Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2010:BM4598

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
07-04-2010
Datum publicatie
19-05-2010
Zaaknummer
09/1170
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bekendmaking besluit betreffende beëindiging subsidierelatie.

De gesubsidieerde instelling heeft op niet ongeloofwaardige wijze ontkend dat zij het besluit van 8 oktober 2007 heeft ontvangen. Nu het College geen verzendregistratie heeft bijgehouden en geen overige feiten of omstandigheden heeft aangevoerd om verzending aannemelijk te maken, is niet vast komen te staan dat het besluit op of rond 8 oktober 2007 is verzonden. Derhalve moet er vanuit worden gegaan dat het besluit pas op 10 april 2009 is bekendgemaakt, zodat de bezwaartermijn niet eerder dan die datum is aangevangen. Het College heeft daarom het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

Op verzoek van partijen oordeelt de rechtbank voorts ten overvloede dat in dit geval de gemeenteraad het bevoegde bestuursorgaan is om over beëindiging van de subsidierelatie te beslissen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector bestuursrecht, enkelvoudige kamer

Procedurenummer: AWB 09 / 1170

Uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake

[eiseres] te Thorn, eiseres,

gemachtigde mr. T.H.H.A. van der Schoot,

tegen

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Leudal, verweerder.

1. Procesverloop

1.1. Op 8 oktober 2007 heeft H. Rademakers, beleidsmedewerker welzijn en onderwijs bij verweerder, een brief opgesteld waarin de subsidierelatie met eiseres namens verweerder is opgezegd en beëindigd. Verweerder heeft beslist op het tegen voornoemde brief ingediende bezwaarschrift. Tegen dat laatste besluit is bij deze rechtbank beroep ingesteld.

1.2. De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan eiseres gezonden.

1.3. Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 11 maart 2010, waar eiseres is verschenen bij haar gemachtigde, en waar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door H.J.M. Rademakers.

2. Overwegingen

2.1. Eiseres heeft gedurende meer dan drie opeenvolgende jaren een subsidierelatie met de gemeente Leudal gehad (hierna: de gemeente).

2.2. Bij brief van 28 augustus 2007 heeft verweerder eiseres op de hoogte gesteld van het voornemen om de subsidierelatie op te zeggen per 1 januari 2008 en te beëindigen per

1 januari 2011.

2.3. Bij brief van 8 oktober 2007 is namens verweerder de subsidierelatie met eiseres opgezegd per 1 januari 2008 en beëindigd per 1 januari 2011. Op de brief staat een verzendstempel met de datum 8 oktober 2007. Het onderschrift van de brief luidt:

‘Hoogachtend,

Namens het college van burgemeester en wethouders van Leudal

(rechtbank: handtekening)

H. Rademakers

Beleidsmedewerker welzijn en onderwijs’

2.4. In het verslag van de gemeenteraadsvergadering van 2 oktober 2007 is opgenomen dat de motie van het CDA, om het College van Burgemeester en Wethouders (B&W) de voorgenomen opzegging en beëindiging van de subsidierelatie met eiseres te laten herroepen, door de gemeenteraad is verworpen.

2.5. Op 10 april 2009 heeft verweerder, op verzoek van de gemachtigde van eiseres, (een afschrift van) de brief van 8 oktober 2007 aan de gemachtigde van eiseres toegezonden. Tegen deze brief is namens eiseres bij brief van 21 april 2009, ontvangen op 23 april 2009, bezwaar gemaakt.

2.6. Bij besluit van 21 juli 2009 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres, wegens een niet verschoonbare termijnoverschrijding, niet-ontvankelijk verklaard.

2.7. Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat ten aanzien van de brief van 8 oktober 2007 niet kan worden gesproken van een besluit, nu de ondertekenaar van de brief niet bevoegd was tot het nemen van een dergelijk besluit.

2.8. Los van de vraag of de stelling van eiseres ten aanzien van de (on)bevoegdheid tot het nemen van een dergelijk besluit juist is, overweegt de rechtbank dat volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) ook een onbevoegd genomen besluit een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, mits sprake is van een gepretendeerde bevoegdheid binnen de invloedssfeer van een bestuursorgaan (zie onder meer ABRvS 9 april 2008, LJN: BC9067). Daarvan is hier sprake, nu de brief is afgedrukt op briefpapier van de gemeente en in de brief staat vermeld dat het gaat om een besluit van c.q. namens B&W. Nu ook aan de overige in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb neergelegde criteria wordt voldaan, dient de brief als besluit te worden aangemerkt, zodat daartegen bezwaar openstond.

2.9. Ten aanzien van de bevoegdheid tot het nemen van het bestreden besluit overweegt de rechtbank als volgt.

De beslissing op bezwaar is genomen door verweerder. Hij was bevoegd tot het nemen van het bestreden besluit, nu door (of namens) hem tevens het primaire besluit was genomen en een bestuursorgaan in beginsel bevoegd is te oordelen over een bezwaar dat is gericht tegen een door haar genomen besluit. De vraag of verweerder of de gemeenteraad bevoegd was tot het nemen van een beslissing ten aanzien van de beëindiging van de subsidierelatie met eiseres, kan, gelet op het systeem van de Awb, pas aan de orde komen indien het bezwaar ontvankelijk is. Derhalve dient eerst beoordeeld te worden of verweerder het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

2.10. Eiseres heeft in beroep ten aanzien van de niet-ontvankelijk verklaring van het bezwaar het navolgende aangevoerd.

De brief van 8 oktober 2007 is door eiseres nooit ontvangen. Blijkens het postregistratiesysteem van eiseres is op of rond 8 oktober 2007 geen brief van de gemeente ontvangen. Er zijn vaker problemen geweest met de ontvangst van brieven van verweerder door eiseres. Tijdens de hoorzitting is door verweerder ook aangegeven dat de brief pas laat ‘boven tafel kwam’, zodat het niet ondenkbaar is dat met de verzending ook iets mis is gegaan. Tevens is door verweerder aangegeven dat er na de herindeling vaker problemen zijn geweest met verzending en archivering van brieven. Het besluit zou voorts door verweerder al begin september 2007 zijn genomen, terwijl op 19 september 2007 nog tegen eiseres werd gezegd dat er nog geen besluit was. Het betreft een besluit met vergaande gevolgen, zodat van verweerder verwacht had mogen worden dat het besluit aangetekend zou worden verzonden, hetgeen niet is gebeurd. Nu niet aannemelijk is dat verzending van het besluit heeft plaatsgevonden, is het besluit niet bekendgemaakt conform artikel 3:41 van de Awb en is het derhalve niet in werking getreden. De beslissing van 8 oktober 2007 is eerst op 10 april 2009 aan eiseres toegezonden en dat was het eerste moment waarop zij bekend is geraakt met het besluit. Het bezwaar is derhalve tijdig gedaan en indien sprake is van een termijnoverschrijding is die verschoonbaar, nu binnen twee weken van het op de hoogte raken van het besluit bezwaar is ingesteld, aldus eiseres.

2.11. Verweerder heeft aangevoerd dat verzending aannemelijk is omdat aan twee andere gesubsidieerde instellingen op dezelfde datum brieven zijn verzonden, die wel zijn ontvangen en waarbij ten aanzien van één brief een ontvangstbevestiging retour is gekomen. Op 8 oktober 2007 was geen post-/verzendregistratie bij de gemeente aanwezig, zodat de verzending van de brief niet op die wijze aantoonbaar is. De termijnoverschrijding is niet verschoonbaar, nu uit de overgelegde gedingstukken blijkt dat eiseres uiterlijk november of december 2008 bekend moet zijn geraakt met (de inhoud van) het besluit tot opzegging en beëindiging van de subsidierelatie en niet binnen twee weken nadien bezwaar is ingesteld.

2.12. De rechtbank dient te beoordelen of verweerder het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 8 oktober 2007 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Op grond van de artikelen 6:7 en 6:8 van de Awb moet een bezwaarschrift worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop het bestreden besluit is bekendgemaakt.

Artikel 3:41 van de Awb bepaalt voorts dat bekendmaking van besluiten, die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking.

Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft niet-ontvankelijk verklaring ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift op grond van de termijnoverschrijding achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Voordat de vraag aan de orde kan komen of een termijnoverschrijding verschoonbaar is in de zin van artikel 6:11 van de Awb, dient te worden beoordeeld of sprake is van een termijnoverschrijding. Daarvoor dient te worden vastgesteld op welk moment de bezwaartermijn is gaan lopen en of het bezwaar tijdig is ingediend.

2.13. Gelet op het voorgaande is het van belang om vast te stellen op welk moment het besluit aan eiseres op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Niet in geschil is dat verzending van het besluit aan de gemachtigde van eiseres in elk geval op 10 april 2009 heeft plaatsgevonden. De vraag is echter of bekendmaking van het besluit al eerder, door verzending van de brief van 8 oktober 2007, heeft plaatsgevonden, zodat de bezwaartermijn op 21 april 2009 reeds was verstreken.

2.14. Eiseres heeft (gemotiveerd) ontkend dat zij het besluit van 8 oktober 2007 heeft ontvangen. Die ontkenning is niet op voorhand ongeloofwaardig. Uitgangspunt is dan dat verweerder, als verzender van het besluit, het bewijsrisico draagt van de verzending. Het besluit is niet aangetekend dan wel met bericht van ontvangst verzonden. De stelling van eiseres, dat verweerder het besluit, gelet op de vergaande (financiële) gevolgen, in beginsel aangetekend had moeten versturen, vindt geen steun in de bepalingen van de Awb en de jurisprudentie. Op grond van vaste rechtspraak van de Afdeling (zie onder meer ABRvS 16 december 2009, LJN: BK6734) dient het bestuursorgaan, bij niet-aangetekende verzending, aannemelijk te maken dat het betreffende stuk aan de belanghebbende is verzonden. Indien het bestuursorgaan daarin slaagt, ligt het op de weg van de geadresseerde om de ontvangst op niet ongeloofwaardige wijze te ontkennen. Verzending is volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling onder meer aannemelijk als het besluit juist is geadresseerd, een verzendstempel bevat en uit de verzendadministratie blijkt dat het besluit is verzonden.

2.15. Uit de overgelegde stukken blijkt dat het besluit correct is geadresseerd en een verzendstempel met de datum 8 oktober 2007 bevat. Verweerder heeft echter geen verzendregistratie bijgehouden. Dat op één dag meerdere brieven met (soort)gelijke inhoud zijn verzonden, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat daarmee aannemelijk is dat alle brieven ook daadwerkelijk zijn verzonden. Verweerder heeft geen overige feiten of omstandigheden aangevoerd om verzending aannemelijk te maken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder gelet op het voorgaande niet aannemelijk gemaakt dat verzending van het besluit op of rond 8 oktober 2007 heeft plaatsgevonden. Dit te minder, gelet op de gemotiveerde en onderbouwde ontkenning van de ontvangst van het besluit door eiseres, waarbij is gewezen op een ontvangstregistratie waarin geen brief van verweerder is geregistreerd. Nu niet aannemelijk is gemaakt dat verzending van het besluit op of omstreeks 8 oktober 2007 heeft plaatsgevonden en vast staat dat toezending van het besluit aan (de gemachtigde van) eiseres vervolgens eerst op 10 april 2009 heeft plaatsgevonden, is het besluit op 10 april 2009 bekendgemaakt op de voorgeschreven wijze in de zin van artikel 3:41 van de Awb, zodat de bezwaartermijn niet eerder dan die datum is aangevangen. Het bezwaar is binnen zes weken na de bekendmaking van het besluit ingediend en is derhalve tijdig. Nu ook aan de overige eisen ten aanzien van de ontvankelijkheid van het bezwaar is voldaan, heeft verweerder het bezwaar van eiseres ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is in zoverre gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Verweerder dient met inachtneming van deze uitspraak opnieuw te beslissen op het bezwaar.

2.16. Eiseres heeft verder in beroep aangevoerd dat het primaire besluit onbevoegd is genomen, nu onduidelijk is of verweerder of de gemeenteraad bevoegd was tot beëindiging van de subsidierelatie en sprake is van een mandaatgebrek in het primaire besluit.

Gelet op het feit dat het bezwaar (ten onrechte) niet-ontvankelijk is verklaard, is verweerder niet toegekomen aan een inhoudelijke heroverweging, waarbij de stelling van eiseres dat het primaire besluit onbevoegd is genomen aan de orde had kunnen komen. De rechtbank is van oordeel dat het in strijd is met de ratio van artikel 7:11 juncto artikel 8:72 van de Awb om tot inhoudelijke beoordeling van het geschil over te gaan en wellicht zelf in de zaak te voorzien, terwijl (nog) geen heroverweging door het bestuursorgaan heeft plaatsgevonden. Eiseres heeft de rechtbank ter zitting verzocht zich desalniettemin ten overvloede uit te laten over de vraag aan wie (aan verweerder of aan de gemeenteraad) de bevoegdheid tot beëindiging van de subsidierelatie toekwam, nu dit voor beide partijen niet helder is en verweerder dan direct over zou kunnen gaan tot behandeling van de inhoudelijke bezwaren tegen de beëindiging van de subsidierelatie. Verweerder heeft zich bij dat verzoek aangesloten.

2.17. De rechtbank overweegt, gelet op het verzoek van partijen, ten overvloede dat bij de nieuw te nemen beslissing op bezwaar met het hierna volgende rekening zou kunnen worden gehouden.

In artikel 4:51, eerste lid, van de Awb is bepaald op welke grond subsidie kan worden geweigerd aan een subsidieontvanger aan wie voor drie of meer achtereenvolgende jaren subsidie is verstrekt voor dezelfde voortdurende activiteiten. Niet in geschil is dat voornoemd artikel van toepassing is op deze zaak. Aan welk bestuursorgaan (formeel) die bevoegdheid toekomt wordt echter niet in voornoemd artikel, maar in eerste instantie door de bijzondere subsidieregeling(en) bepaald. De gemeente Leudal bestaat na de gemeentelijke herindeling uit de voormalige gemeenten Haelen, Heythuysen, Hunsel en Roggel en Neer. Complicerende factor in deze zaak is dat de voormalige gemeenten alle een geldende subsidieverordening hebben, welke verordeningen ten aanzien van de formele bevoegdheid tot subsidieverlening en -intrekking niet (geheel) overeenkomen, terwijl voor de nieuwe gemeente Leudal (nog) geen subsidieverordening is vastgesteld. In de betreffende verordeningen is echter niet voorzien in het regelen van de (formele) bevoegdheid tot de weigering van de subsidie voor een nieuw tijdvak, aansluitend aan een meerjarige subsidierelatie, in de zin van artikel 4:51 van de Awb. Ingevolge artikel 147, tweede lid, juncto artikel 108, eerste lid, van de Gemeentewet komt de bevoegdheid tot regeling en bestuur inzake de huishouding van de gemeente aan de gemeenteraad toe. Op grond van artikel 166, eerste lid onder a van de Gemeentewet is B&W belast met het dagelijks bestuur. Het komt de rechtbank voor dat het nemen van beslissingen omtrent de beëindiging van een meerjarige subsidierelatie onderdeel is van het bestuur inzake de huishouding van de gemeente en, mede gelet op die meerjarige relatie, niet onder het dagelijks bestuur valt. Nu voornoemde bevoegdheid tot het nemen van beslissingen op grond van artikel 4:51 van de Awb tevens niet krachtens wet of verordening is toegekend aan B&W, is de gemeenteraad gelet op het voorgaande het bevoegde bestuursorgaan.

2.18. Eiseres heeft de rechtbank verzocht verweerder te veroordelen in de kosten van het bezwaar en beroep. Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Awb, voor zover hier van belang, worden de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voorzover het primaire besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Op grond van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb, is de rechtbank bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank en van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken. Artikel 7:15, tweede tot en met vierde lid, van de Awb is hierbij van toepassing verklaard. Nu uit het hiervoor overwogene blijkt dat verweerder een nieuwe beslissing op bezwaar zal dienen te nemen, is het primaire besluit niet herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid, zodat niet is voldaan aan de vereisten van artikel 7:15 van de Awb. Het verzoek tot vergoeding van de kosten van bezwaar zal derhalve worden afgewezen door de rechtbank en verweerder dient in de nieuwe beslissing op bezwaar opnieuw te beslissen op het verzoek.

2.19. Nu het beroep gegrond zal worden verklaard, ziet de rechtbank voldoende aanleiding om verweerder overeenkomstig het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door eiseres in verband met dit beroep redelijkerwijs gemaakte proceskosten. Bij de vaststelling van de kosten met toepassing van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht is voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen (indienen beroepschrift en verschijnen ter zitting) 2 punten toegekend en is het gewicht van de zaak bepaald op gemiddeld, hetgeen correspondeert met de wegingsfactor 1. Tevens zal worden bepaald dat verweerder het betaalde griffierecht aan eiseres dient te vergoeden.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van het gestelde in deze uitspraak;

veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiseres begroot op EUR 644,00 (wegens kosten van rechtsbijstand), te betalen aan eiseres;

bepaalt dat verweerder aan eiseres het door of namens deze betaalde griffierecht ten bedrage van EUR 297,00 volledig vergoedt.

Aldus gedaan door mr. T.M. Schelfhout in tegenwoordigheid van J.J.M. Roeters als griffier en in het openbaar uitgesproken op 7 april 2010.

w.g. J.J.M. Roeters,

griffier w.g. mr. T.M. Schelfhout,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

verzonden op: 7 april 2010.

Een belanghebbende en het bestuursorgaan kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Ingevolge artikel 6:5 van de Awb bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak en moet een afschrift van de uitspraak bij het beroepschrift worden overgelegd.