Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2010:BN0600

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
06-07-2010
Datum publicatie
08-07-2010
Zaaknummer
04/860188-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweer m.b.t. schendingen ambstinstructie grotendeels verworpen.

Geen niet-ontvankelijkheid OM

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector strafrecht

Parketnummer : 04/860188-10

Datum uitspraak : 6 juli 2010

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Roermond, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te ,

thans gedetineerd .

1. Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

22 juni 2010.

2. De tenlastelegging

De verdachte staat terecht ter zake dat:

1.

hij op of omstreeks 10 maart 2010 te Blerick, in elk geval in de gemeente Venlo ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met [medeverdachte], althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 1] (agent van politie) en/of [slachtoffer 2] (agent van politie) en/of [slachtoffer 3] (surveillant van politie) van het leven te beroven, met dat opzet tezamen en in vereniging met die [medeverdachte], althans alleen, meermalen, althans eenmaal, met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto met hoge althans aanmerkelijke snelheid tegen een (politie)auto, waarin zich voornoemde opsporingsambtenaren bevonden, is gereden, althans met hoge althans aanmerkelijke snelheid op die (politie)auto, waarin zich voornoemde opsporingsambtenaren bevonden, is ingereden,

en/of

met dat opzet tezamen en in vereniging met die [medeverdachte], althans alleen, met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto op genoemde [slachtoffer 2] is ingereden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

welke vorenomschreven poging tot doodslag werd vergezeld of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten het tezamen en in vereniging, althans alleen, voorbereiden van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten afpersing of diefstal met geweldpleging, door opzettelijk een of meer vuurwapen(s), bestemd voor het begaan van dat misdrijf, te verwerven of voorhanden te hebben

of

het tezamen en in vereniging, althans alleen, plegen van een poging tot afpersing, althans een poging tot diefstal met geweldpleging

of

het tezamen en in vereniging, althans alleen, vervoeren en/of aanwezig hebben van 612 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram, hennep, althans poging daartoe, in elk geval (een) handeling(en) als genoemd in artikel 3 van de Opiumwet,

gepleegd op of omstreeks 10 maart 2010 in de gemeente Venlo,

en welke poging tot doodslag werd gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer(s) straffeloosheid of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

(artikel 288 jo 45 van het Wetboek van Strafrecht)

Althans indien ter zake het vorenstaande onder 1 geen veroordeling zou volgen:

hij op of omstreeks 10 maart 2010 te Blerick, in elk geval in de gemeente Venlo ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met [medeverdachte], althans alleen, opzettelijk (aan) [slachtoffer 1] (agent van politie) en/of [slachtoffer 2] (agent van politie) en/of [slachtoffer 3] (surveillant van politie) van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet tezamen en in vereniging met die [medeverdachte], althans alleen, meermalen, althans eenmaal, met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto met hoge althans aanmerkelijke snelheid tegen een (politie)auto, waarin zich voornoemde opsporingsambtenaren bevonden, is gereden,

althans met hoge althans aanmerkelijke snelheid op die (politie)auto, waarin zich voornoemde opsporingsambtenaren bevonden, is ingereden,

en/of

met dat opzet tezamen en in vereniging met die [medeverdachte], althans alleen, met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto op genoemde [slachtoffer 2] is ingereden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(artikel 287 jo 45 subs 302 jo 45 van het Wetboek van Strafrecht)

Althans indien ter zake al het vorenstaande onder 1 geen veroordeling zou volgen:

hij op of omstreeks 10 maart 2010 te Blerick, in elk geval in de gemeente Venlo, tezamen en in vereniging met [medeverdachte], althans alleen, [slachtoffer 1] (agent van politie) en/of [slachtoffer 2] (agent van politie) en/of [slachtoffer 3] (surveillant van politie) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers is verdachte tezamen en in vereniging met die [medeverdachte], althans alleen, opzettelijk dreigend meermalen, althans eenmaal, met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto met hoge althans aanmerkelijke snelheid tegen een (politie)auto, waarin zich voornoemde opsporingsambtenaren bevonden, gereden, althans met hoge althans aanmerkelijke snelheid op die (politie)auto, waarin zich voornoemde opsporingsambtenaren bevonden, ingereden of toegereden,

en/of

tezamen en in vereniging met die [medeverdachte], althans alleen, met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto op genoemde [slachtoffer 2] ingereden of toegereden,

(artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht)

2.

hij op of omstreeks 10 maart 2010 te Blerick, in elk geval in de gemeente Venlo, tezamen en in vereniging met [medeverdachte], althans alleen, [slachtoffer 2] (agent van politie) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte tezamen en in vereniging met die [medeverdachte], althans alleen, opzettelijk dreigend een vuurwapen gericht op of getoond aan die [slachtoffer 2];

(artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht)

3.

hij op of omstreeks 10 maart 2010 in de gemeente Venlo tezamen en in vereniging met [medeverdachte], althans alleen, twee, althans een, vuurwapen(s) van categorie III onder 1e, te weten een gaspistool, merk Walther, en/of een gas/alarmpistool, merk ME,

en/of

munitie van categorie III, te weten twee patronen, voorhanden heeft gehad;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

(artikel 26 van de Wet wapens en munitie)

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3. De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4. De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

De raadsvrouw heeft blijkens de ter terechtzitting overgelegde pleitnota op grond van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie bepleit, dit wegens – kort gezegd –:

- schending artikel 2 Ambtsinstructie, nu de verbalisant [slachtoffer 1] zich tijdens zijn optreden in

burgerkleding niet heeft gelegitimeerd;

- schending artikel 12 Ambtsinstructie, nu de verbalisant [slachtoffer 1] vóór het gebruik van pepperspray niet

heeft gewaarschuwd;

- schending artikelen 7, 8 Ambtsinstructie, nu de verbalisant [slachtoffer 2] heeft geschoten terwijl geen

sprake was van de in die artikelen bedoelde aantasting van de persoonlijke of lichamelijke integriteit en

daarnaast over de redenen voor dat schieten misleidend heeft verklaard. Voorts heeft de raadsvrouw

aangegeven dat sprake is geweest van schending van artikel 10a van de Ambtsinstructie, nu er geen

waarschuwing is gegeven vóór het schieten.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Artikel 2 van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren (hierna te noemen de Ambtsinstructie) vermeldt onder meer dat de ambtenaar zich moet legitimeren bij optreden in burgerkleding, ongevraagd, tenzij bijzondere omstandigheden dit onmogelijk maken. De vraag die beantwoord dient te worden is of er ten tijde van de aanhouding van de verdachten sprake was van bijzondere omstandigheden.

Uit de processtukken en ter terechtzitting is gebleken dat sprake is geweest van een onoverzichtelijke situatie op de Vossenerlaan te Blerick, waar op dat moment een drugstransactie gaande was, die door de verbalisanten geobserveerd werd. De verbalisant [slachtoffer 1] stond ten tijde van de staandehouding alleen tegenover drie verdachten. Op het moment dat de verbalisant zich bekend maakte als politieagent (door “politie” en “Polizei” te roepen) was hij op afstand van de drie mannen en was sprake van duisternis. De verbalisant moest in verband met de hectische situatie en het vluchtgevaar van de verdachten in een zeer kort tijdsbestek handelen. Op dat moment was de verbalisant niet in de gelegenheid zijn legitimatiebewijs te tonen, immers één der verdachten had zich reeds onttrokken aan zijn aanhouding en de ander was doende zich te onttrekken aan de aanhouding (verdachte [betrokkene 1]). Gelet hierop acht de rechtbank sprake van bijzondere omstandigheden, zoals bedoeld in artikel 2 onder a van de Ambtsinstructie en is de rechtbank van oordeel dat de verbalisant [slachtoffer 1] de ambtsinstructie niet heeft overtreden.

Artikel 12b van de Ambtsinstructie bepaalt dat – kort gezegd – de ambtenaar onmiddellijk voordat hij gericht pepperspray zal gebruiken een waarschuwing moet geven.

Verbalisant [slachtoffer 1] relateert dat verdachte [verdachte] geen gevolg gaf aan het bevel dat hij moest blijven staan. De verbalisant pakte hem bij diens schouder vast en herhaalde dat verdachte moest blijven staan. Vervolgens rukte verdachte zich los en nam hij een dreigende houding aan. Verdachte stapte in de auto aan de bestuurderszijde in, waarna de verbalisant probeerde hem uit de auto te trekken, teneinde hem aan te houden. Hierbij riep de verbalisant dat verdachte [verdachte] was aangehouden en dat hij de personenauto uit moest komen. Dit riep de verbalisant in zowel de Nederlandse als in de Duitse taal. De verbalisant hoorde vervolgens dat verdachte de auto startte. De verbalisant heeft toen zijn busje pepperspray gepakt. Hij heeft toen nogmaals tegen de verdachte gezegd dat hij was aangehouden. Dit riep hij luid in zowel de Nederlandse taal als de Duitse taal. Toen de verdachte ook hier geen gehoor aan gaf en zich aan zijn aanhouding probeerde te onttrekken, heeft de verbalisant [slachtoffer 1] pepperspray gebruikt.

De rechtbank stelt vast dat de verbalisant [slachtoffer 1], op het moment dat verdachte in de auto zat en [slachtoffer 1] op het punt stond verdachte met pepperspray te bespuiten, heeft geroepen dat verdachte was aangehouden. De rechtbank is van oordeel dat de verbalisant dan ook had kunnen waarschuwen dat hij pepperspray zou gebruiken. De rechtbank is van oordeel dat de waarschuwing ex artikel 12b van de Ambtsinstructie ten onrechte achterwege is gebleven. De vraag die vervolgens moet worden beantwoord is of deze schending van artikel 12b van de Ambtsinstructie een zodanige inbreuk oplevert de persoonlijke integriteit van verdachte dat niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie het gevolg dient te zijn. De rechtbank constateert dat in deze situatie, gelet op de vorenbedoelde omstandigheden, in de hectiek, die mede door verdachte is veroorzaakt, geen sprake is geweest van een zodanige inbreuk op de persoonlijke integriteit van verdachte dat bij weging van de wederzijdse belangen het openbaar ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard. Het verweer wordt daarom verworpen.

Artikel 8 van de Ambtsinstructie ziet op een vuurwapen waarmede automatisch vuur kan worden afgegeven. Het door de verbalisant [slachtoffer 2] gebruikte pistool is van het type Walther P5. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat een Walther P5 een semi-automatisch vuurwapen is, zodat artikel 8 van de Ambtsinstructie op deze situatie niet van toepassing is.

Met betrekking tot artikel 7 van de Ambtsinstructie overweegt de rechtbank dat de medeverdachte [medeverdachte] verklaart dat hij het wapen op de politieman had gericht, en dat hij toen zag dat de politieman zijn wapen trok en in de richting van hen ([medeverdachte] en verdachte [verdachte]) schoot. De verbalisant [slachtoffer 1] verklaart dat [slachtoffer 2] en hij naar de auto van verdachten liepen. [slachtoffer 1] zag dat [slachtoffer 2] zijn dienstwapen trok en deze op de voorzijde van de personenauto van de verdachten gericht hield. [slachtoffer 1] hoorde toen [slachtoffer 2] roepen dat hij een vuurwapen had gezien. Daarna hoorde [slachtoffer 1] dat [slachtoffer 2] schoot. De verbalisant [slachtoffer 2] relateert dat hij naar de Mazda rende en zag, toen hij op een afstand van ongeveer 1 meter van de voorzijde van deze auto stond, dat een persoon, die rechts naast de bestuurder zat, een vuurwapen op hem gericht hield. Daarna heeft [slachtoffer 2] zijn dienstwapen getrokken, waarbij hij door te roepen “vuurwapen, vuurwapen” zijn collega’s waarschuwde. Daarna loste [slachtoffer 2] schoten op het wiel van de auto.

Door het richten van een vuurwapen door [medeverdachte] op de verbalisant [slachtoffer 2] (op korte afstand) ontstond voor [slachtoffer 2] een uitzonderingsgeval als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder b, ten tweede, van de Ambtsinstructie. Hij was daardoor gerechtigd vuur uit te brengen zonder voorafgaande waarschuwing. Zelfs indien de verbalisant [slachtoffer 2] zijn vuurwapen eerder getrokken zou hebben, doet dat naar het oordeel van de rechtbank aan de ontstane noodtoestand niet af.

Het relaas van de verbalisant [slachtoffer 2] wordt ondersteund door de hierna vermelde verklaringen van de verbalisanten. De verbalisant [slachtoffer 1] vermeldt dat [slachtoffer 2] riep dat de personenauto van de verdachten met hoge snelheid op het dienstvoertuig, waarin op dat moment gezeten waren: [slachtoffer 3], [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], af kwam. Vervolgens is de auto van verdachten tegen een stoeprand aangereden, om zijn as gedraaid en in de berm stil komen te staan. Daarna zijn [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] naar de auto van verdachten gelopen. In het relaas van de verbalisanten [slachtoffer 2], [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] wordt eveneens vermeld dat er eerst een aanrijding (Molierelaan) had plaatsgevonden tussen de Duitse Mazda en het dienstvoertuig, waarbij de verbalisanten zagen dat de Mazda recht op hen af kwam gereden. Ook de verbalisant [1] relateert dat de collega [slachtoffer 2] door de verdachten was bedreigd met een vuurwapen, waarop ook [1] zijn vuurwapen ter hand nam.

Tenslotte overweegt de rechtbank met betrekking tot de stelling van de verdediging dat [slachtoffer 2] – kort gezegd – valsheid in geschrift heeft gepleegd door in de door hem opgemaakte processen-verbaal in strijd met de waarheid te verklaren over de positie van de Mazda toen hij begon met schieten, alsmede over de vraag of op dat moment een wapen op hem gericht was, dat zulks gelet op vorenstaande verklaringen van de verbalisanten feitelijke grondslag mist.

Gelet op al het vorenstaande worden voormelde verweren verworpen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn overigens geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

6. Schorsing der vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7. Bewijsoverwegingen

7.1. Standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 22 juni 2010 gevorderd dat het onder 1 primair en onder 2 en 3 ten laste gelegde zal worden bewezen verklaard.

De officier van justitie is daarbij van mening dat de verdachten [verdachte] en [medeverdachte] op 10 maart 2010 doelbewust naar Venlo zijn gekomen om een hoeveelheid hennep te halen, waarbij het hun plan was de leverancier te beroven van de drugs. Enkele dagen tevoren wordt een afspraak gemaakt met ene [betrokkene 2], die 800 gram marihuana zou leveren voor € 2.800,--. Het was hun bedoeling die [betrokkene 2] te rippen, zo blijkt uit hun verklaringen en uit het feit dat ze onvoldoende geld hadden meegenomen. Beiden hadden een wapen meegenomen en [medeverdachte] ook nog een mes. Als de beide verdachten op het station in Blerick die [betrokkene 2] en een meisje op een scooter treffen, volgen zij dezen naar een bepaalde locatie. Het meisje vertrekt met de scooter en een andere man ([betrokkene 1]) komt terug op de scooter met een plastic tas met drugs, die de verdachten getoond wordt. Als de politie tot actie overgaat roept [betrokkene 1] dat het politie is en rent hij hard weg. De tas met drugs werd ter plaatse op de grond aangetroffen. Verdachte verklaart dat hij die jongen heeft horen roepen: “daar komt de politie” en de verbalisant [slachtoffer 1] maakt zich bekend als politieambtenaar en sommeert de drie verdachten hun handen op het dak te leggen. [slachtoffer 1] wachtte op assistentie van zijn collega’s. Eén man rende weg en verdachte [verdachte] probeerde ook weg te lopen, maar werd door [slachtoffer 1] aangesproken te blijven staan. Verdachte gaf daaraan geen gevolg. Hij werd door [slachtoffer 1] vastgepakt, rukte zich los, liep naar de bestuurdersplaats en startte de auto. Hem werd nogmaals zowel in de Nederlandse als Duitse taal gezegd dat hij was aangehouden en vervolgens werd hij gepepperd. De bijrijder ([medeverdachte]) was ook ingestapt en [verdachte] reed weg. Hij reed rakelings langs het dienstvoertuig. [slachtoffer 3] komt ter plaatse, samen met [slachtoffer 2]. [slachtoffer 1] stapt in en zij achtervolgen het voertuig van verdachten. Op de Molierelaan komt de auto van verdachten hen met hoge snelheid tegemoet gereden. De dienstauto wordt bijna frontaal geramd, de verdachte rijdt door, raakt in de bocht van de Molierelaan de stoeprand en draait om zijn as en komt tot stilstand in de berm, met de neus in de richting van het dienstvoertuig. De verbalisanten [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] benaderen de Duitse auto en [slachtoffer 2] ziet een vuurwapen op hem gericht. Nadat [slachtoffer 2] geroepen heeft dat hij een vuurwapen heeft gezien trekt hij zijn vuurwapen en schiet op de auto. De auto van verdachten rijdt op [slachtoffer 2] af. Beide verdachten worden in de buurt aangehouden.

De verdediging heeft zich blijkens de ter terechtzitting overgelegde pleitnota op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het feit 1, in alle varianten.

7.2. Bewijsmiddelen en overwegingen van de rechtbank

Met betrekking tot het bewijs overweegt de rechtbank het volgende.

De overtuiging van de rechtbank dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen.

De hieronder vermelde bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit, waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

De genoemde geschriften zijn slechts gebruikt in verband met de inhoud van de overige bewijsmiddelen.

De rechtbank begrijpt uit het dossier dat voorafgaand aan hetgeen in de tenlastelegging is vermeld zich het volgende heeft voorgedaan. Verdachten [verdachte] en [medeverdachte] maken een afspraak met ene [betrokkene 2] voor 2.800 gram hennep. Zij bespreken de mogelijkheid om hem te rippen. Ze ontmoeten een jongen en een meisje op een scooter, die hen naar de Vossenerlaan brengen. Aldaar vindt enige tijd later de overdracht van hennep plaats, waarop de verbalisanten besluiten in te grijpen.

De verbalisant [1] verklaart dat hij in de richting van de Duitse personenauto en de vier personen liep. Hij zag onopvallende dienstauto’s naderen. De bestuurder van de bromfiets riep tegen de andere personen: “Politie, politie!” De man rende hard weg in de richting van het einde van de Vossenerlaan. De bestuurder van de bromfiets ([betrokkene 1]) werd aangehouden. [1] zag vervolgens dat de Duitse personenauto verdwenen was op de Vossenerlaan.

De verbalisant [slachtoffer 1] relateert dat hij op de Vossenerlaan het dienstvoertuig schuin voor Duitse Mazda, 323, kenteken [nummer] tot stilstand bracht en zich bekend maakte als politieagent door “politie” en “Polizei” te roepen. Hij zei dat de mannen hun handen op het dak van de auto moesten leggen en wachtte op assistentie. Tijdens dat wachten zag hij dat één persoon wegrende richting Goethelaan. [slachtoffer 1] zag dat verdachte [verdachte] naar de bestuurderszijde van genoemde personenauto liep en instapte. [slachtoffer 1] pakte [verdachte] aan zijn kleding, zei in de Nederlandse en Duitse taal dat hij was aangehouden en dat hij uit de personenauto moest komen. [verdachte] startte de auto en probeerde zich aan zijn aanhouding probeerde te onttrekken. De verbalisant [slachtoffer 1] heeft verdachte [verdachte] in het gezicht gepepperd. [slachtoffer 1] zag dat [verdachte] met de ogen dicht en zijn hoofd naar beneden de personenauto naar links stuurde en vervolgens met hoge snelheid naar links reed. Vervolgens zag [slachtoffer 1] dat genoemde personenauto, met [verdachte] en een bijrijder, wegreed in de richting van de Vossenerlaan. De verbalisant [slachtoffer 3] kwam met een onopvallend dienstvoertuig (VW Passat, zwart, kenteken [nummer]) zijn kant opgereden en stopte. [slachtoffer 1] is toen aan de rechterzijde ingestapt. [slachtoffer 2] zat achterin de dienstauto. [slachtoffer 3] is toen over de Vossenerlaan gereden in dezelfde richting van de Mazda. Van getuigen hoorden zij dat de personenauto op de rotonde de Molierelaan was opgereden. Toen [slachtoffer 1] de blauwe zwaailamp wilde pakken, hoorde hij collega [slachtoffer 2] roepen dat de personenauto met hoge snelheid op hen af kwam. [slachtoffer 1] heeft zich toen stevig vastgehouden.

De verbalisant [slachtoffer 3] relateert dat toen de bestuurder van de Mazda vluchtte [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] bij hem instapten. [slachtoffer 3] zag vervolgens dat de Mazda gekeerd was op een afstand van ongeveer 200 meter en met hoge snelheid op hem afgereden kwam. [slachtoffer 3] schatte de snelheid van de Mazda op dat moment rond de 60 à 70 km/u. Hij hoorde dat de Mazda erg hoge toeren maakte. Hij zag vervolgens dat de Mazda hem probeerde te rammen en recht op hem kwam afgereden, met zeer hoge snelheid. [slachtoffer 3] was verstijfd van schrik en angst en dacht dat hij hier niet ongeschonden vanaf zou komen. Hij zag vervolgens dat de Mazda op het allerlaatste moment afdraaide naar links en voelde dat het dienstvoertuig aan de linkderzijde werd geraakt. Ondertussen waren [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] uit het dienstvoertuig gestapt.

In het proces-verbaal van bevindingen relateren de verbalisanten [slachtoffer 2], [verbalisant 7] en [slachtoffer 3] dat zij zagen dat de Mazda op de Molierelaan keerde en direct op hun dienstvoertuig kwam ingereden. [slachtoffer 2] zag dat de bestuurder van de Mazda met gedoofde lichten rechtstreeks in de richting van hun voertuig kwam gereden. [slachtoffer 2] zag en hoorde dat deze auto met hoog toerental op hen kwam ingereden. [slachtoffer 2] hoorde [slachtoffer 3] schreeuwen en zag dat deze met zijn hand naar zijn hoofd greep en een verkrampte houding aannam. [slachtoffer 2] zag nog steeds de Duitse auto op hen afkomen. [slachtoffer 2] zat toen direct achter [slachtoffer 3] op de achterbank aan de linkerzijde. Hij bewoog zijn lichaam naar rechts om aan letsel te ontkomen. Hij zag dat de Mazda in richting linkerflank van het dienstvoertuig reed. [slachtoffer 2] had sterk het vermoeden dat de bestuurder van de Mazda hen ging rammen. Collega [slachtoffer 3] had, gezien de afstand tussen beide voertuigen en de snelheid waarmee de Mazda reed, geen enkele mogelijkheid om te reageren. De Mazda was binnen een mum van tijd bij het dienstvoertuig. [slachtoffer 2] zag vervolgens dat de Duitse auto op het laatste moment met zijn voertuig, gezien vanuit zijn rijrichting, naar rechts uitweek. [slachtoffer 2] zag en voelde dat de Mazda met de linkerzijde tegen de linker achterflank van het dienstvoertuig reed. Hij schatte de snelheid tussen 40 à 50 km/u). [slachtoffer 2] zag dat de bestuurder van de Duitse Mazda na de aanrijding doorreed en zijn weg in de richting van de Vossenerlaan vervolgde.

De twee gevluchte verdachten waren aangehouden in de tuin van [adres], waar een vuurwapen, mes en patronen werden aangetroffen. De aangetroffen goederen werden veiliggesteld.

De verbalisanten [2] en [3] houden verdachte [verdachte], [geboortedatum en plaats] op 10 maart 2010 op [adres] te Venlo aan.

De verbalisanten [4] en [1] houden verdachte [voornaam] [medeverdachte], geboren op [geboortedatum en plaats] op 10 maart 2010 op [adres] te Venlo

aan.

Op 10 maart 2010, omstreeks 21.35 uur, treffen de verbalisanten [5] en [6] op de Vossenerlaan te Blerick een bromfiets met kenteken [nummer] aan en een plastic tas, met daarin een grote gripzak, voorzien van op hennep gelijkende plantaardige toppen.

Verdachte heeft verklaard dat hij op 10 maart 2010 samen met [medeverdachte] in Venlo mensen heeft getroffen, die hen hennep wilden verkopen. Verder verklaart verdachte dat zijn vriend [medeverdachte] via zijn GSM contact heeft gehad met [naam], de verkoper. Verdachte verklaart dat hij op die dag € 160,-- bij zich had. Verdachte verklaart verder over het feit dat zij met de auto achter een jongen en een meisje reden om de weed te kopen. Ze zijn toen naar de plaats gereden waar later de politie kwam. Op die plek is dat meisje met de bromfiets weggegaan en de jongen is gebleven. [medeverdachte] en verdachte zijn met die jongen bij de auto gaan staan. Na enige tijd zag hij dat een andere jongen op de bromfiets kwam aangereden. Hij zag dat die bestuurder een plastic zak bij zich had met daarin weed. Hij had wat weed in zijn hand en liet verdachte een knop zien. Verdachte verklaart dat hij wist dat zijn vriend een Co2 pistool had meegenomen. Als verdachte foto’s worden getoond zegt hij dat het zijn pistool is, dat hij had meegenomen en in het dashboardkastje had gelegd. Verdachte verklaart dat de patronen van het pistool in het wapen zaten.

Verdachte heeft op 7 april 2010 verklaard dat het pistool van [medeverdachte] volgens hem zilverkleurig is. Verdachte heeft gezien dat [medeverdachte] dat CO2 pistool op de dag van de aanhouding bij zich had en dat het wapen is weggegooid.

De medeverdachte [medeverdachte] verklaart met [verdachte] naar Venlo te zijn gekomen om daar mensen te treffen die hun hennep zouden verkopen. Toen op een gegeven moment een jongen op de brommer terug kwam hebben hij en [verdachte] een zak met hennep gezien.

De verbalisant [slachtoffer 1] relateert dat hij zag dat de Mazda in de bocht van de Molierelaan tegen de stoeprand aanreed. Dit ging met hoge snelheid, waardoor de genoemde personenauto om zijn as draaide en de voorzijde van die personenauto in de richting van hun dienstvoertuig in de berm stil kwam te staan. [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] zijn toen in de richting van die personenauto gelopen om de twee verdachten aan te houden. [slachtoffer 2] liep naar de voorzijde van die auto en [slachtoffer 1] naar de achterzijde. [slachtoffer 1] zag dat [slachtoffer 2] zijn dienstwapen trok en deze op de voorzijde van de personenauto gericht hield. [slachtoffer 1] hoorde dat [slachtoffer 2] riep dat hij een vuurwapen had gezien. Ze stonden toen ongeveer 5 meter van die personenauto af. [slachtoffer 1] zag en hoorde dat [slachtoffer 2] meerdere malen op de personenauto schoot. Hij zag dat die personenauto uit de berm en richting collega [slachtoffer 2] reed. [slachtoffer 1] hoorde dat de genoemde personenauto in een hoog toerental reed.

In het proces-verbaal van bevindingen relateren de verbalisanten [slachtoffer 2], [verbalisant 7] en [slachtoffer 3] dat de bestuurder van de Mazda zijn weg in de richting van de Vossenerlaan vervolgde. [slachtoffer 2] zag dat de Mazda op een gegeven moment met de voorzijde in zijn richting stond. Kennelijk had de bestuurder van de Mazda zijn voertuig gedraaid. [slachtoffer 2] rende naar de Mazda toe met de bedoeling de inzittenden aan te houden. Hij stond op ongeveer 1 meter van de voorzijde van deze auto. [slachtoffer 2] zag op dat moment dat een van de inzittenden een vuurwapen op hem gericht hield. Hij keek namelijk in de loop van een vuurwapen. [slachtoffer 2] schrok en vreesde voor zijn leven. [slachtoffer 2] richtte zijn wapen op het rechter voorwiel van de Mazda en loste 2 à 3 schoten.Vervolgens zag [slachtoffer 2] dat de bestuurder met de Mazda in zijn richting begon te rijden. Hij hoorde dat de auto met hoge toeren op hem in kwam rijden. [slachtoffer 2] was toen ongeveer 1 meter van de Mazda verwijderd. Hij zag dat de bestuurder van de Mazda fors optrok en recht op hem afgereden kwam. Hij dacht op dat moment dat die bestuurder hem dood zou rijden. [slachtoffer 2] zag dat de Mazda binnen een seconde bij hem was. Doordat [slachtoffer 2] een grote sprong naar links maakte, kon hij op het nippertje voorkomen dat de Mazda hem aanreed.

Op 24 maart 2010 hebben verbalisanten gezocht in de tuinen aangrenzend aan [adres] te Blerick. Zij vonden in de tuin van [adres] te Blerick een zilver pistool met een zwarte kolf. Dit pistool is meegenomen naar het politiebureau.

Uit onderzoek door de verbalisant [7], gecertificeerd taakaccenthouder vuurwapens, naar enkele op 10 maart 2010 in beslag genomen voorwerpen blijkt dat:

- het gaspistool van het merk walther, type P22, kaliber 9 mm PAK, een voorwerp betreft, dat is bestemd om

weerloosmakende of traanverwekkende stoffen door een loop af te schieten. De werking van het voorwerp

berust op het teweegbrengen van een scheikundige ontploffing;

- het gaspistool van het merk ME, model 9 mini para, kaliber 9 mm P.A. een voorwerp betreft, dat is bestemd

om weerloosmakende of traanverwekkende stoffen door een loop af te schieten. De werking van het

voorwerp berust op het teweegbrengen van een scheikundige ontploffing;

- de 2 in beslag genomen patronen munitie betreffen.

In het dossier bevinden zich aangiftes van [slachtoffer 2] , [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] .

Overwegingen

Met betrekking tot feit 1:

Verdachte is, nadat hij pepperspray in zijn gezicht gespoten had gekregen en niet goed meer kon zien, doorgereden met een personenauto, waarbij de medeverdachte [medeverdachte] hem aanwijzingen gaf hoe te rijden. De rechtbank is van oordeel dat er op deze wijze een personenauto niet veilig te besturen is. Daarenboven is gebleken dat het voertuig waarin verdachten reden met een aanmerkelijke snelheid reed. Daarbij bestaat een risico dat er personen geraakt kunnen worden. Dit risico is door verdachten op de koop toe genomen. Voorts overweegt de rechtbank dat op het moment dat verdachten in een, naar eigen zeggen, doodlopende straat waren gereden (Molierelaan) zij het voertuig hadden kunnen verlaten. Desondanks heeft verdachte ervoor gekozen om door te rijden en heeft [medeverdachte] zich daarvan niet gedistantieerd door uit te stappen. Verdachte verkeerde, zoals hij aan den lijve had ondervonden, in een situatie die het behoorlijk besturen van een voertuig niet mogelijk maakte. Hij kon immers zeer slecht zien door de in zijn ogen gespoten pepperspray en was hierdoor behoorlijk gedesoriënteerd. Daarenboven had het rijgedrag van verdachte , voorafgaande aan het keren van de auto, er blijk van gegeven dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat bleek te zijn. Hij had immers al een aanrijding met een andere auto gehad. Desondanks heeft verdachte [verdachte], in die situatie, met aanmerkelijke snelheid zijn weg vervolgd. Daarmede heeft verdachte willens en wetens het aanmerkelijke risico genomen (frontaal) met andere weggebruikers – in casu [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] – in botsing te komen, met de aanmerkelijke kans dat dezen hierdoor zouden overlijden.

Voorts blijkt uit het relaas van de verbalisant [slachtoffer 1] (zie het hiervoor het onder 26 vermelde proces-verbaal van bevindingen), alsmede uit het relaas van de verbalisant [slachtoffer 2] (zie het hiervoor onder 27 vermelde proces-verbaal van bevindingen), dat door verdachten vanuit stilstandop deze laatste is ingereden en dat hij, [slachtoffer 2], door opzij te springen, kon voorkomen dat de bestuurder van de Mazda hem aanreed. Ook in deze situatie hadden verdachten – toen de auto stilstond – het voertuig kunnen verlaten. Verdachte [verdachte] heeft ervoor gekozen om door te rijden en [medeverdachte] heeft zich daarvan niet gedistantieerd door uit te stappen. Verdachte bevond zich ook toen nog in de situatie die het behoorlijk besturen van een voertuig niet mogelijk maakte, doordat hij slecht kon zien door de in zijn ogen gespoten pepperspray. Gelet hierop heeft verdachte willens en wetens het aanmerkelijke risico genomen de verbalisant [slachtoffer 2] aan te rijden, met het aanmerkelijke risico (gezien de rijstijl) dat dit de dood van die [slachtoffer 2] ten gevolge had kunnen hebben.

Met betrekking tot de poging tot afpersing van de verkopers van de hennep overweegt de rechtbank dat verdachte en [medeverdachte] beiden een gaspistool meegenomen hebben. Voorts hebben zij vergaande afspraken gemaakt met de verkopers van de drugs voor een hoeveelheid hennep, die zij met het geld dat zij bij zich hadden, niet konden kopen. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij eigenlijk alleen nog maar een monster wilde kopen en geen afpersing wilde plegen. De rechtbank acht deze verklaring, in het licht van hun hiervoor vermelde feitelijk handelen met betrekking tot de vuurwapens en het nog in een laat stadium per sms maken van prijsafspraken met de verkopers van de drugs, ongeloofwaardig.

Met betrekking tot feit 2:

Gelet op de hiervoor vermelde bewijsmiddelen blijkt dat verdachten beiden een gaspistool bij zich hadden en dat zowel verdachte als zijn medeverdachte dit van elkaar wisten. Zij hadden welbewust wapens meegenomen, naar eigen zeggen, met het oogmerk zich daarmee te verdedigen in geval van nood. Medeverdachte was op het moment dat hij het vuurwapen richtte op de verbalisant [slachtoffer 2] degene die fysiek in de gelegenheid was om uiting te geven aan het hiervoor bedoelde gezamenlijke voornemen en heeft dit ook gedaan. Gelet hierop moet deze uitvoering van hun voornemen worden beschouwd als een gezamenlijke handeling en acht de rechtbank mitsdien dat sprake is geweest van medeplegen.

Met betrekking tot feit 3:

Gelet op de hiervoor vermelde bekennende verklaringen van verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte], alsmede gelet op het hiervoor onder 29 vermelde proces-verbaal van bevindingen acht de rechtbank ook dit feit wettig en overtuigend bewezen.

7.3. Bewezenverklaring

Op grond van voormelde bewijsmiddelen en overwegingen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het sub 1 primair en het sub 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 10 maart 2010 te Blerick, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met [medeverdachte], opzettelijk [slachtoffer 1] (agent van politie) en [slachtoffer 2] (agent van politie) en [slachtoffer 3] (surveillant van politie) van het leven te beroven, met dat opzet tezamen en in vereniging met die [medeverdachte], met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto met aanmerkelijke snelheid tegen een politieauto, waarin zich voornoemde opsporingsambtenaren bevonden, is gereden,

en

met dat opzet tezamen en in vereniging met die [medeverdachte], met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto op genoemde [slachtoffer 2] is ingereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, welke vorenomschreven pogingen tot doodslag werden voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten het tezamen en in vereniging plegen van een poging tot afpersing, althans een poging tot diefstal met geweldpleging, gepleegd op of omstreeks 10 maart 2010 in de gemeente Venlo, en welke pogingen tot doodslag werden gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en aan de andere deelnemer straffeloosheid te verzekeren;

2.

hij op 10 maart 2010 te Blerick, tezamen en in vereniging met [medeverdachte], [slachtoffer 2] (agent van politie) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte tezamen en in vereniging met die [medeverdachte], opzettelijk dreigend een vuurwapen gericht op die [slachtoffer 2];

3.

hij op 10 maart 2010 in de gemeente Venlo, tezamen en in vereniging met [medeverdachte], twee vuurwapens van categorie III onder 1e, te weten een gaspistool, merk Walther, en een gaspistool, merk ME, en munitie van categorie III, te weten twee patronen, voorhanden heeft gehad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen.

Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de kwalificatie

8.1. De strafbaarheid

Met betrekking tot de vraag of sprake is geweest van putatief noodweer of noodweer/ noodweerexces overweegt de rechtbank als volgt.

Op het moment dat één der drugsverkopers ([betrokkene 1]) riep: “politie, politie” ontstond het eerste contact tussen verdachten [verdachte] en [medeverdachte] met de politie in de persoon van de verbalisant [slachtoffer 1]. Deze maakte zich in twee talen bekend als politieman. Daarbij heeft hij, gelet op de duisternis en de afstand, alsmede gelet op de dringendheid van het moment, niet direct zijn legitimatie getoond. Echter, zoals verdachten zelf ter terechtzitting gezegd hebben, hebben zij inderdaad gehoord dat er “Politie” en “Polizei”geroepen werd. Desondanks hebben zij na zeer korte tijd besloten de aanwijzingen van de verbalisant [slachtoffer 1] niet op te volgen, terwijl zij wisten dan wel konden weten dat het een politiefunctionaris was. Door aldus te handelen hebben verdachten zichzelf willens en wetens de mogelijkheid ontnomen om zich te overtuigen van de juistheid dat die [slachtoffer 1] een politieman was. De rechtbank is van oordeel dat de verbalisant [slachtoffer 1], gelet op de dringende omstandigheid van het geval, heeft gedaan wat hij kon en moest doen om zich als politiefunctionaris kenbaar te maken. Daarenboven is uit het onderzoek ter terechtzitting gebleken dat die [slachtoffer 1] geen specifieke ripacties heeft ondernomen, doch heeft hij integendeel gepoogd de verdachten rustig te houden, zonder geweld toe te passen. De verdachten hebben het handelen van [slachtoffer 1] niet langer afgewacht, noch hem om zijn legitimatie gevraagd. Daarmede hebben zij het risico genomen dat ze wel eens met de politie te maken hadden. Zij hebben zich aldus zelf in een situatie gebracht dat zij zich tegen politieagenten zouden keren. Het optreden van de politie was overigens (zoals hiervoor onder 5 is overwogen) rechtmatig, met uitzondering van het ontbreken van een waarschuwing voorafgaand aan het gebruik van pepperspray. Op dat moment echter hadden verdachten reeds besloten zich aan de aanhouding te onttrekken, zodat dat voor hun besluit niet redengeven kan zijn geweest. Gelet hierop was er geen wederrechtelijke aanranding en geen sprake van een noodtoestand en geen sprake van noodweer of noodweerexces.

Met betrekking tot feit 2 heeft de raadsvrouw ontslag van alle rechtsvervolging bepleit, nu hierbij sprake is van noodweer c.q. noodweerexces, nu verdachte zich heeft verdedigd tegen de wederrechtelijke aanranding door [slachtoffer 2].

Hetgeen hiervoor is overwogen geldt mutatie mutandis evenzeer ten aanzien van het feit sub 2. In die situatie was de verbalisant [slachtoffer 2] (zoals hiervoor onder 5 is overwogen) gerechtigd tot gebruik van zijn dienstwapen, zodat het verweer eveneens wordt verworpen.

8.2. Kwalificatie

Het ten laste van verdachte bewezenverklaarde levert op de navolgende strafbare misdrijven:

T.a.v. feit 1 primair:

medeplegen van poging tot doodslag, voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid te verzekeren.

T.a.v. feit 2:

medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

T.a.v. feit 3:

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen begaan

en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie.

Het misdrijf sub 1 primair is strafbaar gesteld bij artikel 288 van het Wetboek van Strafrecht.

Het misdrijf sub 2 is strafbaar gesteld bij artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht.

De misdrijven sub 3 zijn alle strafbaar gesteld bij artikel 55 van de Wet wapens en munitie.

9. De strafbaarheid van verdachte

Met betrekking tot de strafbaarheid van verdachte verwijst de rechtbank naar hetgeen hiervoor onder 8.1 is overwogen.

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu overigens niet is gebleken van enige omstandigheid die verdachtes strafbaarheid opheft.

10. De straffen en/of maatregelen

10.1. De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 22 juni 2010 met betrekking tot de op te leggen straf gevorderd dat verdachte ter zake van het sub 1 primair en het sub 2 en 3 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van 3 jaren, met aftrek ex artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

10.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ten aanzien van de gevorderde straf aangevoerd dat gelet op hetgeen door haar is bepleit aangegeven dat er geen ernstige bezwaren bestaan jegens verdachte met betrekking tot de feiten sub 1 en 2. Ten aanzien van het feit 3 geldt naar haar mening het anticipatiegebod. De raadsvrouw heeft verzocht om onmiddellijke invrijheidstelling van verdachte.

10.3. De overwegingen van de rechtbank

Verdachte is op 10 maart 2010, samen met zijn medeverdachte, naar Venlo gekomen om drugs aan te schaffen. Tevoren hadden zij vuurwapens meegenomen en hadden zij de bedoeling om de verkopers van de drugs te rippen. Op het moment dat verdachten bezig zijn met de drugstransactie, gaat de politie over tot aanhouding. Op dat moment ontstaat er een zeer hectische situatie, waarbij verdachte, die als gevolg van de jegens hem gebruikte pepperspray niet goed kon zien en derhalve niet tot besturen van een personenauto in staat was, op aanwijzing van zijn medeverdachte met aanzienlijke snelheid wegreed en eerst op drie verbalisanten en vervolgens op de verbalisant [slachtoffer 2] is ingereden. Daarbij heeft de medeverdachte die [slachtoffer 2] een vuurwapen getoond en aldus deze bedreigd. Door deze handelwijze zijn de verbalisanten [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] zeer ernstig in hun veiligheidsgevoelens en hun lichamelijke integriteit aangetast. Daaraan doet niet af dat politieambtenaren een beroep hebben dat enig gevaarsaspect in zich heeft. Dat de verbalisanten – zowel persoonlijk als in hun functioneren als politieagent – hiervan ernstig nadeel hebben ondervonden acht de rechtbank evident.

De door de rechtbank bewezen verklaarde feiten en in het bijzonder het bewezen verklaarde feit sub 1 betreft zeer ernstige feiten, waardoor tevens het gevoel van veiligheid in de samenleving in het algemeen en dat van de politiefunctionarissen in het bijzonder zijn aangetast. Dergelijk handelen, dat een voor de rechtsorde zeer schokkend karakter draagt, rechtvaardigt zonder meer een zeer langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

De rechtbank zal een hogere straf opleggen dan door de officier van justitie gevorderd, nu de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, onvoldoende in de eis van de officier van justitie tot uitdrukking komen.

De rechtbank houdt bij de strafoplegging eveneens rekening met de persoonlijke omstandigheden van de jeugdige verdachte, die blijkens zijn justitiële documentatie van 4 juni 2010 zich in Nederland niet heeft schuldig gemaakt aan het plegen van strafbare feiten.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving een gevangenisstraf van na te melden duur dient te worden opgelegd.

Gelet hierop zal het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis en de onmiddellijke invrijheidstelling van verdachte worden afgewezen.

10.4. De vorderingen van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

[slachtoffer 1] heeft door tussenkomst van [naam en adres], een vordering benadeelde partij ingediend met betrekking tot de als gevolg van het hiervoor onder 1 ten laste gelegde feit geleden immateriële schade.

[slachtoffer 1] voornoemd heeft de immateriële schade op een bedrag van € 300,-- gesteld, en wil die schade vergoed krijgen.

Ten laste van verdachte is onder meer het hiervoor onder 1 primair ten laste gelegde feit bewezen. Het is een strafbaar feit en verdachte zal ter zake van dat feit worden veroordeeld.

Met betrekking tot de gevorderde immateriële schade overweegt de rechtbank als

volgt. Gelet op de aard van het bewezenverklaarde is het een ervaringsregel dat daardoor bij het slachtoffer immateriële schade van enige omvang wordt veroorzaakt. Het gevorderde bedrag komt de rechtbank alleszins redelijk voor, zulks gelet op het feit dat wat deze verbalisant en zijn collega’s is overkomen alle perken te buiten gaat. De vordering immateriële schade, die door verdachte onvoldoende is weersproken, is naar het oordeel van de rechtbank dan ook voor toewijzing vatbaar.

Verdachte is naar burgerlijk recht, samen met zijn mededader, aansprakelijk voor deze schade.

De rechtbank zal de verdachte veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag gemaakt, begroot op nihil.

De rechtbank zal over de vordering van de benadeelde partij, overeenkomstig het hiervoren overwogene, beslissen zoals hierna is vermeld, alsmede over de kosten die door de benadeelde partij zijn gemaakt, thans begroot op nihil.

De rechtbank zal tevens aan verdachte de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van € 300,--, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 6 dagen, te betalen ten behoeve van [slachtoffer 1] voornoemd, zoals hierna in het dictum genoemd.

[slachtoffer 2] heeft door tussenkomst van [naam en adres], een vordering benadeelde partij ingediend met betrekking tot de als gevolg van het hiervoor onder 1 ten laste gelegde feit geleden immateriële schade.

[slachtoffer 2] voornoemd heeft de immateriële schade op een bedrag van € 300,-- gesteld, en wil die schade vergoed krijgen.

Ten laste van verdachte is onder meer het hiervoor onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feit bewezen. Het is een strafbaar feit en verdachte zal ter zake van dat feit worden veroordeeld.

Met betrekking tot de gevorderde immateriële schade overweegt de rechtbank als volgt. Gelet op de aard van het bewezenverklaarde is het een ervaringsregel dat daardoor bij het slachtoffer immateriële schade van enige omvang wordt veroorzaakt. Het gevorderde bedrag komt de rechtbank alleszins redelijk voor, zulks gelet op het feit dat wat deze verbalisant en zijn collega’s is overkomen alle perken te buiten gaat. Op de verbalisant [slachtoffer 2] is niet alleen tot twee maal toe ingereden, op hem is ook nog eens een vuurwapen gericht. Het optreden van de verbalisant [slachtoffer 2], die ondanks het feit dat hij een vuurwapen op zich gericht had gekregen, ervoor heeft gekozen om op de onderkant van het voertuig, waarin verdachte en zijn mededader gezeten waren, te richten, valt naar het oordeel van de rechtbank te prijzen. Als de verbalisant ervoor had gekozen om gericht op de verdachten te schieten, hadden dezen gerede kans gehad dat zij het leven zouden laten. De vordering immateriële schade, die door verdachte onvoldoende is weersproken, is naar het oordeel van de rechtbank dan ook voor toewijzing vatbaar.

Verdachte is naar burgerlijk recht, samen met zijn mededader, aansprakelijk voor deze schade.

De rechtbank zal de verdachte veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag gemaakt, begroot op nihil.

De rechtbank zal over de vordering van de benadeelde partij, overeenkomstig het hiervoren overwogene, beslissen zoals hierna is vermeld, alsmede over de kosten die door de benadeelde partij zijn gemaakt, thans begroot op nihil.

De rechtbank zal tevens aan verdachte de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van € 300,--, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 6 dagen, te betalen ten behoeve van [slachtoffer 2] voornoemd, zoals hierna in het dictum genoemd.

[slachtoffer 3], heeft door tussenkomst van [naam en adres], een vordering benadeelde partij ingediend met betrekking tot de als gevolg van het hiervoor onder 1 ten laste gelegde feit geleden immateriële schade.

[slachtoffer 3] voornoemd heeft de immateriële schade op een bedrag van € 300,-- gesteld, en wil die schade vergoed krijgen.

Ten laste van verdachte is onder meer het hiervoor onder 1 primair ten laste gelegde feit bewezen. Het is een strafbaar feit en verdachte zal ter zake van dat feit worden veroordeeld.

Met betrekking tot de gevorderde immateriële schade overweegt de rechtbank als

volgt. Gelet op de aard van het bewezenverklaarde is het een ervaringsregel dat daardoor bij het slachtoffer immateriële schade van enige omvang wordt veroorzaakt. Het gevorderde bedrag komt de rechtbank alleszins redelijk voor, zulks gelet op het feit dat wat deze verbalisant en zijn collega’s is overkomen alle perken te buiten gaat. De vordering immateriële schade, die door verdachte onvoldoende is weersproken, is naar het oordeel van de rechtbank dan ook voor toewijzing vatbaar.

Verdachte is naar burgerlijk recht, samen met zijn mededader, aansprakelijk voor deze schade.

De rechtbank zal de verdachte veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag gemaakt, begroot op nihil.

De rechtbank zal over de vordering van de benadeelde partij, overeenkomstig het hiervoren overwogene, beslissen zoals hierna is vermeld, alsmede over de kosten die door de benadeelde partij zijn gemaakt, thans begroot op nihil.

De rechtbank zal tevens aan verdachte de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van € 300,--, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 6 dagen, te betalen ten behoeve van [slachtoffer 3] voornoemd, zoals hierna in het dictum genoemd.

11. Toepasselijke wetsartikelen

Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 24c, 27, 36f, 47, 57, 91, 285, 288.

Wet wapens en munitie art. 26, 55

12. Beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het sub 1 primair en het sub 2 en 3 ten laste gelegde zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verstaat dat het aldus bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en verklaart verdachte ter zake strafbaar;

veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van 3 jaren;

beveelt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

wijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis en onmiddellijke invrijheidstelling;

wijst toe de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] van € 300,--;

veroordeelt verdachte om tegen bewijs van betaling aan benadeelde partij [slachtoffer 1], door tussenkomst van [naam en adres], te betalen een bedrag van € 300,--;

bepaalt dat de verdachte zal zijn bevrijd voor zover voornoemde benadeelde partij - al dan niet via de betaling aan de Staat - door verdachtes mededader is voldaan;

legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat te betalen een som geld ten bedrage van € 300,-- subsidiair 6 dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer van feit 1 primair, genaamd [slachtoffer 1], door tussenkomst van [naam en adres], met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat indien verdachte en/of zijn mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 300,-- ten behoeve van voornoemd slachtoffer, daarmede de verplichting van verdachte om dit bedrag aan voornoemde benadeelde partij te betalen komt te vervallen en dat indien dit bedrag door verdachte en/of zijn mededader aan voornoemde benadeelde partij is betaald, daarmee de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat ten behoeve van voornoemd slachtoffer komt te vervallen;

veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil;

wijst toe de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] van € 300,--;

veroordeelt verdachte om tegen bewijs van betaling aan benadeelde partij [slachtoffer 3], door tussenkomst van [naam en adres], te betalen een bedrag van € 300,--;

bepaalt dat de verdachte zal zijn bevrijd voor zover voornoemde benadeelde partij - al dan niet via de betaling aan de Staat - door verdachtes mededader is voldaan;

legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat te betalen een som geld ten bedrage van € 300,-- subsidiair 6 dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer van feit 1 primair, genaamd [slachtoffer 3], door tussenkomst van [naam en adres],

5900 AB Venlo, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat indien verdachte en/of zijn mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 300,-- ten behoeve van voornoemd slachtoffer daarmede de verplichting van verdachte om dit bedrag aan voornoemde benadeelde partij te betalen komt te vervallen en dat indien dit bedrag door verdachte en/of zijn mededader aan voornoemde benadeelde partij is betaald, daarmee de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat ten behoeve van voornoemd slachtoffer komt te vervallen;

veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil;

wijst toe de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] van € 300,--;

veroordeelt verdachte om tegen bewijs van betaling aan benadeelde partij [slachtoffer 2], door tussenkomst van [naam en adres], te betalen een bedrag van € 300,--;

bepaalt dat de verdachte zal zijn bevrijd voor zover voornoemde benadeelde partij - al dan niet via de betaling aan de Staat - door verdachtes mededader is voldaan;

legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat te betalen een som geld ten bedrage van € 300,-- subsidiair 6 dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer van feit 1 primair en feit 2, genaamd [slachtoffer 2], door tussenkomst van [naam en adres],

5900 AB Venlo, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat indien verdachte en/of zijn mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 300,-- ten behoeve van voornoemd slachtoffer, daarmede de verplichting van verdachte om dit bedrag aan voornoemde benadeelde partij te betalen komt te vervallen en dat indien dit bedrag door verdachte en/of zijn mededader aan voornoemde benadeelde partij is betaald, daarmee de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat ten behoeve van voornoemd slachtoffer komt te vervallen;

veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Vonnis gewezen door mrs. E.H.M. Druijf, V.P. van Deventer en E.A.M. van Oorschot, rechters, van wie mr. E.H.M. Druijf voorzitter, in tegenwoordigheid van C. van Est als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 6 juli 2010.

Mr. E.A.M. van Oorschot is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.