Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2010:BM2584

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
27-04-2010
Datum publicatie
28-04-2010
Zaaknummer
261956 \ CV EXPL 09-6570
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beëindiging telefoonabonnement. Het als beëindigingsvergoeding in rekening brengen van de volledige abonnementskosten over de resterende looptijd van de overeenkomst bij voortijdige beëindiging terwijl de abonnee de daartegenoverstaande prestatie, het gebruik van de telefoon, moet missen is onredelijk bezwarend. De gevorderde beëindigingsvergoeding wordt daarom gematigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector kanton

Zaaknummer: 261956 \ CV EXPL 09-6570

Vonnis van de kantonrechter te Roermond d.d. 27 april 2010

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Lindorff Purchase B.V., gevestigd te Zwolle,

eiseres,

gemachtigde: Vaessen & Kerckhoffs Gerechtsdeurw.,

tegen:

[gedaagde], wonende te [woonplaats] aan de [adres],

gedaagde,

gemachtigde: A.J.G. Lemmen.

1. Het verloop van de procedure

1.1. Dit blijkt uit het navolgende:

- de inleidende dagvaarding;

- het tussenvonnis van 12 januari 2010 waarin opgenomen het antwoord van gedaagde;

- de conclusie van repliek met producties;

- de conclusie van dupliek met productie.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De vaststaande feiten

2.1. Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, kan van de volgende vaststaande feiten worden uitgegaan: Gedaagde heeft met T-Mobile Netherlands B.V., hierna T-Mobile te noemen een overeenkomst gesloten ten aanzien van een aansluiting op het mobiele telecommunicatienetwerk van T-Mobile. Het eerste abonnement dateert van 25 maart 2003. Na diverse abonnementen is als laatste op 31 oktober 2008 een zogenaamd Relax 300 Sim Only abonnement afgesloten voor de duur van 24 maanden. Op 13 februari 2009 heeft T-Mobile het abonnement beëindigd en op grond van haar algemene voorwaarden het abonnementsgeld over de resterende contractduur in rekening gebracht bij gedaagde. T-Mobile heeft haar vordering op gedaagde aan eiseres gecedeerd.

3. Het geschil

3.1. Eiseres heeft op gronden als omschreven in de dagvaarding gevorderd, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van gedaagde tot betaling aan eiseres van de bedragen en rente als in de dagvaarding vermeld, kosten rechtens.

Gedaagde heeft verweer gevoerd.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling van het geschil

4.1. Gedaagde stelt bereid te zijn tot betaling van de abonnementskosten tot de beëindiging van het abonnement. De vordering van eiseres ten aanzien van de facturen van 29 oktober 2008, 1 december 2008, 31 december 2008 en 29 januari 2009 staat daarmede als onweersproken vast en is toewijsbaar. De factuur van 19 februari 2009 van EUR 504,62 betreffende de uitfacturatie wegens de eenzijdige beëindiging van het abonnement door T-Mobile houdt partijen verdeeld.

4.2. Eiseres stelt dat op grond van de toepasselijke algemene voorwaarden gedaagde aansprakelijk is voor alle schade, waaronder gederfde inkomsten die T-Mobile lijdt als gevolg van een handelen of nalaten in strijd met de bepalingen van de overeenkomst. Eiseres stelt dat bij het vaststellen van de maandelijkse termijnbedragen de kosten van de aansluiting op het mobiele telecommunicatienetwerk worden verdisconteerd over de periode van de overeengekomen contractsduur. Nu wegens wanbetaling van gedaagde de overeenkomst vroegtijdig is ontbonden heeft T-Mobile de kosten welke waren verdisconteerd in de resterende termijnbedragen bij gedaagde in rekening kunnen brengen.

4.3. De factuur van 19 februari 2009 heeft betrekking op de resterende abonnementskosten tot einde looptijd, welke betalingsverplichting voortvloeit uit de algemene voorwaarden. Nu eiseres een beroep doet op de algemene voorwaarden en dan in het bijzonder op de ontbinding van de overeenkomst en het hierbij in rekening brengen van de abonnementskosten over de resterende looptijd, is de kantonrechter het navolgende van oordeel.

4.4. Ingevolge de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, hierna HvJ, van 27 juni 2000 (NJ 27 juni 2000/730 [...]) en 26 oktober 2006 (NJ 2007/201 [...]) is de (kanton)rechter ambtshalve verplicht tot toetsing van onredelijk bezwarende bedingen in algemene voorwaarden in consumentenovereenkomsten.

In de EG Richtlijn 93/13/EEG van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten is bepaald in artikel 3:

“Artikel 3

1. Een beding in een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, wordt als

oneerlijk beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort.

2. (…)

3. De bijlage bevat een indicatieve en niet uitputtende lijst van bedingen die als oneerlijk kunnen worden aangemerkt.”

In de bijlage bij Richtlijn 93/13/EEG is opgenomen onder e) dat als oneerlijk in de zin van artikel 3 lid 3 van de Richtlijn kunnen worden aangemerkt, bedingen, die tot doel of tot gevolg hebben: “de consument die zijn verbintenissen niet nakomt, een onevenredig hoge schadevergoeding op te leggen.”

Onder o) van dezelfde richtlijn is opgenomen dat als oneerlijk in de zin van artikel 3 lid 3 kunnen worden aangemerkt bedingen die tot doel of tot gevolg hebben: “de consument te verplichten al zijn verbintenissen na te komen, zelfs wanneer de verkoper zijn verbintenissen niet nakomt”.

4.5. De factuur van 19 februari 2009, waarbij aan gedaagde een bedrag van EUR 504,62 in rekening is gebracht heeft betrekking op de ontbinding van de overeenkomst en het in rekening brengen van de abonnementskosten over de resterende looptijd van de overeenkomst. De kantonrechter begrijpt dat voornoemde beëindigingvergoeding gebaseerd is op artikel 11.3 van de algemene voorwaarden. De kantonrechter is van oordeel dat gelet op het vorenstaande artikel 11.3 van de algemene voorwaarden een onredelijk bezwarend beding betreft, welk beding de kantonrechter gelet op voornoemde arresten, naar analogie van artikel 6:233 sub a BW buiten effect zal stellen nu de in rekening gebrachte schadevergoeding onredelijk is. Eiseres motiveert de schade door te stellen dat bij het vaststellen van de maandelijkse termijnbedragen de kosten van de aansluiting op het mobiele telecommunicatienetwerk worden verdisconteerd over de periode van de overeengekomen contractsduur. De door eiseres gestelde omstandigheden geven naar het oordeel van de kantonrechter echter onvoldoende aanleiding om de gevorderde schadevergoeding aannemelijk te achten nu iedere verdere specificatie ontbreekt. De kantonrechter is van oordeel dat deze schade niet nauwkeurig valt vast te stellen en zal conform artikel 6:97 BW de schade begroten. Nu gedaagde gedurende de resterende looptijd geen gebruik meer heeft kunnen maken van de telefoonverbinding en gesteld noch gebleken is dat verdere faciliteiten al dan niet om niet aan gedaagde zijn verstrekt zal de kantonrechter de schadevergoeding op grond van artikel 6:277 BW vaststellen op 50% van het overeengekomen abonnementstarief te weten een bedrag van EUR 252,31.

4.6. Eiseres vordert een bedrag van EUR 178,50 aan buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter is van oordeel dat conform het Rapport Voorwerk II een bedrag van EUR 89,25 aan buitengerechtelijke incassokosten in redelijkheid en billijkheid toewijsbaar is, nu eiseres aangeeft dat er werkzaamheden zijn verricht gericht op het buitengerechtelijk verkrijgen van haar vordering.

4.7. De kantonrechter acht geen termen aanwezig gedaagde toe te laten tot nadere bewijslevering.

4.8. Gedaagde zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

4.9. De kantonrechter zal dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

5. De beslissing

5.1. Veroordeelt gedaagde om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiseres te betalen een bedrag van EUR 423,36, vermeerderd met de overeengekomen rente van 1 % per maand over een bedrag van EUR 334,11 vanaf 8 november 2008 tot aan de voldoening.

5.2. Veroordeelt gedaagde in de proceskosten aan de zijde van eiseres geval¬len en tot aan dit vonnis begroot op EUR 369,94, waarvan EUR 120,00 als salaris voor de gemachtigde.

5.3. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

5.4. Wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.M.P.Brouns, kantonrechter, en ter openbare civiele terechtzitting op 27 april 2010 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.