Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2010:BL8837

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
31-03-2010
Datum publicatie
06-04-2010
Zaaknummer
94724 / HA ZA 09-510
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige daad verkeer. Auto in berm tijdens passeren tractor op landelijke weg, Verkeersfout tractorbestuurder niet komen vast te staan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROERMOND

Sector civielrecht

zaaknummer / rolnummer: 94724 / HA ZA 09-510

Vonnis van 31 maart 2010

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. F.J. van Benthem,

tegen

1. [gedaagde 1],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. R.J.M. Hermans,

2.de stichting

STICHTING WAARBORGFONDS MOTORVERKEER,

gevestigd te Rijswijk,

gedaagde,

advocaat mr. R. Gruben.

Partijen zullen hierna [eiseres], [gedaagde 1] en Waarborgfonds genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 9 september 2009

- het proces-verbaal van comparitie van 16 februari 2010

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Op 13 december 2004 reed [eiseres] met een personenauto merk [H], type [...], omstreeks 8.00 uur over de [weg] in [plaats]. Naast haar in de passagiersstoel zat haar zoon [zoon 1]. Achterin was haar zoon [zoon 2] gezeten achter de bestuurdersstoel met naast hem een vriendje. Tijdens het passeren van een uit tegenovergestelde richting komende tractor is de personenauto in de berm geraakt, over de kop geslagen en uiteindelijk aan de overzijde van de weg tegen een hekwerk tot stilstand gekomen.

3. Het geschil

3.1. [eiseres] vordert samengevat – voor recht te verklaren, dat gedaagde sub 1 dan wel een onbekend gebleven voertuig aansprakelijk is voor het ongeval dat [eiseres] op 13 december 2004 overkwam, met veroordeling van gedaagde sub 1 dan wel gedaagde sub 2 tot vergoeding van de schade van [eiseres], welke schade opgemaakt dient te worden bij staat en vereffend volgens de wet, alsmede gedaagde sub 1 dan wel gedaagde sub 2 te veroordelen tot betaling van een voorschot aan [eiseres] van EUR 45.000,00,

kosten rechtens.

3.2. [gedaagde 1] en het Waarborgfonds voeren verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. [eiseres] heeft haar vordering gebaseerd op een onrechtmatige daad van [gedaagde 1] dan wel een onbekend gebleven bestuurder jegens haar. Zij heeft daaraan het volgende ten grondslag gelegd. [eiseres] reed op 13 december 2004 omstreeks 8.00 uur op de [weg] in [plaats]. Uit tegenovergestelde richting kwam haar een tractor tegemoet, die zodanig op de weg reed, dat [eiseres] genoodzaakt was om uit te wijken, waardoor zij in de berm terecht is gekomen en de macht over het stuur is verloren, waardoor de auto over de kop is geslagen en tegen een hekwerk tot stilstand is gekomen. Ten gevolge van het ongeval ondervindt zij nog steeds lichamelijke beperkingen.

4.2. [gedaagde 1] heeft betwist dat de door hem bestuurde tractor de volgens [eiseres] bij het ongeval betrokken tractor betreft. Tevens heeft hij – bij gebrek aan wetenschap – de door [eiseres] gestelde toedracht van het ongeval betwist.

4.3. Het Waarborgfonds heeft zich primair beroepen op artikel 25, vierde lid, en 26 vijfde lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen en subsidiair op materiële gronden haar aansprakelijkheid betwist.

4.4. Allereerst zal de rechtbank ingaan op de vraag of er sprake is van een onrechtmatige handeling in de vorm van een verkeersfout aan de zijde van de bestuurder van de tijdens het ongeval passerende tractor. In verband met (de toedracht van) het ongeval zijn zowel bij de politie als later in het kader van een voorlopig getuigenverhoor door de rechtbank verklaringen afgelegd door [gedaagde 1] en door [eiseres] en haar beide zonen, waarvan zoon [zoon 2] alleen als getuige tijdens een voorlopig getuigenverhoor en niet door de politie is gehoord.

4.5. Met betrekking tot de door [gedaagde 1] ter zake van zijn rijgedrag afgelegde verklaring overweegt de rechtbank, dat die verklaring slechts relevant is voor zover zou komen vast te staan de [gedaagde 1] de bestuurder was van de betreffende tractor, zodat de rechtbank daar eerst op in zal gaan. [gedaagde 1] zelf heeft verklaard dat hij niet bij het ongeval betrokken is geweest. De rechtbank overweegt, dat vast staat dat [gedaagde 1] omstreeks het tijdstip van het ongeval ter plaatse heeft gereden in een aan de gemeente Horst aan de Maas toebehorende tractor van het merk John Deer. Die aanwezigheid op zich leidt naar het oordeel van de rechtbank nog niet tot de conclusie van betrokkenheid van [gedaagde 1] bij het ongeval, aangezien de [weg] een landelijke weg is, zodat de mogelijke aanwezigheid van een andere tractor ter plaatse tijdens het ongeval niet is uit te sluiten. Verder overweegt de rechtbank dat de groene kleur van de door [gedaagde 1] bestuurde tractor en de gele kleur van de velgen van de banden als opvallend kunnen worden aangeduid. Tevens bevond zich op de door [gedaagde 1] bestuurde tractor als zeer kenmerkend aspect een snoeikorf. De rechtbank constateert dat noch [eiseres] noch haar zoon [zoon 1] tijdens het verhoor bij de politie over deze opvallende kenmerken van de tractor hebben verklaard. De rechtbank overweegt, dat het mogelijk is dat zij, indien zij direct na het ongeval zouden zijn gehoord, op dat moment nog zo onder de indruk waren van hetgeen hen net is overkomen, dat deze essentialia hen even zijn ontschoten. Echter [eiseres] en haar zoon [zoon 1] zijn niet direct na het ongeval maar pas later, namelijk op 7 januari 2005, door de politie gehoord, zodat het niet noemen van essentialia niet aan de emotie van het moment kan worden toegeschreven. Vervolgens zijn [eiseres] en [zoon 1] gedurende het tijdsverloop tussen de verhoren bij de politie en de voorlopige getuigenverhoren geconfronteerd met foto’s van de door [gedaagde 1] bestuurde tractor. Tijdens het voorlopig getuigenverhoor van 10 januari 2008 verklaart [eiseres], nadat haar wederom foto’s van de betreffende tractor worden getoond, dat zij absoluut zeker is dat de tractor op de foto dezelfde is als de tractor die bij het ongeval betrokken was. Zij herkent namelijk de grijs/gele reflectoren die zich bovenop de snoeikorf van de tractor bevonden. De snoeikorf stond namelijk hoog. De rechtbank overweegt dat [eiseres] bij de politie ten aanzien van de verlichting heeft verklaard, dat de tractor twee kleuren verlichting voerde namelijk oranje en wit. Over grijs/gele reflectoren is echter in het geheel niets in het proces-verbaal van verhoor van 7 januari 2005 (productie 2 bij de dagvaarding) terug te vinden. Tevens spreekt zij tijdens het voorlopig getuigenverhoor over de groene kleur van de tractor en de gele wielen. Ook hierover is niets in genoemd proces-verbaal terug te vinden.

[zoon 1] heeft tijdens het voorlopig getuigenverhoor van 10 januari 2008, nadat hem wederom foto’s van de door [gedaagde 1] bestuurde tractor zijn getoond, verklaard dat de foto’s dezelfde tractor lieten zien als waarmee het ongeval is gebeurd. Hij verklaart echter niet waaraan hij de tractor specifiek herkent. Verder verklaart hij over de hoogte van de reflectorbalk welke zich - zoals de rechtbank op de overgelegde foto’s, productie 2 bij de conclusie van antwoord van [gedaagde 1], waarneemt - aan de voorzijde van de snoeikorf bevindt. Over die reflectorbalk is echter in het proces-verbaal van verhoor van 7 januari 2005 (productie 2 bij de dagvaarding) in het geheel niets terug te vinden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet is uit te sluiten dat de herinnering van [eiseres] en [zoon 1] aan de voor de door [gedaagde 1] bestuurde tractor kenmerkende aspecten (onbewust) is beïnvloed door de afbeelding op de (eerder) getoonde foto’s, zodat naar het oordeel van de rechtbank aan die verklaringen op dit punt geen betekenis kan worden toegekend.

Zoon [zoon 2] heeft in het geheel niet over de kenmerkende aspecten van de tractor verklaard.

Op grond van bovenstaande is de rechtbank dan ook van oordeel, dat de betrokkenheid van [gedaagde 1] bij het ongeval niet is komen vast te staan. Derhalve zal zij de verklaring van [gedaagde 1], dat hij telkens bij het passeren van voertuigen uiterst rechts van de rijbaan is gaan rijden, bij de beoordeling buiten beschouwing laten.

4.6. Met betrekking tot de door [eiseres] tijdens het voorlopig getuigenverhoor van 10 januari 2008 afgelegde verklaring stelt de rechtbank voorop, dat [eiseres] bij de bewijswaardering als partijgetuige zal worden aangemerkt. Immers ingevolge artikel 150 Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) rust op haar de bewijslast van de gestelde onrechtmatige daad als degene die zich op de rechtsgevolgen daarvan beroept. In artikel 164, tweede lid, Rv ligt besloten dat de verklaring van een partijgetuige geen bewijs te haren voordele kan opleveren indien geen aanvullende bewijzen voorhanden zijn die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen, dat zij de partijverklaring voldoende geloofwaardig maken. De rechtbank overweegt dat deze beperking niet geldt ten aanzien van de verklaring die door [eiseres] op 7 januari 2005 bij de politie is afgelegd. Daarop is de hoofdregel van artikel 152, tweede lid, Rv van toepassing.

4.7. Verder overweegt de rechtbank dat er slechts sprake kan zijn van een onrechtmatige handeling in de vorm van een verkeersfout van de zijde van de bestuurder van de passerende tractor, indien zou komen vast te staan, dat die bestuurder tijdens het passeren vanuit hem gezien niet uiterst rechts van de rijbaan heeft gereden. Immers uit de overgelegde foto’s 15 en 16 (productie 2 bij de conclusie van antwoord van [gedaagde 1]) waarnaar ook door het Waarborgfonds is verwezen, leidt de rechtbank af dat een tractor en een personenauto [H] van het type [...] elkaar, zij het met een geringe maar voldoende ruimte tussen de voertuigen, kunnen passeren indien beide voertuigen uiterst rechts aan hun kant van de weg rijden.

Verder acht de rechtbank het enkele feit dat het door [eiseres] bestuurde voertuig in de berm is terechtgekomen niet doorslaggevend, nu meerdere oorzaken (zoals bijvoorbeeld een schrikreactie) daaraan ten grondslag kunnen liggen.

4.8. [eiseres] heeft verklaard dat zij niet weet hoe ver de tractor van de voor deze rechterkant van de weg af reed. [zoon 1] en [zoon 2] hebben in het geheel niet verkaard over een (feitelijke) waarneming op dit punt.

Verder heeft [eiseres] verklaard, dat de tractor ruim midden over de rijbaan reed en met zijn wielen haar kant opdraaide. Tijdens het voorlopig getuigenverhoor heeft zij dit laatste afgezwakt met de bewoordingen dat ze het idee had, dat de tractor haar kant op kwam. De rechtbank overweegt dat een belijning op de weg ontbrak en dat het schemerig was, zodat een exacte inschatting van de positie van de tractor onder die omstandigheden op zich al niet goed mogelijk is. Verder vindt de verklaring van [eiseres] ook geen ondersteuning in de verklaring van [zoon 1]. Met betrekking tot die verklaring overweegt de rechtbank allereerst dat voor [zoon 1] des te meer geldt dat het vanuit zijn positie rechts voor in de auto lastig was om de positie van de tractor op de weg exact waar te nemen. [zoon 1] heeft verklaard, dat de tractor midden over de rijbaan gewoon rechtdoor reed en niet uitweek. Uit die verklaring kan niet worden gedestilleerd dat de tractor niet uiterst rechts heeft gereden. Wel komt uit zijn verklaring – in tegenstelling tot die van [eiseres] - naar voren dat de tractor niet steeds meer naar hun kant van de weg opschoof.

[zoon 2] heeft in het geheel niet verklaard over de positie van de tractor op de weg.

Op grond van bovenstaande – tegenstrijdige - waarnemingen kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen conclusie getrokken worden met betrekking tot de positie van de tractor op de weg, met andere woorden kan niet worden geconcludeerd dat de tractor zich niet uiterst rechts op de voor deze bestemde weghelft bevond.

4.9. Verder hebben [eiseres] en haar zonen nog verklaard over de afstand tussen beide voertuigen tijdens het passeren. [eiseres] heeft daarover verklaard, dat de tractor tijdens het passeren zo dicht naast haar voorspiegel zat, dat ze dacht dat de tractor de auto met zijn achterwiel zou raken. [zoon 1] heeft verklaard (nog steeds vanuit zijn positie rechts voor in de auto), dat hij op het moment dat de tractor passeerde naar links keek en zag dat de tractor maar een klein stukje langs hen reed. [zoon 2], die links achter in de auto zat, heeft verklaard dat hij op ongeveer 40 cm afstand een groot wiel van de tractor langs zijn autoraam zag rijden.

De rechtbank stelt voorop dat de uit bovenstaande verklaringen naar voren komende waarnemingen met betrekking tot de afstand van de voertuigen tijdens het passeren hebben plaats gevonden onder indrukwekkende omstandigheden. Immers het betrof een smalle weg waarop een groot gevaarte zoals betrokkenen het in hun verklaringen uitdrukken in de duisternis voorzien van de nodige verlichting op hogere niveaus dan gebruikelijk bij personenvoertuigen hun richting uitkwam en waarbij de grote banden hen – ook in geval van uiterst rechts houden van de tractor - op niet al te ruime afstand passeerde. De impact van die gebeurtenis werd nog versterkt door het daaropvolgende ongeval. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook niet uit te sluiten, dat de waarneming met betrekking tot de afstand tussen de voertuigen tijdens het passeren beïnvloed is door de beleving van betrokkenen, zodat die waarneming niet zozeer op feitelijkheden als wel – in ieder geval mede – op die beleving is gebaseerd. Dit laatste vindt tevens een indicatie in het feit dat de waarnemingen niet gelijkluidend zijn. De rechtbank is dan ook van oordeel dat op grond van die waarnemingen de afstand tussen de voertuigen tijdens het passeren niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld om daarin een aanknopingspunt te vinden met betrekking tot de positie van de tractor ten opzichte van de voor deze rechterzijde van de weg. Dit geldt temeer, nu ook in geval van het uiterst rechts houden van de tractor – ook indien de personenauto zich gedeeltelijk in de berm bevond - de dan resterende ruimte tussen de voertuigen gezien de omvang van de tractor en met name die van de wielen in zijn algemeenheid reeds als gering zal worden ervaren. Daarbij komt dat de verklaringen ook niet met elkaar in overeenstemming zijn, daar waar [eiseres] verklaart, dat zij dacht dat de tractor haar achterwiel zou raken, [zoon 1] verklaart dat de tractor maar een klein stukje langs hen reed en [zoon 2] verklaart, dat hij op ongeveer 40 cm afstand een groot wiel langs zag rijden, zodat de verklaring van [eiseres] – welke op zich al niet concludent is ten aanzien van de positie van de tractor op de weg - ook onvoldoende ondersteuning vindt in de verklaringen van [zoon 1] en [zoon 2].

4.10. Op grond van bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat ook op grond van de waargenomen afstand tussen de voertuigen niet kan worden geconcludeerd, dat de tractor tijdens het passeren niet uiterst rechts heeft gehouden.

4.11. Concluderend is de rechtbank van oordeel, dat een onrechtmatige handeling in de vorm van een verkeersfout van de zijde van de bestuurder van de betreffende tractor niet is komen vast te staan.

4.12. [eiseres] heeft nog nader bewijs aangeboden door middel van een nader onderzoek naar de afmetingen van de weg en de voertuigen. De rechtbank is echter van oordeel dat – nog daargelaten dat er geen reden is om te twijfelen aan de afmetingen, zoals die in het rapport van [M] (productie 2 bij de conclusie van antwoord van [gedaagde 1]) zijn opgenomen - eerdergenoemde foto’s 15 en 16 reeds een visueel volledig inzicht geven, zodat het bekend zijn met exacte afmetingen in cijfers daaraan niets meer kan toevoegen. De rechtbank zal het bewijsaanbod als niet relevant passeren.

4.13. De conclusie onder 4.8. dat een onrechtmatige handeling niet is komen vast te staan heeft tot gevolg dat aan in ieder geval één van de voor onrechtmatige daad noodzakelijke voorwaarden niet is voldaan, zodat op grond daarvan al de vordering moet worden afgewezen. De rechtbank komt aan een beoordeling van de overige stellingen en verweren bij gebrek aan belang niet meer toe.

4.14. [eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

De kosten aan de zijde van het Waarborgfonds worden begroot op:

- vast recht 990,00

- salaris advocaat 1.788,00 (2 punten × tarief EUR 894,00)

Totaal EUR 2.778,00

De kosten aan de zijde van [gedaagde 1] worden begroot op:

- vast recht 990,00

- salaris advocaat 1.788,00 (2 punten × tarief EUR 894,00)

Totaal EUR 2.778,00

De vordering van [gedaagde 1] tot vergoeding van de zogenaamde nakosten zal worden afgewezen. Uit artikel 237, vierde lid 4, Burgerlijke rechtsvordering (Rv) volgt dat nakosten slechts kunnen worden toegewezen in een bevelschrift, afgegeven door de rechter die de proceskostenveroordeling heeft uitgesproken. Artikel 237, vierde lid, Rv biedt geen toereikende grondslag voor het bij voorbaat toewijzen van kosten die eerst na de uitspraak (mogelijk) ontstaan. De bepaling heeft immers betrekking op "na de uitspraak ontstane kosten".

4.15. De rechtbank zal het vonnis zoals verzocht door zowel [gedaagde 1] als het Waarborgfonds uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst alle vorderingen af,

5.2. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van het Waarborgfonds tot op heden begroot op EUR 2.778,00,

5.3. veroordeel [eiseres] in de proceskosten van [gedaagde 1] tot op heden begroot op EUR 2.778,00,

5.4. verklaart dit vonnis in deze zaak wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.C.M. Bomans en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2010.?