Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2010:BL7161

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
09-03-2010
Datum publicatie
11-03-2010
Zaaknummer
04/850093-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Roermondse overvallen (Hyena). Vrijspraak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Parketnummer : 04/850093-09

Datum uitspraak: 9 maart 2010

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Roermond, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats] op [datum],

wonende te [adres]

1.Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van

3 juli 2009 (voortgezet op 6 juli 2009), 12 oktober 2009 (voortgezet op 21 oktober 2009)

en 23 februari 2010.

2.De tenlastelegging

De verdachte staat terecht ter zake dat:

hij op of omstreeks 31 december 2008 te Baexem, in elk geval in de gemeente Leudal ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer] te dwingen

tot de afgifte van een hoeveelheid geld en/of wat van hun gading was, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan tankstation [naam], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), met dat oogmerk vermomd met (een) bivakmuts(en) een tankstation, gelegen aan de [adres] heeft betreden en/of (daarbij) dreigend heeft gezegd: "Dit is een overval en ik heb een vuurwapen bij me", in elk geval woorden van soortgelijke dreigende aard en strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(artikel 317 jo. 45 Wetboek van Strafrecht)

althans indien terzake het vorenstaande geen veroordeling zou volgen:

[medeverdachte 1] en/of een of meer mededader(s) op of omstreeks 31 december 2008 te Baexem, in elk geval in de gemeente Leudal, ter uitvoering van het door genoemde [medeverdachte 1] en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van een hoeveelheid geld en/of wat van hun gading was, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan tankstation [naam], in elk geval aan een ander of anderen dan aan die [medeverdachte 1] en/of zijn mededader(s) en/of aan verdachte, met dat oogmerk vermomd met (een) bivakmuts(en) een tankstation, gelegen aan de [adres] heeft betreden en/of (daarbij) dreigend heeft gezegd: "Dit is een overval en ik heb een vuurwapen bij me", in elk geval woorden van soortgelijke dreigende aard en strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, bij het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 31 december 2008 te Baexem, in elk geval in de gemeente Roermond en/of Leudal, in elk geval in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest door genoemde [medeverdachte 1] en/of zijn mededader(s) met een auto naar Baexem te brengen

(artikel 317 jo. 45 jo. 48 Wetboek van Strafrecht).

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3.De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4.De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5.De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

6.Schorsing der vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7.Bewijsoverwegingen

7.1.Standpunten van de officier van justitie en de verdediging.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 12 oktober 2009 gevorderd dat het primair ten laste gelegde zal worden bewezen verklaard. Ter terechtzitting van 23 februari 2010 heeft de officier van justitie bij deze vordering gepersisteerd.

De verdediging heeft zich -op gronden zoals verwoord in de pleitnota- op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde.

7.2.Vrijspraakoverwegingen van de rechtbank

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte primair en subsidiair is ten laste gelegd. De rechtbank overweegt hiertoe het navolgende .

Verdachte is volhardend in zijn ontkenning bij deze overval betrokken te zijn geweest.

Zijn verklaringen komen erop neer -kort gezegd- dat hij op 31 december 2008 (samen met zijn 15-jarige zoon [naam]) de hem bekende [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op hun verzoek met de auto naar Baexem heeft gebracht, beiden daar ergens in de nabijheid van een garage heeft afgezet, op hen is blijven wachten tot ze weer terug kwamen, niet wetende dat beide jongens een overval zouden plegen. Zulks wordt bevestigd door de verklaring van [medeverdachte 1] die op 30 januari 2009 met betrekking tot deze overval als verdachte wordt gehoord door de verbalisanten [naam] en [naam] . Zij relateren in hun proces-verbaal dat -nadat zij verdachte hebben geconfronteerd met het feit dat uit onderzoek is gebleken dat verdachte iemand verteld heeft dat hij het tankstation in Baexem heeft overvallen- verdachte eerst heel lang stil is

en vervolgens begint te huilen.

[medeverdachte 1] bekent vervolgens deze overval te hebben gepleegd en verklaart onder meer:

“We hebben [verdachte] gevraagd of hij ons naar Baexem kon brengen...Ik ken hem al heel lang. De zoon van [verdachte] is ook meegegaan. Die heet [naam]. [verdachte] had niet in de gaten dat wij een overval wilden gaan plegen. Dan had hij ook zeker zijn zoon niet meegenomen…. We reden naar Baexem. We reden langs het tankstation. Bij de rotonde zijn we naar rechts gegaan. [verdachte] reed toen weer rechts richting zo’n garage die daar ligt. Vervolgens zijn wij uitgestapt. [verdachte] bleef in de auto samen met zijn zoon. [medeverdachte 2] en ik zijn uitgestapt. We liepen eerst terug richting de huizen zodat [verdachte] dacht dat we daar naartoe liepen. Vervolgens zijn we weer naar de grote weg gelopen en via het fietspad naar het tankstation gelopen. Toen we over het fietspad liepen hebben we beiden een muts opzet…. We zijn (na de overval) toen weer dezelfde weg teruggelopen naar [verdachte]. We deden net of er niets aan de hand was. We hebben tegen [verdachte] ook niets verteld”.

Zoon [naam] verklaart ook dat zij niets af wisten van het feit dat de jongens die bij hun in de auto zaten een overval gingen plegen. In een latere verklaring d.d. 10 maart 2009 legt [medeverdachte 1] een andersluidende verklaring af, inhoudende dat verdachte wel degelijk wetenschap van de overval had omdat daar (ook) onderweg in de auto over is gesproken en verdachte zou hebben gezegd dat de buit met hem gedeeld moest worden. [medeverdachte 2] verklaart ook dat verdachte wetenschap had van het feit dat er een overval op het tankstation in Baexem gepleegd zou worden en dat over de verdeling van de buit (als die er was geweest) was afgesproken dat deze door drieën ([verdachte], [medeverdachte 1] en hij) gedeeld zou worden . Bij de rechter-commissaris bevestigen beide medeverdachten hun verklaringen grotendeels met dien verstande dat [medeverdachte 2] verklaart zich niet te herinneren dat ze tevoren iets over de verdeling van de buit hebben besproken

Hoewel beide medeverdachten (uiteindelijk) belastende verklaringen hebben afgelegd over de betrokkenheid van verdachte bij deze overval, die erop neerkomen dat verdachte wel degelijk wetenschap had van het feit dat er een overval op het tankstation in Baexem gepleegd zou worden omdat voorafgaande daaraan daarover (ook) in de auto gesproken zou zijn, terwijl eveneens afgesproken zou zijn dat de buit door drieën gedeeld zou worden, heeft de rechtbank op grond van de inhoud van voormelde bewijsmiddelen niet de overtuiging bekomen dat verdachte het hem ten laste gelegde heeft begaan. Daarvoor verschillen de betreffende verklaringen teveel in detail en zijn zij op meerdere punten zelfs tegenstrijdig, zodat de rechtbank ze op dit onderdeel onvoldoende betrouwbaar en geloofwaardig acht, terwijl het dossier verder geen enkel aanknopingspunt bevat dat verdachte ook daadwerkelijk wetenschap heeft gehad van de overval en hij derhalve bij deze overval betrokken is geweest. De verdachte moet derhalve hiervan worden vrijgesproken.

8.Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Vonnis gewezen door mrs. C.A.M. Schaap-Meulemeerster, M.I.J. Hegeman en M.J.H. van den Homberg, rechters, van wie mr. M.J.H. van den Homberg voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Van de Voort-Visch als griffier en uitgesproken

ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 9 maart 2010.