Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2010:BM4035

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
07-05-2010
Datum publicatie
11-05-2010
Zaaknummer
AWB 09/1912
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Beroep tegen handhaving in bezwaar van een kapvergunning t.b.v. kap van een aantal bomen aan de Spoorlaan in Roermond.

Toetsingskader kapvergunning. Verhouding tot het lopende bezwaar tegen de verleende vrijstelling voor het bouwplan ten behoeve waarvan de kapvergunning is verleend en verhouding tot de Flora- en Faunawet. Verweerder heeft niet in strijd met het beleid gehandeld en heeft voldaan aan de in de planvisie opgenomen inspanningsverplichting, om te trachten de bomen te behouden. In het licht van het algemeen belang en het belang van vergunninghouder, strekt het vertrouwensbeginsel niet zo ver dat door de gewekte verwachtingen aanspraak zou kunnen worden ontleend door eisers op het weigeren of intrekken van de kapvergunning. Het verzoek van eisers om een extra voorschrift aan de kapvergunning te verbinden, treedt buiten de bevoegdheid van de rechtbank. Het beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector bestuursrecht, enkelvoudige kamer

Procedurenummer: AWB 09 / 1912

Uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake

[eisers] te Roermond, eisers,

gemachtigde mr. T.H.H.A. van der Schoot,

tegen

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Roermond, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 27 november 2009 heeft verweerder beslist op de bezwaren van eisers tegen de aan [vergunninghouder] (hierna: vergunninghouder) verleende kapvergunning. Tegen eerstgenoemd besluit is bij deze rechtbank beroep ingesteld.

Met toepassing van het bepaalde in artikel 8:26, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is vergunninghouder in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen. Deze heeft daarvan gebruik gemaakt.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Awb ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan eisers en vergunninghouder gezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 19 april 2010, waar namens eisers zijn verschenen [aanwezigen], bijgestaan door hun gemachtigde, en waar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door

L. de Wild, G. Pardoel, J. van Herten en P.M.C. Ploum, bijgestaan door

mr. M.G.G. van Nisselroij. Namens vergunninghouder is [naam] verschenen. Daarnaast hebben eisers [desku[deskundige 1] meegebracht als deskundige. Door verweerder zijn [deskundige 2] en [desk[deskundige 3] als deskundigen meegebracht naar de zitting.

Overwegingen

1.1. Verweerder heeft op 20 juli 2009 een kapvergunning verleend aan vergunninghouder voor het kappen van 58 bomen voor het bouwproject ‘Stationspark’, nabij de Spoorlaan Noord te Roermond (hierna: het project).

1.2. Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen de verlening van de kapvergunning, waarbij de bezwaren voornamelijk zijn gericht tegen de kap van de elzen en de platanen. Het bezwaar is door verweerder bij besluit van 27 november 2009 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

1.3. De rechtbank dient aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden te beoordelen of verweerder heeft voldaan aan artikel 3:2 van de Awb, of verweerder in redelijkheid tot verlening van de kapvergunning heeft mogen besluiten en of het bestreden besluit in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het vertrouwensbeginsel.

1.4. Eisers betogen dat het onderzoek dat door verweerder is gedaan onvolledig is en voeren daartoe het volgende aan.

De Notitie Flora en Fauna van 25 februari 2008 belicht de waarde van het groen zeer eenzijdig. De waarde als stadsnatuur is onvoldoende onderzocht, een inventarisatie van de flora en fauna ontbreekt en niet is aangegeven welke betekenis de bomen hebben voor niet beschermde diersoorten. Verweerder had alternatieven moeten onderzoeken, waarbij het behoud van de platanen de randvoorwaarde voor de herontwikkeling had dienen te zijn. De belangen van de buurtbewoners, als mede van de dieren en treinreizigers hadden mee moeten worden gewogen, hetgeen niet is gebeurd, aldus eisers.

1.5. De rechtbank is van oordeel dat het door verweerder uitgevoerde onderzoek volledig en deugdelijk is en dat het bestreden besluit niet in strijd is met het in artikel 3:2 van de Awb neergelegde (procedurele) zorgvuldigheidsbeginsel. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

De notitie Flora en Fauna van 25 februari 2008 bevat een beschrijving van het plangebied, het planologische beschermingskader en de van belang zijnde flora en fauna. De rechtbank deelt de mening van eisers dat het onderzoek onvoldoende uitgebreid is, niet. Hetgeen [deskundige 1] als deskundige op het gebied van vleermuizen ter zitting heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. [deskundige 3] heeft in zijn reactie op de opmerkingen van [deskundige 1] immers concreet en deugdelijk onderbouwd op welke wijze het onderzoek is uitgevoerd en waar de conclusies op zijn gebaseerd. De rechtbank is van oordeel dat daaruit is gebleken dat het onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Verweerder mocht zijn beslissing derhalve (onder meer) op die notitie baseren.

De conclusie van verweerder dat slechts vier platanen konden worden behouden is onder meer gebaseerd op het door BTL Bomendienst B.V verrichte onderzoek, waarbij een uitgebreide bomen effect analyse is opgesteld met eenduidige conclusies en aanbevelingen.

Eisers hebben niet betwist dat het onderzoek door BTL zorgvuldig is uitgevoerd en hebben geen tegenrapport overgelegd waaruit blijkt dat de in het rapport getrokken conclusies onjuist zouden zijn. Verweerder mocht derhalve tevens uitgaan van de inhoud van dit rapport.

Daarnaast zijn in het bestreden besluit alle relevante belangen geïnventariseerd. De belangen van dieren en treinreizigers zijn daarbij afdoende geïnventariseerd, gelet op de Notitie Flora en Fauna en de afweging van de belangen van de buurtbewoners, die vergelijkbaar zijn met de belangen van bezoekers en reizigers.

De beroepsgrond faalt.

1.6. Eisers voeren in beroep verder het volgende aan.

De verleende kapvergunning in deze zaak is in strijd met het eigen beleid van verweerder, zoals dat is neergelegd in onder meer het Groenstructuurplan gemeente Roermond 2005 (hierna: Groenstructuurplan) en het Bomenprogramma van 5 december 2006. De bomen dienen niet te worden gekapt, vanwege hun intrinsieke en beeldbepalende waarde voor de omgeving. Verweerder gaat bovendien voorbij aan de aanbeveling in de Notitie Flora en Fauna, om de bestaande platanen zoveel mogelijk intact te laten. De bomen zijn vitaal en vervullen een belangrijke functie bij het bestrijden van fijnstof. De belevingswaarde van de bomen is zeer groot en de lanen met platanen zijn zeer karakteristiek en kenmerkend voor Roermond. Door de kap van de bomen zou de ruimtelijke kwaliteit en leefbaarheid van de wijk erg verminderen. De lanen met platanen geven een meerwaarde aan nieuwe bebouwing. Compensatie komt pas aan de orde als handhaving van de bestaande bomen niet mogelijk is. De nieuwe groeninvulling doet er bovendien tientallen jaren over voor het een vergelijkbare waarde kan krijgen. Er is voorts geen garantie dat de compensatie ook in de omgeving vorm wordt gegeven. Die garantie zou er wel zijn als in de kapvergunning wordt opgenomen dat pas mag worden gekapt, nadat een convenant met eisers is gesloten over de toekomstige groenstructuur. Eisers en buurtbewoners hebben nu nog geen enkel zicht op de wijze waarop de toekomstige groenstructuur zal worden vormgegeven. Bovendien is onduidelijk of een Flora- en Faunawet ontheffing is vereist. In de vrijstellingprocedure worden de belangen met betrekking tot de groenvoorzieningen onvoldoende meegewogen. De belangenafweging voor wat betreft de kapvergunning is daarom ondeugdelijk en onvoldoende gemotiveerd.

1.7. Verweerder voert dienaangaande het volgende aan.

Er is geen sprake van strijd met gevoerd beleid. Aan het beleid wordt invulling gegeven door te kiezen voor dynamiek in plaats van stilstand. Het te ontwikkelen gebied krijgt een nieuwe en moderne uitstraling met bijbehorende groeninrichting. De platanen zijn zoveel als mogelijk ingepast. Door evolutie van de bouwplannen is behoud van meer dan vier van de twintig platanen echter niet mogelijk. De andere zestien platanen kunnen niet worden behouden omdat de levensvatbaarheid aan de rand van de toekomstige bouwput nagenoeg nihil is. Omdat het niet mogelijk was meer dan vier platanen te behouden, is de economische waarde van de bomen in een rapport vastgelegd en is aan de kapvergunning het voorschrift gekoppeld dat de financiële compensatie voor de bomen bij de verlening van de vergunning door de aanvrager dient te worden voldaan. Die compensatie zal bij de herinrichting worden ingezet voor nieuwe groenvoorzieningen. Afspraken omtrent compensatie en herplanting kunnen worden vastgelegd in een convenant met eisers.

De situatie zal tijdelijk verslechteren door de kap, maar door de compensatie is een minimaal gelijkwaardige situatie gewaarborgd, die zodanig wordt ingepast dat deze tot in de lengte van jaren voldoet. Daarnaast zullen op jaarbasis 40 extra bomen worden gecompenseerd. De door eisers aangehaalde belangen zijn meegewogen, maar ook andere aspecten, zoals de externe veiligheid, de noodzaak van voldoende parkeervoorzieningen en stedenbouwkundige overwegingen, zijn van belang en hebben tot verlening van de kapvergunning geleid.

1.8. De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 4:11, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Roermond (APV) is het verboden zonder vergunning van het college van burgemeester en wethouders houtopstand te vellen of te doen vellen.

Ingevolge artikel 4:12a van de APV kan de vergunning worden geweigerd op grond van:

a. de natuurwaarde van de houtopstand;

b. de landschappelijke waarde van de houtopstand;

c. de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon;

d. de beeldbepalende waarde van de houtopstand;

e. de cultureel-historische waarde van de houtopstand;

f. de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand.

Met toepassing van artikel 4:12c, eerste lid, van de APV kan aan de vergunning het voorschrift worden verbonden dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door verweerder te geven aanwijzingen moet worden herplant.

1.9. Vast staat dat het in artikel 4:11, eerste lid, van de APV neergelegde verbod geldt voor de bomen nabij Spoorlaan Noord te Roermond, zodat voor de kap een vergunning is vereist, nu geen van de uitzonderingen van het tweede of derde lid van voornoemd artikel van toepassing is. Volgens vaste jurisprudentie strekt het in de APV neergelegde vergunningsstelsel ter bescherming van specifiek genoemde belangen en kan de kapvergunning alleen geweigerd worden op één van de in artikel 4:12a van de APV genoemde gronden (zie onder meer ABRvS 12 februari 2010, LJN BL4134). Dat de kapvergunning in deze zaak geweigerd zou kunnen worden, bijvoorbeeld op grond van de beeldbepalende waarde van de houtopstand, betekent niet dat verweerder daarmee verplicht is een kapvergunning te weigeren. Verweerder komt bij de uitoefening van de bevoegdheid al dan niet een kapvergunning te verlenen, een aanzienlijke beleidsvrijheid toe, waarbij de bestuurlijke afweging die daarbij aan de orde is door de rechter slechts terughoudend dient te worden getoetst. Beoordeeld dient te worden of verweerder na afweging van de bij het besluit tot verlening van kapvergunning betrokken belangen in redelijkheid tot dit besluit heeft kunnen komen.

1.10. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat het Groenstructuurplan een planvisie vormt. Het betreft beleid dat is opgesteld door de gemeenteraad en waaraan verweerder zich blijkens zijn stellingen uitdrukkelijk gebonden acht. Ingevolge artikel 4:84 van de Awb dient bij de uitoefening van een discretionaire bevoegdheid overeenkomstig beleidsregels te worden gehandeld, tenzij de toepassing daarvan voor een belanghebbende gevolgen heeft die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen. De rechtbank overweegt dat uit de overgelegde delen van het Groenstructuurplan blijkt dat daarbij sprake is van een inspanningsverplichting voor verweerder, om te trachten de bomen aan de Spoorlaan Noord te behouden. Er is dienaangaande geen sprake van een dwingend geformuleerd beleid ten aanzien van het (niet) verlenen van kapvergunningen in bepaalde gevallen of gebieden. Zoals hiervoor onder 1.5. is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat verweerder deugdelijk door BTL heeft laten onderzoeken welke platanen behouden konden worden en of alternatieve mogelijkheden voor de kap bestonden. Er is immers onderzocht of kandelaberen of verplaatsen mogelijk was. Deze oplossingen waren praktisch niet uitvoerbaar. Vervolgens heeft verweerder gemotiveerd en onderbouwd aangegeven waarom vier van de twintig platanen behouden kunnen worden, maar de overige moeten worden gekapt. De rechtbank is derhalve van oordeel dat verweerder aan voornoemde inspanningsverplichting heeft voldaan en niet in strijd met het Groenstructuurplan heeft gehandeld.

Verweerder heeft voorts ter zitting toegelicht dat het overgelegde Bomenprogramma een jaarlijks overzicht betreft van de wijze waarop de gekapte bomen zullen worden gecompenseerd. Daarbij is aangegeven dat de bomen aan de Spoorlaan Noord waarom het in deze zaak gaat, (nog) niet in een Bomenprogramma zijn opgenomen, nu de bomen nog niet zijn gekapt. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de functie van het Bomenprogramma, daarbij geen sprake is van beleid, zodat verweerder niet aan de inhoud daarvan is gebonden bij de uitoefening van zijn bevoegdheid om een kapvergunning te verlenen. Gelet op het voorgaande heeft verweerder niet in strijd met beleidsregels gehandeld.

1.11. Verweerder heeft als voorschrift bij de kapvergunning opgenomen dat de kapvergunning pas van kracht wordt als de bouwvergunning voor het project onherroepelijk is. Het betoog van eisers dat de kapvergunning niet mocht worden verleend, nu nog geen sprake is van een definitieve planologische-juridische situatie, kan reeds hierom niet slagen. De vraag of sprake is van een onherroepelijke bouwvergunning is bovendien geen weigeringsgrond voor de kapvergunning op grond van de APV. De aangevoerde gronden die betrekking hebben op de ruimtelijke onderbouwing van het bouwplan en de belangen die bij de vrijstelling en bouwvergunning moeten worden meegewogen, kunnen in het kader van deze procedure geen rol spelen. Bezwaren tegen de verleende vrijstelling en bouwvergunning voor het bouwplan dienen in die procedure aan de orde te komen. De eis van een goede ruimtelijke onderbouwing is immers niet opgenomen als toetsingskader voor het verlenen van een kapvergunning. Dat de wijze waarop toekomstige groenvoorzieningen concreet vorm zullen krijgen nog niet geheel vaststaat, vormt op grond van de bepalingen van de APV tevens geen reden om de kapvergunning te weigeren. Dit geldt eveneens voor de vraag of een ontheffing op grond van de Flora- en Faunawet is vereist. In zoverre faalt het betoog van eisers.

1.12. Uit de onderbouwing van het bestreden besluit blijkt dat door verweerder een gemotiveerde belangenafweging is gemaakt, waarbij verweerder oog heeft gehad voor de door eisers aangevoerde belangen en de mogelijkheden om bomen te behouden en waarbij is voorzien in een (financiële) compensatie om de groenstructuur na de kap opnieuw op te bouwen. Gelet op hetgeen hiervoor onder 1.10. is overwogen, heeft verweerder daarbij de

aanbeveling in de Notitie Flora en Fauna om te trachten te platanen te behouden (zoveel mogelijk) opgevolgd. Verweerder erkent dat de platanen beeldbepalend zijn en intrinsieke waarde hebben, maar heeft deugdelijk gemotiveerd aangegeven waarom hij desondanks van de discretionaire bevoegdheid een kapvergunning te verlenen gebruik heeft gemaakt. Daarbij is gewezen op belangen als externe veiligheid, de noodzaak van voldoende parkeervoorzieningen en stedenbouwkundige overwegingen. Er is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake van schending van de motiveringsplicht van artikel 3:46 van de Awb en verweerder heeft in redelijkheid kunnen besluiten om, ondanks de beeldbepalende uitstraling van de bomen, kapvergunning te verlenen.

1.13. Eisers hebben verder aangevoerd dat verweerder heeft toegezegd dat de resterende platanen aan de Spoorlaan Noord niet zouden worden gekapt. Deze toezegging zou zijn vastgelegd in de beslissing op bezwaar van 27 februari 2007, in welke zaak bezwaar was gemaakt tegen een andere kapvergunning voor tien platanen in de omgeving van de Spoorlaan Noord. De toezegging blijkt volgens eisers ook uit het Groenstructuurplan. De door verweerder gewekte verwachtingen moeten worden gehonoreerd, waardoor de kapvergunning in strijd is met het vertrouwensbeginsel en niet had mogen worden verleend, aldus eisers.

1.14. De rechtbank overweegt dat in voormelde beslissing op bezwaarschrift van

27 februari 2007 staat vermeld: ‘Als randvoorwaarde voor het te ontwikkelen gebied Stationspark is gesteld dat de bomen langs de Spoorlaan Noord gehandhaafd moeten blijven en in de plannen ingepast dienen te worden.’ Uit deze formulering kan naar het oordeel van de rechtbank worden afgeleid dat sprake is van een eenduidige toezegging door verweerder om de bomen te behouden. Door deze bevoegd gedane toezegging zijn bij eisers gerechtvaardigde verwachtingen opgewekt. Bij de vraag of die gewekte verwachtingen moeten worden gehonoreerd, is echter van belang of bijzondere omstandigheden, zoals het algemeen belang en belangen van derden, in de weg staan aan het honoreren van de gewekte verwachtingen (zie onder meer ABRvS 22 maart 2001, AB 2001, 195). Bij een weigering of intrekking van de kapvergunning wegens een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel door eisers, zou het algemeen belang en het belang van de vergunninghouder bij de kap, vanwege het (deels) daarvan afhankelijke bouwplan, ernstig worden geschaad. Daarnaast zou door honorering van de gewekte verwachtingen buiten de grenzen van de bepalingen van de APV worden getreden, nu daarin limitatief is opgesomd in welke gevallen een kapvergunning kan worden geweigerd. Gelet op het voorgaande strekt het vertrouwensbeginsel naar het oordeel van de rechtbank niet zo ver dat door de gewekte verwachtingen aanspraak zou kunnen worden ontleend door eisers op het weigeren of intrekken van de kapvergunning. Het bestreden besluit is derhalve niet in strijd met het vertrouwensbeginsel genomen en er is tevens geen sprake van strijd met het verbod op willekeur. Het algemene beroep op strijd met andere beginselen van behoorlijk bestuur is niet nader onderbouwd en kan reeds daarom niet slagen.

1.15. Gelet op het hiervoor overwogene zal het beroep van eisers ongegrond worden verklaard en blijft het bestreden besluit in stand. Het subsidiaire verzoek van eisers om een extra voorschrift aan de kapvergunning te verbinden treedt buiten de bevoegdheid van de rechtbank. Welke voorschriften aan de verleende kapvergunning worden verbonden, betreft immers eveneens een discretionaire bevoegdheid van verweerder, waarbij hij niet verplicht kan worden een voorschrift, inhoudende dat pas gekapt mag worden na opstelling van een convenant met eisers aangaande de compensatie, aan de vergunning te verbinden. Het verzoek is om die reden niet voor toewijzing vatbaar.

1.16. Van omstandigheden op grond waarvan een der partijen zou moeten worden veroordeeld in de proceskosten van de andere partij is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. P.J. Voncken, in tegenwoordigheid van mr. C.H.M. Bartholomeus als griffier en in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2010.

w.g. mr. C.H.M. Bartholomeus,

griffier w.g. mr. P.J. Voncken,

voorzitter

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op: 7 mei 2010.

Een belanghebbende en het bestuursorgaan kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Ingevolge artikel 6:5 van de Awb bevat het beroepschrift een of meer gronden tegen de uitspraak en moet een afschrift van de uitspraak bij het beroepschrift worden overgelegd.