Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2010:BM5306

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
18-05-2010
Datum publicatie
26-05-2010
Zaaknummer
04/800004-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van zware mishandeling, omdat het zwaar lichamelijk letsel reeds eerder was toegebracht. Bewezenverklaring van poging tot zware mishandeling met voorbedachten rade, bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en bezit van een vuurwapen met munitie. Verdachte stelt dat aan het slachtoffer slechts één klap is gegeven. Uit het letsel en de verklaringen leidt de rechtbank af dat het slachtoffer meerdere malen door verdachte en zijn mededader is geslagen en dat er opzet was tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Dat er een vooropgezet plan was blijkt uit de omstandigheid dat meteen bij de eerste confrontatie is geslagen en telefoongesprekken en sms-berichten van verdachte. De gehele gang van zaken en de verklaringen van de verdachten over hun aanwezigheid ter plaatse vormen voorts voldoende bewijs voor de bedreiging.

Geen strafoplegging voor wapenbezit, omdat het weliswaar verboden is, maar slechts een aan een sleutelhanger hangend klein pistooltje betrof.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector strafrecht

Parketnummer : 04/800004-10

Datum uitspraak : 18 mei 2010

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Roermond, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de zaak tegen:

[verdachte 1],

[geboortedatum],

[adres].

1. Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting

van 4 mei 2010.

2. De tenlastelegging

De verdachte staat terecht ter zake dat:

1.

hij op of omstreeks 11 september 2009 in de gemeente Weert tezamen en in vereniging met [verdachte 2], althans alleen, aan [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel (4 gebroken ribben) heeft toegebracht, door tezamen en in vereniging met die [verdachte 2], althans alleen, die [slachtoffer] - toen deze op de grond lag - opzettelijk na kalm beraad en rustig overleg meermalen tegen diens ribben en/of in of tegen diens gezicht en/of elders tegen diens lichaam te schoppen en/of te slaan;

(artikel 303 van het Wetboek van Strafrecht)

Althans indien terzake het vorenstaande onder 1 geen veroordeling zou volgen:

hij op of omstreeks 11 september 2009 in de gemeente Weert ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met [verdachte 2], althans alleen, aan [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk

letsel toe te brengen, met dat opzet tezamen en in vereniging met die [verdachte 2], althans alleen, die [slachtoffer] - toen deze op de grond lag - na kalm beraad en rustig overleg meermalen tegen diens bovenlichaam en/of in of tegen diens gezicht en/of elders tegen diens lichaam heeft geschopt en/of heeft geslagen;

(artikel 303 van het Wetboek van Strafrecht)

Althans indien terzake al het vorenstaande onder 1 geen veroordeling zou volgen:

hij op of omstreeks 11 september 2009 in de gemeente Weert tezamen en in vereniging met [verdachte 2], althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade mishandelend [slachtoffer], na kalm beraad en rustig overleg, meermalen, althans eenmaal, heeft geschopt en/of meermalen, althans eenmaal, heeft geslagen, tengevolge waarvan die [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel (4 gebroken ribben), althans enig lichamelijk letsel, heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

(artikel 301 van het Wetboek van Strafrecht)

2.

hij op of omstreeks 11 september 2009 in de gemeente Weert tezamen en in vereniging met [verdachte 2], althans alleen, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte tezamen en in vereniging met die [verdachte 2], althans alleen, opzettelijk dreigend een mes op de keel van die [slachtoffer] gezet of gedrukt, in elk geval dreigend een mes in zijn hand(en) gehouden in de directe nabijheid van die [slachtoffer], en/of (daarbij) deze dreigend de woorden toegevoegd : "Ik laat mij niet oplichten, ik snij je kop er van af" en/of "[verdachte 1] niet doorgaan, als hij het niet brengt dan krijgt hij ze morgen weer en anders knal ik hem wel af", in elk geval woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

(artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht)

3.

hij op of omstreeks 25 januari 2010 in de gemeente Weert een vuurwapen van categorie III onder 1e, te weten een (alarm en/of sein)pistool (merk Berloque) en/of munitie van categorie III, te weten 25, in elk geval een aantal patronen, voorhanden heeft gehad.

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.

(artikel 26 van de Wet wapens en munitie)

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3. De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4. De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

6. Schorsing der vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7. Bewijsoverwegingen

7.1. Standpunten van de officier van justitie en de verdediging.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 4 mei 2010 gevorderd dat de verdachte ten aanzien van het onder 1 primair en het onder 2 ten laste gelegde zal worden vrijgesproken en dat het onder 1 subsidiair en het onder 3 ten laste gelegde zal worden bewezen verklaard.

De officier van justitie heeft daartoe ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde aangevoerd dat verdachte en twee andere personen, waaronder [verdachte 1], naar het slachtoffer [slachtoffer] toe zijn gegaan met het vooropgezette plan om hem klappen te geven, zodat hij snel een bedrag dat [slachtoffer] nog schuldig zou zijn, zou betalen. In de hal voor de deur van de woning van [slachtoffer] zijn zij, direct nadat [slachtoffer] de deur had geopend, begonnen met slaan. Vervolgens hebben zij [slachtoffer] bedreigd. Verdachte heeft [slachtoffer] voorts tijdens het verhoor door de politie nogmaals bedreigd.

De officier van justitie heeft voorts aangevoerd dat de stelling van verdachte en zijn mededader dat zij naar [slachtoffer] toe waren gereden omdat deze autobanden aan hen zou kunnen leveren, doch dat [slachtoffer] hen in de hal stond op te wachten met een mes in zijn hand en dat verdachte hem daarom een klap heeft gegeven, en dat er voorts geen sprake was van een bedreiging, niet geloofwaardig te achten. De officier van justitie heeft in dit verband gewezen op de tegenstrijdigheden in hun verklaringen en de inhoud van tapgesprekken waarin verdachte en zijn mededader uitgebreid ingaan op het gebeurde.

Ten aanzien van feit 3 heeft de officier van justitie voorts aangevoerd dat het wapen weliswaar een klein pistooltje betrof, maar dat dit er dreigend uitzag.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 primair, 1 subsidiair, 1 meer subsidiair en 2 ten laste gelegde. Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde heeft de verdediging aangevoerd dat het wapen een sleutelhanger met daaraan een klein pistooltje betrof dat niet echt bestemd was om daarmee te schieten.

De raadsman heeft ter onderbouwing van het standpunt ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde aangevoerd dat er alle reden is om aan te nemen dat zowel de aangever [slachtoffer] als [verdachte 2] overdrijven in hun verklaringen.

Ten aanzien van de voorbedachten rade stelt de raadsman dat het idee om naar [slachtoffer] te gaan niet in het café is opgekomen, maar dat zij in de auto op het idee zijn gekomen om naar [slachtoffer] toe te gaan om aan banden te komen. [slachtoffer] verkeerde in een flash als gevolg van cocaïnegebruik en heeft alles waarschijnlijk veel heftiger beleefd dan feitelijk het geval was.

Omdat [slachtoffer] pas op 17 september 2009 aangifte heeft gedaan, is voorts niet duidelijk wat er is gebeurd voordat verdachte en zijn medeverdachte bij de woning van [slachtoffer] kwamen en ook niet direct daarna. Duidelijk is wel dat [slachtoffer] grote behoefte aan geld heeft. Zijn verklaringen zijn zo onbetrouwbaar dat deze niet voor het bewijs gebruikt mogen worden.

Ten aanzien van de verklaringen van [verdachte 2] heeft de raadsman aangevoerd dat deze zaken sterk aangedikt heeft. Uit een telefoontap blijkt dat [getuige 1] een gematigd verhaal heeft, maar dat [verdachte 2] het verhaal vanaf de achtergrond sterk aandikt. [verdachte 2] stelt op pagina 338 van het proces-verbaal van politie zelf dat hij wel grootspraak gebruikt. Dat behoort tot zijn karaktertrek en zijn verklaringen moeten dan ook niet te letterlijk worden genomen. De raadsman concludeert dat er geen feitelijk betrouwbaar bewijs voorhanden is, zodat verdachte van het onder 1 en 2 ten laste gelegde moet worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman aangevoerd dat de tenlastelegging onduidelijk is.

7.2. (Vrijspraak)overwegingen van de rechtbank

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

In het bijzonder acht de rechtbank geen bewijs voorhanden dat aan het slachtoffer [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel is toegebracht. Weliswaar houdt de medische verklaring in dat bij het slachtoffer 4 gebroken ribben zijn geconstateerd, maar bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het slachtoffer dit letsel niet op 11 september 2009, doch reeds voor die datum heeft opgelopen.

7.3. Bewijsmiddelen en overwegingen van de rechtbank

De rechtbank constateert met de verdediging dat de verklaringen van de aangever [slachtoffer] op onderdelen onjuist zijn en dat daarin tegenstrijdigheden voorkomen. Dit maakt de verklaringen op vele wezenlijke onderdelen echter niet onbetrouwbaar. Wat de aangever herhaaldelijk heeft verklaard komt immers in essentie overeen en vindt steun in andere bewijsmiddelen.

Het door de aangever beweerde schoppen door verdachte en zijn medeverdachte vindt geen bevestiging in het letsel dat bij de aangever is geconstateerd noch in andere bewijsmiddelen, zodat dit onderdeel van het bewijs dient te worden uitgesloten. Andere onderdelen van de verklaringen van de aangever vinden echter bevestiging dan wel steun in andere bewijsmiddelen, zodat de rechtbank deze onderdelen voor het wettig en overtuigend bewijs bruikbaar acht.

De rechtbank ziet voorts ook geen aanleiding om de verklaringen van [verdachte 2] uit te sluiten van het bewijs omdat deze sterk overdreven zouden zijn, nu deze verklaringen op veel onderdelen overeenkomen met wezenlijke onderdelen van de verklaring van [slachtoffer] en andere getuigen.

De overtuiging van de rechtbank dat de verdachte het onder 1 subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen.

De hieronder vermelde bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit, waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

De genoemde geschriften worden slechts gebruikt in verband met de inhoud van de overige bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen ten aanzien van feit 1 subsidiair en feit 2 .

[verdachte 1], die ook [verdachte 1] wordt genoemd , en [verdachte 2] zitten op 11 september 2009 in café [naam] te Weert en hebben het er over dat [verdachte 1] van [slachtoffer] nog € 2.000,-- moet krijgen . [slachtoffer] moet dat bedrag al een jaar lang betalen maar heeft dat nog steeds niet gedaan. Zij vinden dat [slachtoffer] eerder had moeten betalen en besluiten [slachtoffer] op te zoeken en hem aan te sporen tot betaling . Samen met [getuige 1] stappen zij in de auto en rijden naar de woning van [slachtoffer] aan de [adres] te Weert. Zij bellen omstreeks 17.30 uur/18.00 uur aan en wanneer de deur wordt geopend lopen zij alle drie de trap op naar de woning van [slachtoffer]. [slachtoffer], die volgens [verdachte 2] slechts ongeveer 45 kilogram weegt, staat boven aan de trap en wanneer zij boven zijn slaat [verdachte 2], een sterke stukadoor met een gewicht van 105 kilogram, hem meteen hard in het gezicht. Vervolgens slaat [verdachte 2] hem met een gebalde vuist tegen zijn strot. Daarna slaat [verdachte 1] hem met zijn gebalde vuist ook recht in zijn gezicht en op zijn hoofd. Daarna wordt hij door zowel [verdachte 2] als [verdachte 1] nog een aantal keren geslagen. Hij wordt zodanig hard geslagen dat hij op de bank terechtkomt. Dan ziet hij dat [verdachte 1] een mes in zijn hand heeft en dat deze bovenop hem gaat zitten. Hij voelt dat [verdachte 1] het mes op zijn keel zet en dat [verdachte 1] vervolgens zegt: “Ik laat mij niet oplichten, ik snij je kop er van af”. Dan hoort hij [verdachte 2] zeggen: “[verdachte 1] niet doorgaan, als hij het niet brengt dat krijgt hij ze morgen weer en anders knal ik hem wel af”. Nadat hij in elkaar is geslagen bloedt [slachtoffer] uit zijn neus, mond, keel, boven een oog en op zijn hoofd. [getuige 2], die zich ook in de woning van [slachtoffer] bevond, verklaart later dat hij bang was dat het bloed tegen hem aan zou spuiten. [getuige 3] ziet op 11 september 2009 korte tijd na het voorval dat het hele gezicht van [slachtoffer] onder het bloed zit. Ook mist [slachtoffer] aan de voorzijde van zijn gebit een boventand en van een andere tand is een stukje af. Hij heeft een gezwollen kaak en een gezwollen neus. Daarnaast heeft hij een kapotte bril. Hij heeft nog geregeld last van hoofdpijn en is af en toe duizelig. Op 17 september 2009 heeft hij nog steeds blauwe ogen.

[getuige 4] heeft [slachtoffer] ongeveer 10 dagen na het gebeuren nog gezien en zij constateerde dat [slachtoffer] er toen nog behoorlijk gehavend uitzag: hij had in zijn gezicht veel bloeduitstortingen en een gezwollen kaak.

[verdachte 2] zegt een dag later in een telefoongesprek met een onbekende man dat hij op 11 september 2009 met zijn oom in de kroeg was en dat hij nog veel geld van iemand kreeg. Dat moest opgehaald worden en daarom zijn zij die persoon gaan opzoeken. Verder vertelt [verdachte 2] dat die persoon, [slachtoffer], klappen heeft gehad van hem en [verdachte 1]. [verdachte 2] en [verdachte 1] veronderstellen een dag later dat zij [slachtoffer] zo hard hebben geraakt dat deze zijn kaak op twee plaatsen en zijn neus op vier plaatsen heeft gebroken, dat zijn ribben allemaal zijn gekneusd en dat hij verschillende gaten boven in zijn hoofd heeft die gehecht moeten worden.

Ten aanzien van feit 3.

Op 25 januari 2010 vindt een doorzoeking plaats in de woning van verdachte in Weert, [adres]. Hierbij wordt een doosje met daarin een Berloque pistooltje met munitie, te weten 22 patronen en 3 seinpatronen aangetroffen. Bij onderzoek blijkt het alarm/seinpistool geschikt te zijn om projectielen of stoffen door een loop af te schieten. De werking berust op het teweegbrengen van een scheikundige ontploffing of een andere scheikundige reactie. Het pistool is derhalve een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3, gelet op artikel 2 lid 1 categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie.

De patronen zijn geschikt of bestemd om door middel van een vuurwapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 categorie III van de Wet wapens en munitie te worden afgeschoten. De patronen zijn dan ook munitie in de zin van artikel 1 lid 1 onder 4e gelet op artikel 2 lid 2 categorie III van de Wet wapens en munitie.

Verdachte verklaart dat het pistool en de munitie van hem zijn en dat hij het op 25 januari 2010 in zijn woning in Weert voorhanden heeft gehad.

Bewijsoverwegingen van de rechtbank.

Voor de onder 1 subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling met voorbedachten rade is allereerst vereist een vooropgezet plan om de ander zwaar lichamelijk letsel toe te brengen en vervolgens dat het opzet zich heeft geopenbaard in een begin van uitvoering van een handeling die, indien voltooid, zwaar lichamelijk letsel zou hebben toegebracht.

Uit de verklaring van de aangever met betrekking tot het letsel, de verklaring van [getuige 3] dat het hele gezicht van [slachtoffer] onder het bloed zat, het door de [verbalisant] op 17 september 2009 nog geconstateerde letsel en de verklaring van [getuige 2] dat hij bang was dat het bloed tegen hem aan zou spuiten leidt de rechtbank af dat er niet slechts sprake is geweest van één klap, zoals door de verdediging is beweerd, maar dat de aangever meermalen is geslagen. Dit wordt bevestigd door de verklaring van [verdachte 2] in het telefoongesprek van 12 september 2009 dat de aangever klappen heeft gehad van hem en [verdachte 1].

Dat er sprake was van een vooropgezet plan om gezamenlijk [slachtoffer] door middel van het toepassen van geweld te bewegen tot het betalen van het verschuldigde bedrag blijkt uit de verklaring van [slachtoffer] dat hij meteen bij het eerste contact met verdachte en zijn medeverdachte een klap kreeg en de verklaringen van [verdachte 2] in de telefoongesprekken van 11 en 12 september 2009 en het sms-bericht van 12 september 2009. Hieruit blijkt dat [verdachte 2] op 11 september 2009 met zijn oom in de kroeg was en dat hij nog veel geld kreeg van [slachtoffer], dat dit geld opgehaald moest worden, dat zij hem daarom zijn gaan opzoeken en dat [slachtoffer] klappen heeft gehad van hem en [verdachte 1]. De verdachte en de medeverdachte hadden dus de gelegenheid om over de betekenis en de gevolgen van hun voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven.

Uit de aard van het letsel leidt de rechtbank voorts af dat verdachte en de medeverdachte het slachtoffer met gebalde vuisten hard op zijn hoofd en keel hebben geslagen. De rechtbank betrekt bij dit toegepaste geweld tevens de omstandigheid dat [verdachte 2] als stukadoor met een gewicht van ongeveer 105 kilogram over aanzienlijk meer kracht beschikt dan [slachtoffer], die volgens [verdachte 2] slechts ongeveer 45 kilogram zou wegen. Door het slachtoffer aldus meermalen hard op willekeurige plaatsen op diens hoofd en zijn keel te slaan hebben verdachte en de medeverdachte zich naar het oordeel van de rechtbank bewust blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat door die klappen aan het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zou worden toegebracht en hebben zij die kans ook bewust aanvaard. Dat door het toegepaste geweld niet daadwerkelijk zwaar lichamelijk letsel aan het slachtoffer is toegebracht, maakt dat slechts sprake is van een poging.

Ten aanzien van feit 2 wordt de volgens de aangever geuite bedreiging weliswaar niet door andere getuigen bevestigd. De gehele gang van zaken echter, waarbij verdachte en de medeverdachte hebben bekend dat zij zich in de woning van het slachtoffer [slachtoffer] hebben bevonden tegen de achtergrond van het bewezen verklaarde gewelddadige optreden tegen [slachtoffer], is naar het oordeel van de rechtbank voldoende wettig en overtuigend ondersteunend bewijs voor dit feit.

Overige overwegingen van de rechtbank

De verdediging heeft gesteld dat niet duidelijk is wat er met het slachtoffer is gebeurd voor en na het bezoek van verdachte en de medeverdachte, nu hij pas op 17 september 2009 aangifte heeft gedaan.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen aanwijzingen gebleken voor een andere oorzaak voor het letsel bij [slachtoffer] dan dat dit als gevolg van de door verdachte en zijn medeverdachte toegebrachte klappen zijn ontstaan, zulks gelet op de verklaringen van [verdachte 2] in de telefoongesprekken en de verklaring van [getuige 2]. [getuige 4] ziet op 11 september 2009 [slachtoffer] kort voordat verdachte en zijn medeverdachte bij de woning aankomen en volgens haar zag [slachtoffer] er toen heel rustig uit. [getuige 3] ziet op 11 september 2009 korte tijd na het voorval dat het hele gezicht van [slachtoffer] onder het bloed zit. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van het slachtoffer dat de verwondingen een gevolg zijn van de klappen die hij van verdachte en de medeverdachte op 11 september 2009 heeft gehad.

7.4. Bewezenverklaring

Op grond van voormelde bewijsmiddelen en overwegingen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 11 september 2009 in de gemeente Weert ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met [verdachte 2] aan [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet tezamen en in vereniging met die [verdachte 2] die [slachtoffer] na kalm beraad en rustig overleg meermalen tegen diens gezicht en elders tegen diens lichaam heeft geslagen;

2.

hij op 11 september 2009 in de gemeente Weert tezamen en in vereniging met [verdachte 2] [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte tezamen en in vereniging met die [verdachte 2] opzettelijk dreigend een mes op de keel van die [slachtoffer] gezet en daarbij deze dreigend de woorden toegevoegd: "Ik laat mij niet oplichten, ik snij je kop er van af" en "[verdachte 1] niet doorgaan, als hij het niet brengt dan krijgt hij ze morgen weer en anders knal ik hem wel af";

3.

hij op 25 januari 2010 in de gemeente Weert een vuurwapen van categorie III onder 1e, te weten een (alarm en/of sein)pistool (merk Berloque) en munitie van categorie III, te weten 25 patronen, voorhanden heeft gehad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen.

Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde en de kwalificatie

Het ten laste van verdachte bewezen verklaarde levert op de navolgende strafbare misdrijven.

Ten aanzien van feit 1 subsidiair:

medeplegen van poging tot zware mishandeling gepleegd met voorbedachten rade.

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij artikel 303 in verband met de artikelen 45 en 47 van het Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van feit 2:

medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij artikel 285 in verband met artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van feit 3:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

De misdrijven zijn strafbaar gesteld bij artikel 55 van de Wet wapens en munitie.

9. De strafbaarheid van verdachte

De verdachte is strafbaar voor het bewezen verklaarde nu niet is gebleken van enige omstandigheid die verdachtes strafbaarheid opheft.

10. De straffen en/of maatregelen

10.1. De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 4 mei 2010 met betrekking tot de op te leggen straf gevorderd dat verdachte ter zake van het onder feit 1 subsidiair en 3 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van 171 dagen, met aftrek ex artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

10.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, gelet op het pleidooi voor vrijspraak ten aanzien van de feiten 1 en 2, geen standpunt ingenomen over de straf. Ten aanzien van het onder 3 bewezen verklaarde feit heeft de raadsman aangevoerd dat dit slechts een gering feit betreft omdat het pistooltje slechts een sleutelhanger is en heeft verzocht voor dit feit, evenals voor het ad informandum gevoegde feit, geen straf of maatregel op te leggen.

10.3. De overwegingen van de rechtbank

Verdachte en zijn mededader hebben op 11 september 2009 op bijzonder ernstige wijze inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer [slachtoffer] door deze op grove wijze verwondingen toe te brengen en te bedreigen. De rechtbank rekent de verdachte bijzonder aan dat de feiten zijn gepleegd in de woning van het slachtoffer, een plaats waar deze zich veilig mocht wanen.

Het slachtoffer heeft een viertal weken veel pijn ondervonden en een tand is afgebroken. Hij heeft aanhoudende klachten aan zijn nek en daarvoor heeft hij fysiotherapie nodig. Ook heeft hij als gevolg van het voorval thuis hulp nodig gehad. De feiten hebben hem angsten en problemen met slapen bezorgd. Hij voelt zich niet meer veilig in zijn eigen omgeving.

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank er ten bezware van verdachte rekening mee dat verdachte heeft erkend zich schuldig te hebben gemaakt aan het onder aan de dagvaarding ad informandum gevoegd feit, te weten:

800004-10, 25 januari 2010, [adres], Weert, gemeente Weert: voorhanden hebben van een wapen van categorie II onder 6°.

De rechtbank heeft bij de strafoplegging rekening gehouden met de onder 1 subsidiair en onder 2 ten laste gelegde feiten en niet met het onder 3 gepleegde feit, gelet op de aard van het bij verdachte aangetroffen pistool, .

De rechtbank is, gelet op de bijzondere ernst van de onder 1 subsidiair en 2 gepleegde feiten, van oordeel dat aan verdachte een gevangenisstraf met een aanzienlijk voorwaardelijk deel dient te worden opgelegd. De rechtbank houdt echter rekening met de omstandigheid dat de beide feiten onderdeel vormen van één feitencomplex en voorts met de inhoud van het omtrent verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport van de Reclassering Nederland te Roermond van 22 april 2010.

Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat volstaan kan worden met een onvoorwaardelijke deel overeenkomstig het reeds in voorlopige hechtenis doorgebrachte gedeelte. Anders dan door de reclassering is geadviseerd zal de rechtbank een deels voorwaardelijke straf opleggen, zodat de strafoplegging dienstbaar wordt gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

10.4. Onttrekking aan het verkeer

De rechtbank is van oordeel dat het inbeslaggenomene, te weten 1 wapen, kleur zilver, Berloque enkelschots alarm/seinpistool, kaliber 2mm en 25 stuks munitie, kleur brons, kaliber 2 mm, lengte 3,5 mm (22 patronen en 3 seinpatronen), dient te worden onttrokken aan het verkeer.

Genoemde voorwerpen zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer aangezien met betrekking tot die voorwerpen het onder 3 bewezen verklaarde feit is begaan, terwijl die voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

10.5. De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

[slachtoffer], wonende te [adres], heeft een vordering benadeelde partij ingediend met betrekking tot de als gevolg van de hiervoor onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten geleden materiële en immateriële schade.

[slachtoffer] voornoemd heeft de materiële schade, op een bedrag van € 4.963,-- en de immateriële schade op een bedrag van € 1.000,-- gesteld en wil die schades vergoed krijgen.

Met betrekking tot de materiële schade is de vordering opgebouwd uit de navolgende posten:

a. Beurs met daarin een bedrag van € 280,--;

b. Paspoort, kosten vernieuwen € 73,--;

c. Bril, 1 jaar oud € 228,--;

d. Vloerbedekking vernield door afvallende lamp € 260,--;

e. Vloerbedekking gang € 75,--;

f. Antieke lamp € 2.500,--;

g. TV € 980,--;

h. Eigen risico verzekering ziektekosten € 113,--;

i. Salontafeltje € 135,--;

j. TV-kast beschadigd € 225,--;

k. T-shirt € 15,--;

l. Broek € 79,--;

Totaal materiële schade € 4.963,--.

Ten laste van verdachte zijn de hiervoor onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde feiten bewezen. Het zijn strafbare feiten en verdachte zal ter zake van die feiten worden veroordeeld.

De officier van justitie heeft aangevoerd dat de onder a, b, d, e, f, g, h, i en j vermelde posten niet voor vergoeding in aanmerking komen omdat ten aanzien van die posten geen rechtstreeks verband bestaat met de ten laste gelegde feiten.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder c, k en l vermelde posten en de gevorderde immateriële schadevergoeding van € 1.000,-- geheel kunnen worden toegewezen.

De verdediging heeft, gelet op de bepleite vrijspraak ten aanzien van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, dat de vordering dient te worden afgewezen.

Beoordeling van de materiële schade

Met betrekking tot de gevorderde materiële schade overweegt de rechtbank als volgt.

De onder a, b, d, e, f, g, i en j vermelde kosten hebben betrekking op diefstal dan wel vernieling, derhalve niet op feiten die niet zijn ten laste gelegd en bewezen verklaard. De benadeelde partij kan ten aanzien van die onderdelen niet in haar vordering worden ontvangen.

Ten aanzien van het onder h vermelde eigen risico verzekering ziektekosten dient de vordering te worden afgewezen, omdat deze kosten niet alleen door de bewezen verklaarde feiten worden beïnvloed.

De onder c, k en l vermelde schade aan de bril, het T-shirt en de broek is naar het oordeel van de rechtbank rechtstreeks toegebracht door het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde feit. De gevorderde bedragen komen de rechtbank alleszins redelijk voor, zodat deze voor toewijzing vatbaar zijn.

Beoordeling van de immateriële schade.

Met betrekking tot de gevorderde immateriële schade overweegt de rechtbank als

volgt. Gelet op de aard van het onder 1 subsidiair en 2 bewezen verklaarde is het een ervaringsregel dat daardoor bij het slachtoffer immateriële schade van enige omvang wordt veroorzaakt. Of de door het slachtoffer opgelopen immateriële schade een bedrag van € 1.000,-- rechtvaardigt, kan de rechtbank op basis van de haar beschikbare informatie niet beoordelen. De vordering immateriële schade, die door verdachte is weersproken, is naar het oordeel van de rechtbank wel gedeeltelijk voor toewijzing vatbaar en wel voor een bedrag van € 300,--.

Voor zover de vordering immateriële schade voormeld bedrag van € 300,-- overstijgt, is deze vordering in het strafproces niet van eenvoudige aard. In zoverre kan [slachtoffer] derhalve niet in zijn vordering bij de strafrechter worden ontvangen. Hij kan deze restantvordering, desgewenst, bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering tot een bedrag van € 622,-- voor toewijzing vatbaar, zodat de rechtbank het schadebedrag zal vaststellen op een totaalbedrag van € 622,--. Het bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag, te rekenen vanaf 11 september 2009 tot de dag der algehele voldoening.

Verdachte is naar burgerlijk recht, samen met zijn mededader, aansprakelijk voor deze schade.

De rechtbank zal over de vordering van de benadeelde partij, overeenkomstig het hiervoren overwogene, beslissen zoals hierna is vermeld, alsmede over de kosten die door de benadeelde partij zijn gemaakt, thans begroot op nihil.

De rechtbank zal tevens aan verdachte de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van € 622,--, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag, te rekenen vanaf 11 september 2009 tot de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 12 dagen, te betalen ten behoeve van [slachtoffer] voornoemd, zoals hierna in de beslissing genoemd.

11. Toepasselijke wetsartikelen

Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 14a, 14b, 14c, 24c, 27, 36b, 36c, 36f, 45, 47, 57, 91, 285, 303;

Wet wapens en munitie art. 26, 55.

12. Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verstaat dat het aldus bewezen verklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en verklaart verdachte ter zake strafbaar;

veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 171 dagen;

beveelt dat van deze gevangenisstraf 90 dagen niet zullen worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt bepaald op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

beveelt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

ten aanzien van feit 1 subsidiair en feit 2:

wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer], [adres] toe tot een bedrag van € 622,--;

veroordeelt verdachte om tegen bewijs van betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] te betalen een bedrag van € 622,--, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 11 september 2009 tot de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat de verdachte zal zijn bevrijd voor zover voornoemde benadeelde partij - al dan niet via de betaling aan de Staat - door verdachtes mededader is voldaan;

ten aanzien van feit 1 subsidiair en feit 2 voorts:

legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat te betalen een som geld ten bedrage van

€ 622,-- subsidiair 12 dagen hechtenis, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer], wonende [adres], met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

veroordeelt verdachte tevens tot betaling aan de Staat van de wettelijke rente

over voormeld bedrag vanaf 11 september 2009 tot de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat indien verdachte en/of zijn mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 622,--, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 11 september 2009 tot de dag der algehele voldoening, ten behoeve van voornoemd slachtoffer daarmede de verplichting van verdachte om dit bedrag aan voornoemde benadeelde partij te betalen komt te vervallen en dat indien dit bedrag door

verdachte en/of zijn mededader aan voornoemde benadeelde partij is betaald, daarmee de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat ten behoeve van voornoemd slachtoffer komt te vervallen;

veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en

ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van

voormeld bedrag alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil;

verklaart de benadeelde partij [slachtoffer], wonende [adres], niet ontvankelijk ten aanzien van de volgende posten:

a. Beurs met daarin een bedrag van € 280,--;

b. Paspoort, kosten vernieuwen € 73,--;

d. Vloerbedekking vernield door afvallende lamp € 260,--;

e. Vloerbedekking gang € 75,--;

f. Antieke lamp € 2.500,--;

g. TV € 980,--;

i. Salontafeltje € 135,--;

j. TV-kast beschadigd € 225,--;

verklaart de benadeelde partij [slachtoffer], wonende [adres], niet ontvankelijk in haar vordering ten aanzien van de immateriële schade, voor zover deze meer dan € 300,-- bedraagt en bepaalt dat de benadeelde partij haar vordering ten aanzien van dit onderdeel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer], wonende [adres], af ten aanzien van het eigen risico verzekering ziektekosten ten bedrage van € 113,--.

verklaart onttrokken aan het verkeer het inbeslaggenomene, te weten:

- 1 wapen, kleur zilver, Berloque Enkelschots alarm/seinpistool, kaliber 2mm;

- 25 stuks munitie, kleur brons, kaliber 2 mm, lengte 3,5 mm (22 patronen en 3 seinpatronen).

Vonnis gewezen door mrs. L.J.A. Crompvoets, E.A.M. van Oorschot en P.M.S. Dijks, rechters, van wie mr. L.J.A. Crompvoets voorzitter, in tegenwoordigheid van P.J.T. Frijns als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 18 mei 2010.

Mr. L.J.A. Crompvoets is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.