Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2010:BN0952

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
07-07-2010
Datum publicatie
12-07-2010
Zaaknummer
AWB 09/130
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

(Ex-)Burgemeester (hierna: eiser) verzoekt de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: verweerder) om ten aanzien van hem een maatregel te nemen waardoor de negatieve effecten, veroorzaakt door het niet met pensioen gaan op de leeftijd van 64 jaar en 11 maanden (de zogenoemde “Vendrik-problematiek”), worden gerepareerd nu eiser door het Gemeentebestuur en de Commissaris van de Koningin van Limburg is gevraagd om door te werken in verband met het begeleiden van de gemeentelijke herindeling. Verweerder wijst dat verzoek af onder overweging dat er geen mogelijkheden zijn om specifiek voor eiser een dergelijke maatregel te treffen, die ingrijpt in de voor eiser geldende, privaatrechtelijk tot stand gekomen, pensioen- en vutregeling. Het daartegen gemaakte bezwaar verklaart verweerder niet-ontvankelijk. De rechtbank komt tot het oordeel dat verweerder het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat er evident geen publiekrechtelijke grondslag is aan te wijzen voor een compensatie zoals door eiser is verzocht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2011/14
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector bestuursrecht, enkelvoudige kamer

Procedurenummer: AWB 09 / 130

Uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake

[eiser] te Venray, eiser,

gemachtigde mr. D.J. Rutgers,

tegen

Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 december 2008 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen een besluit van 6 oktober 2008 niet-ontvankelijk verklaard. Tegen dat besluit is bij deze rechtbank beroep ingesteld.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Awb ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan de gemachtigde van eiser gezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 8 juni 2010, waar eiser is verschenen bijgestaan door zijn gemachtigde en mr. M. Zaman. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. van Heukelom-Verhage en mr. E.W. Gerretsen.

2. Overwegingen

2.1. Eiser, geboren op 21 oktober 1943, is vanaf 1 september 1991 werkzaam geweest als burgemeester van de gemeente Venray. In verband met het begeleiden van de gemeentelijke herindeling heeft eiser zijn ambtstermijn, die tot 1 september 2009 liep, vol gemaakt en aan hem is op zijn verzoek per die datum eervol ontslag verleend als burgemeester van de gemeente Venray. In afwachting van de benoeming van de nieuwe burgemeester is eiser vervolgens nog met ingang van 1 september 2009 tot 2 januari 2010 belast met waarneming van het burgemeestersambt in de gemeente Venray.

2.2. In verband met de begeleiding van de hiervoor vermelde gemeentelijke herindeling heeft de gemachtigde van eiser zich bij brief van 23 september 2008 tot verweerder gewend met het verzoek om ten aanzien van eiser een maatregel te nemen waardoor de negatieve effecten, veroorzaakt door het niet met pensioen gaan op de leeftijd van 64 jaar en 11 maanden, worden gerepareerd. Subsidiair is verzocht om, waneer in de toekomst een regeling wordt getroffen om de in de brief geschetste negatieve gevolgen van langer doorwerken als gevolg van het Amendement Vendrik te repareren, deze regeling met terugwerkende kracht op eiser van toepassing te verklaren.

2.3. Naar aanleiding van voornoemd verzoek om de negatieve effecten veroorzaakt door het “niet met pensioen gaan” op de leeftijd van 64 jaar en 11 maanden te repareren nu eiser door het gemeentebestuur van Venray is gevraagd om door te werken na zijn 65e jaar, heeft verweerder bij besluit van 6 oktober 2008 aan de gemachtigde van eiser bericht dat er geen mogelijkheden zijn om specifiek voor eiser een maatregel te treffen waardoor de genoemde negatieve effecten worden gerepareerd. Daarbij is overwogen dat sprake is van een bovensectorale regeling, waardoor er geen mogelijkheid is om voor specifieke beroepsgroepen (zoals burgemeesters) het doorwerken na de leeftijd van 65 jaar financieel te bevorderen. Verder is nog in die brief aangegeven dat er tussen de sociale partners in de Pensioenkamer overleg gaande is om de ‘Vendrik’- problematiek op te lossen.

2.4. Namens eiser is bezwaar gemaakt tegen de afwijzing om een maatregel te nemen waardoor wordt voorkomen dat eiser negatief getroffen wordt in zijn pensioenrechten wegens het doorwerken na het bereiken van de 65 jarige leeftijd.

2.5. Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Verweerder heeft daartoe overwogen dat aangelegenheden die betrekking hebben op pensioenen, noch bovensectoraal, noch sectoraal en in eisers geval, noch individueel, buiten het overlegmodel om eenzijdig via het bestuursrecht kunnen worden aangepast. Om die reden acht verweerder zich niet bevoegd om eisers aanvraag te behandelen.

2.6. In beroep is namens eiser aangevoerd dat het verzoek niet ziet op een collectieve aanpassing, maar alleen is bedoeld als een individueel verzoek van eiser om in zijn geval de gevolgen van het langer doorwerken te compenseren. In de visie van eisers gemachtigde biedt (onder meer) het bepaalde in artikel 47b, eerste lid, van het Rechtspositiebesluit Burgemeesters (Rbb) die mogelijkheid. Bij de behandeling ter zitting zijn nog artikel 46, tweede lid, van het Rbb, de artikelen 66, 67, 73 van de Gemeentewet en artikel 125 van de Ambtenarenwet als mogelijke grondslag voor compensatie genoemd. Verder is herhaald dat zijdens verweerder ten onrechte eraan voorbij wordt gegaan dat eiser financieel gecompenseerd zou moeten worden omdat hij, nadat een beroep op hem was gedaan door de Commissaris van de Koningin van Limburg (CvdK), het publiek belang heeft laten prevaleren boven zijn eigen belang en dat zijn positie in zoverre ook duidelijk verschilt van anderen die een verzoek hebben gedaan om af te wijken van de voor hen geldende pensioenregeling.

2.7. Namens verweerder is bij de behandeling ter zitting gepersisteerd bij het standpunt dat bij het thans bestreden besluit het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Daartoe heeft verweerder aangevoerd dat hij niet de bevoegdheid heeft om het door eiser gedane verzoek om financiële compensatie van (gesteld) nadeel als gevolg van het amendement Vendrik te honoreren omdat daarvoor - evident - geen publiekrechtelijke grondslag aanwezig is. Dat betekent dat het in eerste aanleg genomen besluit geen besluit in de zin van de Awb is, waartegen bezwaar kan worden gemaakt. Subsidiair is het standpunt ingenomen dat mocht de rechtbank tot de conclusie komen dat het bezwaar ten onrechte voor niet-ontvankelijk is gehouden de door eiser gevraagde compensatie van beweerdelijk geleden pensioennadeel niet voor toewijzing in aanmerking komt. Daartoe is door verweerder gesteld dat er geen sprake zou zijn van enig nadeel of pensioenval zoals door eiser geschetst. Voor zover er sprake zou zijn van geleden nadeel ziet verweerder geen aanleiding om tot vergoeding daarvan over te gaan. De door eiser aangevoerde omstandigheden zijn in de optiek van verweerder niet zwaarwegend genoeg om af te wijken van de binnen het overlegmodel tot stand gekomen pensioenaanspraken. Daartoe is onder meer aangevoerd dat eiser zijn stelling dat hij op aandringen van de CvdK heeft gehandeld niet met bewijs heeft gestaafd. Eiser zou dan ook niet gehouden zijn geweest om door te werken. Hij heeft evenals iedere andere ambtenaar die gebruik wil maken van de Vendrik-regeling, de mogelijkheid gehad om te voldoen aan de eisen die die regeling stelt. Hij heeft er echter voor gekozen om van die mogelijkheid geen gebruik te maken. Verweerder heeft de rechtbank verzocht om indien het bezwaar ten onrechte voor niet-ontvankelijk zou zijn gehouden het geschil met de daartoe dienst doende wettelijke mogelijkheden finaal te beslechten.

2.8. De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of verweerder het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Daartoe dient de vraag te worden beantwoord of er een appellabel besluit voorligt nu verweerder stelt – evident – niet bevoegd te zijn eisers verzoek tot compensatie te honoreren.

2.9. De rechtbank begrijpt verweerders standpunt aldus dat een beroep wordt gedaan op jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (onder meer AbRS van 07-02-2007, LJN: AZ7982). Uit deze jurisprudentie volgt dat een mededeling van een bestuursorgaan dat het in een bepaald geval niet bevoegd is het door verzoeker gewenste rechtsgevolg te bewerkstelligen in beginsel aangemerkt moet worden als een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, aangezien een dergelijke mededeling in ieder geval een beoordeling inhoudt aangaande de aanwezigheid en de reikwijdte van de door de aanvrager om een besluit veronderstelde bevoegdheid. Indien echter aan het bestuursorgaan waaraan het verzoek is gericht, geen enkele bevoegdheid is toegekend in het kader van de uitvoering van de wettelijke regeling waarop het verzoek betrekking heeft en het ook geen bemoeienis heeft met de aan andere bestuursorganen opgedragen uitvoering en handhaving van deze wettelijke regeling, is geen sprake van een besluit.

2.10. Partijen worden in dit geding dus in de eerste plaats verdeeld gehouden door de vraag of er in het onderhavige geval evident geen publiekrechtelijk grondslag is aan te wijzen op basis waarvan verweerder tot compensatie van de door eiser beweerdelijk gederfde pensioeninkomsten kan overgaan.

2.11. De rechtbank stelt voorop dat met inwerkingtreding per 1 januari 1996 van de Wet privatisering ABP (WPA) de verhouding tussen de overheidswerkgever en de overheidswerknemer wat betreft het pensioen van privaatrechtelijke aard is geworden. Ingevolge het bepaalde in artikel 4, eerste lid, van de WPA zijn de overheidswerkgevers en de overheidswerknemers gebonden aan de gesloten pensioenovereenkomst, hetgeen betekent dat de overeenkomst ook in de verhouding tussen een individuele overheidswerkgever en diens individuele werknemer bepalend is voor de wederzijdse rechten en verplichtingen. Uitvoering van de op basis van artikel 4 van de WPA gesloten pensioenovereenkomst is privaatrechtelijk van aard en kan niet leiden tot een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Hetzelfde geldt voor aanspraken op grond van de Wet kaderregeling Vut overheidspersoneel (Vut-wet). Ook hier is via een Vut-overeenkomst een regeling getroffen bij vrijwillig vervroegd uittreden, waaraan overheidsinstellingen en hun personeel zijn gebonden. De Vut-overeenkomst is evenals de pensioenovereenkomst een overeenkomst naar burgerlijk recht, waarvan de inhoud is verwerkt in het pensioenreglement van Pensioenfonds ABP, respectievelijk het FPU-reglement van het fonds vrijwillig vervroegd uittreden overheidspersoneel.

2.12. In het onderhavige geval heeft eiser niet verzocht om de voor hem geldende pensioenregeling (individueel) aan te passen. Eiser heeft verweerder verzocht om een compensatie / schadeloosstelling nu hij minder pensioen krijgt dan hij zou hebben gehad indien hij op de leeftijd van 64 jaar en 11 maanden (per 1 oktober 2008) met pensioen zou zijn gegaan. Eiser stelt dat verweerder als goed werkgever daartoe gehouden is omdat eiser in het algemeen belang zijn ambtstermijn (tot 1 september 2009) heeft vol gemaakt. In beroep heeft eiser aangevoerd dat verweerder een publiekrechtelijke grondslag voor compensatie kan ontlenen aan het bepaalde in artikel 47b, eerste lid, van het Rbb. Ingevolge genoemd artikellid kan de Minister van Binnenlandse Zaken bij besluit een eenmalige uitkering toekennen, indien een burgemeester van 62 jaar of ouder aangeeft gebruik te willen maken van de mogelijkheid van vervroegd uittreden, maar naar het oordeel van de Minster bijzondere bestuurlijke omstandigheden in de gemeente zich zodanig verzetten tegen het ontslag van de burgemeester dat het ontslag niet wordt verleend. In het onderhavige geval is echter van een door de Minister geweigerd ontslag geen sprake geweest. Naar het oordeel van de rechtbank komt verweerder dan ook – evident – geen bevoegdheid toe om op grond van dat artikel aan eiser een compensatie te verlenen voor beweerdelijk gederfde pensioeninkomsten als gevolg van het zogenoemde “Vendrik-effect”.

2.13. Met betrekking tot de overige ter zitting genoemde publiekrechtelijke grondslagen, waarop volgens eiser een compensatie zou kunnen worden gebaseerd, overweegt de rechtbank als volgt. Anders dan bijvoorbeeld artikel 46, eerste lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren, dat een algemene, discretionaire bevoegdheid verleent aan de Minister van Justitie (respectievelijk de functionele autoriteit) om aan een rechterlijk ambtenaar naar billijkheid een schadeloosstelling, een vergoeding van kosten of overigens een geldelijke tegemoetkoming te verlenen, bieden de door eisers gemachtigde genoemde artikelen 46, tweede lid, van het Rbb en 66, 67 en 68 van de Gemeentewet (evident) niet de mogelijkheid tot een schadeloosstelling of geldelijke tegemoetkoming naar aanleiding van gederfde pensioeninkomsten.

2.14. Tijdens de behandeling ter zitting is namens eiser nog een beroep gedaan op het bepaalde in artikel 125 (bedoeld zal zijn: artikel 125ter) van de Ambtenarenwet. Dit artikel zoals dat ten tijde hier van belang ook voor burgemeesters van toepassing was, is een codificatie van de in de jurisprudentie aanvaarde verplichting van de werkgever om zich jegens de ambtenaar als goed werkgever te gedragen. Dit artikel biedt een publiekrechtelijke grondslag indien er sprake is van schade die een ambtenaar lijdt in de uitoefening van zijn werkzaamheden. In het onderhavige geval is er geen sprake van schade die eiser heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden. Het oplopen van pensioennadeel als gevolg van het langer doorwerken valt daar niet onder te scharen. Ook dit artikel biedt derhalve naar het oordeel van de rechtbank evident geen grondslag voor een compensatie zoals in dit geding verzocht.

2.15. Op grond van voorgaande overwegingen is de rechtbank van oordeel dat verweerder het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard nu dit niet is gericht tegen een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.

2.16. Aan een inhoudelijke beoordeling van het geschil, zoals verzocht, komt de rechtbank dan ook niet toe.

2.17. Het ingestelde beroep moet dan ook voor ongegrond worden gehouden. Mitsdien wordt als volgt beslist.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. B.W.P.M. Corbey-Smits, in tegenwoordigheid van mr. F.A. Timmers als griffier en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2010.

w.g. F.A. Timmers,

griffier w.g. B.W.P.M. Corbey-Smits,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op: 7 juli 2010.

Een belanghebbende en het bestuursorgaan kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Ingevolge artikel 6:5 van de Awb bevat het beroepschrift een of meer gronden tegen de uitspraak en moet een afschrift van de uitspraak bij het beroepschrift worden overgelegd.