Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2010:BL9029

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
26-03-2010
Datum publicatie
26-03-2010
Zaaknummer
04/803001-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank acht uitleveringsverzoek Turkije ontoelaatbaar op grond van het ne bis in idem-beginsel en voltooide schending van het bepaalde in art. 3 EVRM en art. 3 VN-Folteringsverdrag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Parketnummer : 04-803001-10

Datum uitspraak: 26 maart 2010

UITSPRAAK

op het schriftelijk verzoek van Turkije, door tussenkomst van de Turkse ambassade en het Ministerie van Buitenlandse Zaken te ‘s-Gravenhage, gezonden aan het Ministerie van Justitie te ’s-Gravenhage en overeenkomstig artikel 20 van de Uitleveringswet op 5 februari 2010 door het Ministerie van Justitie (kenmerk UIL-I-2010003317) toegezonden aan het IRC-Limburg tot uitlevering van de opgeëiste persoon:

[betrokkene],

geboren op [geboortedatum en plaats] (Turkije)

wonende te [adres],

thans verblijvende in [verblijfplaats].

De rechtbank heeft kennisgenomen van de (aanvullende) stukken die het uitleveringsverzoek vergezellen.

De procesgang

De rechtbank heeft dit uitleveringsverzoek behandeld op de terechtzitting van 18 maart 2010. Daarbij is de opgeëiste persoon, hierna te noemen [betrokkene], met bijstand van zijn raadsman mr. [naam] en een tolk in de Turkse taal, en de officier van justitie gehoord omtrent het verzoek tot zijn uitlevering.

De officier van justitie heeft zijn opvatting over de toelaatbaarheid van de gevraagde uitlevering als bedoeld in artikel 26, lid 2, van de Uitleveringswet, gegeven en geadviseerd de verzochte uitlevering van [betrokkene] toelaatbaar te achten, doch uitsluitend voor zover het betreft de feiten gepleegd in Turkije gelegen voor februari 1991 en hij heeft de rechtbank tevens verzocht voor het sluiten van het onderzoek de gevangenhouding van [betrokkene] te bevelen.

[betrokkene] en zijn raadsman zijn in de gelegenheid gesteld tot het maken van ter zake dienende opmerkingen omtrent het verzoek tot uitlevering en de in verband daarmee te nemen beslissingen.

De rechtbank heeft [betrokkene] in de gelegenheid gesteld het laatst het woord te voeren.

De rechtbank heeft ter zitting de gevangenhouding van [betrokkene] bevolen, welke beslissing apart is geminuteerd.

Het onderzoek ter zitting is vervolgens gesloten en de uitspraak is bepaald op 15 april 2010 of zoveel eerder als mogelijk zou zijn.

Het verzoek tot uitlevering en de overgelegde stukken

Blijkens de processtukken is het verzoek tot uitlevering schriftelijk gedaan door toezending van het verzoek aan de Minister van Justitie te ’s-Gravenhage. Het verzoek strekt tot uitlevering van [betrokkene] aan Turkije ter strafvervolging.

Ter adstructie van het uitleveringsverzoek zijn hierna genoemde stukken overgelegd:

a. een bevel tot aanhouding d.d. 10 oktober 2008, nummer 2008/817 van de Rechtbank voor zware strafzaken te Diyarbakir (Turkije);

b. een uiteenzetting van de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd d.d. 22 januari 2010;

c. een authentiek afschrift van de akten waarop het verzoek tot uitlevering steunt;

d. een overzicht van de toepasselijke wetsbepalingen;

e. de gegevens die nodig zijn voor de vaststelling van de identiteit van [betrokkene];

f. een afschrift van de toepasselijke wetsbepalingen;

g. per brieven respectievelijk d.d. 25 februari 2010 en 8 maart 2010 nagekomen stukken uit Turkije;

Door de officier van justitie is aan het dossier toegevoegd een gewaarmerkte fotokopie van het vonnis van het Oberlandesgericht Celle tegen [betrokkene] d.d. 29 april 2005.

Door de raadsman is in het geding gebracht een kopie van het vonnis van het Verwaltungsgericht Arnsberg tegen [betrokkene] d.d. 28 april 2008.

Bij voornoemde stukken is een vertaling in de Nederlandse taal gevoegd.

Ter zitting heeft de officier van justitie voorts nog een (zeer slecht leesbare) fotokopie van twee schriftelijke stukken gesteld in de Turkse taal, respectievelijk met als opschrift “16/03/2010 T.C. DIYARBAKIR 20/09/1988” en “T.C. DIYARBAKIR DEVLET GUVENLIK (…) SAYI (..) KARAR NO: 1988/230” overgelegd.

De raadsman heeft bij pleidooi nog twee in de Duitse taal gestelde medische attesten betreffende [naam en geboortedatum], respectievelijk d.d. 25 maart 2008 en 1 april 2008, aan de rechtbank overgelegd.

Het hiervoor onder b. genoemde stuk houdt voorts in een overzicht van de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd met een vermelding van de tijd en plaats waarop deze zouden zijn begaan, hun wettelijke omschrijving en de verwijzing naar de toepasselijke wetsbepalingen.

De identiteit en de nationaliteit van de opgeëiste persoon

[betrokkene] heeft ter zitting verklaard dat hij de in het uitleveringsverzoek bedoelde persoon is en dat zijn personalia zijn:

[betrokkene], geboren op [geboortedatum en plaats] (Turkije), zonder bekende feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland, thans gedetineerd is en dat hij de Turkse nationaliteit heeft. Uitdrukkelijk daarnaar gevraagd heeft hij meegedeeld niet de Nederlandse nationaliteit te hebben.

Beoordeling van de toelaatbaarheid van de verzochte uitlevering

Uit de overgelegde stukken met betrekking tot het uitleveringsverzoek blijkt dat de verzoekende staat, hierna Turkije, de uitlevering heeft beperkt tot de vervolging terzake van het misdrijf van oprichten en beheren van een gewapende organisatie dat behoort tot de misdrijven die vallen binnen het toepassingsgebied van artikel 314/1 van het TCK/Turks Wetboek van Strafrecht met nummer 5237 en artikel 5 van de Strijd tegen de terrorismewet en dat, ingeval van uitlevering van [betrokkene] door Nederland aan Turkije, Turkije [betrokkene] niet andermaal zal vervolgen op grond van het “ne bis in idem- beginsel”. Toestemming zal worden verzocht op grond van het “specialiteitsbeginsel, en indien zulks niet wordt verleend, zal hij niet voor andere feiten in Turkije worden vervolgd dan waarop het misdrijf dat het onderwerp is van het uitleveringsverzoek betrekking heeft. Voorts heeft Turkije in het uitleveringsverzoek toegezegd dat [betrokkene] na zijn uitlevering “kan genieten van de rechten en zekerheden die zijn neergelegd in de Turkse Interne Wetgeving, het Verdrag/Verklaring voor de Rechten van de Mens van de verenigde naties, het Europees Verdrag voor de Rechten van de mens en de Fundamentele Vrijheden.”

Door de raadsman is bij pleidooi primair verzocht de uitlevering van [betrokkene] ontoelaatbaar te verklaren wegens schending van het ne bis in idem-beginsel in verband met een onherroepelijke veroordeling van [betrokkene] in Duitsland en een vrijspraak van [betrokkene] in Turkije.

Door de verdediging is aangevoerd dat [betrokkene] voor het aan het uitleveringsverzoek ten grondslag liggende feitencomplex reeds bij vonnis van de Turkse rechter is vrijgesproken en overigens bij onherroepelijk vonnis van de Duitse rechter is veroordeeld, waarbij hij de hem opgelegde gevangenisstraf reeds heeft ondergaan.

Alvorens de rechtbank op dit verweer nader zal ingaan, zal zij eerst bij de reikwijdte en de betekenis van het ne bis in idem-beginsel naar Nederlands recht stilstaan.

Onder het ne bis in idem-beginsel naar Nederlands recht wordt, kort samengevat, verstaan het beginsel krachtens hetwelk niemand voor een tweede keer mag worden berecht of gestraft voor een strafbaar feit waarvoor hij reeds overeenkomstig de wet en het procesrecht van enig land bij einduitspraak is veroordeeld of waarvan hij is vrijgesproken. Het ne bis in idem-beginsel is ook vervat in artikel 9, lid 1 onder c, van de Uitleveringswet en staat een uitlevering van een opgeëiste persoon in de weg voor een feit terzake waarvan hij bij gewijsde door de Nederlandse rechter is vrijgesproken of ontslagen van rechtsvervolging, dan wel ten te zijnen aanzien een overeenkomstige onherroepelijke beslissing door een andere rechter is genomen.

Dit klassieke beginsel wordt algemeen onderschreven, zoals blijkt uit de erkenning in nationale codificaties en internationale verdragen en is onder meer terug te vinden in het internationaal en Europees recht onder respectievelijk artikel 14, zevende lid van het IVBPR en artikel 4 Zevende Aanvullend Protocol EVRM. Naar het oordeel van de rechtbank strekt dit beginsel er toe een ontoelaatbare herhaling van strafvorderlijke activiteiten te voorkomen en toereikende rechtsbescherming te bieden tegen herhaalde oplegging van punitieve sancties terzake van materieel hetzelfde feitencomplex, ongeacht de juridische kwalificatie van deze feiten of het beschermde rechtsbelang.

Een feit wordt geacht te zijn vervolgd als een buitenlandse strafrechter zich over de zaak heeft gebogen en de rechter op het strafproces aan een inhoudelijke beoordeling van de zaak is toegekomen.

De rechtbank zal bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van het uitleveringsverzoek rekening houden met het ne bis in idem-beginsel zoals de rechtbank dit beginsel hiervoor heeft verwoord.

Turkije heeft in het uitleveringsverzoek toegezegd het ne bis in idem-beginsel te zullen respecteren en heeft in een nadere toelichting op het uitleveringsverzoek d.d. 8 maart 2010 (pagina 12) de toepassing en haar opvattingen over en de reikwijdte van het ne bis idem beginsel in deze zaak als volgt verwoord:

“Er is vastgesteld dat het onderzoek lastens de verdachte [betrokkene] en de feiten die onderwerp waren van de vervolging bij het 1ste Strafdepartement van het gerechtshof Celle in Duitsland, dat indien de onderstaande misdrijven, die gereguleerd worden in artikel 13/1 van het Turkse Wetboek van Strafrecht (TCK) genummerd 5237 met titel andere misdrijven, in het buitenland door onderdaan of door een buitenlander worden gepleegd, de Turkse wetten toepassing vinden, hoewel verdachte [betrokkene] veroordeeld werd tot 2 jaar en 8 maanden ingevolge de uitspraak de dato 29 april 2005 van het 1ste Strafdepartement van het gerechtshof van Celle te Duitsland wegens lidmaatschap aan een criminele organisatie, schrijft artikel 314/1 van het Turks Wetboek voor Strafrecht genummerd 5237 voor dezelfde daad van verdachte een gevangenisstraf van 10 tot 15 jaar voor, ingevolge artikel 16 van het Turks Wetboek voor Strafrecht genummerd 5237 met titel strafvermindering, dat stelt dat waar ook gepleegd, indien men wegens een misdrijf in het buitenland wordt gearresteerd, zich onder toezicht bevindt, in voorlopige hechtenis zit of een gevangenisstraf uitzit, deze duur in mindering wordt gebracht van de gevangenisstraf die voor hetzelfde misdrijf opgelegd wordt, in Turkije en derhalve zijn vervolging in Turkije niet kan worden beschouwd als een tweede vervolging.”

Van toepassing is het ne bis in idem-beginsel zoals dit naar Nederlands recht en internationaal recht geldt en in bovenvermelde zin door de rechtbank is verwoord. De rechtbank acht zich niet gebonden aan de door de Turkse autoriteiten gegeven nadere uitleg en interpretatie van het ne bis in idem-beginsel, nog daargelaten het oordeel van de rechtbank dat de door Turkije gegeven uitleg dit beginsel volstrekt illusoir maakt waardoor een nieuwe vervolging in Turkije voor hetzelfde misdrijf of onderliggende feiten weer mogelijk wordt gemaakt. Deze uitleg houdt feitelijk niet meer in dan dat reeds in het buitenland ondergane detentie in mindering zal worden gebracht bij een nieuwe veroordeling terzake hetzelfde misdrijf waarvoor hij eerder in het buitenland veroordeeld is geweest.

Uit het uitleveringsverzoek en de aanvullende stukken van de Turkse autoriteiten is de verdenking gerezen dat [betrokkene] ervan wordt verdacht zich schuldig te hebben gemaakt aan deelname aan de PKK op grond van feiten gepleegd voor 1991. Die feiten zijn weergeven in de aanvullende stukken van 25 februari 2010 en van 8 maart 2010.

Uit de door Turkije overgelegde stukken volgt tevens dat [betrokkene] reeds eerder door het Oberlandesgericht te Celle d.d. 29 april 2005 wegens “lidmaatschap in een criminele organisatie in eendaadse samenloop met medeplichtigheid voor het op arglistige wijze verkrijgen van een verblijfsvergunning” vanaf februari 1991 tot datum vonnis d.d. 29 april 2005, gepleegd in Duitsland, is veroordeeld tot een vrijheidsstraf van twee jaren en acht maanden.

De Duitse strafrechter heeft in het voormeld vonnis van 29 april 2005 vastgesteld (pagina 5 en 6) dat [betrokkene] vanaf 1986 politieke activiteiten heeft ontplooid voor de PKK. Dit feitencomplex ligt blijkens het vonnis van de Duitse strafrechter mede ten grondslag aan de vervolging, berechting en veroordeling in Duitsland

Op grond van hetgeen de rechtbank hiervoor reeds heeft overwogen met betrekking tot het ne bis in idem-beginsel in samenhang met het bepaalde in artikel 9, lid 1 onder c, van de Uitleveringswet kan [betrokkene] dan ook niet voor een hernieuwde vervolging voor die feiten, betrekking hebbende op de periode februari 1991 tot 29 april 2005 worden uitgeleverd.

Uit de aanvullende informatie van de Turkse autoriteiten d.d. 8 maart 2010 blijkt dat [betrokkene] bij vonnis van 5 december 1988 met nummer 1988/230 door de Turkse rechter is vrijgesproken wegens gebrek aan bewijs voor zijn lidmaatschap van een onwettige terroristische organisatie, en hand- en spandiensten verlenen aan leden van een gewapende bende, terwijl hij op de hoogte was van hun situatie en positie.

Een en ander impliceert dat de feiten die ten grondslag hebben gelegen aan het Turks vonnis tot een vrijspraak hebben geleid ter zake van zijn lidmaatschap aan een onwettige terroristische organisatie, zodat uitlevering voor de onderliggende feiten eveneens op grond van ne bis in idem-beginsel ontoelaatbaar moet worden verklaard.

Gelet op het vorenstaande slaagt het verweer van de raadsman dat het verzoek tot uitlevering ontoelaatbaar dient te worden verklaard op grond van het Duits vonnis van 29 april 2005 voor zover het betrekking heeft op de periode februari 1991 tot en met 29 april 2005, en het Turks vonnis van 5 december 1988, voor zover het betrekking heeft op de periode 1986 tot en 5 december 1988.

De rechtbank acht op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting geen gronden aanwezig het uitleveringsverzoek ook ontoelaatbaar te achten voor zover het gevoerde verweer eveneens betrekking zou hebben op de periode december 1988 tot februari 1991.

Nu de rechtbank het uitleveringsverzoek op grond van het ne bis in idem-beginsel niet toelaatbaar zal verklaren voor de periode 1986 tot en met 5 december 1988 en van februari 1991 tot en met 29 april 2005, dient de rechtbank nog slechts te oordelen over de periode december 1988 tot en met januari 1991.

Gelet op de inhoud van het uitleveringsverzoek en de daaraan ten grondslag liggende de stukken is het verzoek van Turkije om [betrokkene] uit te leveren (hoofdzakelijk) gebaseerd op de inhoud van het Duits vonnis van 29 april 2005. In voormeld vonnis heeft de Duitse strafrechter (mede) op basis van [betrokkene]s eigen verklaringen, afgelegd in Duitsland, zijn betrokkenheid bij de PKK vanaf 1986 tot datum vonnis uitvoerig in beeld gebracht en vastgesteld. Daarnaast heeft Turkije de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] overgelegd waaruit eveneens [betrokkene] betrokkenheid bij activiteiten ten behoeve van de PKK in de periode eind 1988 - februari 1991 in Turkije zou moeten blijken.

Door de verdediging is bij pleidooi voorts verweer gevoerd met betrekking tot de genoegzaamheid der stukken, de dubbele strafbaarheid, de verjaring, het verbod tot uitlevering voor politieke delicten en dreigende en voltooide schending van fundamentele mensenrechten, in het bijzonder de artikelen 3 en 6 van het EVRM.

De rechtbank overweegt daaromtrent het volgende.

Vooropgesteld zij dat de rechtbank het verweer dat Turkije met de foltering van [betrokkene] in verband met de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd artikel 3 EVRM heeft geschonden, als het meest verstrekkende verweer aanmerkt. Immers, met die beweerde schending is een fundamenteel recht in het geding, te weten het recht op vrijwaring van foltering, welk recht wordt beschermd door artikel 3 EVRM, evenals artikel 3 van het VN-Folteringsverdrag (10 december 1984, Trb. 1985,69). Mede in het licht van HR 15 oktober 1996, NJ 1997, 533 en HR 17 december 1997, NJ 1997, 334 wordt het in genoemde verdragen neergelegde folterverbod als dwingend recht beschouwd dat andere verdragsverplichtingen, waaronder die welke voortvloeien uit het Europese Uitleveringsverdrag, opzij zet. Gelet op dit fundamentele karakter van genoemd recht zal de rechtbank het hierop toegesneden verweer het eerst bespreken.

De door de verdediging aangevoerde schending van artikel 3 EVRM dient op haar aannemelijkheid te worden onderzocht (HR 15 oktober 1996, NJ 1997, 533).

Zoals de rechtbank hiervoor al heeft opgemerkt is het verzoek tot uitlevering hoofdzakelijk gebaseerd op het Duitse vonnis van 29 april 2005. In dit vonnis heeft de Duitse strafrechter onder meer vastgesteld (pagina 7):

“Op 29 juli 1988 werd de beklaagde gearresteerd, kwam in voorarrest en werd wegens lidmaatschap in de PKK aangeklaagd. Hij werd echter – na zijn vrijlating uit de voorlopige hechtenis op 4 november 1988 – door de rechtbank voor de binnenlandse veiligheid in Diyarbakir op 5 december 1988 vrijgesproken. Een verdere procedure wegens ondersteuning van de PKK werd na ongeveer twee weken hechtenis in maart 1990 op 11 mei 1990 door het Openbaar Ministerie geseponeerd.

In februari 1991 vluchtte de beklaagde ([betrokkene]) met zijn vrouw en zijn drie kinderen naar Duitsland en vroeg op 3 april 1991 in Lüdenscheid voor zichzelf en zijn gezin asiel aan. Als reden gaf hij aan, wegens zijn engagement voor de PKK tijdens zijn verblijf in de gevangenis in Turkije telkens in aanzienlijke mate en tijdens een langere periode onder toepassing van geweld te zijn verhoord en gemarteld en in de daarop volgende periode herhaaldelijk door medewerkers van de veiligheidsdienst met de dood te zijn bedreigd.”

Uit het onderzoek ter zitting is de rechtbank niet gebleken dat deze vaststellingen van de Duitse rechter, waaronder ook begrepen de constateringen met betrekking tot het voorarrest van [betrokkene] vanaf juli 1988, de vrijspraak in december 1988, de hechtenis in maart 1990 en het daarop gevolgde sepot, gebaseerd op de in Duitsland afgelegde eigen verklaringen van [betrokkene], door de Turkse autoriteiten in het verzoek tot uitlevering dan wel in de nagekomen informatie zijn weersproken en/of betwist.

Ter zitting heeft [betrokkene] verklaard dat hetgeen hem door de Turkse autoriteiten in het uitleveringsverzoek wordt verweten gebaseerd is op zijn eigen verklaring zoals hij die bij zijn asielaanvraag in Duitsland heeft afgelegd, welke verklaringen vervolgens door de Duitse rechters in de vonnissen van 29 april 2005 en 28 april 2008 zijn gebruikt.

De door de Turkse autoriteiten bijgevoegde verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] zijn van generlei waarde aangezien deze verklaringen hoogstwaarschijnlijk door marteling zijn verkregen.

Over zijn detentie in 1988 en 1990 in Turkije heeft [betrokkene] ter zitting het volgende verklaard:

In 1988 ben ik samen met andere familieleden door de Turkse autoriteiten aangehouden wegens strafbare feiten betreffende het lidmaatschap van een onwettige terroristische organisatie, en hand- en spandiensten verlenen aan leden van een gewapende bende. Van deze beschuldiging ben ik bij vonnis van 5 december 1988 vrijgesproken. Tijdens mijn detentie werd ik gemarteld en ging er geen dag voorbij dat ik niet het bewustzijn verloor door de martelingen. De martelingen bestonden uit het slaan en plaatsen van voorwerpen op mijn schouders. Ook werd ik de hele dag aan mijn handen opgehangen zodat mijn voeten net boven de grond hingen. Als ik mijn bewustzijn verloor werd dit gecontroleerd door met een naald in mijn voet te prikken. Ook werd ik aan mijn handen en voeten opgehangen of in een stapel autobanden gestopt en daarna rondgedraaid zodat ik als gevolg van de rotaties mijn bewustzijn verloor. Het toedienen van elektriciteit, wat ook een gebruikelijke manier van folteren was, was het minst pijnlijk omdat je daardoor vrij snel het bewustzijn verloor. Ik ben ook vaker beledigd en met de dood bedreigd. Ook wilde men mij dwingen mijn handtekening te zetten onder een blanco papier. Tijdens mijn detentie in 1988 zat ik samen met ongeveer 25 personen opgesloten in een ruimte die hooguit voor 6 of 7 personen bestemd was. Medische verzorging of behandeling bestond nog niet eens op papier.

Nadat ik in december 1988 was vrijgesproken ben ik in maart 1990 weer opgepakt. Omdat er geen plaats was in een reguliere gevangenis werd ik vanaf maart 1990 tot begin mei 1990 in een tentenkamp gevangen gezet. Ook tijdens mijn detentie in het tentenkamp werd ik gemarteld. De ondervragingen en martelingen in het tentenkamp waren echter minder intensief vergeleken met de verhoren en martelingen die ik in 1988 had meegemaakt. De officier van justitie heeft de zaak waarvoor ik in het tentenkamp vast zat geseponeerd. Na mijn vrijlating ben ik met mijn gezin naar Duitsland gevlucht. Als gevolg van de ondergane martelingen heb ik nu last van slappe spieren.

Het relaas van [betrokkene] vindt steun in de door de rechtbank geraadpleegde ambtsberichten van het ministerie van Buitenlandse Zaken van 9 maart 1990, een uittreksel uit het jaarboek van Amnesty International betreffende Turkije 1990, de uittreksels uit het Jaarboek van Human Rights Watch 1989 en 1990. In al die bronnen wordt bevestigd dat in 1989/1990 in Turkije marteling veelvuldig voorkwam.

Het relaas van [betrokkene] dat hij na zijn vrijspraak in 1988 wederom aangehouden is vindt zijn bevestiging in de mededeling van de Turkse autoriteiten op pagina 1 van het uitleveringsverzoek van 22 januari 2010.

Gelet op de omstandigheid dat [betrokkene] zijn eerder genoemde verklaringen tijdens zijn (asiel)procedures in Duitsland heeft afgelegd, derhalve op een moment dat het onderhavige uitleveringsverzoek niet aan de orde was of kon zijn, en die verklaringen corresponderen met de inhoud van de overgelegde stukken een en ander in onderling verband en samenhang bezien met de hiervoor genoemde objectieve bronnen, maakt naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk dat [betrokkene] in 1988 en 1990 is gemarteld door de Turkse overheidsfunctionarissen.

De rechtbank dient voorts te beoordelen of de marteling van [betrokkene] heeft plaatsgevonden in verband met het feitencomplex waarvoor de uitlevering is verzocht. Vooropgesteld zij dat het uitleveringsverzoek, gelet op voormelde overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de niet toelaatbaarheid van het uitleveringsverzoek in verband met de toepassing van het het ne bis in idem-beginsel, thans alleen nog betrekking heeft op de periode eind 1988 - februari 1991, terwijl de hiervoor bedoelde martelingen van [betrokkene] in 1988 en 1990 meermalen hebben plaatsgevonden nadat hij door de Turkse autoriteiten was gearresteerd wegens de verdenking dat hij zich schuldig zou hebben gemaakt aan de strafbare feiten van het beweerde lidmaatschap van een onwettige terroristische organisatie (PKK) en dat hij hand- en spandiensten zou hebben verleend verlenen aan leden van een gewapende bende, genoegzaam is komen vast te staan dat de martelingen van [betrokkene] telkens hebben plaatsgevonden in verband met het feitencomplex waarvoor de uitlevering is verzocht.

Gelet hierop is sprake van een voltooide schending van het bepaalde in artikel 3 EVRM en artikel 3 VN-Folteringsverdrag, hetgeen met zich brengt dat de verzochte uitlevering niet voor inwilliging vatbaar is en dus ontoelaatbaar moet worden geacht.

Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank niet meer toekomt aan de overige door de verdediging aangevoerde materiële verweren.

De rechtbank zal, gelet op het bovenstaande, de door de rechtbank op 18 maart 2010 bevolen gevangenhouding van [betrokkene] opheffen.

De uitspraak

De rechtbank

verklaart de uitlevering van [betrokkene] voornoemd aan Turkije ontoelaatbaar;

heft op de gevangenhouding van [betrokkene] met ingang van heden.

Deze uitspraak is gedaan door mrs. L.J.A. Crompvoets, M.J.A.G. van Baal en M.B.Th.G. Steeghs, rechters, van wie mr. M.B.Th.G. Steeghs voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P.C.M. Müller als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van genoemde rechtbank op 26 maart 2010.