Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2009:BO4345

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
16-07-2009
Datum publicatie
18-11-2010
Zaaknummer
05/831
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dit is de uitspraak die ten grondslag ligt aan de uitspraak in hoger beroep van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 7 oktober 2010 (LJN: BN9659).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector bestuursrecht, enkelvoudige kamer

Procedurenummer: AWB 05 / 831

Uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake

[eiser], eiser,

tegen

de Heffingsambtenaar van de gemeente Leudal, voorheen de gemeente Heythuysen, verweerder.

1. Procedureverloop

1.1. Aan eiser is op 16 juli 2004 een aanslag leges, ten bedrage van EUR 55,55, opgelegd voor de aanvraag van een Nederlandse identiteitskaart en een rijbewijs.

1.2. Tegen deze aanslag heeft eiser bezwaar gemaakt bij brief van 16 juli 2004, door verweerder ontvangen op 19 juli 2004.

1.3. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 6 juni 2005 het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

1.4. Tegen deze uitspraak is door eiser bij schrijven van 7 juni 2005, binnengekomen ter griffie van de rechtbank op 9 juni 2005, beroep ingesteld.

1.5. Verweerder heeft een verweerschrift, gedateerd 10 augustus 2005, ingediend, waarbij de aanslag leges is gehandhaafd.

1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 oktober 2005, alwaar eiser, zoals vooraf schriftelijk aangekondigd, niet is verschenen. Namens verweerder zijn verschenen drs. J. Slomp en de heer P. Brouns.

1.7. De rechtbank heeft ter zitting van 28 oktober 2005 – op verzoek van eiser en met instemming van verweerder – het onderzoek geschorst in afwachting van een uitspraak van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch in een gelijkende zaak.

1.8. Bij schrijven van 21 december 2007 heeft eiser de bewuste uitspraak van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch overgelegd en verzocht de schorsing voort te zetten totdat door de Hoge Raad op het beroep in cassatie is beslist. De rechtbank heeft dit verzoek gehonoreerd.

1.9. Eiser heeft bij schrijven van 7 juli 2009 het arrest van de Hoge Raad ingezonden en toestemming gegeven om een nadere behandeling van het beroep ter zitting achterwege te laten.

1.10. Nadat verweerder eveneens toestemming heeft verleend om de zaak zonder nadere zitting af te doen, heeft de rechtbank vervolgens het onderzoek gesloten en de uitspraak bepaald op heden.

2. Overwegingen

2.1. Eiser heeft zich – kort weergegeven – op het standpunt gesteld dat verweerder niet op controleerbare wijze heeft vastgelegd welke uitgaven hij in welke mate door elk van de heffingen in een verordening beoogt te dekken. Hierdoor is het voor eiser niet mogelijk om de heffingen aan de algemene rechtsbeginselen te toetsen. Voorts heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat het heffen van leges voor de aanvraag van een Nederlandse identiteitskaart en een rijbewijs niet mogelijk is, nu de verstrekking van deze documenten in het algemeen belang geschiedt.

2.2. Verweerder heeft zich ten aanzien van de eerste grief van eiser op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij door de kostenonderbouwing in zijn belangen is geschaad en er daarnaast van een schending van de algemene rechtsbeginselen geen sprake is. Met betrekking tot de tweede grief van eiser heeft verweerder aangevoerd dat geen sprake is van een dienst waarbij het publieke belang voorop staat. In artikel 229, eerste lid, onderdeel b, van de Gemeentewet is uitdrukkelijk de bevoegdheid geschapen de kosten van de dienstverlening op de aanvrager te verhalen.

2.3. Ten aanzien van eisers eerste beroepsgrond overweegt de rechtbank dat eiser in zijn gronden van beroep heeft aangegeven dat hij voor de opgelegde legesaanslag voor het aanvragen van een rijbewijs naar genoegen een kostenraming heeft aangetroffen. De rechtbank is van oordeel dat deze kostenraming voldoende controleerbaar en inzichtelijk is opgesteld. Met betrekking tot de ten behoeve van een aanvraag voor een Nederlandse identiteitskaart geheven leges heeft verweerder zich onweersproken op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij door de door verweerder gegeven kostenonderbouwing in zijn belangen is geschaad en van een van een schending van de algemene rechtsbeginselen geen sprake is.

2.4. Met betrekking tot eisers tweede grief overweegt de rechtbank het volgende.

2.5. Bij arrest van 12 juni 2009 heeft de Hoge Raad in eerdergenoemde gelijkende zaak (nr. 43.117) de uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 22 maart 2006 (nr. 05/00475) bevestigd. In laatstgenoemde uitspraak, die ziet op de voor een bouwaanvraag verschuldigde leges, waren dezelfde rechtsvragen als in de onderhavige procedure aan de orde. Het Gerechtshof overweegt immers onder rechtsoverweging 4.1 – voor zover van belang – het volgende:

“4.1 Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

a. (…)

b. (…)

c. Moet de aanslag worden vernietigd omdat de aanvraag van een bouwvergunning niet een dienst is in de zin van artikel 229, eerste lid, onderdeel b, van de Gemeentewet?

d. Moet de aanslag worden vernietigd omdat aan de aanvraag van een bouwvergunning niet een individueel belang ten grondslag ligt?”

Ten aanzien van voormelde grieven oordeelt het Gerechtshof als volgt.

“5.2 De onderhavige aanvraag strekte ertoe de voor het vergroten van een woning benodigde vergunning te verkrijgen. Zonder die vergunning zou het belanghebbende niet zijn toegestaan de woning te vergroten. Aan de aanvraag ligt daarom het individuele belang van belanghebbende ten grondslag, om een vergunning te verkrijgen tot het uitvoeren van bouwwerkzaamheden die zonder die vergunning verboden zouden zijn. Op diezelfde grond is het in behandeling nemen van deze aanvraag tevens een dienst in de zin van artikel 229, eerste lid, onderdeel b, van de Gemeentewet. De laatste twee grieven van belanghebbende falen derhalve evenzeer.”

2.6. In reactie op de bevestiging van de Hoge Raad van voormelde uitspraak van het Gerechtshof heeft eiser aangegeven dat hij ondanks dit arrest de zaak wenst voort te zetten, omdat het in casu gaat over een dienst (paspoortleges) die meer het publiekelijk belang dient ten opzichte van het individuele belang dan de dienst (bouwleges) in de zaak waarover de Hoge Raad heeft geoordeeld.

2.7. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

2.8. Ingevolge artikel 229, eerste lid, onder b, van de Gemeentewet kunnen rechten worden geheven ter zake van het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten.

2.9. De rechtbank overweegt dat in artikel 2 van de Verordening op de heffing en de invordering van leges 2004 is bepaald dat onder de naam ‘leges’ rechten worden geheven ter zake van het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten, genoemd in deze verordening en daarbij behorende tarieventabel. In de bijbehorende tarieventabel is onder hoofdstuk 9 en 10 opgenomen dat bij het aanvragen van een rijbewijs en een Nederlandse identiteitskaart leges is verschuldigd.

2.10. Onder verwijzing naar voormeld arrest is de rechtbank van oordeel dat het aanvragen van een rijbewijs en een Nederlandse identiteitskaart moet worden aangemerkt als een dienst in de zin van de verordening. Het door eiser in zijn gronden van beroep aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 13 augustus 2004 (LJN: AF1017) inzake een verzoek om vergoeding van planschade, kan niet tot een ander oordeel leiden. In tegenstelling tot laatstgenoemd arrest , waarin de Hoge Raad heeft geoordeeld dat een planschadeverzoek, dat voortvloeit uit een door de gemeente gewijzigde bestemming, om die reden een gevolg is van de publieke taakuitoefening van de gemeente, ligt aan de aanvraag van een rijbewijs en een Nederlandse identiteitskaart (ook) een individueel belang ten grondslag. Zo is eiser pas bevoegd een auto te besturen indien hij beschikt over een dergelijk document en blijkt uit een Nederlandse identiteitskaart dat eiser gerechtigd is in Nederland te verblijven en hier arbeid te verrichten.

2.11. Gelet op het vorenoverwogene zal de rechtbank het beroep ongegrond verklaren.

2.12. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb. Evenmin acht de rechtbank termen aanwezig om aan eiser het betaalde griffierecht te vergoeden.

2.13. Mitsdien wordt beslist als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. L.J.A. Crompvoets in tegenwoordigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur als griffier en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2009.

w.g. mr. D.D.R.H. Lechanteur,

griffier w.g. mr. L.J.A. Crompvoets,

rechter

Voor eensluidend afschrift,

de (wnd.) griffier,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 16 juli 2009

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ’s Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ

te ’s Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Partijen kunnen ook beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Dit is echter alleen mogelijk indien de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.