Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2010:BK8905

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
08-01-2010
Datum publicatie
12-01-2010
Zaaknummer
AWB 09 / 1117
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2010:BN6186, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Regeling beëindiging veehouderijtakken 2e tranche (RBV). Intrekking en terugvordering sloopsubsidie op grond van artikel 32 van de RBV omdat binnen 5 jaar na de beschikking tot subsidievaststelling op het betrokken perceel woningbouw is toegestaan. Bepalend is de feitelijke situatie op het moment van besluitvorming.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector bestuursrecht, meervoudige kamer

Procedurenummer: AWB 09 / 1117

Uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake

[naam eiseres] te [plaatsnaam], eiseres,

gemachtigde mr. J.G.M. van Mierlo,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, voor deze, de teammanager Recht en Rechtsbescherming Dienst Regelingen, verweerder.

1. Procesverloop

1.1. Bij besluit van 26 juni 2009 heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 8 mei 2009 op grond van de Regeling beëindiging veehouderijtakken ongegrond verklaard. Tegen dat besluit is bij deze rechtbank beroep ingesteld.

1.2. De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Awb ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan eiseres gezonden.

1.3. Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 15 december 2009, waar voor eiseres is verschenen [naam directeur], bijgestaan door mr. J.G.M. van Mierlo en waar verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. P.M. Bakker Schut.

2. Overwegingen

2.1. Eiseres heeft op de locatie kadastraal bekend onder [naam sectie], plaatselijk bekend [adres], een vleesvarkensbedrijf gevoerd.

2.2. Op 1 oktober 2001 heeft eiseres een subsidieaanvraag ingediend op grond van de Regeling beëindiging veehouderijtakken 2e tranche (RBV) in verband met de beëindiging van genoemd vleesvarkensbedrijf en de sloop van bedrijfsgebouwen.

2.3. Per 1 januari 2002 is een gedeelte van het perceel [perceelnummer] van eiseres verkocht aan de huidige directeur van eiseres, [naam directeur]. Daarbij is het perceel met nummer [perceelnummer] kadastraal opgedeeld en opnieuw genummerd, nu met de perceelnummers [perceelnummer 1] en [perceelnummer 2]. Op het deel van het perceel dat thans nummer [perceelnummer 1] heeft, is de bedrijfswoning gelegen. Dit perceel ligt aan de doorgaande weg. Op het deel van het perceel dat thans nummer [perceelnummer 2] heeft, waren de bij het vleesvarkensbedrijf behorende bedrijfsgebouwen gelegen. Dit perceel ligt achter het perceel met nummer [perceelnummer 1] en is niet rechtstreeks bereikbaar vanaf de weg.

2.4. Bij besluit van 14 augustus 2002 heeft verweerder onder voorwaarden de door eiseres gevraagde subsidie verleend, waarbij is beslist dat het subsidiebedrag voor de afbraak van de gebouwen behorende bij de varkenstak EUR 375.967,28 bedraagt. Aan de subsidieverlening heeft verweerder een taxatierapport uit juli 2002 ten grondslag gelegd.

2.5. Op 2 oktober 2003 heeft eiseres een aanvraag tot subsidievaststelling ingediend bij verweerder omdat aan alle voorwaarden, verbonden aan de subsidieverlening, was voldaan en bij besluit van 20 november 2003 heeft verweerder de subsidie vastgesteld conform de subsidieverlening van 14 augustus 2002.

2.6. Op 14 oktober 2003 is tussen [naam directeur] (mede namens eiseres) en de gemeente [naam gemeente] een raamovereenkomst tot stand gekomen waarin onder meer is opgenomen dat:

“1. [naam directeur] op zijn woonadres [adres], kadastraal bekend gemeente [naam gemeente], sectie L., nummers [perceelnummer 1] en [perceelnummer 2] een varkenshouderij met een omvang van 2475 mestvarkens exploiteert, (…);

2. [naam directeur] dit bedrijf voor beëindiging heeft aangemeld in het kader van de Regeling Beëindiging Veehouderijtakken, 2e tranche (RBV2);

(…)

[naam directeur] zich verplicht om in ruil voor het recht om in het kader van de RBV-regeling “Ruimte voor Ruimte” vier woningen te mogen bouwen op het huidige bedrijfsperceel [adres] te [plaatsnaam]:

(…)

f. medewerking te verlenen aan het wijzigen van de ter plaatse van de bedrijfslocatie geldende bestemming “agrarisch bouwblok” in de bestemming “agrarisch gebied/kernrandgebied” en “woningbouw”;

(…).

2.7. Bij besluit van 8 november 2005 heeft Gedeputeerde Staten van Limburg het bestemmingsplan ‘[naam bestemmingsplan]’ goedgekeurd. Het bestemmingplan is in werking getreden op 6 januari 2006 en ziet op de twee percelen met de nummers [perceelnummer 1] en [perceelnummer 2]. Het perceel met nummer [perceelnummer 1] heeft daarin de bestemming woondoeleinden gekregen en het perceel met nummer [perceelnummer 2] heeft daarin de bestemming agrarisch gebied behouden. Op dat laatste perceel hebben de bedrijfsgebouwen gestaan waarvoor de sloopsubsidie is vastgesteld.

2.8. Bij brief van 31 maart 2009 heeft verweerder aan eiseres het voornemen kenbaar gemaakt de subsidie voor wat betreft de afbraak van de gebouwen in te trekken en terug te vorderen, vermeerderd met wettelijke rente. Daarbij heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de beschikking tot subsidievaststelling wordt ingetrokken indien binnen vijf jaar nadat deze is vastgesteld woningbouw op het betrokken perceel is toegestaan.

2.9. Eiseres heeft daarop op 8 april 2009 haar zienswijze naar voren gebracht. Daarbij heeft zij gesteld dat op het (erf)perceel of op de tot het bedrijf behorende landbouwgrond na datum subsidieverlening c.q. datum subsidievaststelling nooit enige bestemmingsplanwijziging heeft plaats gevonden die woningbouw mogelijk maakt.

2.10. Bij besluit van 8 mei 2009 heeft verweerder het besluit tot subsidievaststelling van 20 november 2003 herzien, het op het sloopgedeelte betrekking hebbende subsidiebesluit ingetrokken en de sloopsubsidie inclusief wettelijke rente van eiseres teruggevorderd. Aan dat besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat, in vergelijking met de situatie op het moment van de subsidieaanvraag, het bestemmingsplan met betrekking tot het perceel of de tot het bedrijf behorende grond is gewijzigd en woningbouw is toegestaan op grond van een artikel 19-procedure van de Wet op de Ruimtelijke Ordening.

2.11. Tegen voornoemd besluit van 8 mei 2009 is door eiseres bezwaar gemaakt. Bij besluit van 26 juni 2009, verzonden 29 juni 2009, heeft verweerder de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard. Tegen dit laatste besluit richt zich het beroep.

2.12. Eiseres heeft in beroep - samengevat - de volgende gronden aangevoerd.

Het perceel waarop thans woningbouw is toegestaan behoort al sinds 1 januari 2002 niet meer tot het bedrijf van eiseres. Eiseres is van mening dat de subsidieaanvraag beoordeeld moet worden op basis van de bedrijfsgegevens zoals die waren op het moment van in behandeling nemen van de subsidieaanvraag op 23 mei 2002. De bedrijfssituatie op het moment van indiening van de aanvraag speelt daarbij geen rol. De (privaatrechtelijke) overeenkomst tussen [naam directeur] en de gemeente [naam gemeente] speelt eveneens geen rol.

Subsidiair, voor het geval de rechtbank van oordeel mocht zijn dat de subsidieaanvraag wel beoordeeld zou moeten worden naar de situatie op de datum van de aanvraag, heeft eiseres aangevoerd dat de aanvraag door verweerder eerst op 23 mei 2002 in behandeling is genomen en ook om die reden de bedrijfssituatie op die datum bepalend is voor de beoordeling.

Ter zitting heeft eiseres daaraan toegevoegd dat voor de toepassing van artikel 32 van de RBV de situatie zoals die is op het moment van subsidievaststelling bepalend is.

2.13. Verweerder heeft - samengevat - aangevoerd dat een aanvraag altijd beoordeeld dient te worden op basis van de bedrijfsgegevens zoals die zijn ten tijde van de indiening van de aanvraag. Dit is gerechtvaardigd omdat die situatie voor het bestuursorgaan duidelijk te beoordelen is en een aanvrager dan niet meer door allerlei transacties de uitkomst van de beoordeling kan beïnvloeden. Bovendien is in de overeenkomst die op 14 oktober 2003 tussen [naam directeur] en de gemeente [naam gemeente] is gesloten, vermeld dat hij slechts toestemming zou krijgen om vier woningen te bouwen op het bedrijfsperceel aan de [adres], indien de agrarische bedrijfsgebouwen zouden worden gesloopt en de sloopsubsidie aan verweerder zou worden terugbetaald. Er zou derhalve sprake zijn van ongerechtvaardigde verrijking als de sloopsubsidie niet terugbetaald zou worden, terwijl er door een bestemmingsplanwijziging wel woningbouw op het bedrijfsperceel mogelijk is geworden. Ten aanzien van het subsidiaire standpunt van eiseres voert verweerder aan dat de subsidieaanvraag direct in oktober 2001 in behandeling is genomen.

2.14. De rechtbank dient op basis van de aangevoerde beroepsgronden te beoordelen of het bestreden besluit in strijd is met het geschreven of ongeschreven recht dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel.

2.15. Voor de beoordeling zijn de volgende (wettelijke) bepalingen van belang.

2.15.1. Ingevolge artikel 2 van de Kaderwet LNV-subsidies kan de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij subsidies verstrekken met betrekking tot activiteiten welke passen in het beleid inzake de in dit artikel vermelde beleidsterreinen.

2.15.2. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van deze wet, voor zover hier van belang, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling de activiteiten waarvoor subsidie kan worden verstrekt, nader worden bepaald alsmede andere criteria voor die verstrekking worden vastgesteld.

2.15.3. Ingevolge artikel 9 van de RBV, een ministeriële regeling als bedoeld in artikel 4 van de wet, verstrekt de minister naast de subsidie voor de beëindiging van een of meer veehouderijtakken op een bedrijf op aanvraag een subsidie voor de afbraak van de gebouwen, bestemd voor de uitoefening van de veehouderijtakken die worden beëindigd, met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 tot en met 13.

2.15.4. Artikel 32 van de RBV bepaalt - voor zover hier van belang - het volgende:

“Een beschikking tot subsidieverlening of -vaststelling, voorzover deze betrekking heeft op een subsidie als bedoeld in artikel 9, wordt ingetrokken indien binnen vijf jaren nadat deze is genomen, met betrekking tot het erfperceel of de tot het bedrijf behorende landbouwgrond (…) een bestemmingsplan dan wel een besluit als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening tot stand komt op basis waarvan woningbouw is toegelaten (…).”

2.15.5. Het begrip ‘erfperceel’ is in artikel 1, eerste lid, onder z, van de RBV gedefinieerd als: tot het bedrijf behorend perceel, niet zijnde landbouwgrond, waarop de gebouwen bestemd voor de uitoefening van het bedrijf gelegen zijn.

2.16. De rechtbank stelt vast dat het geschil zich in de onderhavige procedure concentreert op de vraag naar welk moment de subsidieaanvraag beoordeeld dient te worden.

2.17. De rechtbank overweegt dat wanneer uit de subsidieregeling of de aard van de subsidie geen ander tijdstip volgt, de feiten moeten worden beoordeeld naar het tijdstip van besluitvorming. In het onderhavige geval is hiervoor temeer reden gelet op de redactionele formulering van artikel 32 van de RBV en de daarin gehanteerde vijfjarentermijn. De besluitvorming heeft in casu plaatsgevonden bij de subsidieverlening op 14 augustus 2002.

2.18. De rechtbank is van oordeel dat de feitelijke situatie op 14 augustus 2002 bepalend is voor de vraag wat in het onderhavige geval moeten worden beschouwd als het erfperceel en de tot het bedrijf behorende landbouwgrond in de zin van de RBV. Daarbij acht de rechtbank het volgende van belang.

Ter zitting heeft eiseres verklaard dat haar huidige directeur [naam directeur] in 2001 bezig was het bedrijf van zijn vader over te nemen. De laatste overnamehandeling was de splitsing van het genoemde perceel met nummer [perceelnummer] in de twee nieuwe percelen met nummers [perceelnummer 1] en [perceelnummer 2]. Daarbij is het perceel [perceelnummer 1] met daarop de bedrijfswoning en de daarbij behorende tuin, overgeheveld naar het privévermogen van [naam directeur] om toekomstige waardestijgingen van het perceel onbelast te laten zijn. De op perceel [perceelnummer 1] naast de woning gelegen strook grond is ook na de overdracht steeds gebruikt voor transport ten behoeve van het op dat moment nog niet beëindigde bedrijf, aangezien anders de stallen onbereikbaar zouden zijn. Het gebruik van de woning en het perceel [perceelnummer 1] ten behoeve van het bedrijf heeft geduurd tot aan de feitelijke beëindiging van het bedrijf.

2.19. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van het gebruik van het perceel [perceelnummer 1] voor bedrijfsdoeleinden én gelet op de inhoud van de raamovereenkomst van 14 oktober 2003 waarin expliciet is vermeld dat het perceel met nummer [perceelnummer 1] behoorde tot het bedrijf van eiseres, is de rechtbank van oordeel dat de feitelijke situatie op 14 augustus 2002 aldus was, dat ook het perceel [perceelnummer 1] erfperceel in de zin van de RBV was. Dit geldt temeer nu ook de agrarische bedrijfswoning welke bij het bedrijf behoort, op dit perceel gelegen is. Daaraan doet naar het oordeel van de rechtbank niet af, dat [naam directeur] het perceel om louter fiscale redenen heeft overgeheveld naar zijn privévermogen.

2.20. In het licht van het voorgaande overweegt de rechtbank nog dat, ook als de door eiseres voorgestane datum van 23 mei 2002 bepalend zou zijn, dit haar niet zou baten omdat op dat moment het perceel [perceelnummer 1] nog werd gebruikt voor bedrijfsdoeleinden.

2.21. Uit het voorgaande volgt dat verweerder terecht toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in artikel 32 van de RBV, nu vast staat dat binnen vijf jaren nadat de beschikking tot subsidieverlening respectievelijk tot subsidievaststelling is genomen, met betrekking tot het erfperceel [adres] een bestemmingsplan tot stand is gekomen op basis waarvan woningbouw is toegelaten.

2.22. Het beroep zal op grond van hetgeen hiervoor is overwogen ongegrond worden verklaard. Van omstandigheden op grond waarvan een der partijen zou moeten worden veroordeeld in de proceskosten van de andere partij is de rechtbank niet gebleken.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mrs. P.J. Voncken, T.M. Schelfhout en E.J. Govaers (voorzitter), in tegenwoordigheid van mr. J. Schreurs-van de Langemheen als griffier en in het openbaar uitgesproken op 8 januari 2010.

w.g. mr. J. Schreurs-van de Langemheen,

griffier w.g. mr.drs. E.J. Govaers,

voorzitter

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op: 8 januari 2010

Een belanghebbende en het bestuursorgaan kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Ingevolge artikel 6:5 van de Awb bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak en moet een afschrift van de uitspraak bij het beroepschrift worden overgelegd.