Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2010:BM7251

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
10-06-2010
Datum publicatie
10-06-2010
Zaaknummer
04/650155-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overval boer in Reuver op 11 oktober 2008. Medeplegen poging doodslag.

Verdachte is niet mee de woning binnen gegaan, maar wist wel dat een van de mededaders gewapend was met een vuurwapen en dat men van plan was de woning binnen te gaan wetende dat het slachtoffer thuis was en wakker was. Tevoren heeft verdachte met mededaders gesproken over het geld dat in woning zou liggen en de woning geobserveerd. Tijdens de overval is verdachte op de uitkijk blijven staan. Door aldus te handelen heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat er geschoten zou worden en het slachtoffer daardoor dodelijk gewond zou kunnen geraken. Tevens vrijspraak van art. 288 wegens ontbreken van het aldaar bedoelde "oogmerk".

Strafmaat: 4 jaar gevangenisstraf

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector strafrecht

Parketnummer : 04/650155-09

Datum uitspraak : 10 juni 2010

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Roermond, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de zaak tegen:

[verdachte 4],

geboren te [geboorteplaats],

thans gedetineerd in [adres]

1. Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 9 februari 2010, 26 mei 2010 en 27 mei 2010.

2. De tenlastelegging

De verdachte staat terecht ter zake dat:

1.

hij op of omstreeks 11 oktober 2008 te Reuver, in elk geval in de gemeente

Beesel, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen

en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met

voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en na

kalm beraad en rustig overleg, genoemde [slachtoffer] een of meer kogel(s) in het

lichaam heeft geschoten en/of een of meer kogel(s) in de richting van die

[slachtoffer] heeft geschoten,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(art. 289 jo 45 Wetboek van Strafrecht)

Althans indien ter zake het vorenstaande geen veroordeling zou volgen:

hij op of omstreeks 11 oktober 2008 te Reuver, in elk geval in de gemeente

Beesel, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen

en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet genoemde [slachtoffer] een of meer

kogel(s) in het lichaam heeft geschoten en/of een of meer kogel(s) in de

richting van die [slachtoffer] heeft geschoten,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

welke vorenomschreven poging tot doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of

voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten het medeplegen of plegen van

een diefstal door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming,

gepleegd op of omstreeks 11 oktober 2008 te Reuver, in elk geval in de

gemeente Beesel ten opzichte van [slachtoffer],

en welke poging doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van

dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping

op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer(s) straffeloosheid

en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

(artikel 288 jo 45 van het Wetboek van Strafrecht)

Althans indien ter zake al het vorenstaande geen veroordeling zou volgen:

hij op of omstreeks 11 oktober 2008 te Reuver, in elk geval in de gemeente

Beesel, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen

en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet genoemde [slachtoffer] een of meer

kogel(s) in het lichaam heeft geschoten en/of een of meer kogel(s) in de

richting van die [slachtoffer] heeft geschoten,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(art. 287 jo 45 Wetboek van Strafrecht)

Althans indien ter zake al het vorenstaande geen veroordeling zou volgen:

hij op of omstreeks 11 oktober 2008 te Reuver, in elk geval in de gemeente

Beesel, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een woning, gelegen aan

de [adres], heeft weggenomen een zaklamp en een fietscomputer, in elk

geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot die woning

heeft/hebben verschaft en/of die goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben

gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming en/of welke

diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld tegen deze

[slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of

gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of

zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het

gestolene te verzekeren,

welk geweld heeft bestaan in het schieten van een of meer kogel(s) in het

lichaam en/of in de richting van genoemde [slachtoffer];

(Artikel 312 Wetboek van Strafrecht)

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3. De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4. De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

6. Schorsing der vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7. Bewijsoverwegingen

7.1. Standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft blijkens het op schrift gestelde requisitoir ter terechtzitting van 26 mei 2010 gevorderd dat de verdachte ten aanzien van het primair ten laste gelegde zal worden vrijgesproken en dat het subsidiair ten laste gelegde zal worden bewezen verklaard.

De verdediging heeft zich blijkens de ter terechtzitting van 26 mei 2010 overgelegde pleitnota op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde, dit in alle varianten. Naar de mening van de raadsman heeft verdachte zich teruggetrokken van deelname aan de overval toen bekend werd dat er een wapen aanwezig was zodat er geen sprake is van mededaderschap. Voorts geeft de raadsman aan dat de opzet van verdachte met betrekking tot het gepleegde delict niet gericht was op een overval zodat er geen sprake kan zijn van bewuste samenwerking op het grondfeit.

7.2. Bewijsmiddelen en overwegingen

Met betrekking tot het bewijs overweegt de rechtbank het volgende.

Op 11 oktober 2008 te 01.20 uur komt er via het alarmnummer 112 een melding binnen bij de meldkamer van de politie Limburg Noord. De vaste telefoonlijn die de verbinding met de 112 centrale maakt, staat op naam van [slachtoffer], [adres]. In het proces-verbaal is – voor zover mogelijk – een letterlijke weergave van een deel van de geluidsopname vermeld. Hierin is onder meer te horen: “pak um, pak um, pak um godverdomme”, “pak um boven”, “ Waar is dat ding? Waar is dat pistool? Schiet um op z’n godverdomme” en “schieten”. Ook is een knal en veel gestommel te horen. Ter terechtzitting is het geluidsfragment afgespeeld. De CD-rom met dit fragment bevindt zich in het dossier.

[slachtoffer] doet aangifte van een overval op zijn adres [adres]. Hij verklaart dat hij op 11 oktober 2008 omstreeks 01.10 uur wakker werd en vervolgens in de zitkamer, waar ook de TV staat, de krant is gaan lezen, toen hij plotseling een harde knal hoorde en glasgerinkel. Hij hoorde direct een aantal schoten, die uit dezelfde richting kwamen als het glasgerinkel. Het slachtoffer verklaart dat die schoten snel achter elkaar vielen. Hij zag een viertal kogelgaten in de deur en zag later dat er kogelgaten in de muur zaten. Toen hij nog in de zitkamer was zag hij dat zijn hand bloedde en dat zijn rechterbroekspijp nat/vochtig was. Later zag hij dat deze broekspijp ook bebloed was. De heer [slachtoffer] is gevlucht naar de slaapkamer, die ook op de benedenverdieping ligt. Hij hoorde dat men achter hem aankwam. Hij had de deur van de slaapkamer dicht gedrukt. Men wilde die deur openen, maar hij kon de deur dicht houden door er tegenaan te duwen. Vervolgens is de heer [slachtoffer] naar boven gevlucht naar de kamer, die boven de TV kamer ligt, waar hij onder een tafel is gekropen. Hij hoorde dat de overvallers snel boven waren. Hij zag dat iemand door de deuropening keek en in die kamer met een lamp scheen. Het slachtoffer hoorde vervolgens dat men weer de trap af liep en heeft een stoel gepakt en die vanaf de eerste verdieping achter de overvallers aan gegooid.

Het slachtoffer verklaart een schotwond aan zijn rechterhand te hebben opgelopen en een kogel in zijn been te hebben.

In een nadere verklaring geeft de heer [slachtoffer] aan dat er eerst een schot is gevallen, waarna hij gevlucht is en dat het toen “pang, pang, pang” was. Er was sprake van meerdere schoten. Op 23 oktober 2008 verklaart de heer [slachtoffer] dat een zaklamp en een toerenteller van zijn fiets zijn weggenomen.

De verbalisanten komen ter plaatse en treffen de heer [slachtoffer] aan. De verbalisanten zagen dat de man onder het bloed zat. De man zei: “Kom snel, ik ben overvallen”. De verbalisanten zagen dat de man een flinke hoofdwond had en dat hij hevig bloedde. In de woning treffen de verbalisanten een grote puinhoop aan. Alle kasten waren doorzocht en overal zagen zij bloedsporen. In de bijkeuken nabij de achterdeur lag een grote steen. Deze was vermoedelijk door de ruit naast de achterdeur gegooid. De gehele ruit was vernield en het glas lag door de gehele ruimte verspreid. In de woonkamer zien de verbalisanten dat twee ruiten geheel vernield waren en ook hier lag het glas verspreid. Toen de verbalisanten via de trap naar boven liepen, zagen zij dat in het trappenhuis overal op de vloer en wanden bloedsporen zichtbaar waren.

Op 11 en 12 oktober 2008 heeft technisch onderzoek plaatsgevonden. De verbalisanten zagen dat een ruit van een vast raam van de bijkeuken vernield was. Dit raam bevond zich aan de achterzijde van de woning. Het glas van de ruit lag door de gehele bijkeuken verspreid. De verbalisanten zagen bij de buitendeur van de bijkeuken een klinkersteen liggen. Zij troffen bloedspatten en –druppels aan op de vloer en meubels in de bijkeuken. Via de bijkeuken komt men in de keuken, waar de verbalisanten onder andere bloeddruppels op de vloer aantreffen. Vanuit de keuken komt men in de woonkamer. De ruit van een vast raam van de woonkamer was geheel vernield. Het rechter zijraam stond open. De glasscherven lagen verspreid door de woonkamer. In de binnendeur van de woonkamer naar de gang troffen de verbalisanten diverse gaten (inschoten) aan. Op de vloer van de woonkamer troffen zij voor die deur (loden) projectielen en delen van projectielen aan. Rechts van die deur troffen zij gaten (inschoten) aan in de muur van de woonkamer. Op de vloer van de woonkamer troffen de verbalisanten diverse hulzen aan. In de woonkamer zagen zij bloeddruppels en –spatten op de vloer en meubels. De verbalisanten troffen in de hal van de woning eveneens enkele (loden) delen van projectielen aan. Ter hoogte van de trap zagen zij een stoel ondersteboven op de vloer liggen. Tevens lag bij de trap een bebloede krant. In de slaapkamer van het slachtoffer (begane grond) zagen de verbalisanten een grote hoeveelheid bloed op de vloer ter hoogte van de slaapkamerdeur. Zij zagen dat op een nachtkastje een telefoon stond, die besmeurd was met bloed. Via de trap komt men op de eerste verdieping. Op de traptreden en de trapleuning troffen de verbalisanten bloedsporen aan en in de kamer, gelegen aan de achterzijde, troffen zij een grote hoeveelheid bloed aan op de vloer. In deze kamer stond een tafel met stoelen. Gezien vanuit de deuropening lag een grote bloedplas achter de tafel.

In de woonkamer van de heer [slachtoffer] worden onder meer tien hulzen aangetroffen en negen projectielen, waarvan één in de muur van de woonkamer, twee op de vloer in de woonkamer en zes in de hal.

Uit de bij dit proces-verbaal gevoegde situatieschetsen van inschoten in deur en muur van de woonkamer blijkt dat de inslagen in de deur tussen de TV kamer en de hal zich tussen 77 en 104 cm hoogte bevinden en dat de inslagen in de muur van de TV kamer zich bevinden tussen 42 en 82 cm.

De conclusie van het NFI ten aanzien van de onderzochte hulzen is dat deze met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zijn verschoten met één en hetzelfde vuurwapen. De hulzen, kaliber .22 Long Rifle, zijn vermoedelijk verschoten met een semi-automatisch vuurwapen.

In het dossier bevindt zich een medische verklaring , waarin onder meer is vermeld dat de heer [slachtoffer] op 14 oktober 2008 in het VieCuri Ziekenhuis te Venlo door de forensisch arts is bezocht en dat sprake is geweest van een doorschotletsel aan de buiten(pink)zijde van de rechterhand, waarbij een middenhandsbeentje is verbrijzeld. Verder is een kogel uit het rechterbovenbeen van de heer [slachtoffer] verwijderd. De gehechte snijwond op het voorhoofd zou kunnen passen bij een glasverwonding.

Op 22 januari 2009 werd door de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken bij de rechtbank Roermond, een persoon gehoord op basis van artikel 226a Wetboek van Strafvordering. Deze persoon met de status van bedreigde getuige verklaarde te weten wie bij de overval te Reuver op 11 oktober 2008 betrokken waren. De getuige noemde de (voor-)namen van de bij de overval betrokken personen gaf daarbij een aantal bijzonderheden. De door de getuige genoemde namen betroffen:

- [verdachte 4];

- [verdachte 3];

- [verdachte 2];

- [verdachte 5];

- [verdachte 1].

Naar aanleiding van deze verklaring werd door de politie nader onderzoek ingesteld om de identiteit van de genoemde personen te achterhalen.

Uit dit onderzoek blijkt dat de door de bedreigde getuige bedoelde mannen zijn:

[verdachte 4], [verdachte 3], [verdachte 2], [verdachte 5] en [verdachte 1].

Medeverdachte [verdachte 5] heeft diverse verklaringen afgelegd, waarin hij de aanloop en toedracht van het gebeuren beschreef.

[verdachte 5] verklaart dat er alleen ingebroken zou worden en dat ze hem op het laatste moment hebben gevraagd te komen om de deur stil open te breken. Toen bleek die man wakker en werd er een plan gemaakt. Hij noemt de namen van de andere betrokkenen: [verdachte 3], [verdachte 2], [verdachte 1] en [verdachte 4], en verklaart dat [verdachte 2] hem, [verdachte 5], bedreigde en dat [verdachte 3] een steen door de ruit gooide. [verdachte 5] is door [verdachte 2] naar binnen geduwd door het raam, terwijl hij met een schroevendraaier poogde om het raam uit de sponning te duwen. [verdachte 5] verklaart eerst dat hij niet weet wie er schoot.

Na de gebeurtenissen heeft [verdachte 5] vier uur in de maïs gezeten en zijn de anderen weggegaan. [verdachte 4] zat daar op de uitkijk in de bosjes. Voorts verklaart [verdachte 5] dat ze eerst iemand anders hadden gevraagd om mee te gaan voor de inbraak, maar die had geen tijd. Toen hebben ze hem gebeld. Hij heeft de trein naar Sittard genomen. [verdachte 2] en [verdachte 4] stonden te Sittard in een auto te wachten bij het station. [verdachte 5] verklaart dat het verhaal was dat de zoon van die man wietplantages had en dat het geld daar zou liggen. [verdachte 5] heeft toegestemd omdat hij nodig was voor de deur, omdat er ingebroken zou worden. Aangekomen in Reuver kwamen ze bij een rotonde en reden ze linksaf, het spoor over, rechts op een parkeerplaats. De verbalisant relateert dat het de [adres] betreft. [verdachte 5] verklaart dat ze vervolgens te voet terug naar de rijksweg zijn gelopen, deze zijn overgestoken en een zandweg zijn ingelopen langs een maïsveld in de richting van het huis. Bij een sloot aangekomen troffen ze [verdachte 1] en [verdachte 3]. Daarna zijn ze verder gelopen en is [verdachte 4] nog in de sloot gevallen waarover door [verdachte 3] nog gelachen werd. [verdachte 4] had pijn aan zijn heup en kon niet goed lopen, hij is onderweg op de uitkijk blijven staan, dit moet ergens bij de sloot zijn geweest. [verdachte 5] verklaart dat [verdachte 4] achteraf nog heeft gezegd dat het leek of er oorlog was. De overigen zijn vervolgens via een terrein met bomen doorgelopen naar de woning. [verdachte 5] verklaart daarover dat hij alleen naar de achterdeur is gelopen waarbij de anderen achterbleven in de struiken. Toen [verdachte 5] naar de achterdeur liep sprong de buitenlamp aan. Toen [verdachte 5] binnen een deur zag opengaan en de boer zag lopen is hij teruggegaan naar de groep en heeft tegen de groep gezegd dat het niet door kon gaan, omdat er iemand in de woning liep. [verdachte 2] en [verdachte 3] wilden allebei dat het doorging. Er ontstond discussie en [verdachte 2] dreigde hem, [verdachte 5], dat er iets zou gebeuren als [verdachte 5] niet mee zou gaan. [verdachte 3] kwam toen met het idee om het raam in te gooien en naar binnen te springen. [verdachte 2] en [verdachte 3] pakten toen stenen en hebben de ruit van de woonkamer ingegooid. [verdachte 5] verklaart dat hij met de schroevendraaier glas uit de sponning heeft geduwd en dat hij toen knallen hoorde. Hij verklaart dat hij toen van achteren door iemand naar binnen werd geduwd. Er is volgens [verdachte 5] van buitenaf geschoten. In zijn beleving is er misschien 4 keer geschoten. Hij weet dat [verdachte 1] naast hem stond en dat [verdachte 2] achter hem stond. [verdachte 1] en hij waren als eersten binnen. [verdachte 5] heeft die man nog uit de woonkamer zien gaan door een deur. Hij verklaart in de woonkamer bloed te hebben gezien. [verdachte 5] verklaart dat hij in de woonkamer heeft gestaan en dat de anderen door de deur, waar de boer door is weggegaan, de woning verder binnen zijn gegaan. Op een gegeven moment is iedereen weer teruggekomen in de woonkamer en zijn ze toen door een andere deur weer naar buiten gegaan. [verdachte 5] verklaart dat [verdachte 3] en hij wegrenden en dat [verdachte 1] en [verdachte 2] toen de andere kant zijn opgerend. [verdachte 5] hoorde toen dat er ruiten ingegooid werden. [verdachte 5] en [verdachte 3] zijn elkaar in het maïsveld bij de sloot kwijtgeraakt. Op de hoek kwam [verdachte 5] [verdachte 4] weer tegen. [verdachte 5] ging liggen, toen de politie kwam en toen was [verdachte 4] plotseling weg. [verdachte 5] is later die nacht naar het woonwagenkamp in Reuver gelopen en kwam bij de woonwagen van [verdachte 4] aan. Op een gegeven moment kwam er een auto aan, die stopte bij de woonwagen van [verdachte 3]. In de auto zaten [verdachte 1], [verdachte 2], [verdachte 3], de tipgever en nog een persoon. [verdachte 3] is uitgestapt en daar achtergebleven. Op een gegeven moment is [verdachte 5] in de auto gestapt. De tipgever reed en [verdachte 2] zat ernaast. [verdachte 5] zat samen met [verdachte 1] en die andere jongen achterin. De tipgever vertelde dat ze de verkeerde deur hadden gehad en vertelde waar het geld lag. Nadat ze in Reuver vertrokken zijn, zijn ze rechtstreeks naar Sittard gereden. In de straat bij [verdachte 1] is nog coke gehaald voor [verdachte 3], de tipgever en die andere jongen. [verdachte 5] is vervolgens bij [verdachte 2] thuis op de [adres] gebleven.

[verdachte 5] verklaart voorts dat [verdachte 4] kwaad was dat het zo gebeurd was en dat hij het idee had dat [verdachte 4] dit schieten ook niet zo gewild heeft. Verder verklaart hij dat [verdachte 2] een kennis van hem is, waarmee hij ook bedrijfsinbraken heeft gepleegd. Die [verdachte 2] woont op de [adres] te Sittard. [verda[verdachte 4] kent hij via [verdachte 2]. [verdachte 5] kent [verdachte 4] ook van de inbraken die [verdachte 2] en hij deden. [verdach[verdachte 3] kent hij via [verdachte 4]. De achternaam van [verdachte 1] kent hij niet; het is een jongen uit Sittard, een Antilliaan. [verdachte 5] kent hem via [verdachte 2]. De tipgever is een kennis van [verdachte 4]. Ten tijde van het feit had iedereen een bivakmuts op. [verdachte 5] had deze van [verdachte 4] gekregen. [verdachte 4] had geen bivakmuts op, want die zat op 100 meter afstand. [verdachte 5] verklaart eerst over de schutter dat hij gehoord heeft dat het [verdachte 1] is geweest. Verder geeft [verdachte 5] aan dat hij het geluidsfragment op TV en internet heeft gehoord en dat hij de stem van [verdachte 3], die zegt “schiet hem, schiet hem” heeft herkend.

Op 29 september 2009 verklaart [verdachte 5] dat [verdachte 3] en [verdachte 2] hadden bepaald dat ze koste wat kost naar binnen zouden gaan. Plotseling werden twee ruiten ingegooid. Op een gegeven moment stond [verdachte 5] voor het rechterraam, achter hem stond [verdachte 2]. Links naast hem stond [verdachte 1] en achter [verdachte 1] stond [verdachte 3]. Toen hoorde [verdachte 5] een aantal schoten. [verdachte 5] had een schroevendraaier bij zich, die had hij van [verdachte 4] gekregen. Daarmee probeerde hij het glas uit de sponning te krijgen. Toen heeft kennelijk iemand het raam opengemaakt. Hierna werd [verdachte 5] naar binnen geduwd, hij denkt dat [verdachte 2] dit heeft gedaan. Over de vraag wie er geschoten heeft zegt [verdachte 5] dat hij [verdachte 2] kan uitsluiten, dan had hij het geweten, die stond namelijk achter hem. [verdachte 5] denkt dat dit betekent dat [verdachte 3] of [verdachte 1] dan geschoten heeft. Later heeft hij op de geluidsopname gehoord dat [verdachte 3] heeft gezegd: “schiet hem, schiet hem” en daarom denkt hij dat [verdachte 3] dan ook geen wapen heeft gehad.

Op 30 september 2009 verklaart [verdachte 5] dat de stenen door [verdachte 2] en [verdachte 3] door de ruit waren gegooid. Vervolgens heeft [verdachte 5] glas uit de sponning getikt. Hij verklaart dat toen de gordijnen open gingen er direct werd geschoten. [verdachte 5] zag toen op enig moment die boer, hij zag hem door de kamer lopen naar de deur in de hoek van de kamer; hij was aan het vluchten. Toen klonken ook de schoten. Toen die boer bijna bij de deur was, waardoor hij vluchtte, vielen de schoten. [verdachte 5] werd toen door [verdachte 2] omhoog geduwd en naar binnen geduwd. [verdachte 5] verklaart dat hij een man om hulp hoorde roepen en dat hij meerdere schoten heeft gehoord en dat hij het idee had dat een heel magazijn op die man werd afgevuurd. Toen ze vluchtten liepen [verdachte 5] en [verdachte 3] voorop. Toen zij bij de mai”s aankwamen zag [verdachte 5] dat [verdachte 4] er nog was. Als [verdachte 5] het geluidsfragment van de 112 opname van de overval hoort, herkent hij de stem van [verdachte 3] als degene die zegt: “Pak hem godverdomme”, “pak hem”, “waar is die” en “schiet ‘m op zijn godverdomme”.

Op 14 oktober 2009 verklaart [verdachte 5] dat [verdachte 1] het wapen vast had en dat hij dat pas zag toen de schoten vielen. [verdachte 5] verklaart dat hij tijdens de overval in de woonkamer was en nog even in de gang waar hij aan de deur heeft gevoeld. Hij voelde dat die deurklink met kracht werd tegengehouden. Hij zag dat bloed overal, de klink gaf niet mee. [verdachte 5] verklaart dat toen de anderen eraan kwamen en vroegen waar de boer was, hij toen gezegd heeft dat hij dat niet wist. De anderen stonden toen in de woonkamer een beetje te kijken. [verdachte 5] zei toen dat de man er niet was en ging weer de woonkamer in. Hij zag toen die man uit die deur de gang inlopen, als een schim en dat de deur op een gegeven moment open was. Ze zijn toen in de woonkamer gaan zoeken. [verdachte 5] verklaart dat hij daar toen opzettelijk niets van heeft gezegd om de man de kans te geven weg te komen. Op de vraag wie er naar boven is geweest zegt [verdachte 5] dat dit [verdachte 1] en [verdachte 2] zijn geweest. [verdachte 3] stond in de gang bij [verdachte 5] en was aan het schreeuwen. [verdachte 1] en [verdachte 2] zijn maar heel even boven geweest en toen ze weer naar beneden kwamen werd die stoel door de boer naar beneden gegooid en [verdachte 1] kreeg deze op zich.

Ook verdachte [verdachte 4] heeft over de gebeurtenissen verklaard.

[verdachte 4] verklaart dat hij wist dat de boer, wonende op de [adres] elke zaterdag ging biljarten en dat hij toen die oude man zelf is gaan observeren in een maïsveld, gelege[adres]n de [adressen]. Hij verklaart dat hij daar 4 à 5 zaterdagen is gaan observeren. In de periode van 30 september 2008 tot en met 10 oktober 2008 had [verdachte 4] veel contact, wel meerdere malen per dag, met [verdachte 3] en hij heeft [verdachte 3] de informatie, dat er geld te halen was op de boerderij aan de [adres], verschaft. Met betrekking tot de verklaring van verdachte dat hij [verdachte 3] heeft gebeld dat hij ermee ging kappen heeft verdachte, toen hij ter terechtzitting werd geconfronteerd met de analyse van de historische meetgegevens van het telefoonverkeer tussen hem en [verdachte 3] op 11 oktober 2008, 00.48 uur, aangegeven dat hij niet meer weet of hij [verdachte 3] had gebeld met de mededeling dat hij wilde stoppen en dat het goed zou kunnen dat hij [verdachte 3] niet heeft gebeld.

[verdachte 4] verklaart ongeveer een week na de overval op de boer in Reuver bij de tipgever thuis daarvan te hebben gehoord. Op de geluidsopnamen van de 112 melding herkende hij de stem van een persoon die hij “A” noemt voor 100%. Verder spreekt [verdachte 4] over de betrokkenheid van “B”, “C” en “D”, waarbij “A”, “B” en “C” vertelden: “Nee dan moet je “D“ meenemen, die komt gewoon schietend naar binnen toe.” Zij vertelden dat dit te maken had met Reuver: dat er een steen door een groot raam was gegooid, dat A en B gezegd hebben dat ze gezien hadden dat die boer geraakt was. Later geeft [verdachte 4] aan dat hij met “A” [verdachte 3] bedoelde, met “B” [verdachte 2] en met “C” [verdachte 5]. Als hem een foto van [verdachte 1] wordt getoond blijkt “D” [verdachte 1] te zijn.

Als [verdachte 4] geluidsopnamen van de melding van de gewapende overal in Reuver hoort, verklaart hij de stemmen van [verdachte 3] en [verdachte 2] te herkennen.

Voorts verklaart [verdachte 4] dat het gesprek na de overval 10 à 15 dagen na die overval is geweest, waarbij hij onaangekondigd bij [verdachte 2] aankwam en dat hij daar [verdachte 3], [verdachte 5], [verdachte 2] en een onbekend persoon met een zwarte huidskleur aantrof. [verdachte 3] bevestigde toen dat hij ermee te maken had en [verdachte 5] gaf aan dat hij er een slecht gevoel aan had overgehouden. Volgens [verdachte 4] vertelden [verdachte 3] en [verdachte 5] toen ook dat die zwarte jongen de schutter was.

Op 7 oktober 2009 verklaart [verdachte 4] dat hij gedurende de avond telefoon kreeg van [verdachte 3] met de vraag of ze die avond nog naar de boer gingen. Er werd afgesproken om elkaar bij [verdachte 2] te treffen. [verdachte 2] vroeg toen of er iets te verdienen was. [verdachte 4] vertelde hierop over de boer. Toen was [verdachte 6] daar al rond aan het rijden en aan het kijken. [verdachte 6] had hier toen al contacten met [verdachte 3] over gehad. [verdachte 6] heeft toen tegen [verdachte 3] gezegd dat de auto van de boer er niet was. Er werd besloten dat [verdachte 2] ook mee zou gaan. [verdachte 2] wilde alleen meegaan als zijn maat [verdachte 1] ook mee mocht gaan. Toen [verdachte 1] arriveerde zijn Vet en hij met de auto van [verdachte 3] naar Reuver gereden. [verdachte 2] en [verdachte 4] zijn in Sittard gebleven en hebben later [verdachte 5] opgehaald op het station te Sittard. [verdachte 2], [verdachte 4] en [verdachte 5] zijn toen met de auto van [verdachte 4] naar het kamp te Reuver gereden. Daar aangekomen heeft [verdachte 4] zijn kleding gewisseld en handschoenen, een zaklamp en een schroevendraaier meegenomen. Vervolgens zijn ze gedrieën met de auto van [verdachte 4] weggegaan en hebben ze de auto geparkeerd op de [adres] Vanaf daar zijn ze te voet verder gegaan naar de rotonde waar ze [verdachte 3] en [verdachte 1] troffen. [verdachte 3] zei dat hij met [verdachte 6] gesproken had en dat [verdachte 6] tegen hem gezegd had dat hij twee keer bij de boer was langsgereden en dat hij had gezien dat de auto van de boer er niet stond. Vervolgens is de groep het maïsperceel ingelopen alwaar [verdachte 4] nog in een slootje is gevallen, waar nog om gelachen werd. De groep kreeg toen te horen dat de boer wel thuis was wat bleek uit het aan- en uit- gaan van de verlichting in de woning van de boer. [verdachte 3] nam toen de regie in handen en zei dat hij niet voor niets was gekomen. Dit werd ook door [verdachte 1] aangegeven. [verdachte 1] pakte toen een pistool uit zijn kleding en liet dit pistool aan iedereen zien waardoor er discussie ontstond. [verdachte 2] was laconiek en wilde doorgaan, [verdachte 5] wilde dit niet echt, maar ging toch mee, omdat [verdachte 2] tegen hem zei dat hij mee moest, daar [verdachte 2] nog wat tegoed had van [verdachte 5].

[verdachte 4] verklaart dat hij de woensdag of donderdag na de overval bij [verdachte 2], in het bijzijn van [verdachte 1], [verdachte 3] en [verdachte 5] heeft gehoord wat er gebeurd was. [verdachte 4] hoorde toen dat [verdachte 3] de ruiten met stenen had ingegooid en dat [verdachte 1] toen schietend naar binnen vloog, dat de anderen hiervan waren geschrokken omdat hij het hele magazijn had leeggeschoten en dat [verdachte 1] de enige schutter was. Ook hoorde [verdachte 4] van zijn medeverdachten dat het slachtoffer zich achter een deur had verscholen die ze niet open kregen en dat [verdachte 1] nog door de deur geschoten had en dat het slachtoffer nog een stoel of kruk had gegooid. Over gemaakte afspraken over de buit verklaart [verdachte 4] dat de tipgever iets zou krijgen en dat de anderen, hijzelf dus ook, de rest zouden verdelen.

7.3. Overwegingen van de rechtbank

Met betrekking tot de rol van verdachte overweegt de rechtbank als volgt.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte op het tijdstip voorafgaande aan de overval wist dat een van de medeverdachten een vuurwapen bij zich droeg. Ook wist verdachte, op het moment dat de overval een aanvang nam, dat de heer [slachtoffer] in zijn woning aanwezig was én wakker was. Hierdoor heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat door een van de medeverdachten met het vuurwapen zou worden geschoten en het slachtoffer hierdoor dodelijk zou kunnen worden getroffen. Het (voorwaardelijk) opzet van verdachte is dan ook gericht geweest op de dood van het slachtoffer.

Het enkele feit dat verdachte niet daadwerkelijk in de woning van het slachtoffer is geweest, is geen reden om aan te nemen dat slechts sprake kan zijn van medeplichtigheid. Verdachte heeft vele malen contact gehad met [verdachte 3] over het geld dat bij de heer [slachtoffer] zou liggen, heeft op verschillende zaterdagen op het adres van het slachtoffer observaties verricht en heeft samen met medeverdachte [verdachte 2] medeverdachte [verdachte 5] in Sittard bij het station opgehaald voor de geplande inbraak. Ook zou verdachte meedelen in de buit. De hiervoor genoemde handelingen van verdachte duiden op een dermate nauwe en bewuste samenwerking, dat naar het oordeel van de rechtbank sprake is van medeplegen.

Ten aanzien van de door verdachte gestelde vrijwillige terugtred overweegt de rechtbank het volgende.

Medeverdachte [verdachte 5] heeft verklaard dat verdachte in de maïs op de uitkijk is blijven staan en dat hij verdachte, na het verlaten van de woning, in de directe nabijheid waarnam. Gelet op het tijdsbestek dat de overval minimaal in beslag heeft genomen ( blijkens de 112-melding 4 tot 5 minuten) en de locatie waar [verdachte 5] verdachte aantrof, acht de rechtbank het niet aannemelijk dat verdachte zich, zoals hij zelf heeft verklaard, fysiek van de uitkijkpost gelegen nabij de plaats delict, heeft verwijderd. Bovendien blijkt uit de verklaring van [verdachte 5] dat verdachte hem nog heeft gezegd, dat het wel oorlog leek, wat aangeeft dat verdachte zich in de directe nabijheid van de plaats delict heeft bevonden ten tijde van het schieten. Dat verdachte medeverdachte [verdachte 3] heeft gebeld om te zeggen dat hij niet meer mee deed, acht de rechtbank niet aannemelijk, nu uit de analyse van de meetgegevens van het telefoonverkeer niet gebleken is van een dergelijk gesprek. Verdachte heeft overigens ter terechtzitting verklaard dat hij niet meer weet of hij [verdachte 3] gebeld heeft en dat het goed zou kunnen dat hij niet gebeld heeft.

Nu er voorafgaande aan het betreden van de woning geen afspraken zijn gemaakt dat er met het vuurwapen geschoten zou worden - dan wel dat er anderszins geweld jegens het slachtoffer zou worden toegepast - acht de rechtbank met de officier van justitie en de verdediging niet bewezen dat er sprake is geweest van kalm beraad en rustig overleg. Verdachte wordt dan ook van de primair tenlastegelegde (medeplegen van poging tot) moord vrijgesproken.

Ten aanzien van de subsidiair tenlastegelegde (medeplegen van een poging tot) gekwalificeerde doodslag overweegt de rechtbank als volgt.

Uit niets blijkt dat er naast het tonen van het vuurwapen door medeverdachte [verdachte 1] vooraf, vóór het binnendringen in de woning afspraken zijn gemaakt tussen de verdachten over het gebruik van het vuurwapen. Tevens blijkt niet dat het de bedoeling was door middel van het gebruik van het vuurwapen jegens het slachtoffer het uiteindelijke beoogde doel, namelijk het bemachtigen van de vermeend aanwezige grote geldsom in de woning, te bereiken. Derhalve is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van het in artikel 288 van het Wetboek van Strafrecht bedoelde “oogmerk”.

Op grond van voorstaande acht de rechtbank de meer subsidiair tenlastegelegde medeplegen van poging tot doodslag wettig en overtuigen bewezen.

De rechtbank komt, gelet hierop, niet toe aan het overige door de raadsman gevoerde verweer dat ziet op het meest subsidiair tenlastegelegde.

7.4. Bewezenverklaring

Op grond van voormelde bewijsmiddelen en overwegingen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 11 oktober 2008 te Reuver, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet genoemde [slachtoffer] kogels in het lichaam heeft geschoten en kogels in de richting van die [slachtoffer] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

8. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de kwalificatie

8.1. Kwalificatie

Het ten laste van verdachte bewezenverklaarde levert op het navolgende strafbare misdrijf:

meer subsidiair:

medeplegen van poging tot doodslag.

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij de artikelen 287 juncto 45 en 47 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De strafbaarheid van verdachte

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu niet is gebleken van enige omstandigheid die verdachtes strafbaarheid opheft.

10. De straffen en/of maatregelen

10.1. De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 26 mei 2010 met betrekking tot de op te leggen straf gevorderd dat verdachte ter zake van het subsidiair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van 9 jaar, met aftrek ex artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

10.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman verzoekt de rechtbank de straf te matigen met inachtneming van de beperkte rol die verdachte heeft gehad tijdens het plegen van het delict, de persoonlijke omstandigheden en het justitiële verleden van verdachte.

10.3. De overwegingen van de rechtbank

Verdachte is op 11 oktober 2008 gedurende de nacht, samen met zijn medeverdachten, naar de woning van het 73-jarige slachtoffer gegaan. Eén van de medeverdachten was voorzien van een met scherpe patronen geladen vuurwapen, waarmee, aldaar aangekomen, vrijwel direct vele malen op het slachtoffer, dat zich in de woonkamer bevond en wegvluchtte, is geschoten. Het slachtoffer is daarbij in een been en in de hand geraakt. Daarbij had het maar een fractie gescheeld, of een van de vele kogels had vitale lichaamsdelen getroffen, met naar alle waarschijnlijkheid de dood van het slachtoffer tot gevolg. Wat verdachte en zijn medeverdachten het slachtoffer hebben aangedaan moet voor het slachtoffer een huiveringwekkend gebeuren zijn geweest. Dat geldt temeer nu het geweld heeft plaats gevonden tijdens de nachtelijke uren in de beslotenheid van zijn woning, waar het slachtoffer zich veilig mag wanen. Door deze handelwijze van verdachte en zijn mededaders is het slachtoffer zeer ernstig in zijn veiligheidsgevoelens aangetast. Verdachte heeft, terwijl hij wist dat er geschoten was, zich volstrekt niet om het lot van het slachtoffer bekommerd. Ter terechtzitting is gebleken dat het slachtoffer als gevolg van het opgelopen letsel nog steeds ernstig nadeel ondervindt in zijn gezondheid en functioneren.

Het door de rechtbank bewezen verklaarde feit is een bijzonder ernstig feit, waardoor tevens het gevoel van veiligheid in de samenleving in het algemeen en dat van het slachtoffer in het bijzonder is aangetast. Dergelijk handelen, dat een voor de rechtsorde zeer schokkend karakter draagt, rechtvaardigt zonder meer een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank houdt er ten voordele van verdachte rekening mee dat hij niet actief betrokken was bij het binnendringen van de woning en dat hij door de omstandigheid dat hij op de uitkijk stond ook geen invloed meer kon uitoefenen op het gedrag van zijn mededaders in de woning.

Daarnaast houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte blijkens zijn justitiële documentatie van 28 april 2010 niet eerder is veroordeeld wegens geweldsdelicten en met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals deze zijn vermeld in het reclasseringsrapport d.d. 20 mei 2010.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, omdat de rechtbank het door de officier van justitie gevorderde subsidiair ten laste gelegde niet bewezen acht.

De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving een langdurige gevangenisstraf dient te worden opgelegd.

10.4. Onttrekking aan het verkeer

De rechtbank is van oordeel dat het inbeslaggenomene, te weten:

08-123280 1 rode plastic zak, inhoudende 63 blauwe buisjes vloeistof;

08-123280 1 plastic zakje met daarin hennep 70,8 gram;

08-123280 1 kentekenplaat GQD-153;

dient te worden onttrokken aan het verkeer.

Genoemde, verdachte toebehorende, voorwerpen zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet (vloeistof en hennep) en het algemeen belang (kentekenplaat), terwijl die voorwerpen bij gelegenheid van het onderzoek naar het door hem begane misdrijf zijn aangetroffen.

10.5. De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

[slachtoffer], wonende te [adres], heeft een vordering benadeelde partij ingediend met betrekking tot de als gevolg van het hiervoor ten laste gelegde feit geleden materiële en immateriële schade.

[slachtoffer] voornoemd heeft de materiële schade op een bedrag van € 8.284,33 en de immateriële schade op een bedrag van € 15.000,-- gesteld, en wil die schades vergoed krijgen. In de vordering is vermeld dat hiervan een bedrag ad € 12.515,33 is vergoed door het Schadefonds Geweldsmisdrijven, maar gelet op de verklaring van het slachtoffer ter terechtzitting, dat hij dit bedrag dient terug te betalen aan het Schadefonds als hij de schadevergoeding van de verdachten heeft ontvangen, laat de rechtbank dit gegeven bij de beoordeling van de vordering van de benadeelde partij buiten beschouwing.

Ten laste van verdachte is het hiervoor primair ten laste gelegde feit bewezen. Het is een strafbaar feit en verdachte zal ter zake van dat feit worden veroordeeld.

Met betrekking tot de toewijsbaarheid van de hoogte van de schade overweegt de rechtbank als volgt.

Naar het oordeel van de rechtbank kan de omvang van de schade door de strafrechter – in tegenstelling tot de burgerlijke rechter – nimmer voorlopig (en dus bij wijze van voorschot) worden begroot (HR 19 maart 2002, NJ 2002, 497). De rechtbank begrijpt de vordering aldus dat de benadeelde partij zich het recht voorbehoudt aanvullende schade te vorderen.

Ten aanzien van de materiële schade:

De post “eigen bijdrage zorgverzekeraar 2008” ad € 155,-- is niet onderbouwd en de post “beveiligingskosten” ziet gedeeltelijk (bedrag ad € 850,--) op huisdeurbeveiliging, welk gedeelte geen rechtstreeks verband houdt met het bewezen verklaarde feit. De benadeelde partij dient voor wat betreft dit gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk verklaard te worden.

Ten aanzien van de post “eigen bijdrage psycholoog” gaat de rechtbank uit van een bedrag van € 130,--, zulks gelet op de bij de vordering gevoegde bewijsstukken.

Met betrekking tot de post “ziekenhuisdaggeldvergoeding” is bij de opstelling van de vordering van de benadeelde partij ten onrechte uitgegaan van een ziekenhuisopname van 35 dagen, terwijl ter terechtzitting is vastgesteld dat dit 5 dagen heeft betroffen. Een bedrag van 5 x € 25,-- = € 125,-- is derhalve voor toewijzing vastbaar. Het overige gedeelte ad € 750,-- dient te worden afgewezen. Voor wat betreft de post “verwoeste kleding” acht de rechtbank een bedrag van € 100,-- passend, zodat het overige gedeelte van de vordering dat daarop ziet, te weten € 24,99, eveneens dient te worden afgewezen. De vordering zal voor een gedeelte van € 774,99 worden afgewezen.

Ten aanzien van de immateriële schade:

De benadeelde partij heeft het bedrag van de immateriële schade gesteld op € 15.000,--.

Gelet op de aard en de impact van het bewezenverklaarde, waarvoor verdachte wordt veroordeeld, is het een ervaringsregel dat daardoor bij het slachtoffer immateriële schade van enige omvang kan worden teweeggebracht.

De rechtbank stelt het bedrag van de immateriële schade vast op € 10.000,--.

Ten aanzien van een bedrag van € 5.000,-- aan immateriële schadevergoeding die de hierboven genoemde € 10.000,-- te boven gaat, is deze vordering in het strafproces niet van eenvoudige aard. In zoverre kan [slachtoffer] derhalve niet in zijn vordering bij de strafrechter worden ontvangen. De benadeelde partij zal voor dat deel niet ontvankelijk in haar vordering dienen te worden verklaard en de rechtbank zal bepalen dat de benadeelde partij het deel van de vordering waarin zij niet ontvankelijk dient te worden verklaard, slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank de volgende schadevergoeding toewijzen:

- eigen bijdrage conform vergoedingenbesluit VGZ € 175,--

- eigen bijdrage psycholoog € 130,--

- kosten medicijnen € 27,--

- ziekenhuis daggeldvergoeding (5 dagen) € 125,--

- huishoudelijke hulp en mantelzorg € 1.020,--

- verwoeste kleding € 100,--

- beveiligingskosten (gedeelte dat ziet op reparatie) € 505,99

- reparatiekosten € 4.384,55

- kilometerkosten € 76,80

- immateriële schade € 10.000,--

-------------

Totaal derhalve: E 16.544,34

Gelet op het vorenstaande is de vordering naar het oordeel van de rechtbank tot een totaalbedrag ad € 16.544,34 voor toewijzing vatbaar. Dit gedeelte van de vordering is door verdachte niet weersproken. Gelet hierop zal de rechtbank het schadebedrag vaststellen op een totaalbedrag van € 16.544,34.

Verdachte is naar burgerlijk recht, samen met zijn mededaders, hoofdelijk aansprakelijk voor deze schade.

De rechtbank zal de verdachte veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag gemaakt, begroot op nihil.

De rechtbank zal over de vordering van de benadeelde partij, overeenkomstig het hiervoren overwogene, beslissen zoals hierna is vermeld, alsmede over de kosten die door de benadeelde partij zijn gemaakt, thans begroot op nihil.

De rechtbank zal derhalve tevens aan verdachte en zijn mededaders, hoofdelijk, de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van € 16.544,34, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 117 dagen, te betalen ten behoeve van [slachtoffer] voornoemd, zoals hierna in het dictum genoemd.

11. Toepasselijke wetsartikelen

Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 24c, 27, 36b, 36c, 36f, 45, 47, 287

12. Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het meer subsidiair ten laste gelegde zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verstaat dat het aldus bewezenverklaarde het hiervoor vermelde strafbare feit oplevert en verklaart verdachte ter zake strafbaar;

veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van 4 jaren;

beveelt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

verklaart onttrokken aan het verkeer:

08-123280 1 rode plastic zak, inhoudende 63 blauwe buisjes vloeistof;

08-123280 1 plastic zakje met daarin hennep 70,8 gram;

08-123280 1 kentekenplaat GQD-153;

wijst toe de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 16.544,34;

veroordeelt verdachte om tegen bewijs van betaling aan benadeelde partij [slachtoffer], [adres] , te betalen een bedrag van € 16.544,34;

bepaalt dat de verdachte zal zijn bevrijd voor zover voornoemde benadeelde partij - al dan niet via de betaling aan de Staat - door (één van) verdachtes mededaders is voldaan;

verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] ten aanzien van een bedrag van € 6.005,-- niet ontvankelijk, met bepaling dat de benadeelde partij het deel van de vordering waarin zij niet ontvankelijk is slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

wijst af de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] voor wat betreft een bedrag van € 774,99;

legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat te betalen een som geld ten bedrage van € 16.544,34, subsidiair 117 dagen hechtenis, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer], wonende te [adres], met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat indien verdachte en/of (een van) zijn mededader(s) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 16.544,34, ten behoeve van voornoemd slachtoffer, daarmede de verplichting van verdachte om dit bedrag aan voornoemde benadeelde partij te betalen komt te vervallen en dat indien dit bedrag door verdachte en/of (een van) zijn mededader(s) aan voornoemde benadeelde partij is betaald, daarmee de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat ten behoeve van voornoemd slachtoffer komt te vervallen;

veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Vonnis gewezen door mrs. M.J.A.G. van Baal, A.K. Kleine en W.A.H.J. Poppeliers, rechters, van wie mr. M.J.A.G. van Baal voorzitter, in tegenwoordigheid van C. van Est en mr. F.A.H. Peters als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 10 juni 2010.