Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2010:BM9309

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
23-06-2010
Datum publicatie
25-06-2010
Zaaknummer
AWB 10 / 609
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening hangende bezwaar betreffende een overplaatsing op grond van artikel 77, tweede lid, van het BARD. Toetsing in bezwaar ex nunc. Geen aanleiding tot schorsen van het primaire besluit, wel een voorlopige voorziening in die zin dat de rechter zal bepalen dat verweerder de formatieplaats die door de overplaatsing van verzoekster is vrijgekomen, hangende bezwaar en tot zes weken na de beslissing op bezwaar niet (definitief) mag invullen, zodat de mogelijkheid dat verzoekster haar werkzaamheden daar zal hervatten open blijft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 10 / 609

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake

[naam verzoekster] te [woonplaats verzoekster], verzoekster,

gemachtigde mr. M.A. Billiet-de Jonge,

tegen

de Minister van Defensie, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 28 april 2010 heeft verweerder verzoekster op grond van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie (BARD) overgeplaatst. Tegen dit besluit is namens verzoekster bij schrijven van 6 mei 2010 een bezwaarschrift op grond van de Awb ingediend bij verweerder. Tevens heeft verzoekster zich tot de rechtbank gewend met het verzoek ter zake een voorlopige voorziening te treffen ex artikel 8:81 van de Awb.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 21 juni 2010, waar verzoekster in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Billiet-de Jonge, en waar verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. R. Naalden.

Overwegingen

1. Verzoekster is sinds september 2006 als burgertandarts geplaatst bij het Gezondheidscentrum, in het bijzonder het Tandheelkundigcentrum, te Weert. Bij besluit van 28 april 2010 heeft verweerder verzoekster op grond van artikel 77, tweede lid, van het BARD met ingang van 24 mei 2010 overgeplaatst van het Gezondheidscentrum te Weert naar het Gezondheidscentrum te Oirschot. Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt. Tevens heeft zij de rechtbank verzocht ter zake een voorlopige voorziening te treffen.

1.1. In artikel 8:81 van de Awb is bepaald dat indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover de toetsing aan het in dit artikel neergelegde criterium mee brengt dat een beoordeling van het geschil in de hoofdzaak wordt gegeven, heeft het oordeel van de rechter een voorlopig karakter en is dat niet bindend in die procedure.

1.2. De rechter concludeert dat aan de eerste twee in artikel 8:81 van de Awb geformuleerde formele vereisten is voldaan nu verzoekster een bezwaarschrift heeft ingediend tegen het besluit ter zake waarvan de voorlopige voorziening wordt gevraagd en de rechtbank te Roermond bevoegd moet worden geacht om van de (eventuele) hoofdzaak kennis te nemen.

De rechter ziet geen beletselen verzoekster in haar verzoek ex artikel 8:81 van de Awb te ontvangen. Ook acht de rechter de onverwijlde spoed genoegzaam aangetoond.

2. Ingevolge artikel 77, tweede lid, van het BARD kan het hoofd defensieonderdeel de ambtenaar indien het belang van de dienst dit vordert, al dan niet in zijn dienstvak en al of niet op dezelfde standplaats, een andere functie opdragen die redelijkerwijs in overeenstemming is met diens persoonlijkheid, omstandigheden en vooruitzichten; de ambtenaar is verplicht een dergelijke functie te aanvaarden.

2.1. Aan de overplaatsing van verzoekster liggen twee redenen ten grondslag, namelijk het arbeidsconflict tussen verzoekster en de tandartsassistente en het capaciteitsprobleem bij het Gezondheidscentrum te Oirschot. In Oirschot zijn vier formatieplaatsen, waarvan er ten tijde van het primaire besluit geen was gevuld. Dit terwijl Oirschot de grootste verzorgingssterkte heeft, waarvan het grootste gedeelte militairen bevat die geplaatst zijn bij operationele eenheden en frequent worden uitgezonden.

Gelet op de samenloop van deze omstandigheden is de rechter van oordeel dat verweerder ten tijde van het primaire besluit een dienstbelang heeft kunnen aannemen en dus bevoegd was om verzoekster over te plaatsen.

Naar het oordeel van de rechter heeft verweerder in redelijkheid gebruik kunnen maken van deze bevoegdheid, nu tegenover het belang van de dienst door verzoekster geen concrete, zwaarwegende belangen aan haar zijde zijn gesteld die zich tegen de overplaatsing verzetten.

2.2. Tijdens de behandeling ter zitting is ten aanzien van het destijds bestaande arbeidsconflict door verzoekster desgevraagd naar voren gebracht dat aan de gedragsverandering bij de tandartsassistente een oorzaak voortkomend uit de fysieke gezondheidstoestand ten grondslag lag, hetgeen destijds nog niet bekend was. Verzoekster heeft begrip voor de situatie van de assistente en sluit een hernieuwde samenwerking niet uit. Ten aanzien van het capaciteitsprobleem bij het Gezondheidscentrum te Oirschot heeft verzoekster gesteld dat inmiddels twee van de vier formatieplaatsen zijn gevuld en dat haar is gevraagd of zij haar werkzaamheden nu in de Peel wil verrichten. Verzoekster heeft nog geen toezegging dienaangaande gedaan, al wil zij zeker niet in Oirschot werken.

Desgevraagd heeft de gemachtigde van verweerder ter zitting verklaard niet bekend te zijn met de huidige situatie van de tandartsassistente.

3. Ingevolge artikel 7:11 van de Awb dient op grondslag van het bezwaar een heroverweging van het bestreden besluit plaats te vinden. Deze heroverweging moet in beginsel geschieden met inachtneming van alle feiten en omstandigheden zoals die zijn op het tijdstip van de heroverweging. Een overplaatsing in het belang van de dienst is naar zijn aard een ingrijpend middel, zodat het bestaan van een dienstbelang -hoewel een ruim begrip- niet lichtvaardig mag worden aangenomen. Gelet op hetgeen door verzoekster ter zitting naar voren is gebracht, dient verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank bij de heroverweging in bezwaar een oordeel te vormen over de vraag of thans nog sprake is van een dienstbelang in die zin dat er sprake is van een voortdurend arbeidsconflict en een capaciteitsprobleem in Oirschot.

3.1. In het vorenstaande ziet de rechter aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening in die zin dat hij zal bepalen dat verweerder de formatieplaats bij het Gezondheidscentrum te Weert hangende bezwaar en tot zes weken na de beslissing op bezwaar niet (definitief) mag invullen, zodat de mogelijkheid dat verzoekster in Weert haar werkzaamheden zal hervatten open blijft. De rechter ziet geen aanleiding tot het schorsen van het primaire besluit bij wijze van voorlopige voorziening. Dit zou immers betekenen dat verzoekster vanaf heden haar werkzaamheden in Weert zou dienen te hervatten, hetgeen onwenselijk zou kunnen zijn, indien thans nog sprake zou zijn van een actueel arbeidsconflict.

Mitsdien wordt als volgt beslist.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe en bepaalt dat verweerder de formatieplaats voor een tandarts bij het Gezondheidscentrum -in het bijzonder het Tandheelkundigcentrum- te Weert, niet (definitief) invult tot zes weken nadat op het bezwaar van verzoekster is beslist.

Aldus gedaan door mr.drs. E.J. Govaers in tegenwoordigheid van mr. N.F.M. Beurskens-Roelofs als griffier en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2010.

w.g. mr. N.F.M. Beurskens-Roelofs,

griffier w.g. mr.drs. E.J. Govaers,

voorzieningenrechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

verzonden op: 23 juni 2010.

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.