Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2010:BL7241

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
26-02-2010
Datum publicatie
11-03-2010
Zaaknummer
04/860257-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Er zijn bij zoekingen op één dag meerdere hennepkwekerijen opgerold.

Op 1 april 2009 is ten aanzien van een familielid van H., bij wie op 18 december 2007 eveneens een hennepkwekerij was aangetroffen, besloten de zaak te seponeren op de grond dat het een oud feit betrof.

H. zelf is daarentegen daarna op 3 juni 2009 alsnog gedagvaard voor de politierechter en daarbij geconfronteerd met de onderhavige vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Niet gesteld, noch gebleken is dat omstandigheden bij die hennepkwekerijen of de daarvoor verantwoordelijk te stellen personen zodanig van elkaar verschilden dat niet gesproken kan worden van gelijke en gelijksoortige strafbare feiten en verantwoordelijk te houden personen.

Het gelijkheidsbeginsel brengt met zich mee dat dergelijke strafbare zaken in de regel op dezelfde wijze afgedaan moeten worden door het Openbaar Ministerie.

In het onderhavige geval zijn er geen bijzondere omstandigheden aan de orde gesteld die afwijking van het gelijkheidsbeginsel duldbaar maken.

Nu Hertogs niet veroordeeld is voor een strafbaar feit is niet voldaan aan dat in artikel 36e van het wet boek van Strafrecht opgenomen vereiste.

Daarom dient de officier van justitie ook niet-ontvankelijk verklaard te worden ten aanzien van de ontnemingsvordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2010, 148
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector strafrecht

Parketnummer : 04/860257-08

Datum uitspraak: 26 februari 2010

Uitspraak ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht van de politierechter Roermond

in de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Roermond tegen:

[verdachte],

geboren [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

1. Onderzoek van de zaak

De politierechter heeft op 26 februari 2010 de officier van justitie en [verdachte] voornoemd, bijgestaan door mr. M.P.J.C. Heuvelmans, advocaat te Venlo, gehoord.

De politierechter heeft kennis genomen van de processtukken, waaronder het vonnis van de politierechter in de rechtbank Roermond d.d. 26 februari 2010 in de strafzaak met parketnummer 04/860257-08, waarbij het openbaar ministerie niet ontvankelijk is verklaard.

2. Verweren

Door de raadsman is ter terechtzitting betoogd dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk verklaard dient te worden. Daartoe is aangevoerd -kort, zakelijk weergegeven- dat een aantal soortgelijke en zeer vergelijkbare strafbare feiten terzake van hennepteelt gelijktijdig bij het openbaar ministerie bekend geworden zijn door een zoeking op 18 december 2007 bij een drietal woonwagenkampjes gelegen in Nederweert en Ospel. Door het openbaar ministerie zijn in die vergelijkbare strafzaken verschillende vervolgingsbeslissingen genomen. Zo zijn zaken geseponeerd, getransigeerd of aan de politierechter ter berechting voorgelegd.

Op 1 april 2009 is ten aanzien van een familielid van [verdachte] voornoemd, bij wie op 18 december 2007 eveneens een hennepkwekerij was aangetroffen, besloten de zaak te seponeren op de grond dat het een oud feit betrof. [verdachte] is daarentegen daarna op 3 juni 2009 alsnog gedagvaard voor de politierechter en daarbij geconfronteerd met de onderhavige vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Dit verschil in vervolgingsbeslissingen is onbegrijpelijk en niet met elkaar te rijmen. Door het openbaar ministerie is het gelijkheidsbeginsel geschonden, hetgeen tot niet-ontvankelijkheid dient te leiden.

Door de officier van justitie is ter terechtzitting verklaard dat zij niet exact op de hoogte is van alle overwegingen bij de vervolgingsbeslissingen met betrekking tot de strafzaken die uit de zoekingen in de woonwagenkampjes op 18 december 2007 zijn voortgekomen. Zij heeft verder aangegeven dat mogelijk de beslissing om [verdachte] te vervolgen al eerder genomen was dan de beslissing om de zaak tegen het familielid te seponeren, maar dat deze beslissingen (vanwege de daarna te bewandelen administratieve routes) later, respectievelijk eerder aan de betreffende personen bekend geworden zijn.

3. Motivering van de beslissing

Het in artikel 167, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering neergelegde opportuniteitsbeginsel houdt in dat de officier van justitie bevoegd is, op gronden aan het algemeen belang ontleend, af te zien van vervolging.

Beslist de officier van justitie dat hij tot vervolging overgaat, dan staat die beslissing in beginsel niet ter beoordeling van de rechter.

Slechts indien de vervolging in strijd is met wettelijke of verdragsrechtelijke bepalingen of met beginselen van een behoorlijke procesorde kan sprake zijn van een verval van het recht tot strafvordering en van een door de rechter om die reden uit te spreken niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

In de strafzaak van [verdachte] zijn de volgende gebleken omstandigheden van belang.

Er zijn bij zoekingen op één dag meerdere hennepkwekerijen opgerold. Niet gesteld, noch gebleken is dat de omstandigheden bij die hennepkwekerijen of de daarvoor verantwoordelijk te stellen personen zodanig van elkaar verschilden dat niet gesproken kan worden van gelijke en gelijksoortige strafbare feiten en verantwoordelijk te houden personen. Het gelijkheidsbeginsel brengt met zich mee dat dergelijke strafbare zaken in de regel op dezelfde wijze afgedaan moeten worden door het Openbaar Ministerie, tenzij er zeer bijzondere omstandigheden aan de orde zijn die een afwijking daarop duldbaar maken. In het onderhavige geval zijn er geen bijzondere omstandigheden aan de orde gesteld die afwijking van het gelijkheidsbeginsel duldbaar maken. De gegeven verklaring dat mogelijk de vervolgingsbeslissingen niet volgtijdig uitgevoerd zijn, waardoor de sepot-beslissing wegens een oud feit eerder bekend gemaakt werd dan de vervolgingsbeslissing kan niet als een zodanige zeer bijzondere omstandigheid aangemerkt worden. In de strafzaak zag de politierechter derhalve geen zeer bijzondere feiten of omstandigheden die duldbaar zouden kunnen maken dat besloten is [verdachte] terzake van hennepkweek te vervolgen terwijl eenzelfde gelijke strafzaak tegen een familielid, ontdekt op dezelfde datum, wordt geseponeerd omdat het een oud feit zou betreffen.

Dit voerde de politierechter tot de conclusie dat in de strafzaak door het openbaar ministerie in strijd met de beginselen van behoorlijke procesorde ten aanzien van [verdachte] voornoemd een vervolgingsbeslissing genomen is, omdat daarbij niet gehandeld is overeenkomstig het gelijkheidsbeginsel. Gelet hierop is de politierechter bij uitspraak van heden tot het oordeel gekomen dat de officier van justitie niet ontvankelijk verklaard diende te worden in de strafvervolging van [verdachte] terzake van de bij hem op 18 december 2007 aangetroffen hennepkwekerij.

In samenhang met die strafzaak wordt van [verdachte] de betaling van de onderhavige vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel gevorderd. Nu [verdachte] niet veroordeeld is voor een strafbaar feit is niet voldaan aan dat in artikel 36e van het wet boek van Strafrecht opgenomen vereiste. Daarom dient de officier van justitie ook niet-ontvankelijk verklaard te worden ten aanzien van de ontnemingsvordering. Ten overvloede merkt de politierechter op dat ook ten aanzien van het indienen van ontnemingsvorderingen door het Openbaar Ministerie in deze en gelijke en gelijksoortige zaken niet consistent gehandeld is, waardoor ook ten aanzien van de tegen [verdachte] voornoemd ingediende ontnemingsvordering in strijd met het gelijkheidsbeginsel gehandeld is.

4. Uitspraak

De politierechter:

verklaart het openbaar ministerie niet ontvankelijk.

Deze uitspraak is gegeven door de politierechter, mr. L.P. Bosma, in tegenwoordigheid van L.H.E.J. Heuts als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 februari 2010.