Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2010:BK8899

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
08-01-2010
Datum publicatie
12-01-2010
Zaaknummer
AWB 09 / 973
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verlening van een bouwvergunning (met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO) voor het veranderen van een onderwijsvoorziening tot een brede maatschappelijke voorziening (BMV) te Heythuysen. De formele bouwaanvraag dateert van februari 2008, waarbij ten aanzien van de nadien aangebrachte veranderingen in het bouwplan sprake is van een zogeheten wijziging van ondergeschikte aard. Gelet op de datum van de aanvraag om bouwvergunning is de (oude) WRO en niet de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van toepassing. Nu er volgens vaste jurisprudentie geen sprake is van een rangorde tussen de vrijstellingsprocedure enerzijds en de bestemmingsplanprocedure aan de andere kant, dient het betoog van eisers dat verweerder, gelet op de beweerdelijke impact op de ruimtelijke ontwikkeling, een nieuw bestemmingsplan had dienen vast te stellen, te falen. De ruimtelijke onderbouwing voldoet aan de daaraan te eisen stellen en verweerder heeft bij het verlenen van vrijstelling in redelijkheid een groter gewicht kunnen toekennen aan de belangen van vergunninghouder dan aan de belangen van eisers.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector bestuursrecht, meervoudige kamer

Procedurenummer: AWB 09 / 973

Uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake

[namen eisers] te [woonplaats eisers], eisers,

gemachtigde mr. T.J.H.M. Linssen,

tegen

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Leudal, verweerder.

1. Procesverloop

1.1. Bij besluit van 2 december 2008 (verzonden op 19 januari 2009) heeft verweerder aan de [naam vergunninghouder] (hierna te noemen: [vergunninghouder]) onder het verlenen van vrijstelling op grond van artikel 19, tweede lid, van de (voormalige) Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) een bouwvergunning verleend voor het veranderen van een onderwijsvoorziening tot een brede maatschappelijke voorziening (BMV) op de hoek In de Neerakker/St. Antoniusstraat te Heythuysen.

1.2. De hiertegen door eisers voornoemd ingediende bezwaren zijn bij besluit van

26 mei 2009, onder uitbreiding van de motivering, ongegrond verklaard.

1.3. Vervolgens is hiertegen door eisers beroep ingesteld.

1.4. Met toepassing van artikel 8:26 van de Awb is [vergunninghouder] in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen. Deze heeft hiervan gebruik gemaakt.

1.5. De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Awb ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan de andere partijen gezonden.

1.6. Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 22 december 2009, waar eisers [namen eisers] in persoon zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde, mr. Linssen, voornoemd. Verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. S. Peters en H. Kanders. Namens vergunninghouder waren [persoon 1] en [persoon 2] aanwezig.

2. Overwegingen

2.1. Bij aanvraag van 28 februari 2008 heeft [vergunninghouder] aan verweerder verzocht om een bouwvergunning voor het veranderen van een onderwijsvoorziening (brede maatschappelijke voorziening) op het adres In de Neerakker 2 te Heythuysen.

2.2. Na de zienswijzeprocedure in het kader van de vrijstelling ex artikel 19, tweede lid, van de WRO doorlopen te hebben, heeft verweerder bij besluit van 2 december 2008 (bekendgemaakt op 19 januari 2009) de gevraagde bouwvergunning verleend.

2.3. Vervolgens zijn bezwaarschriften ingediend en heeft verweerder op 26 mei 2009 de bezwaren ongegrond verklaard, met dien verstande dat de motivering op een drietal punten, mede naar aanleiding van het advies van de bezwaarschriftencommissie, is aangepast.

2.4. Tegen voornoemd besluit op bezwaar is beroep ingesteld op 14 juli 2009, aangevuld met nadere gronden op 11 augustus 2009. Samengevat luiden deze gronden als volgt:

- Er blijft weliswaar (net als in de oude situatie) een school staan, maar deze wordt veel groter, met geluidsoverlast en een nadelige invloed op de woon- en leefomgeving tot gevolg;

- In plaats van de (oude) WRO had de (nieuwe) Wro dienen te worden gevolgd, nu de bouwaanvraag dateert van ná 1 juli 2008 (te weten 27 oktober 2008/3 november 2008);

- Gelet op de grote impact op de ruimtelijke ontwikkeling, had een gewone, reguliere bestemmingsplanprocedure gevolgd moeten worden in plaats van de artikel 19-vrijstelling;

- De ruimtelijke onderbouwing is ontoereikend, meer in het bijzonder omdat onvoldoende rekening wordt gehouden met de belangen van de omwonenden.

2.5. De rechtbank dient op basis van de aangevoerde beroepsgronden te beoordelen of het bestreden besluit in strijd is met het geschreven of ongeschreven recht dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

2.6. Partijen verschillen van mening omtrent het tijdstip waarop de bouwaanvraag is ingediend, een en ander mede in verband met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) per 1 juli 2008. Verweerder stelt dat de bouwaanvraag op 29 februari 2008 is ontvangen, terwijl eiser van mening is dat er eerst op 27 oktober 2008 (ingekomen ten gemeentehuize op 3 november 2008) sprake is van een bouwaanvraag, zodat deze aan de nieuwe Wro getoetst had dienen te worden. De rechtbank merkt in dit kader op dat er zich inderdaad een tweetal bouwaanvraagformulieren in het dossier bevinden, waarvan het eerste dateert van 28 februari 2008 (ingekomen 29 februari 2008). Desgevraagd heeft verweerders gemachtigde ter zitting uiteengezet dat de bouwaanvraag nadien is aangepast en dat de aanvrager abusievelijk op 27 oktober 2008 een nieuw aanvraagformulier heeft ingevuld, terwijl het bouwplan slechts op enkele kleine onderdelen is aangepast. De rechtbank heeft geen reden om aan de juistheid van deze weergave van zaken te twijfelen en ziet zich in dit kader dan ook voor de vraag gesteld of er, mede gelet op de belangen van eisers, sprake is van een zogeheten wijziging van ondergeschikte aard. Nu het bouwplan aan de zijde waar de woningen van eisers zijn gesitueerd qua volume is aangepast -desgevraagd is door vergunninghouder ter zitting medegedeeld dat er twee lokalen zijn geschrapt vanwege een geprognostiseerd minder aantal leerlingen), alsmede gelet op de andere kleine wijzigingen (onder andere de toegangsdeur), is de rechtbank van oordeel dat deze, gelet op de totaaloppervlakte van het bouwplan en de ongewijzigde verschijningsvorm, in relatie tot de omgeving, als van ondergeschikte aard moeten worden aangemerkt. In dit verband zij voorts nog overwogen dat aan de wijzigingen, wat betreft de aanvraag om bouwvergunning, geen nieuwe toetsingsaspecten zijn verbonden. Nu de formele aanvraag derhalve dateert van 29 februari 2008, deze ook is gepubliceerd en hiertegen de zienswijzen (mede) zijn gericht, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de (oude) WRO van toepassing was. Het betoog van eisers dient dan ook te falen.

2.7. Voor wat betreft de stelling van eisers dat verweerder, gelet op de beweerdelijke impact op de ruimtelijke ontwikkeling, een nieuw bestemmingsplan had dienen vast te stellen en niet had kunnen volstaan met het verlenen van een vrijstelling, overweegt de rechtbank het navolgende. De omvang van een project en de mate waarop inbreuk wordt gemaakt op het bestaande planologische regime brengen niet mee dat dient te worden gekozen voor een bestemmingsplanprocedure. Blijkens de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 19 van de WRO is ervan afgezien het projectbegrip te definiëren en is in dat artikel geen grens opgenomen voor het toepassingsbereik daarvan (Kamerstukken II, 1997-1998, 25 311, nr. 6, p. 15). Indien wordt voldaan aan de wettelijke vereisten van artikel 19, eerste of tweede lid, van de WRO staat het het college vrij toepassing te geven aan de in dat artikellid neergelegde zelfstandige projectprocedure. Een nadere motivering van die keuze is niet vereist. Nu volgens inmiddels vaste jurisprudentie derhalve geen sprake is van een rangorde tussen de vrijstellingsprocedure enerzijds en de bestemmingsplanprocedure aan de andere kant (zie bijvoorbeeld onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 7 december 2005, LJN: AU7569), zal de rechtbank -mede gelet op de aangevoerde beroepsgrond in dat kader- thans beoordelen of de ruimtelijke onderbouwing voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Daarbij merkt de rechtbank op dat zij uitgaat van de zich in het dossier bevindende ruimtelijke onderbouwing van 13 januari 2009, die -zoals verweerders gemachtigde desgevraagd ter zitting heeft verklaard, hetgeen later door de rechtbank is geverifieerd- op een aantal onderdelen (voornamelijk tekstueel) is aangepast ten opzichte van een eerder opgestelde versie van 7 april 2008.

2.8. Gelet op het bepaalde in artikel 19, eerste en tweede lid, van de WRO, zal daarin in elk geval moeten worden ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan dan wel moeten worden gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied. De ruimtelijke onderbouwing nader beschouwend, constateert de rechtbank dat in het tweede hoofdstuk de relatie wordt gelegd met de geldende bestemmingsplannen, waarbij voorts een relatie wordt gelegd met het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2006. In het derde hoofdstuk vindt een beschrijving plaats van het project en het gebied waarbinnen dit is gelegen, waarbij tevens wordt ingegaan op de ruimtelijke en stedenbouwkundige effecten. Tevens wordt in het vijfde hoofdstuk uitdrukkelijk ingegaan op de afweging van belangen, waarbij wordt benadrukt dat er thans ook al sprake is van een schoolgebouw met twee bouwlagen en er geen afbreuk wordt gedaan aan de omgeving van het projectgebied.

2.9. De rechtbank is gelet op het vorenstaande van oordeel dat in hetgeen eisers hebben aangevoerd geen grond is te vinden voor het oordeel dat de ruimtelijke onderbouwing niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Verweerder heeft deze dan ook aan de besluitvorming ten grondslag mogen leggen.

2.10. Voor wat betreft de afweging van belangen merkt de rechtbank allereerst op dat niet uit het oog mag worden verloren wat volgens het thans vigerende planologische regime reeds mogelijk is. Nu op basis daarvan de bebouwingsmogelijkheden al aanzienlijk zijn en de uitbreiding van het bestaande gebouw is gelegen in de maatschappelijke functie die er naast de al bestaande onderwijsfunctie bijkomt doordat het gebouw als brede maatschappelijke voorziening gaat fungeren, zal moeten worden bezien of de gevolgen hiervan, gelet op de belangen van eisers, zodanig zijn dat verweerder in redelijkheid niet tot het verlenen van vrijstelling heeft kunnen komen.

2.11. Gelet op de zich in het dossier bevinden stukken, waarbij de rechtbank onder meer acht heeft geslagen op de geluidsaspecten (waarnaar verweerder onderzoek heeft gedaan middels een rapport van Cauberg-Huygen -waarvan de resultaten overigens niet zijn betwist door eisers door middel van een deskundig tegenonderzoek- op basis waarvan hogere grenswaarden door verweerder zijn vastgesteld), het feit dat de parkeerplaatsen ‘van de woningen van eisers af’ worden aangelegd én in acht nemende het feit dat omtrent de in het beroepschrift aangehaalde verkeersaspecten al eerder een separate beroepsprocedure bij deze rechtbank heeft gediend (procedurenummer 08/1385; de rechtbank heeft het beroep van eisers tegen het verkeersbesluit ongegrond verklaard, er is geen hoger beroep ingesteld waardoor de rechtmatigheid van de verkeersmaatregelen thans in rechte vaststaat), is de rechtbank van oordeel dat verweerder bij het verlenen van de vrijstelling in redelijkheid een groter gewicht heeft kunnen toekennen aan de belangen van vergunninghouder dan aan de belangen van eisers.

2.12. Uit het vorenstaande volgt dat verweerder derhalve het besluit tot vrijstelling heeft mogen nemen en dat de bouwvergunning terecht verleend is.

2.13. Nu de rechtbank ook in hetgeen voor het overige nog is aangevoerd geen aanleiding heeft gezien om te concluderen dat aan het bestreden besluit een gebrek kleeft, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

2.14. Voor een proceskostenveroordeling worden geen termen aanwezig geacht.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mrs. P.J. Voncken, Th.M. Schelfhout en E.J. Govaers (voorzitter), in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Utteren-Hoving als griffier en in het openbaar uitgesproken op 8 januari 2010.

w.g. mr. M.M. van Utteren-Hoving,

griffier w.g. mr.drs. E.J. Govaers,

voorzitter

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op: 8 januari 2010

Een belanghebbende en het bestuursorgaan kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Ingevolge artikel 6:5 van de Awb bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak en moet een afschrift van de uitspraak bij het beroepschrift worden overgelegd.