Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2010:BL5265

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
24-02-2010
Datum publicatie
01-03-2010
Zaaknummer
95268 / HA ZA 09-574
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belegging, zorgplicht bank, protest niet binnen bekwame tijd.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 74
Burgerlijk Wetboek Boek 6 89
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2010, 152
JA 2010/59
JOR 2010/105
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROERMOND

Sector civielrecht

zaaknummer / rolnummer: 95268 / HA ZA 09-574

Vonnis van 24 februari 2010

in de zaak van

1. [eiser 1],

wonende te [woonplaats],

2. [eiser 2],

wonende te [woonplaats],

eisers,

advocaat mr. J.W.E.M. Guzik,

tegen

de naamloze vennootschap

ABN AMRO BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. V.M. Neering.

Partijen zullen hierna [eisers] en de Bank genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord

- de conclusie van repliek

- de conclusie van dupliek.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eisers] hebben gedurende tientallen jaren een zakelijke relatie onderhouden met de Bank, meer in het bijzonder met een te Venlo gesitueerd kantoor van de Bank.

2.2. In de periode 1991 tot mei 2003 was er sprake van een beleggingsadviesrelatie. Vanaf medio 1997 werden [eisers] daarin bijgestaan door het kantoor te Venlo van de Bank.

2.3. In de periode vanaf 2000 is de Bank met instemming van de heer [eiser 1] opties gaan schrijven.

2.4. In mei 2003 hebben [eisers] de relatie met de Bank beëindigd.

2.5. Op 24 oktober 2003 hebben Santema & Blanz (Santema) aan de Bank een brief gezonden, waarin onder andere het volgende is opgenomen:

‘[eisers]…... zijn van oordeel dat de schade die zij hebben geleden in hun effectenportefeuille (mede) is toe te schrijven aan de gebrekkige wijze waarop uw bank zich in de uitvoering van haar taken heeft gemanifesteerd. De heer en mevrouw [eisers] pretenderen om die reden een vordering te hebben op uw bank.’

2.6. Bij schrijven van 6 december 2007 van Mulders Advocaten aan de Bank wordt namens [eisers] zakelijk weergegeven medegedeeld, dat en waarom [eisers] van mening zijn dat de Bank onzorgvuldig jegens hen heeft gehandeld.

3. Het geschil

3.1. [eisers] vorderen bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis samengevat – de Bank te veroordelen tot betaling van een bedrag van EUR 751.987,77 althans van een in goede justitie door de rechtbank te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2001, althans vanaf 12 december 2007 met veroordeling van de Bank in de kosten van de procedure.

3.2. De Bank voert verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. [eisers] hebben hun vordering tot vergoeding van schade gebaseerd op wanprestatie c.q. onrechtmatige daad van de Bank. Zij hebben daaraan ten grondslag gelegd, dat de Bank bij haar advisering in het kader van de beleggingen haar zorgplicht heeft geschonden. Immers de Bank heeft [eisers] geadviseerd opties te schrijven en is deze transacties blijven uitvoeren. Daarbij heeft de Bank de uitgangspunten van het financieel plan van 10 november 1999 veronachtzaamd en [eisers] niet althans onvoldoende op risico’s gewezen, zulks in de wetenschap dat [eisers] geen ervaren beleggers waren. Tengevolge van het schrijven van opties hebben [eisers] grote verliezen geleden en zijn zij in financiële problemen geraakt.

4.2. De Bank heeft de wanprestatie c.q. de onrechtmatige daad betwist. De Bank heeft betwist dat van haar zijde is geadviseerd tot het aangaan van de in productie 3 van de dagvaarding genoemde optietransacties althans ten aanzien van al die transacties. Tevens heeft de Bank aangevoerd, dat de heer [eiser 1] als ervaren belegger steeds met de optietransacties heeft ingestemd. Tevens zijn [eisers] steeds op de hoogte gehouden met betrekking tot de resultaten van de beleggingen.

4.3. De Bank heeft als één van de meest verstrekkende verweren een beroep gedaan op artikel 6:89 Burgerlijk Wetboek (BW). De Bank stelt daartoe, dat [eisers] geen beroep meer toekomt op vergoeding van de door hen gestelde schade, omdat zij niet binnen bekwame tijd nadat zich verliezen in hun portefeuille voordeden hebben geprotesteerd.

De rechtbank is van oordeel dat dit verweer slaagt en overweegt dienaangaande het volgende.

4.4. Artikel 6:89 BW bepaalt, dat een schuldeiser op een gebrek in de prestatie geen beroep meer kan doen als hij niet binnen bekwame tijd nadat hij het gebrek heeft ontdekt of redelijkerwijs had moeten ontdekken bij de schuldenaar heeft geprotesteerd. Deze bepaling strekt ertoe de schuldenaar die de prestatie heeft verricht te beschermen, omdat hij erop moet kunnen rekenen dat de schuldeiser met bekwame spoed onderzoekt of de prestatie aan de verbintenis beantwoordt en dat de schuldeiser, als dat niet het geval blijkt te zijn, dit eveneens voortvarend aan de schuldenaar meedeelt. Het artikel beoogt bescherming te bieden aan de schuldenaar tegen late en daardoor moeilijk te betwisten klachten van de schuldeiser.

4.5. De rechtbank zal allereerst ingaan op het vereiste van bekendheid met het gebrek in de prestatie als genoemd in artikel 6:89 BW. Hoewel de discussie van partijen op dit punt niet geheel helder is, moet op grond van de stellingen van partijen over en weer worden aangenomen, dat [eisers] in ieder geval door de brief van 25 september 2002 (productie 6 bij de dagvaarding) bekend zijn geworden, althans bekend hadden moeten zijn met het gestelde gebrek in de prestatie van de Bank. Derhalve zal de rechtbank de datum van 25 september 2002 als het tijdstip waarop [eisers] het vermeende gebrek hebben ontdekt c.q. hadden moeten ontdekken bij haar verdere beoordeling tot uitgangspunt nemen.

4.6. Vervolgens ligt ter beoordeling voor de vraag of [eisers] uitgaande van een bekendheid per 25 september 2002 binnen bekwame tijd als bedoeld in artikel 6:89 BW bij de Bank ter zake hebben geprotesteerd.

In dat verband hebben [eisers] onder andere aangevoerd dat de heer [eiser 1] naar aanleiding van genoemd schrijven bij de heren [.. en ..] van de Bank heeft geprotesteerd in oktober 2002. De rechtbank overweegt dat [eisers] hebben nagelaten aan te geven op welke wijze dat protest zou hebben plaats gevonden, alsmede welke concrete bezwaren daarbij zouden zijn geuit. De rechtbank is dan ook van oordeel dat [eisers] onvoldoende hebben onderbouwd waarom de Bank het gestelde protest had moeten duiden als een protest ter zake van een gebrek in de uitvoering van haar dienstverlening als bedoeld in 6:89 BW.

De rechtbank zal de stelling als onvoldoende onderbouwd passeren.

4.7. [eisers] hebben nog betoogd, dat zij door middel van het niet bij de Bank afsluiten van een geldlening ter voldoening van de marginverplichting, alsmede door hun vertrek naar een andere bank per mei 2003 kenbaar hebben gemaakt dat zij niet tevreden waren. Allereerst overweegt de rechtbank dat een niet tevreden zijn niet zonder meer gelijk gesteld kan worden aan het in artikel 6:89 BW bedoelde protest. Verder kan de rechtbank het betoog op het punt van de lening niet volgen. Immers uit het feit dat in de kredietovereenkomst opgenomen bij de offerte van 20 maart 2003 (productie 7 van de dagvaarding) een bedrag van EUR 803.780,22 is opgenomen in combinatie met het feit dat in de brief van 6 december 2007 (productie 24 bij de dagvaarding) wordt gerefereerd aan een bij de Bank opgenomen krediet ten bedrage van exact datzelfde bedrag, begrijpt de rechtbank dat nog in 2003 een kredietovereenkomst met de Bank is gesloten. Voor zover [eisers] beoogd hebben om in dit verband te refereren aan de lening die zij bij hun zoon zouden hebben afgesloten, is de rechtbank van oordeel dat niet gesteld nog anderszins is gebleken dat de Bank bekend was met die lening. Overigens is de rechtbank van oordeel dat ook indien die lening wel bij de Bank bekend zou zijn dat feit alsmede het feit dat [eisers] per mei 2003 naar een andere bank zijn overgegaan op zichzelf, zonder bijkomende omstandigheden die niet zijn gesteld noch anderszins zijn gebleken, niet als een concludente klacht jegens de Bank ter zake van haar dienstverlening kan worden aangemerkt.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat bovenstaand betoog van [eisers] niet kan leiden tot de conclusie dat zij binnen bekwame tijd bij de Bank hebben geprotesteerd over gebreken in de door de Bank geleverde prestaties.

4.8. Vervolgens hebben [eisers] hun jegens de Bank gepretendeerde rechten op 14 oktober 2003 overgedragen aan Santema. Bij schrijven van 24 oktober 2003 (productie 22 bij de dagvaarding) heeft Santema de Bank hierover geïnformeerd. In dat schrijven is tevens opgenomen, dat [eisers] van oordeel zijn dat de schade die zij hebben geleden in hun effectenportefeuille (mede) is toe te schrijven aan de gebrekkige wijze waarop de Bank zich in de uitvoering van haar taken heeft gemanifesteerd, alsmede dat zij pretenderen om die reden een vordering te hebben op de Bank. De rechtbank constateert dat de inhoud van de brief zich op het punt van de kritiek met betrekking tot de wijze van uitvoering door de Bank beperkt tot de vage term ‘gebrekkige wijze’, welke vaagheid nog wordt versterkt door het tussen haakjes geplaatste ‘mede’. In die brief wordt niet nader gespecificeerd of concreet aangegeven welke bezwaren met betrekking tot de wijze van uitvoering het betreft. De rechtbank is dan ook van oordeel, dat de Bank uit die brief hoogstens heeft kunnen begrijpen dat zij mogelijk met een vordering zou worden geconfronteerd, doch dat de Bank op basis daarvan niet kon voorzien welke verwijten [eisers] haar concreet zouden maken. Derhalve was voor de Bank op grond van de inhoud van de brief niet (zonder meer) duidelijk waartegen zij zich concreet diende te verdedigen en dus op welke wijze zij zich daarop adequaat diende voor te bereiden en kon zij geen schadebeperkende maatregelen nemen of haar bewijspositie veilig stellen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de inhoud van die brief niet als een concludente klacht jegens de Bank ter zake haar dienstverlening kan worden aangemerkt. Het had dan ook op de weg van [eisers] gelegen om ervoor te zorgen dat de bezwaren vervolgens binnen afzienbare tijd duidelijk concreet zouden worden aangegeven en benoemd. Echter eerst bij schrijven van 6 december 2007 (productie 24 van de dagvaarding) is daartoe overgegaan.

4.9. Op grond van bovenstaande feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien is de rechtbank van oordeel, dat eerst bij schrijven van 6 december 2007 een beroep op een gebrek in de prestatie als bedoeld in artikel 6:89 BW is gedaan alsmede dat op dat moment de bekwame tijd die ingevolge artikel 6:89 BW aan [eisers] ter beschikking stond, uitgaande van een bekendheid met de gepretendeerde gebrekkige prestaties per september 2002, reeds was verstreken.

4.10. Verder overweegt de rechtbank nog dat geen bijzondere omstandigheden zijn gesteld of anderszins zijn gebleken in verband waarmee van [eisers] niet kon worden gevergd dat zij binnen bekwame tijd als bedoeld in artikel 6:89 BW een beroep op het vermeende gebrek in de prestatie deden. De door [eisers] opgeworpen suggestie dat Santema (waarschijnlijk) heeft gewacht met het entameren van een procedure vanwege financiële problematiek waarmee het bedrijf kampte is daartoe onvoldoende.

4.11. Door niet tijdig te protesteren hebben [eisers] alle rechten en bevoegdheden die aan hen op grond van de gestelde gebrekkigheid van de overeengekomen prestatie ten dienste stonden verloren. Dit betekent dat de vorderingen van [eisers] zullen worden afgewezen.

4.12. Vorenstaande brengt mee dat de overige stellingen van [eisers] en verweren van de Bank geen bespreking meer behoeven.

4.13. [eisers] zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Bank worden begroot op:

- vast recht EUR 4.938,00

- salaris advocaat 5.160,00 (2 punten × tarief EUR 2.580,00)

Totaal EUR 10.098,00

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt [eisers] in de proceskosten, aan de zijde van de Bank tot op heden begroot op EUR 10.098,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na datum van dit vonnis,

5.3. verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordeling in de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R. Kluin, mr. D.C.M. Bomans en mr. I. Boekhorst en in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2010.?