Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2010:BL9456

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
26-03-2010
Datum publicatie
30-03-2010
Zaaknummer
AWB 10/269
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening inzake AWBZ-besluit. Verzoekster wenst een groter aantal uren toegekend te zien voor individuele begeleiding. Gelet op de aangescherpte wetgeving en de ter zake geldende beleidsregels, waaruit volgt dat groepsbegeleiding voorgaat op individuele begeleiding, alsmede het ontbreken van een contra-indicatie voor groepsbegeleiding, wordt het verzoek afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RZA 2010/77
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 10 / 269 AWBZ

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake

[verzoekster] te [woonplaats], verzoekster,

gemachtigde H.M.P.L. Verhees,

tegen

Stichting Centrum Indicatiestelling Zorg, verweerder.

1. Procesverloop

1.1. Bij besluit van 23 februari 2010 heeft verweerder, op aanvraag van verzoekster, een indicatie in het kader van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) gegeven ten aanzien van “begeleiding individueel” en “begeleiding groep”.

1.2. Tegen dit besluit heeft verzoekster op grond van de Awb bezwaar gemaakt. Tevens heeft verzoekster zich tot de voorzieningenrechter gewend met het verzoek ter zake een voorlopige voorziening te treffen ex artikel 8:81 van de Awb.

1.3. De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:83 van de Awb ingezonden stukken zijn in afschrift aan verzoeksters gemachtigde gezonden.

1.4. Het verzoek is behandeld ter zitting van 24 maart 2010. Verzoekster is in persoon verschenen, bijgestaan door haar echtgenoot en vergezeld door haar zonen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.G.M. Snep.

2. Overwegingen

2.1. Verzoekster heeft diverse klachten als gevolg van onder meer neurologische aandoeningen (zoals hersentumor en epileptische aanvallen). Bij verweerder is ten behoeve van verzoekster om een indicatie voor begeleiding verzocht.

2.2. Bij besluit heeft verweerder haar met ingang van 23 februari 2010 een indicatie verleend voor "begeleiding individueel" van 2 tot 3.9 uur per week (klasse 2) en voor "begeleiding groep" van 5 dagdelen per week (klasse 5).

2.3. In bezwaar tegen dat besluit is onder meer aangevoerd dat verzoekster voortdurend begeleiding en zorg nodig heeft en dat groepszorg voor haar geen optie is. De prognoses bij haar aandoening zijn alles behalve hoopvol, maar door de mogelijkheden die verzoekster sinds 2002 thuis en in haar eigen omgeving zijn geboden, is zij in staat geweest de statistische (levens)verwachting teniet te doen. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft verzoekster brieven van haar huisarts van 8 maart 2010, van haar fysiotherapeut van 5 maart 2010 en van haar behandelend neuroloog van 19 maart 2010 overgelegd.

2.4. Tijdens de bezwaarprocedure heeft verzoekster haar aanvraag om een indicatie voor begeleiding uitgebreid met een aanvraag voor een indicatie voor persoonlijke verzorging.

2.5. Op 15 maart 2010 is een telefonische hoorzitting gehouden, waarna verweerder de voorzieningenrechter een concept besluit op bezwaar van 17 maart 2010 heeft toegezonden, waarin is aangegeven dat voor de periode 23 februari 2010 tot 22 februari 2015 de volgende indicatie wordt gegeven:

begeleiding individueel: klasse 2 = 2 tot 3,9 uur per week,

begeleiding groep: klasse 5 = 5 dagdelen per week en

persoonlijke verzorging: klasse 4 = 7 tot 9,9 uur per week.

2.6. De rechter overweegt als volgt.

2.7. In artikel 8:81 van de Awb is bepaald dat indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.8. Als aanstonds moet worden geconcludeerd dat verzoekster zonder enig nadeel een beslissing in de hoofdzaak kan afwachten, dan dient het verzoek om een voorlopige voorziening reeds op die grond te worden afgewezen en komt de rechter aan een verdere belangafweging als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb niet toe.

Is een bepaald spoedeisend belang wel aanwezig, dan bestaat pas aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening indien het belang van verzoekster bij de gevraagde voorziening zodanig is dat het zwaarder dient te wegen dan het belang van verweerder bij afwijzing van die voorziening en bij onmiddellijke uitvoering van het besluit. In het kader van die belangenafweging kan worden betrokken een voorlopig oordeel van de rechter over het geschil in de hoofdzaak.

2.9. De rechter concludeert dat aan de eerste twee in artikel 8:81 van de Awb geformuleerde formele vereisten is voldaan nu namens verzoekster een bezwaarschrift is ingediend tegen het besluit ter zake waarvan de voorlopige voorziening wordt gevraagd en de rechtbank te Roermond bevoegd moet worden geacht van de (eventuele) hoofdzaak kennis te nemen.

2.10. Namens verzoekster is aan de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, waarbij wordt bepaald dat de werking van het besluit van 23 februari 2010 wordt opgeschort en de zorg van 20 uur "begeleiding individueel" die verzoekster al sinds 2002 ontvangt, tijdens de bezwaarprocedure zal worden voortgezet.

Met betrekking tot de vereiste spoedeisendheid heeft de echtgenoot en gemachtigde van verzoekster gesteld dat hij momenteel zelf de noodzakelijke zorg op eigen kosten laat aanvullen, maar dat dit vanwege de financiële consequenties niet meer langer kan worden gehandhaafd. Bovendien kan hij niet méér mantelzorg verlenen dan hij op dit moment doet, omdat hij zelf sinds 1 februari 2010 voor 20 uur per week in dienstverband werkzaam is.

2.11. De voorzieningenrechter is van oordeel dat aan de gevraagde voorziening niet bij voorbaat de vereiste spoedeisendheid kan worden ontzegd. De rechter komt daarom toe aan beoordeling van de hoofdzaak, welke uit de aard der zaak een voorlopig karakter heeft.

2.12. Verweerder hanteert bij de indicatiestelling de wettelijke regels zoals neergelegd in de AWBZ, het Besluit Zorgaanspraken AWBZ, het Zorgindicatiebesluit en de hierop gebaseerde Beleidsregels indicatiestelling AWBZ.

2.13. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de AWBZ hebben verzekerden aanspraak op zorg ter voorkoming van ziekten en ter voorziening in hun geneeskundige behandeling, verpleging en verzorging. Tot deze zorg behoren voorzieningen tot behoud, herstel of ter bevordering van de arbeidsgeschiktheid of strekkende tot verbetering van levensomstandigheden, alsmede maatschappelijke dienstverlening.

2.13.1. In artikel 9a, eerste lid, van de AWBZ, is bepaald dat burgemeester en wethouders erin voorzien dat in hun gemeente ten behoeve van de inwoners een onafhankelijk indicatieorgaan werkzaam is, dat kosteloos besluit of een inwoner is aangewezen op een van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen vormen van zorg.

2.13.2. In artikel 9b, eerste lid, van de AWBZ, is bepaald dat aanspraak op zorg slechts bestaat als door het daartoe bevoegde indicatieorgaan op een door een verzekerde ingediende aanvraag is besloten dat deze naar aard, inhoud en omvang, op die zorg is aangewezen.

2.13.3. Aan het bepaalde in artikel 6, tweede lid van de AWBZ is uitvoering gegeven bij het Besluit Zorgaanspraken AWBZ. In dit besluit wordt aangegeven op welke vormen van zorg een verzekerde aanspraak heeft en wordt voorts omschreven wat deze zorg inhoudt.

2.13.4. Aan het bepaalde in artikel 9a, eerste lid en artikel 9b, eerste lid is uitvoering gegeven bij het Zorgindicatiebesluit. In dit besluit worden regels gegeven met betrekking tot het werkterrein, de samenstelling en de werkwijze van indicatieorganen. In dit besluit is in artikel 11 bepaald dat Onze Minister beleidsregels kan stellen over de wijze waarop het indicatieorgaan zijn activiteiten uitvoert. De minister heeft daarvan gebruik gemaakt door de Beleidsregels indicatiestelling AWBZ. In artikel 13 van het besluit is bepaald dat in het indicatiebesluit wordt vermeld op welke vorm van zorg de zorgvrager is aanwezen en de hoeveelheid zorg in tijd per zorgvorm dan wel, indien de verzekerde is aangewezen op verblijf als bedoeld in artikel 9, eerste lid van het besluit, de hoeveelheid zorg in tijd voor de zorgvormen tezamen.

2.13.5. Op grond van artikel 2, eerste en tweede lid, van het Besluit Zorgaanspraken AWBZ, bestaat er slechts aanspraak op AWBZ zorg, indien de desbetreffende zorg niet kan worden bekostigd op grond van een andere wettelijke regeling en voor zover de verzekerde, gelet op zijn behoefte en uit oogpunt van doelmatige zorgverlening, redelijkerwijs daarop is aangewezen. In dit kader stelt de voorzieningenrechter vast dat met ingang van 1 januari 2009 de zogeheten pakketmaatregelen AWBZ zijn ingevoerd, waarbij een wijziging vormde het terugbrengen van de drie zorgvormen ondersteunende begeleiding (OB), activerende begeleiding (AB) en behandeling tot twee zorgvormen, te weten begeleiding en behandeling. Verder zijn de criteria voor begeleiding aangescherpt.

2.13.6. Mede gelet op deze wetswijziging hecht de voorzieningenrechter eraan op te merken dat, hoewel verzoekster eerder in het kader van de AWBZ een ruimere indicatie voor individuele begeleiding heeft gekregen, hieraan niet het recht kan worden ontleend dat die indicatie ook in de toekomst ongewijzigd zal worden voortgezet, hoezeer de voorzieningenrechter zich in dit geval ook kan voorstellen dat verzoekster en haar naasten het eerder toegekende pakket aan voorzieningen wensen voort te zetten.

2.13.7 In bijlage 6 van de Beleidsregels indicatiestelling AWBZ is met betrekking tot de omvang van de indicatie onder meer bepaald, dat of de verzekerde is aangewezen op "begeleiding individueel" of "begeleiding in groepsverband" wordt bepaald door de afweging wat zorginhoudelijk het meest doelmatig is en dat "begeleiding in groepsverband" voorliggend is op "begeleiding individueel" als hetzelfde doel wordt beoogd. Voorts is hierin bepaald dat alleen als er medische contra-indicaties zijn voor "begeleiding in groepsverband", de activiteiten in de vorm van de aanspraak "begeleiding individueel" kunnen worden geïndiceerd.

2.14. Zoals uit een inmiddels door verweerder aan de rechtbank toegezonden concept-besluit blijkt is verweerder voornemens voor de periode 23 februari 2010 tot 22 februari 2015 de volgende indicatie te geven:

begeleiding individueel: klasse 2 = 2 tot 3,9 uur per week,

begeleiding groep: klasse 5 = 5 dagdelen per week en

persoonlijke verzorging: klasse 4 = 7 tot 9,9 uur per week.

2.15. Uit hetgeen namens verzoekster is aangevoerd blijkt dat zij, uitgaande van de indicatie zoals in het concept besluit op bezwaar is aangegeven, zich thans nog verzet tegen de indicatie "begeleiding groep" en daarvoor in de plaats individuele begeleiding wenst.

2.16. Het medisch advies, dat aan het concept-besluit ten grondslag is gelegd, is tot stand gekomen na dossierstudie, kennisneming van onder meer de brieven van de behandelend neuroloog van 30 januari 2010, van de huisarts van 8 maart 2010 en van de behandelend fysiotherapeut van 5 maart 2010, alsmede het bijwonen van de hoorzitting. De rechter is van oordeel dat het advies zorgvuldig tot stand is gekomen en voldoende draagkrachtig is gemotiveerd. De voorhanden informatie is naar het oordeel van de rechter correct en volledig bij de advisering en beoordeling betrokken.

2.17. In de door verzoekster aan de rechtbank toegezonden brief van de neuroloog van 19 maart 2010 is onder meer vermeld dat het van belang is de zorg ongewijzigd te continueren. Verweerder is met zijn medisch adviseur, ook na kennisneming van deze brief, van mening dat uit deze brief noch uit de overige beschikbare informatie blijkt van een contra-indicatie ten aanzien van groepsbegeleiding.

2.18. De rechter ziet geen aanleiding dit standpunt voor onjuist te houden. De behandelend neuroloog heeft weliswaar gesteld dat het van belang is de zorg ongewijzigd te continueren, maar daaruit kan niet eenduidig en expliciet worden opgemaakt dat er sprake is van een contra-indicatie. Ook uit de overige beschikbare gegevens blijkt niet van een contra-indicatie ten aanzien van begeleiding in een groep.

2.19. Nu ingevolge het eerder aangehaalde beleid "begeleiding in groepsverband" voorliggend is op "begeleiding individueel" als hetzelfde doel wordt beoogd en dat alleen als er een medische contra-indicatie is voor "begeleiding in groepsverband", "begeleiding individueel" kan worden geïndiceerd, komt de rechter tot het voorlopig oordeel dat verweerders besluit, zoals dat in het primaire besluit -en hangende de bezwaarprocedure aangevuld met het concept-besluit op bezwaar- is weergegeven, op goede gronden berust.

2.20. In het verzoekschrift en ter zitting heeft verzoekster nog verzocht om verweerder vanwege de gemaakte kosten te veroordelen in de (gestelde) door haar geleden schade ten gevolge van het bestreden besluit. Dit verzoek, welk door de voorzieningenrechter is aangemerkt als een verzoek om toepassing van artikel 8:73 van de Awb, dient te worden afgewezen, nu de bevoegdheid tot veroordeling van schadevergoeding is toegekend aan de rechtbank in de situatie van gegrondverklaring van het beroep.

2.21. Gelet op het vorenstaande zal het verzoek om een voorlopige voorziening worden afgewezen.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

Aldus gedaan door mr. drs. E.J. Govaers in tegenwoordigheid van J.C. Kupers-Leenen als griffier en in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2010.

w.g. J.C. Kupers-Leenen w.g. E.J. Govaers

griffier rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

verzonden op: 26 maart 2010.

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.