Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2009:BL7102

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
24-06-2009
Datum publicatie
10-03-2010
Zaaknummer
AWB 08/1840
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Uitspraak van de meervoudige kamer in bestuursrechtelijke zaken van 24 juni 2009.

Voorwaardelijk strafontslag van senior PIW-er, gekoppeld aan voortzetting van ontzegging van toegang en overplaatsing, naar aanleiding een incident met een gedetineerde, waarbij diens cel is ontruimd. Betrokkene wordt verweten dat hij heeft meegewerkt aan het opstellen en ondertekenen van een verklaring over de ontruiming die niet overeenkomstig de waarheid is. De Minister van justitie heeft deze gedraging, die door betrokkene wordt erkend, naar het oordeel van de rechtbank terecht aangemerkt als een ernstig plichtsverzuim die aan betrokkene kan worden toegerekend. De Minister was bevoegd tot het opleggen van een disciplinaire straf. De Minister heeft echter het beroep van betrokkene op het gelijkheidsbeginsel onvoldoende gemotiveerd afgewezen. Hij heeft een verschillend gewicht toegekend aan de diverse verklaringen in het dossier, waarbij hij er te licht vanuit is gegaan dat collega X een andere positie had dan betrokkene. Van dat verschil in positie blijkt echter niet uit de stukken en verklaringen. Het enkele feit dat betrokkene in tegenstelling tot X erkent dat hij van de onjuistheid van de door hem ondertekende verklaring op de hoogte was, is, in het licht van de verdere verklaringen over de gang van zaken en over de rol van ieder van hen daarin, onvoldoende om van ongelijke gevallen te kunnen spreken.

Grondslag aan voorwaardelijk ontslag is komen te vervallen wegens ondeugdelijke motivering. Hieruit vloeit voort dat ook de voortzetting van de ontzegging van de toegang en de overplaatsing een deugdelijke grondslag ontberen. Het bestreden besluit is vernietigd

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector bestuursrecht, meervoudige kamer

Procedurenummer: AWB 08 / 1840

Uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake

[eiser] te Roermond, eiser,

gemachtigde mr. D.E. de Hoop

tegen

de Minister van Justitie, namens deze, de sectordirecteur Gevangeniswezen, verweerder.

1. Procesverloop

1.1. Bij besluit van 11 februari 2008 heeft verweerder aan eiser de disciplinaire maatregel van voorwaardelijk ontslag met een proeftijd van twee jaren opgelegd. Daarnaast is de ontzegging van de toegang niet opgeheven. Hiertegen is namens eiser bezwaar gemaakt. Naar aanleiding daarvan heeft verweerder dit besluit bij besluit van 7 oktober 2008, verzonden op 9 oktober 2008 (het bestreden besluit), deels herroepen, in die zin dat de duur van de voorwaarde is omgezet in een jaar en drie maanden.

Bij besluit van 2 juli 2008 is eiser door verweerder overgeplaatst naar de P.I. Roermond.

Het tegen dat laatste besluit ingediende bezwaar is door verweerder bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Tegen het bestreden besluit is bij deze rechtbank beroep ingesteld.

1.2. De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Awb ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan de gemachtigde van eiser gezonden.

1.3. Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 15 mei 2009, waar eiser is verschenen bijgestaan door zijn gemachtigde, mr. D.E. de Hoop, en waar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door J. van de Ruit.

2. Overwegingen

2.1. Eiser was sinds 1 juni 1994 bij verweerder in dienst, eerst als bewaarder en laatstelijk in de functie van senior PIW-er op afdeling 5B, de Landelijke Afdeling Beheersproblematische Gedetineerden (hierna: de LABG), van de P.I. Vught. Op 7 december 2005 heeft op die afdeling een incident plaatsgevonden, waarbij gedetineerde [gedetineerde] (hierna: de gedetineerde) heeft geprobeerd door het celluik een van eisers collega’s met een pen in het gezicht te steken. De gedetineerde heeft vervolgens de inventaris van zijn cel vernield.

2.2. Op 11 december 2005 heeft eiser samen met zijn collega’s [collega 1] en [collega 2] de cel van de gedetineerde leeggeruimd. Vervolgens hebben zij in een schriftelijke mededeling als volgt verklaard:

“Tijdens het leegruimen constateerden ondergetekenden dat veel van de kledingstukken van gedetineerde [gedetineerde] kapot zijn. Met name de kledingstukken, welke gedetineerde [gedetineerde] tijdens zijn razernij op cel, onder zijn bed had gegooid.”

2.3. In oktober 2006 zijn bij verweerder signalen binnengekomen over een incident met een gedetineerde op 7 december 2005, waarbij medewerkers van de P.I., waaronder eiser, de kleding van de gedetineerde kapot geknipt zouden hebben. Daarop is het Bureau Integriteit en Veiligheid (hierna: het BIV) een onderzoek gestart naar de feiten. In verband hiermee is eiser bij besluit van 23 november 2006 de toegang tot P.I. Vught ontzegd.

2.4. Op 8 mei 2007 heeft het BIV inzake dit disciplinair onderzoek rapport uitgebracht. Hierin is opgenomen dat er geen aanwijzingen zijn dat eiser zich heeft schuldig gemaakt aan het kapotmaken van de kleding van de gedetineerde. Het BIV heeft wel geconcludeerd dat eiser een mededeling heeft opgesteld die niet overeenkomt met hetgeen tijdens de ontruiming van de cel van de gedetineerde is gebeurd, dat eiser de werkelijke toedracht van het incident heeft verzwegen totdat hij hierover is ondervraagd en dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan intimiderend gedrag jegens een collega.

2.5. Bij brief van 31 mei 2007 heeft verweerder aan eiser het voornemen bekend gemaakt aan hem een zware disciplinaire straf op te leggen op de grond dat hij zich vermoedelijk schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim. Nadat op 30 juli 2007 een verantwoordingsgesprek plaatsvond, waar enkel eisers gemachtigde is verschenen, is aan eiser bij besluit van 11 februari 2008 de disciplinaire straf van voorwaardelijk ontslag met een proeftijd van twee jaren opgelegd. Daarnaast is de ontzegging van de toegang niet opgeheven.

2.6. Bij besluit van 2 juli 2008 is eiser met ingang van 1 juli 2008 ontheven uit zijn functie en geplaatst in de functie van senior PIW-er bij de P.I. Roermond.

2.7. Naar aanleiding van eisers bezwaren heeft de Adviescommissie bezwaarschriften Algemene wet bestuursrecht inzake personele aangelegenheden van het Ministerie van Justitie (hierna: de commissie) op 16 september 2008 een advies uitgebracht. In het bestreden besluit heeft verweerder de conclusies van de commissie overgenomen en besloten het besluit van 11 februari 2008 deels te herroepen in die zin dat de proeftijd van twee jaar is omgezet in een jaar en drie maanden. Voorts heeft verweerder eisers bezwaar tegen het besluit van 11 juli 2008 ongegrond verklaard.

2.8. De rechtbank dient op basis van de aangevoerde beroepsgronden te beoordelen of het bestreden besluit in strijd is met het geschreven of ongeschreven recht dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel.

Het voorwaardelijke strafontslag

2.9. Ingevolge artikel 50, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (hierna: ARAR) is de ambtenaar gehouden de plichten uit zijn functie voortvloeiende nauwgezet en ijverig te vervullen en zich te gedragen, zoals een goed ambtenaar betaamt.

2.10. Ingevolge artikel 80, eerste lid, van het ARAR kan de ambtenaar, die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, disciplinair worden gestraft. Het tweede lid van dat artikel bepaalt, dat plichtsverzuim zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets, hetwelk een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen, omvat.

2.11. Op grond van artikel 81, eerste lid, aanhef en onder l, van het ARAR kan ontslag als disciplinaire straf worden opgelegd. Op grond van het derde lid van artikel 81 van het ARAR kan de disciplinaire straf voorwaardelijk worden opgelegd.

2.12. Aan eiser is als plichtsverzuim ten laste gelegd het ondertekenen van een onjuiste verklaring, terwijl hij op de hoogte was van de onjuistheid daarvan alsmede het lang voor zich houden van deze gedraging.

2.13. Verweerder neemt het standpunt in dat eiser zich hierdoor niet heeft gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt, waardoor hij zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim, en dat het plichtsverzuim hem ten volle is toe te rekenen. Het plichtsverzuim is door verweerder aangemerkt als zeer ernstig.

2.14. Eiser heeft het standpunt ingenomen dat het voorwaardelijk strafontslag - ook na de bijstelling van de proeftijd - disproportioneel is. Volgens eiser had verweerder er rekening mee moeten houden dat binnen diens organisatie een afrekencultuur heerst, waardoor de veiligheid ontbrak om het voorval te melden en dat hij eiser en diens collega’s in gevaar heeft gebracht door de gedetineerde terug te laten keren naar afdeling 5B. Ook had verweerder volgens eiser moeten meewegen dat laatstgenoemde al is gestraft door de lange duur van de ontzegging van de werkplek en het onder het oog van zijn collega’s moeten verlaten van de inrichting. Voorts stelt eiser dat sprake is van vooringenomenheid bij de commissie. Tot slot heeft verweerder het gelijkheidsbeginsel geschonden door [collega 1] niet te sanctioneren, aldus eiser.

2.15. De rechtbank zal ten eerste de vraag dienen te beantwoorden of verweerder het gedrag van eiser terecht als plichtsverzuim heeft aangemerkt.

2.16. Eiser heeft in zijn bezwaarschrift van 18 maart 2008 erkend dat hij de onjuiste mededeling heeft gedaan als hierboven onder rechtsoverweging 2.2 weergegeven. De rechtbank zal deze gedraging dan ook als vaststaand aannemen. Dat eiser deze gedraging lange tijd voor zich heeft gehouden, staat eveneens vast. Evenals verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiser hierdoor heeft nagelaten zich te gedragen zoals van een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden mag worden verwacht en dat daarom sprake is van plichtsverzuim. De aard van de functie van eiser maakt dat hoge eisen mogen worden gesteld aan diens integriteit en betrouwbaarheid. Dit klemt in het bijzonder bij het werken op een LABG, dat immers de geregelde omgang met gevaarlijke gedetineerden inhoudt. Juist op een dergelijke afdeling moeten collega’s op elkaars mededelingen kunnen vertrouwen. Door in strijd met de waarheid te verklaren heeft eiser zijn integriteit en betrouwbaarheid aangetast.

2.17. De verweten gedraging kan voorts aan eiser worden toegerekend, omdat hij heeft kunnen en moeten begrijpen dat het met het oog op de veiligheid van zijn collega’s aangewezen was om na de ontruiming een waarheidsgetrouwe verklaring te ondertekenen. Dat verweerder de gedetineerde niet had mogen terugplaatsen op afdeling 5B - wat van de juistheid daarvan ook zij - brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Van eiser mocht worden verwacht dat hij over voldoende professionele vaardigheden beschikte om zijn functie ook in een dergelijke situatie naar behoren uit te oefenen. Voorts is niet aannemelijk geworden dat sprake was van een afrekencultuur binnen afdeling 5B. Uit de in het kader van het disciplinair onderzoek afgenomen getuigenverklaringen komt een dergelijk beeld in ieder geval niet naar voren. Alleen eiser en [collega 2] hebben verklaard dat er een afrekencultuur heerste. Eiser is verder de enige die heeft verklaard dat het binnen die cultuur paste, dat zaken werden verzwegen.

2.18. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verweerder terecht tot het oordeel is gekomen dat eiser zich heeft schuldig gemaakt aan plichtsverzuim. Daaruit vloeit voort dat verweerder bevoegd was tot het opleggen van een disciplinaire straf.

2.19. Ten aanzien van eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel overweegt de rechtbank het volgende. Eiser heeft het standpunt ingenomen dat er geen rechtvaardiging is voor het door verweerder gemaakte onderscheid tussen eiser en [collega 1], omdat sprake is van gelijke gevallen. Daartoe heeft eiser ter zitting aangevoerd, dat [collega 1] ten minste even lang als eiser bij verweerder in dienst was en dat beiden dezelfde functie bekleedden. Eiser heeft er voorts op gewezen dat uit de verklaring van [collega 1] van 7 november 2006 blijkt dat [collega 1] op 11 december 2005 op dezelfde afdeling als eiser werkzaam was en aldaar dezelfde opdracht uitvoerde. Ook heeft zowel eiser als [collega 1] de onjuiste verklaring ondertekend, aldus eiser.

2.19.1. Verweerders gemachtigde heeft ter zitting bestreden dat sprake is van vergelijkbare gevallen en het volgende aangevoerd. [collega 1] werkte op een andere afdeling en ten tijde van de ontruiming was hij in de cel voor een controle in het kader van de brandveiligheid. [collega 1] was niet met de ontruiming belast en heeft deze ook niet uitgevoerd. [collega 1] heeft de onjuiste verklaring weliswaar ondertekend, maar het BIV heeft niet kunnen vaststellen dat hij van de onjuistheid daarvan op de hoogte was. Dit in tegenstelling tot eiser, die immers heeft erkend dat hij wist dat hij een onjuiste verklaring ondertekende. Verweerders gemachtigde heeft verwezen naar de verklaring die [collega 1] op 16 februari 2007 in het kader van het onderzoek door de BIV heeft afgelegd. Verweerder verwijt [collega 1] dat hij een verklaring heeft ondertekend, waarvan hij niet heeft vastgesteld dat deze juist was. Aan de straf van [collega 1] ligt dan ook niet hetzelfde plichtsverzuim ten grondslag als aan de straf van eiser, aldus verweerders gemachtigde.

2.20. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het beroep van eiser op het gelijkheidsbeginsel onvoldoende gemotiveerd heeft afgewezen. Verweerder heeft een verschillend gewicht toegekend aan de diverse verklaringen in het dossier, waarbij hij er te licht vanuit is gegaan dat [collega 1] een andere positie had dan eiser. Ook ter zitting is verweerder hieraan vast blijven houden. De stukken en verklaringen in onderling verband bezien, geven echter geen blijk van een andere positie van [collega 1] ten opzichte van die van eiser. Daaruit komt veeleer naar voren dat [collega 1] als senior PIW-er op de bewuste dag op afdeling 5B werkzaam was , zoals [collega 1] dat zelf ook heeft verklaard op 7 november 2006 en 16 februari 2007. Op 7 november 2006 heeft [collega 1] voorts verklaard dat hij belast was met dezelfde taak als eiser namelijk het ontruimen van de cel van de gedetineerde. Het enkele feit dat eiser in tegenstelling tot [collega 1] erkent dat hij van de onjuistheid van de door hem ondertekende verklaring op de hoogte was, is, in het licht van de verdere verklaringen over de gang van zaken en over de rol van ieder van hen daarin, onvoldoende om van ongelijke gevallen te kunnen spreken.

2.21. Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat aan het bestreden besluit in zoverre een deugdelijke motivering ontbreekt. Daardoor is de grondslag aan het voorwaardelijk ontslag komen te vervallen. Hieruit vloeit voort dat ook de voortzetting van de ontzegging van de toegang en de overplaatsing een deugdelijke grondslag ontberen. Het bestreden besluit komt dan ook wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb voor vernietiging in aanmerking. Het beroep wordt gegrond verklaard. Verweerder zal worden opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

Omdat de uitkomst van die heroverweging niet op voorhand voor de rechtbank vast staat, is het niet opportuun om nu al te beslissen op het verzoek van eiser om schadevergoeding.

2.22. De rechtbank acht verder termen aanwezig om verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep, een en ander overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden twee punten toegekend. Het gewicht van de zaak wordt bepaald op gemiddeld, hetgeen correspondeert met de wegingsfactor 1.

3. Beslissing

De rechtbank:

gelet op het bepaalde in de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht;

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van het gestelde in deze uitspraak;

veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiser begroot op EUR 644,00 (zijnde de kosten van rechtsbijstand) te vergoeden door de Staat der Nederlanden;

bepaalt voorts, dat de Staat der Nederlanden aan eiser het door of namens deze betaalde griffierecht ten bedrage van EUR 145,00 volledig vergoedt.

Aldus gedaan door mrs. P.J. Voncken (voorzitter), A.W.P. Letschert en B.W.P.M. Corbey-Smits, in tegenwoordigheid van mr. P. Lanslots als griffier en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2009.

w.g. mr. P. Lanslots,

griffier w.g. mr. P.J. Voncken,

voorzitter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

verzonden op: 24 juni 2009

Een belanghebbende en het bestuursorgaan kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Ingevolge artikel 6:5 van de Awb bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak en moet een afschrift van de uitspraak bij het beroepschrift worden overgelegd.