Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2010:BL2056

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
03-02-2010
Datum publicatie
04-02-2010
Zaaknummer
04/861246-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontuchtige handelingen alsmede seksueel binnendringen bij nichtje van drie/vier jaar.

Geloofwaardigheid verklaring slachtoffer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector strafrecht

Parketnummer : 04/861246-08

Datum uitspraak : 3 februari 2010

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Roermond, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats] op [datum],

wonende te [adres]

1. Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 20 januari 2010.

2. De tenlastelegging

De verdachte staat terecht ter zake dat:

1.

hij (meermalen) in of omstreeks de periode van 01 januari 2007 tot en met 20 november 2007 in de gemeente Venlo, met [slachtoffer], die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handeling(en) heeft gepleegd,

die (telkens) bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer], hebbende verdachte zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina van [slachtoffer] geduwd/gebracht;

(artikel 244 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij (meermalen) in of omstreeks de periode van 01 januari 2007 tot en met 20 november 2007 in de gemeente Venlo (telkens) ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg en/of opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer], geboren op [datum], immers heeft hij, verdachte, (telkens) de vagina van [slachtoffer] gestreeld, in elk geval betast;

(artikel 249 Wetboek van Strafrecht)

Althans indien terzake het vorenstaande onder 2 geen veroordeling zou volgen:

hij (meermalen) in of omstreeks de periode van 01 januari 2007 tot en met 20 november 2007 in de gemeente Venlo met [slachtoffer], geboren op [datum], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, (telkens) buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande in het (telkens) ontuchtig strelen althans betasten van de vagina van [slachtoffer].

(artikel 247 Wetboek van Strafrecht).

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3. De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4. De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

6. Schorsing der vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7. Bewijsoverwegingen

7.1. Standpunten van de officier van justitie en de verdediging.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 20 januari 2010 gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld voor het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde. De officier van justitie heeft daartoe -zakelijk weergegeven- het navolgende aangevoerd. [slachtoffer] heeft na haar uithuisplaatsing bij twee verschillende pleegmoeders onthullingen gedaan. Dr. Bullens heeft niet alleen het studioverhoor van [slachtoffer] beoordeeld, maar hij heeft ook gekeken naar de vraag of [slachtoffer] in haar verklaring mogelijk was beïnvloed. Gelet op de conclusie van dr. Bullens zijn er veel aanwijzingen dat [slachtoffer] de waarheid spreekt. Uit het dossier is bovendien geen motief gebleken waarom [slachtoffer] zou liegen over hetgeen er volgens haar gebeurd is.

Dat het aanraken van de vagina van [slachtoffer] zou hebben plaatsgevonden in een verzorgingssituatie, acht de officier van justitie niet aannemelijk, aangezien [slachtoffer] enkel spreekt over verdachte en niet haar ouders. Verdachte heeft een verklaring afgelegd over een gebeurtenis in Dresden. Dat dit niet de gebeurtenis is waar [slachtoffer] op doelt, blijkt uit het feit dat zij tijdens het studioverhoor heeft aangegeven dat het thuis is gebeurd, terwijl haar vader achter de computer zat. Ten aanzien van het seksueel binnendringen (feit 1) heeft de officier van justitie aangevoerd dat ook dit onderdeel naar zijn mening wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. [slachtoffer] heeft immers tijdens het studioverhoor verklaard dat verdachte ‘in’ haar vagina is geweest. Weliswaar zijn tijdens het studioverhoor niet de verschillende voorzetsels met [slachtoffer] doorgenomen, maar haar werd wel gevraagd of verdachte ‘op’, ‘tussen’ of ‘in’ haar vagina ging, waarna [slachtoffer] ‘in’ heeft gezegd. Bovendien heeft [slachtoffer] tijdens de onthulling bij haar pleegmoeder [naam] voorgedaan hoe verdachte altijd deed, waarbij zij met haar vingers in haar vagina ging. De officier van justitie heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte de ten laste gelegde handelingen meermalen heeft gepleegd. Tijdens het studioverhoor heeft [slachtoffer] verklaard dat het één keer is gebeurd. Weliswaar heeft zij tegen haar pleegmoeders verklaard dat verdachte dat ‘altijd’ deed, maar het zou naar de mening van de officier van justitie een suggestie zijn om daaraan de conclusie te verbinden dat de handelingen meermalen hebben plaatsgevonden.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten, nu daarvoor onvoldoende bewijsmiddelen voorhanden zijn. De raadsman heeft daartoe -zakelijk weergegeven- aangevoerd dat ten onrechte geen lichamelijk onderzoek bij [slachtoffer] heeft plaatsgevonden. Medische gegevens betreffende [slachtoffer] ontbreken in het dossier, terwijl deze van groot belang zijn aangezien [slachtoffer] altijd veel huiduitslag heeft gehad en daarvoor meermalen bij de huisarts en de schoolarts geweest is. Verdachte heeft [slachtoffer] met zalf ingesmeerd. Gelet op haar uitslag zal dat pijn hebben gedaan en vond [slachtoffer] het vervelend. [slachtoffer] is waarschijnlijk verkeerd begrepen, doordat zij een eigen taaltje had ontwikkeld, dat tussen de Duitse en Nederlandse taal in lag. Bovendien is de beleving van een vierjarig kind anders dan die van volwassenen en het is de vraag wat [slachtoffer] precies bedoelt met ‘in de vagina’. Het insmeren met zalf heeft waarschijnlijk meermalen plaatsgevonden. De redenering van de officier van justitie dat verdachte de feiten 1 en 2 slechts eenmaal heeft gepleegd, acht de raadsman vreemd. [slachtoffer] heeft immers verklaard dat verdachte dit ‘altijd’ deed. Indien het slechts eenmaal zou zijn gebeurd, dan zou dit incident dermate grote indruk op het slachtoffer hebben gemaakt, dat zij daar maanden later nog over spreekt. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte naar Nederland is gekomen om zijn zus en haar man, beiden lichamelijk beperkt, te helpen. Verdachte heeft nooit de behoefte gehad om [slachtoffer] seksueel te misbruiken, hij heeft die drang niet. Bovendien hebben verdachtes zus en haar man aangegeven niet te geloven dat er sprake was van seksueel misbruik. Zij zouden het gemerkt hebben als de ten laste gelegde feiten daadwerkelijk hadden plaatsgevonden. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de raadsman een brief overgelegd van [naam moeder] en [naam stiefvader], zijnde de moeder en stiefvader van [slachtoffer].

Naar aanleiding van het verweer van de raadsman heeft de officier van justitie aangevoerd dat de uithuisplaatsing van [slachtoffer] reeds heeft plaatsgevonden in november 2007, terwijl de aangifte heeft plaatsgevonden in juli 2008. Gelet op dit tijdsverloop had lichamelijk onderzoek geen nut meer. Ten aanzien van het verweer van de raadsman dat verdachte [slachtoffer] met zalf heeft ingesmeerd, heeft de officier van justitie aangevoerd dat [slachtoffer] noch tijdens haar onthullingen bij haar pleegmoeders, noch tijdens het studioverhoor heeft verklaard over het feit dat verdachte haar met zalf zou hebben ingesmeerd.

De raadsman heeft voorts aangegeven van mening te zijn dat in juli 2008 lichamelijk onderzoek wel nog nuttig kon zijn. Met betrekking tot het feit dat [slachtoffer] niets heeft verklaard over het smeren van zalf, heeft de raadsman aangevoerd dat een verklaring van een vierjarige nou eenmaal niet logisch is.

7.2. Bewijsmiddelen en overwegingen van de rechtbank

De overtuiging van de rechtbank dat de verdachte het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen. De hieronder vermelde bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit, waarop zij in het bijzonder betrekking hebben. Het genoemde geschrift is slechts gebruikt in verband met de inhoud van de overige bewijsmiddelen.

Op 7 juli 2008 heeft [naam] namens Bureau Jeugdzorg aangifte gedaan voor [slachtoffer], geboren op [datum]. In deze aangifte heeft [naam aangever] aangegeven dat op 6 november 2007 de uithuisplaatsing en ondertoezichtstelling van [slachtoffer] is uitgesproken en dat haar belangen sindsdien worden behartigd door Bureau Jeugdzorg. De reden daarvoor was ernstige verwaarlozing, welke bestond uit ernstige vervuiling, alcoholgebruik, het afhouden van hulpverlening en een onduidelijke positie van een in huis wonende oom genaamd [verdachte], de broer van [slachtoffer]’s moeder. Uit het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming is gebleken dat oom [verdachte] vanaf begin 2007 in het gezin woonachtig is. In april 2008 zijn er signalen bij Bureau Jeugdzorg binnen gekomen welke kunnen duiden op seksueel misbruik van [slachtoffer]. Op 7 april 2008 heeft aangeefster contact gehad met [naam], pleegzorgwerkster bij Rubicon, die gedurende de plaatsing van [slachtoffer] bij het pleeggezin betrokken is geweest. Deze [naam] vertelde haar onder andere dat [slachtoffer] bij de pleegmoeder had aangegeven dat ze angstig is bij Oom [verdachte]. Tevens heeft ze dingen verteld die duiden op grensoverschrijdend seksueel gedrag. Op 17 april 2008 bleek verder dat Oom [verdachte] in strijd met het advies van de Raad voor de Kinderbescherming nog steeds inwoonde bij moeder en stiefvader. Gezien het vorenstaande bestond het vermoeden van seksueel misbruik van [slachtoffer] door haar Oom [verdachte]. Bij de aangifte heeft aangeefster overgelegd: twee overzichten contactjournaals , een Rapport raadsonderzoek civiele zaken , een aanvullend onderzoek betreffende het advies uithuisplaatsing en een beschikking van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch .

Blijkens het uittreksel van het geboorteregister is [slachtoffer] geboren op [datum] In de tenlastegelegde periode 1 januari 2007 tot en met 20 november 2007 was zij derhalve drie en vier jaar.

Naar aanleiding van de aangifte is op 17 juli 2008 mevr. [naam] gehoord . Zij heeft verklaard ten tijde van het verhoor de pleegmoeder van [slachtoffer] te zijn. Op een avond bracht zij [slachtoffer] naar bed. [slachtoffer] zat op bed in een kleermakerszit, ze zat op de billen met de benen over elkaar en luisterde naar een verhaaltje. [slachtoffer] had een lange pyjamabroek aan, het was toen nog winter en koud. [naam] zag dat [slachtoffer] met beide handen in de broekspijpen ging aan de onderzijde. Ze zag dat de handen van [slachtoffer] zich kruisten en dat daarbij de linkerhand in de rechterbroekspijp en de rechterhand in de linkerbroekspijp ging. [slachtoffer] kriebelde langs haar bovenbenen richting vagina. [slachtoffer] kriebelde rondom en bij haar vagina. [naam] zag dat zij met de vingers op en neer ging en letterlijk bij haar vagina zat te kriebelen. [slachtoffer] noemt haar vagina overigens haar “moemoe”. [naam] zei tegen [slachtoffer] “[slachtoffer], wat doe je, het is koud”, waarop [slachtoffer] reageerde met de woorden “zo doet onkel [verdachte] altijd”. [naam] heeft gevraagd “hoe doet onkel [verdachte] dan?”. Ze zag dat [slachtoffer] vervolgens haar pyjamabroek een stukje omlaag deed, haar pyjamabroek een stukje uit deed en het met haar vingertjes voor deed. [naam] zag dat [slachtoffer] die pyjamabroek uitdeed tot aan haar knieën. Ze zag dat [slachtoffer] met haar vingertjes kriebelende bewegingen langs haar binnenbenen, bovenbenen tot aan haar vagina maakte. Het was een doorlopend gebied waar ze kriebelde. Onder die pyjamabroek droeg [slachtoffer] op dat moment een onderbroekje. Voorts heeft [naam] verklaard dat op een dag in maart 2008, terwijl ze stond te strijken en [slachtoffer] een tekening maakte, [slachtoffer] spontaan zei “papa doet boven puteren en onkel [verdachte] doet mij pijn, hij doet moemoe pijn”. [naam] schrok daarvan en vroeg aan [slachtoffer] “waarom doet onkel [verdachte] moemoe pijn en wat doet hij dan?” [naam] zag toen dat [slachtoffer] een vuistje maakte met haar rechter handje en daarmee bij haar vagina ging wrijven met die vuist. [naam] zag dat [slachtoffer] zittend op de stoel aan het kleuren was en haar vuistje al wrijvend van voor naar achteren bewoog op haar vagina. Ze zag dat [slachtoffer] haar vuistje middels het polsgewricht op en neer bewoog. Terwijl ze dat deed bleef [slachtoffer] herhalen dat onkel [verdachte] dat deed en haar daarmee pijn deed. Ook zei [slachtoffer] dat onkel [verdachte] zei “[slachtoffer] is stout”. Tevens heeft [naam] verklaard omtrent een ander voorval in de douche, ongeveer een week later. [naam] was alleen met [slachtoffer] in de douche en droogde ook haar billen af. [slachtoffer] draaide zich en ging met haar vingers in de richting van haar vagina en speelde daarmee. Ze ging echt in haar vagina, niet alleen in de richting van maar ook erin, met haar vingers. Ze was met haar hele hand aan spelen maar ging er met twee vingers in. [naam] hoorde dat [slachtoffer] toen zei “dat doet onkel [verdachte] altijd” en hij zegt “[slachtoffer] is stout”. [naam] vond het schokkend wat ze zag en hoorde en vroeg [slachtoffer] of onkel [verdachte] dat bij haar deed. [naam] zag toen dat [slachtoffer] het weer voordeed door met haar hand bewegingen te maken bij haar vagina. Ze ging letterlijk met haar vingers in en om de vagina. [slachtoffer] zei dat onkel [verdachte] dat deed. [slachtoffer] zei dat onkel [verdachte] moemoe pijn deed. Daarna heeft [naam] -om te checken of het een spelletje was in dat gezin- gevraagd aan [slachtoffer] of papa of mama dat ook deden. Daarop antwoordde [slachtoffer] “nee alleen onkel [verdachte]”.

Vervolgens is op 25 augustus 2008 mevr. [naam] gehoord . Zij heeft verklaard werkzaam te zijn geweest als pleegmoeder voor Rubicon. Van 7 november 2007 tot 31 januari 2008 heeft [slachtoffer] bij haar verbleven in het kader van een crisisplaatsing. Door de pleegzorgcoördinator [naam] werd gevraagd of [naam] [slachtoffer] goed na wilde kijken de eerste avond bij het douchen. Ze vroeg dat om te controleren of [slachtoffer] ook lichamelijk mishandeld was. Het was al bekend dat [slachtoffer] verwaarloosd werd en [naam] moest alle signalen oppikken. [naam] heeft [slachtoffer] die eerste avond in bad gedaan. Ze zag dat de schaamlippen van [slachtoffer] dik en rood waren. Ze zag dat [slachtoffer] ook allemaal rode plekken op de billen had. [naam] dacht op dat moment niet meteen aan seksueel misbruik. Twee dagen later waren de rode plekjes en de rode dikke schaamlippen verdwenen. [naam] heeft verklaard dat het haar opviel dat [slachtoffer] van de familiefoto’s die zij op het nachtkastje had staan, de foto van de ouders liet staan, maar dat de foto van onkel [verdachte] iedere keer omgedraaid of in het nachtkastje lag, of onzichtbaar was gemaakt door paperclips op zijn afbeelding (hoofd) te leggen. Voorts heeft [naam] aangegeven dat [slachtoffer] ook signalen heeft gegeven van seksuele mishandeling. [naam] heeft deze signalen opgeschreven, welke als bijlage bij het verhoor zijn gevoegd. De eerste keer dat [slachtoffer] wat los liet over seksueel misbruik was op 13 december 2007. [naam] had [slachtoffer] in bad gedaan en daarna waren ze samen op haar slaapkamer. [slachtoffer] droeg alleen haar onderbroek. [naam] was [slachtoffer] aan het kietelen en ze ging met haar vingers vanaf haar benen over haar buik naar de nek. [slachtoffer] zei dat zij ook tussen haar benen moest kietelen. [naam] zag dat [slachtoffer] haar benen uit elkaar deed en zei: “ook daar kietelen, mijn moemoe kietelen”. Met moemoe bedoelt [slachtoffer] het gebied tussen haar benen, haar billen, vagina. [naam] zei dat ze dat niet zou doen, waarna [slachtoffer] zei “ja, maar onkel [verdachte] kietelt me daar ook”. Toen [naam] vroeg hoe hij haar daar dan kietelde, zag ze dat [slachtoffer] een beweging maakte met haar hand. [naam] zag dat [slachtoffer] echt met haar volle hand een op- en neergaande beweging maakte tussen haar benen, in de buurt van haar vagina. Hierbij hield [slachtoffer] haar benen ook uit elkaar. Op 2 januari 2008 reed [naam] met [slachtoffer] in de auto in Blerick, in de buurt waar [slachtoffer] gewoond had. Ineens schreeuwde [slachtoffer] in paniek: “daar woont onkel [verdachte]”. [slachtoffer] was echt in paniek en pas toen [naam] zei dat ze niet naar onkel [verdachte] zouden gaan, werd [slachtoffer] rustiger. Toen ze thuis kwamen, kwam [slachtoffer] bij haar op schoot zitten. [slachtoffer] zat met haar gezicht naar [naam] toe en ze zat met haar benen wijd op schoot. Ineens zei [slachtoffer]: “onkel [verdachte] komt met zijn handen aan mijn moemoe”. [slachtoffer] deed het toen ook voor. [naam] zag dat [slachtoffer] met haar hand een op- en neergaande beweging maakte tussen haar benen. [slachtoffer] zei: “onkel [verdachte] deed mij pijn”. Meteen daarna maakte ze een rijdende beweging. [naam] zag dat [slachtoffer] haar ogen stijf dicht had en dat ze met haar hele lijfje trilde. Vervolgens zag [naam] dat [slachtoffer] zichzelf met haar hand heel hard tegen haar hoofd sloeg. Ze hoorde dat [slachtoffer] zei: “onkel [verdachte] doet dit ook”. Toen keek [slachtoffer] haar weer aan en zei: “[slachtoffer] bang”. Daarna zei ze er meteen achteraan: “[slachtoffer] bang, onkel [verdachte] lieb, onkel [verdachte] koopt stickers en snoepjes voor [slachtoffer]”.

Op 28 augustus 2008 is [slachtoffer] gehoord tijdens een studioverhoor. Blijkens het verslag van dit studioverhoor heeft [slachtoffer] de navolgende -in deze relevante- verklaringen afgelegd (waarbij G staat voor getuige, zijnde [slachtoffer], en V staat voor verhoorster).

V: Waar kom jij over praten?

G: Onkel [verdachte] (ONVERSTAANBAAR) in mijn moemoe wrijven.

V: Je hebt gezegd: Ik kom vertellen over onkel [verdachte] die doet op de moemoe wrijven hè

G: Ja

V: En waar was dat, toen onkel [verdachte] dat deed?

G: Thuis.

V: En waar was dat thuis?

G: Bij mijn eigen huis.

V: Eigen huis. Okee. En wat is jouw moemoe? Waar zit…wat is dat?

G: (GAAT OP STOEL STAAN EN LEGT RECHTERHAND IN HAAR KRUIS) Hier.

V: Wat kan je doen met de moemoe?

G: Wrijven

V: En onkel [verdachte] ging daar over wrijven. Waarmee ging die daar over wrijven, over de moemoe?

G: Van hier (PAKT KRUIS VAST) (ONVERSTAANBAAR) Zo.

V: Huhum. En waarmee deed ie dat, dat wrijven?

G: Ehm, bij onder. Onder. (WIJST AAN)

V: Ja. Onder. En deed ie dat met z’n hand of met z’n voet of met z’n gezicht of

met iets anders

G: Alleen met de handen (WRIJFT MET HAND OP TAFEL)

V: Okee. En dan deed ie zo wrijven

G: Ja

V: En hoe voelde dat aan de moemoe, als die zo ging wrijven?

V: Heel hard

V: Heel hard, Huhum.

G: Heel snel

V: En waar was jij dan?

G: bij Onkel [verdachte] de slaapkamer.

V: vertel nou eens waar je echt was?

G: Op de slaapkamerbed.

V: Vertel nou eens wat je echt daar deed op dat bed?

G: op de moemoe wrijven

V: huhum

G; heel hard. Op de moe

V: en je zei dat de pyama uit was?

G: ja

V: en was de pyama aan of uit of een kleine beetje

G: Uit

V: Toen onkel [verdachte] dat bij jou deed he, aan de moemoe wrijven, was het toen licht of was het donker

G: donker

V: of was het een klein beetje donker

G: helemaal donker

V: en waar was mama toen onkel [verdachte] dat deed?

G: onder

V: en waar was papa?

G: Boven om comprutter doen

V: Zeg, ik heb daar nog twee poppen liggen. Wil jij die eens voor mij pakken daar? Die daar liggen?

V: Nou. Kan jij mij eens laten zien

G: Ja

V: Huhum. En hoe doet onkel [verdachte] dat dan? Doe nog eens? Met onkel [verdachte]?

G: Zo. tsjoep (SLAAT MET HAND OP GEZICHT VAN POP ‘[naam]’)

V: Okee. En als onkel [verdachte] dat dan doet,

G: (VOELT MET HAND ONDER ONDERBROEK POP)

V: is dan jouw onderbroek aan of uit of

G: Uit

V: Een klein beetje uit

G: Uit

V: Okee... En dan gaat ie aan jouw moemoe

G: Ja

V: En waar gaat ie dan, waar gaat ie dan aan de moemoe doen, op ..of..

G: hier gaat ie slapen (WIJST OP TAFEL)

V: D’r op, gaat ie op of tussen of in de moemoe

G: In de moemoe

V: En hoe voelt dat aan je moemoe?

G: Pijn

V: En wanneer voelt het wel pijn aan de moemoe, [slachtoffer]?

G: Als je heel hard doet

V: Kom, geef mij de popjes maar even. Kunnen de popjes even uitrusten. Wat

onkel [verdachte] bij jou gedaan heeft, he, aan de moemoe wrijven

G: Dat wil ik nie meer

V: Nee, dat wil je niet meer. Heeft iemand anders dat wel eens bij jou gedaan?

G: Nee.

Op 3 december 2008 is [naam moeder], de moeder van [slachtoffer], gehoord . Zij heeft verklaard dat zij in 2006 officieel naar Nederland is verhuisd met haar man [naam stiefvader] en kind [slachtoffer]. Op het adres [adres] te Blerick woont ook haar broer [verdachte], sinds 2006. Haar broer kwam bij hun wonen omdat zij iemand nodig hadden die hun zou helpen met [slachtoffer]. [slachtoffer] noemt haar geslachtsdeel “moemoe”.

Tevens heeft [naam moeder] verklaard dat [slachtoffer] wel eens bij haar broer [verdachte] slaapt.

[naam stiefvader], de stiefvader van [slachtoffer], is eveneens op 3 december gehoord.

Hij heeft verklaard dat [verdachte] de broer van [naam moeder] is. [verdachte] is november 2006 bij hun komen wonen. [slachtoffer] sliep normaal gesproken in haar eigen kamer, maar als ze niet kon slapen ook wel op de slaapkamer van hemzelf of [verdachte]. Het woord hoe [slachtoffer] haar vagina noemde, moemoe, heeft [verdachte] verzonnen.

Verdachte heeft verklaard dat hij ergens tussen december 2006 en januari 2007 bij zijn zus en zwager is gaan wonen . Hij kon hun zo helpen bij de opvoeding van [slachtoffer] .

Op verzoek van de rechter-commissaris heeft dr. R. Bullens, vast beëdigd deskundige, onderzoek gedaan teneinde de betrouwbaarheid te beoordelen van de afgelegde verklaring van [slachtoffer].

Op basis van de hem ter beschikking staande gegevens acht dr. Bullens een aantal scenario’s denkbaar, van welke scenario’s hij de waarschijnlijkheid daarvan heeft besproken . Het eerste scenario is dat [slachtoffer] de waarheid spreekt en derhalve ontuchtige handelingen door verdachte heeft ervaren. Voor dit scenario komen verschillende aanwijzingen naar voren. Ten eerste is de onthulling van [slachtoffer] spontaan; mevr. [naam] gaf [slachtoffer] geen enkele aanleiding om iets over haar onkel [verdachte] te zeggen. Bovendien lijkt haar uiteindelijke verklaring nauwelijks onderhevig aan ‘ruis’ te zijn geweest. Mevr. [naam] en mevr. [naam] hebben de uitspraken van [slachtoffer] en de gesprekken die zij met haar hebben gevoerd, nauwkeurig gedocumenteerd. Voorts staat [slachtoffer] - uitgaande van de beschrijving van mevr. [naam] - niet positief tegen over Onkel [verdachte]. Haar paniekreactie in de auto en het feit dat ze zijn foto niet op haar nachtkastje wilde hebben, lijken een oorzaak te hebben. Onkel [verdachte] was mede haar verzorger/opvoeder. (Jonge) kinderen hebben die nodig om zich ten volle te kunnen ontwikkelen en zullen zo iemand niet zonder een duidelijke reden afwijzen. Andere mogelijke oorzaken (waarom ze alleen Onkel [verdachte] en niet haar ouders zou afwijzen) komen vanuit het onderhavige materiaal niet duidelijk naar voren. Een kanttekening is dat [slachtoffer] tijdens het studioverhoor de facto ‘mager’ over het (vermeende) seksueel misbruik verklaart. Dit komt echter mede voort vanuit een grote weerstand om over Onkel [verdachte] te praten. Ze geeft dit ook expliciet aan. Voorts vertelt ze spontaan dat ze niet meer wil dat Onkel [verdachte] aan haar vagina zit en heeft ze tegen mevr. [naam] al spontaan verteld dat hij haar pijn doet.

Dr. Bullens acht het tweede scenario, te weten dat de verklaring van [slachtoffer] wel klopt qua seksuele handelingen, maar dat iemand anders dan de verdachte heeft het gedaan, niet waarschijnlijk. De interviewster heeft immers gevraagd aan [slachtoffer] of iemand anders, buiten Onkel [verdachte], aan de vagina van [slachtoffer] heeft gezeten en [slachtoffer] heeft hierop ontkennend geantwoord.

Voor het derde scenario, dat de verklaring van [slachtoffer] het resultaat is van suggestieve bevraging van en/of informatie aan haar door derden, komen volgens dr. Bullens geen duidelijke aanwijzingen naar voren. Er is verschillende keren met [slachtoffer] over het (vermeende) seksueel misbruik gesproken, maar dit was - tot in ieder geval een maand voor het studioverhoor - steeds op initiatief van [slachtoffer] zelf. Voorts lijken er geen gesloten, suggestieve vragen van betekenis aan haar gesteld. Omdat [slachtoffer] tijdens het studioverhoor niet meer vertelt dan ze eerder tegenover mevr. [naam] en mevr. [naam] heeft onthuld (zelfs minder), lijkt haar verklaring niet te zijn beïnvloed door suggestieve informatie vanuit derden. Het feit dat [slachtoffer] voorts - zeker gezien haar nog jonge leeftijd- als voldoende suggestieresistent valt aan te merken, draagt eveneens bij aan de stelling dat dit scenario niet aannemelijk is. Ten aanzien van het vierde scenario, te weten de verklaringen van [slachtoffer] kloppen wat betreft de (vermeende) gepleegde handelingen, maar deze hebben plaatsvonden in het kader van een verzorgingssituatie en niet in het kader van seksueel misbruik, heeft dr. Bullens het navolgende opgemerkt. Vanuit de verklaringen van verdachte en van de moeder en stiefvader van [slachtoffer] kan worden afgeleid dat de mogelijkheid bestaat dat eventuele aanrakingen van de vagina in het kader van een verzorgingssituatie hebben plaatsgevonden. Het is dan echter opmerkelijk dat [slachtoffer] in dit opzicht (= eventueel aangeraakt/gekieteld worden hij haar vagina, in het kader van een verzorgingssituatie) specifiek naar hem verwijst en niet naar moeder of stiefvader (die haar immers ook hebben verzorgd).

Gelet op de vorenstaande bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte de onder 1 en 2 primair ten laste gelegde feiten heeft gepleegd.

De rechtbank komt tot dit oordeel gelet op het feit dat zowel mevr. [naam] als mevr. [naam], onafhankelijk van elkaar en zonder op de hoogte te zijn van elkaars verklaringen, hebben verklaard dat [slachtoffer] op meerdere momenten heeft verklaard dat haar oom [verdachte] haar moemoe pijn deed. Zij heeft ook voorgedaan hoe oom [verdachte] dat deed. Voorts heeft mevr. [naam] aangegeven dat [slachtoffer] de foto van verdachte steeds omdraaide of in haar nachtkastje legde en dat zij in paniek riep “daar woont onkel [verdachte]” toen ze in de buurt van haar oude huis kwam. Tijdens haar studioverhoor heeft [slachtoffer] verklaringen afgelegd die overeenkomen met hetgeen zij heeft verklaard aan haar pleegmoeders. De rechtbank acht ten aanzien van deze verklaringen van [slachtoffer] met name het rapport van dr. Bullens van groot belang, waaruit blijkt dat er overtuigende aanwijzingen bestaan voor het scenario dat [slachtoffer] de waarheid spreekt en verdachte haar seksueel heeft misbruikt; [slachtoffer] heeft spontaan en op eigen initiatief onthullingen gedaan, haar verklaring lijkt niet onderhevig te zijn geweest aan ruis, [slachtoffer] staat niet positief tegenover verdachte en [slachtoffer] is voldoende suggestieresistent.

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij [slachtoffer] wilde laten zien dat zij haar vagina geen pijn mocht doen. Hij heeft haar hand genomen en laten zien waar ze mag zijn en waar ze niet mag zijn, en wat een gevaarlijke plek is. Dat vond één keer plaats, in Saksen bij zijn ouders . [slachtoffer] was toen 3 jaar oud. De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van [slachtoffer] omtrent het misbruik niet doelen op deze gebeurtenis in Saksen. Dit blijkt uit haar studioverhoor, waarin zij desgevraagd heeft verklaard dat het bij haar thuis plaatsvond, terwijl haar vader achter de computer zat. Ook tegen haar pleegmoeder [naam] heeft zij gezegd “papa doet boven puteren en onkel [verdachte] doet mij pijn”.

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij bij [slachtoffer] zalf heeft gesmeerd op lichaamsdelen die kunnen ontsteken. De zus van verdachte en haar man hebben dit blijkens de door de raadsman overgelegde brief bevestigd.

De rechtbank overweegt in dit verband dat verdachte ondanks verschillende verhoren bij de politie niet eerder heeft verklaard dat [slachtoffer] uitslag had en dat hij haar met zalf insmeerde. Eerst ter terechtzitting wordt dit verweer aangevoerd.

De rechtbank is van oordeel dat wat er ook zij van de vraag of verdachte de vagina van [slachtoffer] heeft ingesmeerd met zalf, de door [slachtoffer] afgelegde verklaringen daar geen betrekking op hebben. De rechtbank overweegt daartoe dat [slachtoffer] noch bij mevr. [naam] en mevr. [naam], noch tijdens het studioverhoor heeft verklaard over het feit dat haar vagina met zalf werd ingesmeerd. Daar komt bij dat blijkens de ter terechtzitting overgelegde brief niet alleen verdachte, maar ook zijn zus en haar echtgenoot verantwoordelijk waren voor het smeren van zalf. Met dr. Bullens is de rechtbank van oordeel dat het dan opmerkelijk is dat [slachtoffer] in dit opzicht specifiek naar verdachte verwijst en niet naar haar moeder of stiefvader.

Bovendien is [slachtoffer] zowel door mevr. [naam] als tijdens het studioverhoor gevraagd of iemand anders dit bij haar heeft gedaan, waarop zij ‘nee’ heeft geantwoord. Voorts overweegt de rechtbank dat het feit dat [slachtoffer] niet doelt op het insmeren met zalf eveneens blijkt uit het studioverhoor, waar zij heeft verklaard dat de handelingen plaatsvonden op bed in verdachtes slaapkamer, terwijl het helemaal donker was. Bovendien heeft zij tijdens het studioverhoor, terwijl zij de twee poppen vast had die haarzelf en verdachte voorstelde, voorgedaan dat de pop die zijzelf voorstelde werd geslagen. Ook bij mevr. [naam] heeft [slachtoffer] zichzelf heel hard tegen haar hoofd geslagen en daarbij gezegd dat onkel [verdachte] dit ook doet, waarbij [slachtoffer] bang was en trilde. Het vorenstaande acht de rechtbank moeilijk te rijmen met de stelling dat verdachte haar slechts met zalf insmeerde.

Ten aanzien van feit 1 acht de rechtbank voorts wettig en overtuigend bewezen dat verdachte bij [slachtoffer] seksueel is binnengedrongen. Tijdens het studioverhoor heeft [slachtoffer] verklaard dat verdachte met zijn vinger ‘in’ haar moemoe is geweest en dat dit pijn deed. Uit het rapport van dr. Bullens blijkt weliswaar dat [slachtoffer] nog geen goed besef heeft van de voorzetsels. Echter, nu [slachtoffer] bij mevr. [naam] heeft voorgedaan hoe verdachte bij haar deed en daarbij echt haar vingers in haar vagina bracht, is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte zijn vingers in de vagina van [slachtoffer] heeft gebracht.

Ten aanzien van de vraag of wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat de handelingen meermalen hebben plaatsgevonden, overweegt de rechtbank als volgt. [slachtoffer] heeft tijdens het studioverhoor verklaard dat verdachte dit één keer heeft gedaan. Dr. Bullens heeft in zijn rapport gesteld dat het tijdsbesef bij [slachtoffer] nog niet ontwikkeld is. Omdat niet is gecontroleerd hoe ver zij in haar ontwikkeling in deze is, kan het antwoord met betrekking tot het aantal keer dat het (vermeende) seksueel misbruik heeft plaatsgevonden niet als betrouwbaar worden aangemerkt.

De rechtbank is van oordeel dat nu [slachtoffer] meermalen tegen mevr. [naam] heeft gezegd dat verdachte dit ‘altijd’ deed, wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte de ten laste gelegde feiten meermalen heeft gepleegd.

7.3. Bewezenverklaring

Op grond van voormelde bewijsmiddelen en overwegingen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij meermalen in de periode van 01 januari 2007 tot en met 20 november 2007 in de gemeente Venlo, met [slachtoffer], die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heeft gepleegd, die telkens bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer], hebbende verdachte zijn, verdachtes, vingers in de vagina van [slachtoffer] gebracht;

2.

hij meermalen in de periode van 01 januari 2007 tot en met 20 november 2007 in de gemeente Venlo telkens ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer], geboren op [datum], immers heeft hij, verdachte, telkens de vagina van [slachtoffer] betast.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen.

Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de kwalificatie

8.1. Kwalificatie

Het ten laste van verdachte bewezenverklaarde levert op de navolgende strafbare misdrijven:

T.a.v. feit 1:

met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.

Het misdrijf sub 1 is strafbaar gesteld bij artikel 244 van het Wetboek van Strafrecht.

T.a.v. feit 2 primair:

ontucht plegen met een aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd.

Het misdrijf sub 2 primair is strafbaar gesteld bij artikel 249 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De strafbaarheid van verdachte

Door de psycholoog P.M.F. Brookhuis, GZ psychologe, zijn op 24 februari 2009 en op 16 juli 2009 psychologische rapportages Pro Justitia uitgebracht omtrent de geestvermogens van verdachte. De deskundige komt niet tot de conclusie dat er bij verdachte sprake is van een omstandigheid die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluit.

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu ook overigens niet is gebleken van enige omstandigheid die verdachtes strafbaarheid opheft.

10. De straffen en/of maatregelen

10.1. De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat verdachte voor de feiten 1 en 2 primair zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van 24 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met reclasseringstoezicht als bijzondere voorwaarde. De officier van justitie heeft daartoe aangevoerd dat weliswaar nu nog niet duidelijk is welke gevolgen de feiten zullen hebben voor [slachtoffer], maar dat duidelijk is dat haar lichamelijke en geestelijke integriteit is aangetast. Voorts heeft de officier van justitie in aanmerking genomen dat verdachte blijkens het psychologische rapport niet geheel toerekeningsvatbaar dient te worden geacht en dat hij hulp nodig heeft. Bij de hoogte van zijn strafeis heeft de officier van justitie rekening gehouden met vergelijkbare uitspraken en bovendien met het oriëntatiepunt voor verkrachting (zijnde 24 maanden), nu verdachte bij [slachtoffer] seksueel is binnengedrongen.

10.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de strafeis van de officier van justitie buiten alle proporties is.

10.3. De overwegingen van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan seksueel grensoverschrijdend gedrag bij het slachtoffer. Deze gedragingen bestonden mede uit het seksueel binnendringen. [slachtoffer] was ten tijde van de bewezenverklaarde feiten slechts drie en vier jaar oud. De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de inbreuk op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het -zeer jonge- slachtoffer die door het bewezenverklaarde wordt veroorzaakt. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat verdachte de oom van het slachtoffer is en bij haar in huis woonde om te helpen bij haar opvoeding. Hierdoor heeft verdachte ernstig misbruik gemaakt van het vertrouwen dat het slachtoffer in hem als volwassene maar ook als oom en verzorger mocht stellen.

Voorts houdt de rechtbank rekening met de door de psycholoog dr. P.M.F. Brookhuis, GZ psychologe, op 24 februari 2009 en op 16 juli 2009 uitgebrachte psychologische rapportages Pro Justitia omtrent de geestvermogens van verdachte.

De deskundige heeft aangegeven dat nu verdachte de feiten ontkent, over de relatie stoornis-delict, de toerekeningsvatbaarheid en het recidive(risico) alleen speculatief een uitspraak kan worden gedaan. Voorts is de deskundige in de rapportages tot de conclusie gekomen dat te spreken is van een ziekelijke stoornis, althans van een in het derde levensjaar doorgemaakte hersenvliesontsteking waarbij de schade momenteel moeilijk te onderscheiden is van -mogelijk interfererende- stoorniskenmerken in het autismespectrum. Daarbij komen stoorniskenmerken voor als focusgedrag, vermijdend terugtrekgedrag, verminderde sociale vaardigheden, en daarbij angstklachten en gedeprimeerdheid. Voorts is er sprake van alcoholmisbruik en van een computerverslaving.

Van de beschreven ziekelijke stoornis zou ook te spreken zijn ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde indien dit bewezen zou worden geacht. Er is dan vanuit te gaan dat voornoemde ziekelijke stoornis verdachtes gedragskeuzen c.q. gedragingen ook beïnvloed kan hebben ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde.

Aannemelijk is dat verdachte in hoge mate kwetsbaar was en is om in een angstige en sociaalgeïsoleerde positie klem te komen zitten, en daarbij veel kon en kan gaan drinken. Gelet op het bovenstaande zou verdachte in elk geval niet geheel toerekeningsvatbaar te achten zijn. Verdachte is momenteel niet intrinsiek gemotiveerd voor hulpverlening, maar wel bereid aan hulpverlening deel te nemen als dit aan hem wordt opgelegd. Indien het tenlastegelegde bewezen verklaard zou worden zou te denken zijn aan een verplicht reclasseringscontact als voorwaarde bij een gecombineerde straf, waarbinnen aandacht besteed kan worden aan de leefgebieden wonen, werken, sociale contacten, en dagstructurering (ook vrijetijdsbesteding). Het alcoholmisbruik, de zelfverzorging en de computerfocus zijn aandachtspunten. Binnen dit reclasseringscontact zou onderzocht kunnen worden of verdachte te motiveren is voor een behandelcontact meer specifiek gericht op de door hem ervaren problemen met sociale contactvorming.

De rechtbank houdt eveneens rekening met het feit dat verdachte blijkens het uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister niet eerder is veroordeeld.

Alle omstandigheden in aanmerking genomen is de rechtbank van oordeel dat met het oog op een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lagere straf dan de hierna vermelde vrijheidsstraf met een onvoorwaardelijk deel. Met het daarnaast opleggen van een voorwaardelijke gevangenisstraf wordt de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten. Conform het advies van de psycholoog dr. Brookhuis zal de rechtbank als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht opleggen.

Naar het oordeel van de rechtbank komt in de strafeis van de officier van justitie onvoldoende de ernst van de feiten tot uitdrukking, waarbij de rechtbank met name wijst op de zeer jonge leeftijd van het slachtoffer, het feit dat verdachte bij haar in huis woonde om te helpen bij haar opvoeding en daarvan misbruik heeft gemaakt, en het feit dat er sprake was van seksueel binnendringen. Bovendien wordt verdachte veroordeeld voor het meermalen plegen van de ten laste gelegde feiten, terwijl de officier van justitie bij zijn strafeis is uitgegaan van een eenmalige gebeurtenis.

11. Toepasselijke wetsartikelen

Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 57, 244, 249.

12. Beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verstaat dat het aldus bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en verklaart verdachte ter zake strafbaar;

veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van 36 maanden;

beveelt dat van deze gevangenisstraf 9 maanden niet zullen worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt bepaald op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel gedurende die proeftijd de hierna te melden bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

beveelt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende die proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen en voorschriften die hem zullen worden gegeven door of namens de Reclassering Nederland, arrondissement Roermond,

zolang deze instelling dit noodzakelijk acht, met opdracht aan de Reclassering aan de verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze bijzondere voorwaarde.

Vonnis gewezen door mrs. G.J. Roeterdink, M.J.A.G. van Baal en

N.H.W. Montulet-van der Meer, rechters, van wie mr. M.J.A.G. van Baal voorzitter, in

tegenwoordigheid van mr. I.E.A. van Eijk-Bronkhorst als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 3 februari 2010.

Mr. Roeterdink is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.