Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2009:BK6394

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
09-12-2009
Datum publicatie
14-12-2009
Zaaknummer
AWB 09 / 1564, 09 / 1563
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Op 28 oktober 2009 heeft verweerder het projectbesluit ter realisatie van de multifunctionele accommodatie (MFA) te Arcen -gewijzigd ten opzichte van het voornemen- vastgesteld. Tegen dit besluit heeft verzoekster (rechtstreeks) beroep ingesteld bij de rechtbank. Tevens heeft zij de voorzieningenrechter verzocht ter zake een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft met toepassing van het bepaalde in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak gedaan in de hoofdzaak.

De rechter is gebleken dat verzoekster op een afstand van ongeveer 500 meter van het projectgebied woont. Zij heeft weliswaar tussen bomen door enig zicht op de locatie, maar in onderlinge samenhang bezien met de ruime afstand, is de rechter van oordeel dat verzoekster niet geraakt wordt in een belang dat rechtstreeks bij de vaststelling van het projectbesluit is betrokken zoals bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.

Voorts overweegt de rechter dat de ruimtelijke uitstraling onder omstandigheden ook een factor kan zijn waaraan betekenis toekomt, maar in deze procedure staan enkel onderdelen van het projectbesluit die zien op niet-bouwvergunningplichtige activiteiten centraal, zodat aan de ruimtelijke uitstraling niet het gewicht kan worden toegekend dat verzoekster daaraan toegekend wil zien.

De rechter is dan ook van oordeel dat verzoekster niet-ontvankelijk is in haar beroep. Voor het treffen van een voorlopige voorziening bestaat, gezien het oordeel in de bodemprocedure, geen aanleiding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 09 / 1564 + 09 / 1563 (bodemzaak)

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) met toepassing van artikel 8:86 van de Awb

inzake

[naam verzoekster] te [woonplaats verzoekster], verzoekster,

gemachtigde mr. J. Schoneveld,

tegen

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Arcen en Velden, verweerder.

1. Procesverloop

1.1. Op 28 oktober 2009 heeft verweerder het projectbesluit -als bedoeld in artikel 3.10 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro)- voor de realisatie van de Multifunctionele Accommodatie (verder: MFA) te Arcen vastgesteld.

1.2. Tegen dit besluit heeft verzoekster bij schrijven van 4 november 2009 een beroepschrift op grond van de Awb ingediend bij deze rechtbank. Tevens heeft verzoekster zich tot de rechtbank gewend met het verzoek ter zake een voorlopige voorziening te treffen ex artikel 8:81 van de Awb.

1.3. Met toepassing van het bepaalde in artikel 8:26 lid 1 van de Awb is de gemeente Arcen en Velden in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen.

1.4. De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:83 van de Awb ingezonden stukken zijn in afschrift aan verzoekster gezonden.

1.5. Bij schrijven van 24 november 2009 heeft mr. J. Schoneveld zich gesteld als gemachtigde van verzoekster.

1.6. Het verzoek is behandeld ter zitting van 3 december 2009, waar verzoekster in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Schoneveld voornoemd, en waar verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door J.M.G. Vincken.

2. Overwegingen

2.1. Op 22 juli 2009 heeft verweerder kenbaar gemaakt dat hij voornemens is om een multifunctionele accommodatie te realiseren aan de zuidzijde van de kern Arcen, ten noorden van de Schans. Deze accommodatie zal ruimte bieden aan een school, kinderdagverblijf, bibliotheek, sporthal alsmede een gemeenschapshuis. De ontwikkeling van de MFA is op basis van het vigerende bestemmingsplan “Arcen Dorp 2005” niet mogelijk, zodat verweerder voornemens is een projectbesluit als bedoeld in artikel 3.10 van de Wro te nemen. Het ontwerp-projectbesluit heeft met ingang van 23 juli 2009 6 weken ter inzage gelegen.

2.1.1. Naar aanleiding van het ontwerp-projectbesluit heeft verzoekster een zienswijze ingediend.

2.1.2. Op 28 oktober 2009 heeft verweerder het projectbesluit -gewijzigd ten opzichte van het voornemen- vastgesteld. Tegen dit besluit heeft verzoekster (rechtstreeks) beroep ingesteld bij de rechtbank. Tevens heeft zij de voorzieningenrechter verzocht ter zake een voorlopige voorziening te treffen.

2.2. In artikel 8:81 van de Awb is bepaald dat indien tegen een besluit beroep is ingesteld bij de rechtbank, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2.1. De rechter concludeert dat aan de eerste twee in artikel 8:81 van de Awb geformuleerde formele vereisten is voldaan nu verzoekster een beroepschrift heeft ingediend tegen het besluit ter zake waarvan de voorlopige voorziening wordt gevraagd en de rechtbank te Roermond bevoegd moet worden geacht om van de hoofdzaak kennis te nemen.

2.2.2. Ten aanzien van de onverwijlde spoed overweegt de rechter dat, zoals ter zitting toegelicht, de activiteiten niet op heel korte termijn zullen plaatsvinden, doch wel naar verwachting voordat de hoofdzaak ter zitting zal worden behandeld. Reden waarom de voorzieningenrechter een spoedeisend belang aanwezig acht.

2.2.3. De rechter ziet dan ook geen beletselen het verzoek om een voorlopige voorziening ten aanzien van dit besluit in behandeling te nemen.

2.2.4. Het verzoek als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb is gedaan terwijl beroep is ingesteld bij de rechtbank. Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter alsdan onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak indien hij na de behandeling van het verzoek ter zitting van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Op deze bevoegdheid van de rechter is partijen gewezen in de kennisgeving van behandeling ter zitting.

Na de kennisneming van de stukken en na de behandeling van het verzoek ter zitting is de rechter van oordeel dat nader onderzoek aan de behandeling van de zaak niet kan bijdragen. Ook overigens is niet gebleken van feiten of omstandigheden die zich tegen de toepassing van het bepaalde in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb verzetten. De rechter doet dan ook onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak.

2.2.5. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. De wetgever heeft deze eis gesteld teneinde te voorkomen dat een ieder, in welke hoedanigheid dan ook, of een persoon met slechts een verwijderd of indirect belang als belanghebbende zou moeten worden beschouwd en beroep zou kunnen instellen. Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient een natuurlijk persoon volgens vaste jurisprudentie een voldoende objectief bepaalbaar en eigen, persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit.

2.2.6. De rechter is gebleken dat verzoekster op een afstand van ongeveer 500 meter van het projectgebied woont. Zij heeft weliswaar tussen bomen door enig zicht op de locatie, maar in onderlinge samenhang bezien met de ruime afstand, is de rechter van oordeel dat verzoekster niet geraakt wordt in een belang dat rechtstreeks bij de vaststelling van het projectbesluit is betrokken zoals bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.

Voorts overweegt de rechter dat de ruimtelijke uitstraling onder omstandigheden ook een factor kan zijn waaraan betekenis toekomt, maar in deze procedure staan enkel onderdelen van het projectbesluit die zien op niet-bouwvergunningplichtige activiteiten centraal, zodat aan de ruimtelijke uitstraling niet het gewicht kan worden toegekend dat verzoekster daaraan toegekend wil zien.

2.2.7. De rechter is dan ook van oordeel dat verzoekster niet-ontvankelijk is in haar beroep. Voor het treffen van een voorlopige voorziening bestaat, gezien het oordeel in de bodemprocedure, geen aanleiding.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

verklaart het beroep niet-ontvankelijk;

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Aldus gedaan door mr.drs. E.J. Govaers in tegenwoordigheid van mr. N.F.M. Beurskens-Roelofs als griffier en in het openbaar uitgesproken op 9 december 2009.

w.g. mr. N.F.M. Beurskens-Roelofs,

griffier w.g. mr.drs. E.J. Govaers,

voorzieningenrechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

verzonden op: 9 december 2009

Een belanghebbende en het bestuursorgaan kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Ingevolge artikel 6:5 van de Awb bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak en moet een afschrift van de uitspraak bij het beroepschrift worden overgelegd.