Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2010:BL7445

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
12-03-2010
Datum publicatie
15-03-2010
Zaaknummer
04/860745-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Noodweer

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2010, 158
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector strafrecht

Parketnummer : 04/860745-08

Datum uitspraak : 12 maart 2010

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Roermond, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren [geboortedatum en plaats]

wonende [adres]

1. Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting

van 26 februari 2010.

2. De tenlastelegging

De verdachte staat terecht ter zake dat:

1.

hij op of omstreeks 24 juli 2008 te [plaats], in elk geval in de gemeente [gemeente], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet genoemde [slachtoffer] met kracht meermalen, althans eenmaal, (met een hard voorwerp) tegen het hoofd heeft geslagen en/of met geschoeide voet tegen de lever, in elk geval tegen het lichaam, heeft getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

artikel 287 jo. 45 Wetboek van Strafrecht;

Althans indien terzake het vorenstaande onder 1 geen veroordeling zou volgen:

hij op of omstreeks 24 juli 2008 te [plaats], in elk geval in de gemeente [gemeente], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, aan [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, heeft toegebracht, door genoemde [slachtoffer] opzettelijk met kracht (en met een hard voorwerp) meermalen, althans eenmaal, tegen het hoofd te slaan;

artikel 302 Wetboek van Strafrecht;

Althans indien terzake al het vorenstaande onder 1 geen veroordeling zou volgen:

hij op of omstreeks 24 juli 2008 te [plaats], in elk geval in de gemeente [gemeente], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, aan [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet genoemde [slachtoffer] met kracht (en met een hard voorwerp) meermalen, althans eenmaal, tegen het hoofd heeft geslagen en/of met geschoeide voet tegen het lichaam heeft getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

artikel 302 jo. 45 Wetboek van Strafrecht.

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3. De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4. De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

6. Schorsing der vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7. Bewijsoverwegingen

7.1. Standpunten van de officier van justitie en de verdediging.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 26 februari 2010 gevorderd dat

het primair ten laste gelegde zal worden bewezen verklaard. De officier van justitie baseert dit op de verklaringen afgelegd door verdachte, zijn zoon, het slachtoffer [slachtoffer] en de medische verklaring.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair, subsidiair en het meer subsidiair ten laste gelegde. De raadsman voert ten aanzien van het primair tenlastegelegde aan dat het geven van twee klappen tegen het hoofd en twee trappen in de buik niet tot de dood van [slachtoffer] had kunnen leiden. Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde voert de raadsman aan dat [slachtoffer] door zijn agressieve houding in het ziekenhuis en zijn vroegtijdige verlaten van het ziekenhuis heeft aangetoond dat hij geen zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het handelen van verdachte. Ten aanzien van het meer subsidiair tenlastegelegde voert de raadman aan dat verdachte door zijn handelen op grond van zijn ervaringen als bokser heeft gekozen voor zijn wijze van slaan en trappen van [slachtoffer] ter voorkoming van zwaar lichamelijk letsel.

Het oordeel van de rechtbank

Feitelijke gang van zaken

Op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt de rechtbank de volgende feitelijke gang van zaken vast .

Door de verbalisanten [1] en [2] wordt gerelateerd dat zij op donderdag 24 juli 2008, naar aanleiding van een melding van een overval in de [bedrijf] aan de [adres] te [plaats], omstreeks 20.50 uur ter plaatse zijn gegaan. Aldaar aangekomen is verbalisant [1] de [bedrijf] ingelopen en zag daar dat collega [naam] bij het slachtoffer [slachtoffer] op de grond zat. Verbalisant [1] heeft samen met collega [naam] eerste hulp aan [slachtoffer] verleend. Nadat het ambulance-personeel ter plaatse kwam is [1] naar de [verdachte] toe gelopen, die buiten voor het betreffende pand stond. De verbalisanten [2] en [1] hoorden dat [verdachte] verklaarde dat het slachtoffer [slachtoffer] meerdere bedreigingen had geuit richting het personeel waarna verdachte meerdere klappen tegen het hoofd van die [slachtoffer] had gegeven.

Door de verbalisant [3] wordt gerelateerd dat hij op donderdag 24 juli 2008 op de plaats delict sprak met [naam], zijnde de zoon van verdachte. [zoon van verdachte] verklaarde in dat gesprek dat hij en zijn vader wisten dat er problemen waren geweest met een man in de [bedrijf] ([slachtoffer]). Hij was samen met verdachte het slachtoffer [slachtoffer] aan het zoeken. Bij de [bedrijf] aangekomen kreeg verdachte een telefoontje. Hierop is verdachte samen met met zijn zoon meteen de [bedrijf] ingelopen. In de zaak was een man aanwezig die om zich heen aan het slaan was. Hij verklaarde dat hij zag dat die man met een vuist over zijn vader heen kwam. Daarop heeft hij gezien dat zijn vader die man één keer geslagen heeft en dat alles heel snel ging. De man is daarna op de grond gevallen.

Verdachte verklaart op 25 juli 2008 tegenover de politie als volgt: Op 24 juli 2008 kreeg ik rond 19.00 uur een telefoontje van mijn vriendin [naam] die vertelde dat die man er weer was die een aantal weken geleden ook al eens binnen was geweest. Hij had haar bedreigd en zou de baby uit haar snijden en in het vuur gooien. [naam] zei dat het die [buitenlander] weer was. Ze klonk erg angstig. Ik ben meteen op mijn scooter naar de zaak toegereden. Onderweg naar [plaats] heb ik mijn zoon [naam] gebeld en gezegd kom naar de zaak want die maffe [buitenlander] is er weer. Ik wist dat die [buitenlander] er niet meer was en wilde hem samen met [naam] gaan zoeken. We zijn toen samen gaan zoeken naar die [buitenlander]. We zijn daarna weer teruggereden naar de zaak. Op het moment dat ik op de [straat] bij de [bedrijf] uit de bus stapte belde mijn vriendin [naam] mij weer op er vertelde in paniek: "Hij is er weer". Zij klonk erg angstig. Ik antwoordde haar dat ik er al was. Ik ben meteen de [bedrijf] ingerend en ik zag dat die [buitenlander]se man ([slachtoffer]), die ik een aantal weken geleden uit mijn zaak had verwijderd, rechtsachter de balie van de [bedrijf] stond. Ik zag dat die man het schuim op zijn bek had staan en meteen op mij afkwam. Hij schreeuwde enorm en maakte aanstalten om mij te slaan. Hij wilde mij met een gebalde vuist slaan. Ik heb jaren gebokst en nam een bokshouding aan. Het ging vanzelf. Hij wilde mij slaan en ik weerde die slag vanuit de bokshouding af. Ik heb hem daarna meteen met mijn gebalde vuist een flinke vuistslag tegen zijn kaak gegeven. Ik sloeg met mijn rechtervuist, die vuist is nu wel gevoelig. Dat komt doordat ik die [buitenlander] tegen zijn kaak heb geslagen. Ik zag dat hij daarna door deze slag op de grond viel en meteen daarna weer opstond. Ik schrok daar eigenlijk wel een beetje van omdat ik dat niet verwacht had. Normaal gebeurt dat niet als ik iemand sla tijdens een bokswedstrijd. Als ik tijdens een bokswedstrijd iemand zo'n klap geef staat hij niet meer op. Nadat hij was opgestaan en mij wederom aanviel nam ik weer meteen een bokshouding aan en heb ik hem met mijn gebalde vuisten krachtig een linkse en daarna meteen een rechtse tegen zijn kaak aan gegeven. Meteen daarop heb ik hem nog twee trappen met mijn geschoeide linkervoet tegen zijn lever aan gegeven. Hierdoor viel hij weer op de grond. Op dat moment heb ik nog geen bloed bij die [buitenlander] gezien. Hij viel voorover op zijn buik. Ik zag dat hij weer aanstalten maakte om overeind te komen. Ik ben toen met mijn linker knie op zijn rug gaan zitten.

De rechtbank is op basis van het bovenstaande van oordeel dat verdachte het slachtoffer [slachtoffer] meermalen tegen het hoofd heeft geslagen en tegen de buik heeft geschopt.

7.2. Vrijspraakoverwegingen van de rechtbank

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte primair en subsidiair is ten laste gelegd. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Ten aanzien van de poging doodslag.

Verdachte erkent dat hij [slachtoffer] meermalen hard met zijn blote vuisten tegen het hoofd heeft geslagen en hem vervolgens tweemaal tegen zijn lichaam ter hoogte van de lever heeft geschopt. Om te beoordelen of er wel sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op de dood dient de vraag te worden beantwoord of verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer ten gevolge van het door verdachte toegepaste geweld zou overlijden. Anders dan de officier van justitie beantwoordt de rechtbank deze vraag ontkennend. Naar het oordeel van de rechtbank is er met het meermalen met gebalde vuist slaan tegen het hoofd en het krachtig schoppen in de buik van het slachtoffer, gelet op de aard van het toegepaste geweld, geen aanmerkelijke kans op het doden van het slachtoffer.

Ten aanzien van de zware mishandeling.

De rechtbank is van oordeel dat het bij het [slachtoffer] geconstateerde letsel mede in het licht van de geneeskundige verklaring waarin vermeld staat dat het slachtoffer licht traumatisch hersenletsel en een neusfractuur had, niet als zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 302 van het Wetboek van Strafrecht kan worden gekwalificeerd.

De rechtbank zal verdachte vrijspreken ten aanzien van het primair en subsidiair tenlastegelegde.

7.3. Overwegingen van de rechtbank ten aanzien van het meer subsidiair tenlastegelegde.

De overtuiging van de rechtbank dat de verdachte het meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, is gegrond op de onderstaande feiten en omstandigheden.

Opzet op zwaar lichamelijk letsel

De rechtbank is van oordeel dat verdachte het voorwaardelijke opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Immers, er bestaat een aanmerkelijke kans dat het met de blote vuist slaan tegen het hoofd en het schoppen tegen het lichaam, mede gelet op de kracht waarmee een getrainde bokser kan slaan en schoppen, op zichzelf zwaar lichamelijk letsel tot gevolg kan hebben welke kans verdachte op de koop toe heeft genomen. Het slachtoffer kan hierdoor bijvoorbeeld een gebroken kaak, oogkas of ander letsel oplopen welk letsel als zwaar lichamelijk letsel wordt aangemerkt. Het feit dat het uiteindelijke letsel niet als zwaar lichamelijk letsel gekwalificeerd is doet hieraan niet af.

Gezien het voorgaande verwerpt de rechtbank het verweer van de raadsman inhoudende dat verdachte op grond van zijn ervaring als bokser wist hoe hij zich diende te verdedigen zonder dat het slachtoffer daarbij zwaar lichamelijk letsel kon oplopen.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat verdachte voorwaardelijke opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer] en acht wettig en overtuigend bewezen zoals hierna is vermeld.

7.4. Bewezenverklaring

Op grond van voormelde bewijsmiddelen en overwegingen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 24 juli 2008 te [plaats], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet genoemde

[slachtoffer] met kracht meermalen tegen het hoofd heeft geslagen en met geschoeide voet tegen het lichaam heeft getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen.

Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de kwalificatie

8.1. De strafbaarheid

De raadsman heeft bepleit dat de verdachte, bij bewezenverklaring, dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging wegens een geldig beroep op noodweer (exces). De raadsman heeft daartoe betoogd dat het slachtoffer de agressor is geweest aangezien hij verdachte heeft aangevallen en verdachte zich op gepaste wijze heeft verdedigd. Volgens de raadsman heeft de verdachte zich, door het slachtoffer te slaan en te schoppen, verdedigd tegen ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding die van het slachtoffer uitging waarbij

verdachte verkeerde in een hevige gemoedsbeweging. Verdachte komt een geldig beroep op noodweer dan wel noodweerexces toe.

Op grond van het dossier en het ter terechtzitting besprokene acht de rechtbank het aannemelijk dat de verdachte werd aangevallen door de verward en agressief overkomende [slachtoffer]. Voorafgaande aan deze aanval werd de hoogzwangere vriendin van verdachte en haar ongeboren kind door die [slachtoffer] met de dood bedreigd waarop verdachte het voor zijn vriendin, personeel en de in zijn zaak aanwezige klanten opnam. Toen verdachte zijn zaak betrad zette [slachtoffer] direct de aanval in op verdachte waardoor er op dat moment sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachte. Verdachte heeft hierop gereageerd met het geven van een enkele klap tegen het hoofd van verdachte waarmee verdachte hoopte een halt toe te roepen aan het door [slachtoffer] gebruikte geweld. Toen deze klap het door [slachtoffer] gebruikte geweld niet deed stoppen heeft verdachte wederom tegen het hoofd van [slachtoffer] geslagen en tegen zijn buik geschopt. Om [slachtoffer] vervolgens onder bedwang te houden heeft verdachte, terwijl [slachtoffer] op de grond lag, een knie in de rug van [slachtoffer] geplaatst en vervolgens het landelijke alarmnummer gebeld.

Om een beroep op noodweer te kunnen honoreren moet de verdediging van verdachte hebben voldaan aan de eisen van subsidiariteit (hetgeen ziet op de keuze van het middel en de wijze waarop het gebruikt is) én proportionaliteit (hetgeen ziet op de juiste verhouding tussen de wijze van verdedigen en het aangerande rechtsgoed). Ter beoordeling hiervan heeft de rechtbank vooral het volgende in ogenschouw genomen. Gelet op de acute bedreigingen van [slachtoffer] jegens de vriendin van verdachte en [slachtoffer]’s aanvallen op verdachte is de rechtbank van oordeel dat er sprake was van een situatie van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding die de verdediging van verdachte’s vriendin en hemzelf noodzakelijk maakte. Uit de volgorde van de gekozen geweldsvormen (slaan en schoppen) en de mate waarin die zijn gebruikt, in relatie tot [slachtoffer]’s bedreigingen en aanvallen, trekt de rechtbank de slotsom dat het toegepaste geweld is gebleven binnen de grenzen van subsidiariteit en proportionaliteit.

De rechtbank honoreert het beroep op noodweer en acht dientengevolge het meer subsidiair bewezen verklaarde niet strafbaar. De verdachte zal ter zake van het meer subsidiair ten laste gelegde worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De rechtbank komt daarom niet toe aan de beoordeling van het beroep op noodweerexces.

8.2. De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

[slachtoffer] wonende aan [adres] heeft een vordering benadeelde partij ingediend met betrekking tot de als gevolg van het hiervoor ten laste gelegde feit geleden immateriële schade;

[slachtoffer] heeft de immateriële schade op een bedrag van € 6200,- gesteld, en wil die schade vergoed krijgen.

Aangezien de vordering betrekking heeft op het tenlastegelegde feit en verdachte dit feit gepleegd heeft vanuit een noodweersituatie is hiermee ook niet onrechtmatig gehandeld en is deze vordering niet voor toewijzing vatbaar. De rechtbank zal de vordering afwijzen.

Aangezien de vordering van de benadeelde partij zal worden afgewezen, zal de verdachte

niet worden veroordeeld in de kosten die door de benadeelde partij zijn gemaakt.

9. Toepasselijke wetsartikelen

Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 45, 302

10. Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het meer subsidiair ten laste gelegde zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verstaat dat het aldus bewezenverklaarde het hiervoor vermelde strafbare feit oplevert en verklaart verdachte ter zake strafbaar;

verklaart het meer subsidiair bewezen verklaarde feit niet strafbaar en ontslaat de verdachte ten aanzien daarvan van alle rechtsvervolging;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.

T.a.v. meer subsidiair:

Afwijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] , [adres]

Vonnis gewezen door mrs. M.J.A.G. van Baal, V.P. van Deventer en A.K. Kleine,

rechters, van wie mr. A.K. Kleine voorzitter, in tegenwoordigheid van mr

F.A.H. Peters als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de

rechtbank op 12 maart 2010.