Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2010:BM1641

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
16-04-2010
Datum publicatie
20-04-2010
Zaaknummer
AWB 2010/222 en 2010/223
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van heeft verweerder vergunning verleend tot het oprichten van een woongebouw (38 appartementen) met kantoorfunctie op de hoek van de Schuitenberg en de Mariagardestraat te Roermond (een locatie in het beschermde stadsgezicht). Bij besluit van 19 januari 2010 heeft verweerder ten behoeve van dit bouwplan vrijstelling ex artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) verleend.

Ingevolge de bouwvoorschriften van het vigerende bestemmingsplan mag de goothoogte niet meer dan 12 meter bedragen, terwijl het beoogde gebouw een hoogte van ongeveer 40 meter bedraagt.

De voorzieningenrechter heeft geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel, dat de ruimtelijke onderbouwing niet zou voldoen aan de eisen die daaraan in het onderhavige geval dienen te worden gesteld. Dat die onderbouwing niet in de lijn van de opvattingen van verzoekster is maakt haar niet ontoereikend. Verweerder heeft voldoende draagkrachtig onderbouwd dat en op welke wijze de geplande bouw is ingepast in het stadsgezicht en stedenbouwkundig past in het gemeentelijk beleid. Daarbij geldt dat het antwoord op de vraag of de stedenbouwkundige inpassing wenselijk is, gelet op de bestuurlijke afweging die daarbij aan de orde is, in belangrijke mate aan het oordeel van de bestuursrechter is onttrokken, ervan uitgaande dat aan de eis van een draagkrachtige en inzichtelijke motivering is voldaan. De voorzieningenrechter verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak d.d. 1 augustus 2007, LJN BB1265.

De rechter concludeert dat voldaan is aan de voorwaarden voor het gebruik van de bevoegdheid tot het verlenen van vrijstelling van het bestemmingsplan. De wijze waarop van deze bevoegdheid gebruik is gemaakt kan naar zijn voorlopig oordeel de aan de rechter geboden toetsingsruimte doorstaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector bestuursrecht

Procedurenummers: AWB 10 / 222 en 10 / 223

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de zaken tussen

Stichting Ruimte te Roermond, verzoekster,

gemachtigde [naam 1],

en

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Roermond, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 20 januari 2010 heeft verweerder aan Wonen Roer en Maas, hierna te noemen vergunninghouder, vergunning verleend tot het oprichten van een woongebouw (38 appartementen) met kantoorfunctie op de hoek van de Schuitenberg en de Mariagardestraat te Roermond (bouwplan “De Toerist”). Bij besluit van 19 januari 2010 heeft verweerder ten behoeve van dit bouwplan vrijstelling ex artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) verleend.

Tegen deze besluiten heeft de gemachtigde van verzoekster bij schrijven van 17 februari 2010 een bezwaarschrift op grond van de Awb ingediend bij verweerder. Tevens heeft verzoekster zich tot de rechtbank gewend met verzoeken ter zake een voorlopige voorziening te treffen ex artikel 8:81 van de Awb.

Met toepassing van artikel 8:26 van de Awb is de vergunninghouder in de gelegenheid gesteld als partij aan de gedingen deel te nemen.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:83 van de Awb ingezonden stukken zijn in afschrift aan de gemachtigde van verzoekster en aan de gemachtigde van vergunninghouder gezonden.

De verzoeken zijn behandeld ter zitting van 7 april 2010, waar verzoekster is vertegen¬woordigd door [naam 1] en mr. F. Bouts en waar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. S. Amorij. Vergunninghouder heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door [naam 2] en [naam 3].

Overwegingen

1. Op 30 juni 2008 heeft vergunninghouder vrijstelling verzocht ten behoeve van het realiseren van bouwplan “De Toerist”, waarvoor uiteindelijk op 10 oktober 2008 bouwvergunning is aangevraagd. Ten behoeve van het vrijstellingsverzoek is een ruimtelijke onderbouwing opgesteld en de gemeentelijke Commissie beeldkwaliteit heeft geadviseerd ten aanzien van het bouwplan. Op het voornemen om vrijstelling ex artikel 19, tweede lid, van de WRO te verlenen hebben onder meer verzoekster en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCH) een zienswijze ingediend. Nadat naar aanleiding van de zienswijze van deze laatste een aantal wijzigingen in het ontwerp van het bouwplan waren aangebracht heeft verweerder, met gebruikmaking van een verklaring van geen bezwaar van gedeputeerde staten, vrijstelling en bouwvergunning verleend. Tegen deze vrijstelling en bouwvergunning richten zich de verzoeken om een voorlopige voorziening.

2. In artikel 8:81 van de Awb is bepaald dat indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover de toetsing aan het in dit artikel neergelegde criterium mee brengt dat een beoordeling van het geschil in de hoofdzaak wordt gegeven, heeft het oordeel van de rechter een voorlopig karakter en is dat niet bindend in die procedure.

De rechter concludeert dat aan de eerste twee in artikel 8:81 van de Awb geformuleerde formele vereisten is voldaan nu verzoekster een bezwaarschrift heeft ingediend tegen de besluiten ter zake waarvan de voorlopige voorziening wordt gevraagd en de rechtbank te Roermond bevoegd moet worden geacht om van de (eventuele) hoofdzaken kennis te nemen. De rechter ziet ook overigens geen beletselen verzoekster in haar verzoeken ex artikel 8:81 van de Awb te ontvangen.

Met betrekking tot de verzoeken overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

3. Ingevolge het vigerende bestemmingsplan “Binnenstad Roermond” hebben de gronden waarop het bouwplan gerealiseerd wordt de bestemming “Centrumdoeleinden II”. Ingevolge artikel 8 van de planvoorschriften is het gebruik voor wonen en kantoorfunctie op de begane grond toegestaan. In het vierde lid van artikel 8 van de planvoorschriften zijn de bouwvoorschriften gegeven, waaruit blijkt dat de goothoogte maximaal 12 meter mag bedragen. Het bouwplan, met een (goot)hoogte van ongeveer 40 meter voldoet hier niet aan.

Om het bouwplan mogelijk te maken heeft verweerder toepassing gegeven aan artikel 19 van de WRO en vrijstelling verleend op grond van het tweede lid van dit artikel. Gelet op de datum van de aanvraag en het overgangsrecht met betrekking tot de per 1 juli 2008 ingetrokken WRO en de per dezelfde datum in werking getreden Wet op de ruimtelijke ordening heeft verweerder terecht toepassing gegeven aan deze bepaling.

4. Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan, in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur van de ruimtelijke ordening, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Omdat het bouwplan is gelegen in een beschermd stadsgezicht, is een zodanige verklaring van geen bezwaar vereist. Gedeputeerde staten hebben die afgegeven.

Voor het bestaan van de bevoegdheid tot het verlenen van vrijstelling eist artikel 19, tweede lid van de WRO een goede ruimtelijke onderbouwing. Daaronder wordt bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied.

Verweerder heeft voor de vrijstelling gebruik gemaakt van een ruimtelijke onderbouwing die is opgemaakt in opdracht van vergunninghouder en deze ruimtelijke onderbouwing is op 5 januari 2010 nog aangepast naar aanleiding van de zienswijze van de RCH en de advisering door de Commissie Beeldkwaliteit.

5. Op grond van de door verzoekster aangevoerde gronden heeft de rechter te beoordelen of voldaan is aan de voorwaarden voor de bevoegdheid tot het verlenen van de vrijstelling (waaronder dus de voorwaarde van een goede ruimtelijke onderbouwing) en, indien die bevoegdheid inderdaad bestaat, of verweerder in redelijkheid tot de vrijstelling is kunnen komen. Met betrekking tot de bouwvergunning heeft de rechter te beoordelen of die terecht is verleend.

Zoals hierboven in 2 al is aangegeven kunnen deze beoordelingen in het kader van de voorzieningenprocedure slechts voorlopige zijn.

6. Verzoekster heeft betoogd dat de RCH een zienswijze heeft ingediend naar aanleiding van het bouwplan en dat niet is gebleken dat de RCH is teruggekomen op het in deze zienswijze ingenomen standpunt.

6.1. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat de RCH is betrokken bij de besluitvorming en dat deze een advies geeft. In paragraaf 5 van de aanvullende ruimtelijke onderbouwing is aandacht besteed aan de wijzigingen naar aanleiding van de zienswijze van de RCH. De voorzieningenrechter overweegt dat advisering door de RCH onverplicht is. Opmerking verdient ook dat de RCH geen bezwaar heeft ingediend en geen voorlopige voorziening heeft gevraagd. Voor zover verzoekster heeft bedoeld te betogen dat zij de zienswijze van de RCH tot de hare maakt, overweegt de rechter, dat verweerder voldoende gemotiveerd heeft aangegeven dat en op welke wijze rekening is gehouden met het standpunt van de RCH. Er heeft voldoende overleg en afstemming met de RCH plaatsgevonden.

7. Door verzoekster is voorts gesteld dat het bouwplan een aantasting is van het beschermd stadsgezicht, in strijd is met de Hoogbouwnota en de bij het bestemmingsplan behorende Atlas voor Ruimtelijke Kwaliteitszorg (verder: de Atlas). De ruimtelijke onderbouwing voldoet dan ook niet op deze punten, zo meent verzoekster.

7.1. Met name in de aanvullende ruimtelijke onderbouwing van 5 januari 2010 is uitvoerig ingegaan op de verhouding tot de Hoogbouwnota en de Atlas en is uitvoerig gemotiveerd waarom het bouwplan op de betreffende locatie past, gelet op de Atlas, de hoogbouwnota en het beschermd stadsgezicht. Zo is gemotiveerd dat in de vormgeving en materialisatie van de architectuur aansluiting is gezocht bij op de Schuitenberg veelvoorkomende vormen, materialen en kleuren. Zo is in het ontwerp van de woontoren aansluiting gezocht bij de omgeving door in de plint een maat te kiezen die aansluit bij de onderste bouwlagen in de rest van de straatwand. Hetzelfde geldt voor de vormgeving en ritmering van de vensters die een voortzetting vormen van de voor de straatwand typische vensters. Daarnaast draagt de slankheid van de vormgeving er zorg voor dat het gebouw een elegantie vertoont die aansluit bij de kwaliteit van andere markante gebouwen in de binnenstand. Het nieuwe gebouw wordt geduid als een “landmark”, omdat het ligt aan de zuidelijke entree (aan het Zwartbroekplein) van de historische binnenstad en vanuit de binnenstad een begrenzende coulisse daarvan vormt. De woontoren staat nog nét binnen de binnenstad en de directe omgeving heeft een diffuus karakter. Hier zou als het ware een overgangsgebied tussen oud en nieuw kunnen ontstaan. In de recent opgestelde “singelnotitie”, waarin de ontwikkeling van de singelring in de komende jaren wordt beschreven, is de wens vastgelegd om een aantal bijzondere plekken rond de stad te markeren. De toren kan worden ingepast in een meeromvattende visie voor het gebied rond het Zwartbroekplein. Ten aanzien van de hoogte van het gebouw is gesteld dat het bestemmingsplan een maximale hoogte stelt van 12 meter. De Atlas stelt echter, mits de kwaliteit van het ontwerp van het gewenste niveau is, geen maximale hoogte. Wel wordt de eis gesteld dat de historische hoogteaccenten (Kathedraal en Munsterkerk) niet verdekt mogen worden. De hoogbouwnota stelt de grens op 35 meter, maar er wordt een uitzonderingsmogelijkheid geboden indien de nieuwbouw iets positiefs toevoegt aan de omgeving. Volgens de nota hoeft van een hoogbouwcluster geen sprake te zijn, dit is slechts een aanbeveling om te voorkomen dat incidentele hoge gebouwen zonder samenhang over de stad worden verstrooid. In dit geval is hiervan volgens verweerder geen sprake, omdat het bouwplan in samenhang met de reeds bestaande hoogbouw een ring rond de binnenstand zal vormen en de beëindiging van de stad aan deze zijde zal markeren. De kruisingen in de Singelring vervullen een sterke poortfunctie naar de binnenstad en het bouwplan zorgt er voor dat de entree aan de zuidzijde wordt geaccentueerd.

Gelet op de kwaliteit van het gebouw in samenhang met de waardevolle aspecten van het beschermd stadsgezicht, zoals in de onderbouwing beschreven, vindt verweerder het gebouw passend binnen het beschermde stadsgezicht. Gesteld is dat de Kathedraal en de Munsterkerk niet worden verdekt en dat de toren juist een versterkend element in de skyline is. Ten aanzien van de hoogte wordt tevens van belang geacht het sociaal-maatschappelijke aspect van het plan, gezien de langdurige leegstand, de daaraan jarenlang voorafgaande sociale neergang van het inmiddels gesloopte Hotel de Toerist en de daarmee samenhangende overlast voor de omgeving.

7.2. De voorzieningenrechter heeft geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel, dat de ruimtelijke onderbouwing niet zou voldoen aan de eisen die daaraan in het onderhavige geval dienen te worden gesteld. Dat die onderbouwing niet in de lijn van de opvattingen van verzoekster is maakt haar niet ontoereikend. Verweerder heeft met het in 7.1 beschreven betoog voldoende draagkrachtig onderbouwd dat en op welke wijze de geplande bouw is ingepast in het stadsgezicht en stedenbouwkundig past in het gemeentelijk beleid. Daarbij geldt dat het antwoord op de vraag of de stedenbouwkundige inpassing wenselijk is, gelet op de bestuurlijke afweging die daarbij aan de orde is, in belangrijke mate aan het oordeel van de bestuursrechter is onttrokken, ervan uitgaande dat aan de eis van een draagkrachtige en inzichtelijke motivering is voldaan. De voorzieningenrechter verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak d.d. 1 augustus 2007, LJN BB1265.

7.3. De rechter concludeert dat voldaan is aan de voorwaarden voor het ontstaan van de bevoegdheid tot het verlenen van vrijstelling van het bestemmingsplan. De wijze waarop van deze bevoegdheid gebruik is gemaakt kan naar zijn voorlopig oordeel de aan de rechter geboden toetsingsruimte doorstaan. Daarbij merkt de rechter ook op, dat de door verzoekster naar voren gebrachte aspecten van de bescherming van het stadsgezicht in de ruimtelijke onderbouwing aan de orde zijn geweest en daar zijn gewogen.

8. Verzoekster heeft met betrekking tot de bouwvergunning nog gesteld dat het advies van de Commissie Beeldkwaliteit niet is onderbouwd.

8.1. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter komt uit de ter zitting door verzoekster overgelegde verslagen van de vergaderingen van de Commissie Beeldkwaliteit nou juist naar voren dat dit wel is gebeurd. Hieruit blijkt immers dat in een aantal stappen van overleg en planbehandeling door deze commissie in overleg met de vergunninghouder is gewerkt naar een goede kwalitatieve onderbouwing van het plan, waarmee de Commissie Beeldkwaliteit uiteindelijk in haar laatste vergadering kortweg heeft kunnen instemmen. Er zijn ook overigens, gelet op de aangevoerde gronden, geen aanknopingspunten om te oordelen dat de bouwvergunning niet terecht zou zijn verleend.

9. Gelet op voorgaande overwegingen ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening. Daarom wordt als volgt beslist.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af.

Aldus gedaan door mr. P.J. Voncken in tegenwoordigheid van mr. N.F.M. Beurskens-Roelofs als griffier en in het openbaar uitgesproken op 16 april 2010

w.g. mr. N.F.M. Beurskens-Roelofs,

griffier

w.g. mr. P.J. Voncken,

voorzieningenrechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

verzonden op:16 april 2010

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.