een voorwerp, te weten hoeveelheden geld (afkomstig uit de handel in verdovende middelen), heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, terwijl hij wist dat dat geld onmiddellijk afkomstig was uit enig misdrijf;

3.

hij in de periode van 15 januari 2009 tot en met 06 mei 2009 in de gemeente Venlo en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet en buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, een hoeveelheid hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen.

Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de kwalificatie

Het ten laste van verdachte bewezenverklaarde levert op de navolgende strafbare misdrijven.

Ten aanzien van parketnummer 04/650025-09 feit 1:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

De misdrijven zijn strafbaar gesteld bij artikel 10 van de Opiumwet in verband met artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van parketnummer 04/650025-09 feit 2:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

De misdrijven zijn strafbaar gesteld bij artikel 11 van de Opiumwet.

Ten aanzien van parketnummer 04/650025-09 feit 3:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij artikel 10 van de Opiumwet in verband met artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van parketnummer 04/650025-09 feit 4:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij artikel 11 van de Opiumwet in verband met artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van parketnummer 04/856062-10 feit 1:

deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 11, vierde en vijfde lid van de Opiumwet

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij artikel 11a van de Opiumwet.

Ten aanzien van parketnummer 04/856062-10 feit 2:

witwassen.

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van parketnummer 04/856062-10 feit 3:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

De misdrijven zijn strafbaar gesteld bij artikel 11 van de Opiumwet in verband met artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

9.De strafbaarheid van verdachte

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu niet is gebleken van enige omstandigheid die verdachtes strafbaarheid opheft.

10.De straffen en/of maatregelen

10.1.De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 23 juni 2010 met betrekking tot de op te leggen straf gevorderd dat verdachte ter zake van het onder parketnummer 04/650025-09 onder 1, 2, 3 en 4 en het onder parketnummer 04/856062-10 onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van 36 maanden, met aftrek ex artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

10.2.Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van de gevorderde straf aangevoerd dat als uitgangspunt dient te worden genomen dat verdachte aan [naam 1] circa 80 gram, aan [naam 2] ongeveer 65 gram cocaïne en aan [medeverdachte 1] ongeveer 300 à 400 gram cocaïne heeft verkocht. Verder heeft de raadsman benadrukt dat de onder parketnummer 04/856062-10 onder 1 ten laste gelegde criminele organisatie slechts kan slaan op de invoer in organisatorisch verband van de oogst van de hennepkwekerij te Maasmechelen, waarvan verondersteld wordt dat dit 16 à 17 kilogram is geweest. De onder parketnummer 04/650025-09 onder 4 en onder parketnummer 856062-10 onder 3 ten laste gelegde feiten zijn voorts reeds in de medeplegen-variant ten laste gelegd, zodat de criminele organisatie aan de door verdachte gepleegde vergrijpen niets toevoegt. De raadsman verzoekt ook hiermee bij de strafmaat rekening te houden.

Hetzelfde geldt volgens de raadsman voor het onder parketnummer 04/856062-10 onder 2 ten laste gelegde witwassen, waarbij de steller van de dagvaarding kennelijk heeft gedoeld op het verkrijgen van het verkoopbedrag van de door verdachte geleverde drugs.

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte in verband met financiële problemen van zijn dochter tot de misdrijven is gekomen. Verdachte is geen grote handelaar geweest, hij is first offender en hij heeft zijn lesje inmiddels wel geleerd.

De raadsman heeft dan ook gepleit voor de oplegging van een vrijheidsstraf waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan het voorarrest en een werkstraf.

10.3.De overwegingen van de rechtbank

Verdachte heeft zich op grote schaal bezig gehouden met diverse overtredingen van de Opiumwet. Hij heeft gedurende een lange periode cocaïne verkocht aan Nederlandse en Duitse afnemers. Harddrugs als de onderhavige, eenmaal in handen van gebruikers, leveren grote gevaren voor de gezondheid van die gebruikers op, terwijl die gebruikers hun verslaving vaak door diefstal of ander crimineel handelen trachten te bekostigen, waardoor aan de samenleving ernstige schade wordt berokkend. Verdachte wist dat de cocaïne die hij aan de Duitse afnemers leverde bestemd was voor de Duitse markt. Door zijn handelen heeft hij daarmee bewust niet alleen de gezondheid van Duitse afnemers benadeeld, maar ook schade toegebracht aan de betrekkingen tussen Nederland en Duitsland.

Daarnaast heeft verdachte in georganiseerd verband een belangrijke rol gespeeld bij de inrichting en het onderhoud van een hennepkwekerij in Maasmechelen in België. Verdachte adviseerde, bemiddelde en speelde een centrale rol. Bestellingen gingen altijd via hem en hij was betrokken bij de financiële gang van zaken.

Gelet op de ernst en de omvang van de door verdachte gepleegde misdrijven en zijn wezenlijke rol daarbij is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf voor de duur van 30 maanden passend zou zijn.

De rechtbank houdt echter in het voordeel van verdachte rekening met de omstandigheid dat verdachte de cocaïne zelf telkens in geringe hoeveelheden inkocht, hij slechts een beperkte afnemerskring had en zijn winsten een beperkte omvang hadden, zodat hij niet kan worden gezien als een grote dealer doch veeleer als een tussenhandelaar. De rechtbank heeft ook meegewogen dat ten aanzien van dezelfde feitelijke gedragingen meerdere strafrechtelijke verwijten zijn gemaakt en bewezenverklaard. Ook is niet gebleken dat hij de enige was die financieel betrokken was bij de hennepkwekerij te Maasmechelen.

Blijkens het uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister is verdachte voorts niet eerder ter zake van soortgelijke feiten veroordeeld.

Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een lagere gevangenisstraf dan door de officier van justitie is gevorderd met een voorwaardelijk deel dient te worden opgelegd.

10.4.Verbeurdverklaring

De rechtbank is van oordeel dat het inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten een afgeknipt boterhamzakje (IBN-code F 1001) dient te worden verbeurdverklaard.

Genoemd voorwerp is vatbaar voor verbeurdverklaring aangezien dit voorwerp tot het begaan van het misdrijf is bestemd.

11.Toepasselijke wetsartikelen

Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 14a, 14b, 14c, 27, 33, 33a, 47, 57, 91, 420bis;

Opiumwet art. 2, 3, 10, 11, 11a.

12.Beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder parketnummer 04/650025-09 onder 1, 2, 3 en 4 en onder parketnummer 04/856062-10 onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verstaat dat het aldus bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en verklaart verdachte ter zake strafbaar;

veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van 24 maanden;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf 8 maanden niet zullen worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

beveelt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

verklaart verbeurd het inbeslaggenomen voorwerp, te weten een afgeknipt boterhamzakje (IBN-code F 1001).

Vonnis gewezen door mrs. L.J.A. Crompvoets, M.B.T.G. Steeghs en C.C.W.M. Aretz, rechters, van wie mr. L.J.A. Crompvoets voorzitter, in tegenwoordigheid van P.J.T. Frijns en mr. D.W.G. Roebroek als griffiers en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 7 juli 2010.

Mr. C.C.W.M. Aretz is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.